Ruth 1: Is er wel brood in Bethlehem?

liturgie morgendienst zondag 2 december 2012

votum (gezongen) en groet

zingen:      Gz. 47: 1,2,3 (tegenstem)

gebed

 

     bediening van de doop aan Isolde Chloe Veldman

doopsformulier

zingen (na doopvragen):

Gz. 124: 1a,2m,3v (R:allen)

zingen (na bediening van de doop):

Gz. 124: 4,5 (allen)

dankgebed

zingen:       Lied 335: 9

 

  bediening van het Woord

Schriftlezing:    Ruth 1

zingen:       Ps. 105: 5,8,19

verkondiging:   Ruth 1    ‘Is er wel brood in Bethlehem?’

zingen:       Ps. 144: 5,6

wet van de Heer

zingen:      Gz. 155: 4,5

gebed

collecte

zingen:      Gz. 47: 4,5,6 (tegenstem)

zegen

————————————————————————————————————————————–

 Beste David en Annemarie, kinderen, familie, andere gasten, u en jullie als samen Gods gemeente,

 

‘Ik vertrek’ –  dat is een TV programma over mensen die uit Nederland vertrekken, om ergens anders hun geluk te beproeven, omdat ze in eigen land zijn vastgelopen of het hier wel gezien hebben – ze kiezen ervoor ergens een camping te beginnen, een bedrijf over te nemen,een nieuw leven te leiden.

De één op de vlucht voor het keurslijf van de vaste baan of de vele regeltjes die ons kikkerlandje rijk is. De ander op zoek naar een rustiger leven en een altijd schijnende zon. (Aldus de website)

Soms hebben ze succes en blijven ze daar voor altijd,vaak lukt het moeilijk of niet en komen ze terug.

Daar weten jullie als gezin het een en ander van, Annemarie,van eerst weggaan en daarna teruggaan,

en daar zitten heel wat mooie maar ook moeilijke kanten aan en het blijft altijd een dubbel gevoel want je laat veel achter en vind je wel terug wat je dacht te missen… en je blijft heen- en weren…

 

‘Ik vertrek’ – zei zo’n drieduizend jaar geleden een man en vader tegen zijn vrouw, en hij nam die vrouw en hun twee nog jonge zoons mee, om te emigreren naar zo’n 150 km over de grens –

Voor ons besef is dat dichtbij huis maar toen was het meer dan een week lopen,  naar een waar wel een verwante taal gesproken werd maar een totaal andere cultuur en godsdienst gemeengoed was – qua afstand was het verhuizen naar Duitsland of België maar wat die cultuur en godsdienst betreft verder weg dan nu naar Canada of Australië – zoiets als naar Iran  of Saoedi-Arabië.

Moab was min of meer  vijandig gebied met een godsdienst waar zelfs kinderoffers gebracht werden.

 

Let wel:  de bijbel zegt van die emigratie geen woord kwaad, en dan moeten wij dat ook maar niet doen, en oppassen met veroordelingen als: wat deden ze in zo’n heidens land, weg uit de ware kerk.

Eerder kun je met die mensen te doen hebben want wat loopt het anders dan Elimelech en Noömi gedacht zullen hebben – later zegt zij bitter: “toen ik hier wegging had ik alles, maar de HEER heeft mij met lege handen laten terugkomen” –  een manier van zeggen die te denken geeft, met weinig

zelfreflectie en vooral zelfbeklag, en ook vertekening van de werkelijkheid want waarom waren ze ook al weer weggegaan – toch vanwege gebrek aan brood en toekomst – en was Ruth niet met haar meegekomen? – maar het is waar: in Moab had ze drie keer bij een graf gestaan, en dat is keihard!

Dus geen veroordeling van dat vertrek met zoveel woorden maar wel – las ik – veel gebroken dromen.

Na dat boek Rechters over een volk in nood zoomt Ruth 1 in op een gezin binnen dat volk, in nood.

Verarmd door mislukte of jaar na jaar weggeroofde oogsten, met elke dag de zorg om het dagelijks brood, werden ze economische vluchtelingen -zoals er in onze tijd wereldwijd vele miljoenen zijn….

 

Schrijnend dat in Bethlehem=broodhuis, voor kinderen van Vader in de hemel geen brood meer was!

Omdat de oogsten door droogte mislukte, of door roofzuchtige benden, het kwam allemaal voor….

In dit geval was het blijkbaar regionaal bepaald, want een paar honderd km. verder was wel brood.

Kun je het zien als een van die straffen waarmee God zijn volk in die Rechterstijd tot inkeer wilde brengen…misschien wel…in elk geval was het een van de rampen die Israël overkwam in die tijd.

Als er zelfs broodgebrek was in wat broodhuis heette – blijkbaar vruchtbaar gebied – dat is wel erg!

 

Namen worden tegenwoordig vaak gekozen omdat ouders ze mooi vinden, of om een van de ouders of een ander familielid te vernoemen,soms wordt de keus ook bepaald door wat een naam betekent.

Ik ben gewend als een kind gedoopt wordt, ook altijd even te kijken of een betekenis te vinden is.

Wat Chloe betreft blijkt dat niet zo moeilijk, het komt uit het Grieks en betekent: fris jong groen –

heel toepasselijk op een net geboren kind – Chloe was trouwens ook een naam voor de oogstgodin.

Hou het maar op iets als:  fris en fruitig – en geloof maar dat God ervoor zorgt dat je dochter zal opgroeien als een kind van Hem, en mag groeien in het geloof,  tot op de dag van Gods grote oogst.

Ja, en dan Isolde, dat is wat lastiger; even googelen levert maar liefst drie mogelijke betekenissen op

waarvan de eerste twee meteen aanspreken:  ‘mooi, knap’ – klopt helemaal natuurlijk!  – en ‘eerlijk’ –

daar hopen jullie en wij allemaal op natuurlijk, en daar gaan we ook vanuit dat ze zo zal zijn later –

en dan is er nog een mogelijke betekenis die wat spannender is: ‘van ijzer, heersend met vaste hand’

er staat jullie nog wat te wachten als ze een dame zal blijken te zijn met haar op de tanden-wie weet!

 

Nou, de namen van dat gezin waarop Ruth 1 inzoomt, dragen alle vier een boodschap met zich mee.

Neem de naam van de vader: Elimelech= ‘mijn God is koning’;  een mooie belijdenis maar wat zag je daarvan, en waarom lukte het dan niet samen Gods volk te zijn, en als Gods volk het samen goed te hebben, weet u nog van vorige week:   ‘in die dagen was er geen koning, ieder deed wat in zijn eigen ogen goed was’  – blijkbaar lukte het niet met alleen God als koning, moest er een aardse koning bij..

Noömi, nog zo’n prachtnaam: de liefelijke, de charmante – maar er was weinig liefelijks aan haar leven en de tegenslagen en het verdriet  hadden van haar een verbitterde vrouw gemaakt die zcih slachtoffer voelde van de omstandigheden en geslagen door God: noem mij maar Mara=de bittere.

De namen van de twee jongens leken profetisch (of zijn het later gegeven typerende bijnamen?) : Machlon=de zwakke en Kiljon=de ziekelijke, in elk geval stierven ze al jong en zonder kinderen, nadat vader Elimelech al eerder overleden was – je zou zeggen: te erg om waar te zijn, dat verzin je niet.

Je kunt je Noömi voorstellen:  wat doe ik hier nog, zonder man, zonder zoons, zonder toekomst?

 

Tot zover is het een wel heel menselijk verhaal, van gebrek en moeite, van keuzes en risico’s…..

Zoals wij elke dag onze keuzes moeten maken en beslissingen nemen, al naar de omstandigheden.

Zoals je soms ingrijpende beslissingen neemt waarvan je de gevolgen niet kan overzien en je pas

veel later merkt wat die beslissingen hebben opgeleverd, of het goed uitgepakt heeft, of toch niet.

Maar als het goed is weten we daarachter God die het leven van mensen leidt, en die zo vaak langs wat voor ons omwegen lijken of foute keuzes die wij gemaakt hebben en waar we spijt van hebben,

in staat is ongedachte oplossingen mogelijk te maken en zelfs fout en kwaad  goed te laten uitkomen.

Dat is dan ook de verrassing van wat het boekje Ruth wil vertellen – zoals ik las: “De schrijver van Ruth weet dat de mens in z’n leven afhankelijk is van Jahwe. Maar het indirecte getuigenis dat hij daarvan geef, laat de volle aandacht vallen op wat mensen overwegen en doen, al kunnen zij de gevolgen van hun handelingen niet overzien” – nou, en daarmee komt dit verhaal  heel dicht bij onze werkelijkheid.

Vraag jezelf gewoon maar eens af  als je bijbel leest:  maar wat zou ik in zo’n geval gedaan hebben?

En verwonder je maar over de zo vaak verrassende afloop die God mogelijk maakt: toen, en nu ook.

 

Ineens gaat er toch een lichtstraaltje doorbreken en blijkbaar gaat Noömi ook weer een  lichtje op:

“toen Noömi hoorde, dat de HEER zich het lot van zijn volk had aangetrokken en dat het weer te eten had, maakte ze zich samen met haat twee schoondochters gereed om Moab te verlaten en terug te keren”  -´dat lichtstraaltje zie ik vooral in dat zinnetje dat de Heer naar zijn volk had omgekeken.

Typerend voor wie de HEER is, ook typerend voor wat steeds weer in de tijd van de Rechters gebeurde: de Heer straft zijn volk – met vijanden, met droogte, met honger – maar laat het niet los en blijft trouw aan zijn verbond:  “Hoe dikwijls moest Hij hen kastijden. Hij gaf hen in des vijands macht, maar telkens kwam Hij hen bevrijden, daar Hij aan zijn verbond gedacht”.    Lees en zing Psalm 106!

 

We krijgen niet de indruk dat dat lichtstraaltje van God nog erg doordrong bij Noömi – die onderweg en terug in Bethlehem vooral uitstraalde hoe erg ze eraan toe was, en hoe zielig en slachtoffer van wat in haar ogen God haar had aangedaan – “toen ik hier wegging had ik alles, maar de HEER heeft mijmet lege handen laten terugkomen, de HEER heeft zich tegen mij gekeerd en mij kwaad gedaan” – en  die ook nog er alles aan doet haar schoondochters terug te sturen met argumenten als dat het met haar toch niks meer zal worden en dat er voor die jonge vrouwen geen toekomst in Bethlehem zal zijn: waarom zou je met mij mee gaan, ik kan jullie niet meer aan de man helpen, mijn lot is te bitter, ga maar liever terug naar jullie volk en de god van jullie volk – een schrijver zegt terecht  dat hier een ‘uitgebluste gelovige’ spreekt, zonder werfkracht, waar je als buitenstaander niet blij van wordt en niet op af zou komen – goed om ook zelf eens met de ogen van buitenstaanders te kijken:

wat laten we zien van ons geloof: is dat het mooie en blije of vooral het moeilijke, lastige, strenge..

stralen we iets uit van het licht dat wij en onze kinderen een geweldige Vader en een geweldige

Redder hebben, en een bijbel vol troost en wijsheid – of stoten we af door kritiek, zorg, geklaag…?

 

Kijk, maar de verrassende lichtstraal in dit hoofdstuk komt niet bij Noömi maar bij God vandaan,

bij die God die naar zijn volk omkeek door het weer brood te geven en dus weer leven en toekomst, door Noömi een schoondochter mee te geven die ondanks die verbitterde en cynische schoonma trouw wilde blijven aan haar – “waar u heengaat, ga ik met u mee, waar u slaapt zal ik slapen – uw volk is mijn volk” – en die nog meer een zuster in de HEER werd:  “en uw God is mijn God!”  – dat moet wel een keus van haar hart zijn geweest, een geloofskeus, niet omdat ze in Noömi om het eens wat eigentijds te zeggen zo’n aanstekelijk christen had leren kennen, maar omdat ze de God van Noömi en van Israël had leren kennen als ook haar God, de God van het verbond waar ook zij bij wilde horen.

 

Helaas, zelfs dan komt er geen blijheid los bij Noömi, niet zoiets als: wat fijn, dat je voor God kiest, en dat je zoveel voor mij over hebt dat je je eigen familie en je land en volk en je goden achter je laat…..

er staat alleen dat ze het er niet meer over heeft – er staat: ze hield op tot haar te spreken – en terug in Bethlehem zijn het weer alleen maar klachten en zelfs: de HEER laat me met lege handen staan –

zeker, ze had drie graven achter moeten laten in Moab, maar Ruth was toch mee gekomen……het is schrijnend te lezen na al die bittere klachten en zelfs aanklachten aan Gods adres: “zo kwamen ze

samen terug uit Moab” – voor Ruth heeft dat het er niet makkelijker op gemaakt dat Noömi zo was,

terwijl het al moeilijk genoeg was in dat voor haar vreemde land met al die mensen die haar in het begin scheef aankeken en over haar en over Noömi praatten: is dat Noömi, wat is die oud geworden, en waar is Elimelech en waar zijn die twee zoons – en wie is die meid die met haar is meegekomen, heb je het al gehoord: ze schijnt een Moabietische te zijn, wat doet die hier, zo’n allochtoonse……

 

Maar als je heel precies vertaalt valt juist op Ruth alle licht – is haar komen de Lichtstraal van God.

In het licht van het vervolg heeft God al die kromme stokken van een hongersnood en van die emigratie naar dat heidense Moab en al dat verdriet haar en de remigratie naar Bethlehem willen gebruiken om de rechte slag te slaan van Ruth bij zijn volk te brengen en straks te maken tot stammoeder van het huis van David en voorouder naar de mens gesproken van Jezus die zich het brood kan noemen dat echt leven brengt:  zo zal God helemaal en voorgoed zich het lot van zijn volk, van zijn wereld aantrekken, door in Bethlehem brood te geven – Jezus als zelf het levende Brood.

Het einde van dit hoofdstuk klinkt hoopvol:  ‘het begin van de gersteoogst’ =  Brood in Bethlehem!

 

Doorgetrokken naar vandaag toe en naar de doop van jullie dochter toe: zo bewees en bewijst

onze God en Vader zich de God die nooit loslaat wat zijn hand begon in haar/jullie/ons leven.

Prachtig die beloften van onze goede God, gedaan aan Isolde, aan jullie, en aan ons allemaal.

Laat ons gebed zijn dat zij als ze groot is het Ruth zal nazeggen: jullie God is ook mijn God, en

jullie volk – jullie gemeente – daar wil ik ook bij horen – en laten we ook als gemeente uitstralen, naar elkaar toe, naar onze kinderen en jongeren toe, en naar de mensen om ons heen toe, dat er brood in zit om God te kennen als je Vader, dat we een God hebben die naar mensen omkijkt en voor ze zorgt.

 

Dan mag elk kind van God – klein en groot, oud en jong – fris en groen blijven, een mooi mens in Gods ogen en in eigen ogen en in die van de mensen, en eerlijk, recht door zee, mens uit één stuk;

om eens met vaste hand te regeren, samen met haar en onze Heer, als heel de oogst binnen is.

 

 amen 

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *