1 Samuël 17: 45: David, een jongen met lef!

liturgie morgendienst  

votum en groet

zingen:               Ps. 108: 1,2,4

wet van de HEER

zingen:               Lied 365 (1,2)  ( LvdK)

gebed

Schriftlezing:    1 Sam. 17: 1-16 en 26-54

zingen:              Ps. 18: 8,10

verkondiging:   1 Sam. 17: 45

zingen:              Gz. 163: 1,2,3  (GK)

gebed

collecte

zingen:              Gz. 119: 1,2,5  (GK)

zegen

——————————————————————————————– ———————- ————–Gemeente van onze Heer Jezus Christus, broeders en zusters, jongens en meisjes,

 

Ben jij een held,  hebt u lef?
Als je dat aan mij vraagt: bent u een held, dan zeg ik eerlijk: niet echt, soms eerder een bange wezel.

In elk geval  voor bepaalde dingen die ik eng vindt: de tandarts, ziekte, wie sterker zijn dan ik ben..

terwijl ik van angsten van anderen weinig last heb: het verkeer, vreemde culturen, of spinnen……

het ligt dus nogal persoonlijk verschillend: wat de een doodeng vindt, is voor de andere peanuts.

 

We hebben ook zomaar een scheef beeld van wat echte helden zijn, van wat moed is, lef hebben .

Ik las een mooi stukje op internet dat ik in grote lijnen even doorgeef, het gaat zo.

“Wanneer is iemand een echte held? Wij denken bij een held vaak aan iemand die nooit bang is,

iemand die alles aandurft. Maar is dat wel zo? Als iemand nooit ergens bang voor is, is die persoon dan een held….of is zo iemand eigenlijk overmoedig en roekeloos?  Ik heb iemand wel eens het volgende horen zeggen:  ‘Een echte held is iemand die bang is, iemand die eigenlijk niet durft, maar ondanks de angst toch gaat”….”moed is een keuze om door te gaa, ondanks de angst, en soms dwars door de angst heen”….en dat “is een keuze, om door je angst heen te gaan.. dat kan!”

 

Kijk, en dan ga ik de bijbel lezen en kom ik veel mensen tegen die op die manier een held werden.

Mensen die eerlijk zijn over hun angst, hun niet durven, hun als een berg opzien tegen wat van ze

werd gevraagd:  Mozes die op zijn tachtigste naar de Farao moest: stuur toch een ander, Heer!

Gideon die de opdracht kreeg de vijand het land uit te jagen: ik durf niet, ik ben te jong;  David die

zo vaak in zijn psalmen zijn angst uitschreeuwde; zelfs Jezus van wie we lezen dat hij vlak voor zijn arrestatie en sterven doodsangsten heeft doorgemaakt en bad:  laat deze beker Mij voorbijgaan!

Maar de bijbel vertelt hoe ze toch moed vatten en deden wat ze zelf niet durfden en niet konden.

Zoals het refrein in Heb. 11: door het geloof hebben ze…..en dan volgt een lijst van heldendaden,

of liever: dan volgt wat de door de kracht van hun geloof toch hebben gedaan, ondanks hun angst.

 

Lef, weet u wat dat letterlijk betekent?  Lev=hart, hart voor God, voor de naaste, voor de wereld. 

 

 

David – een jongen met lef!

1.   als voorvechter – voor God

2.   als voorloper – van Jezus

3.   als voorbeeld – voor ons

 

1.   David – een jongen met lef!    -   als voorvechter – voor God

 

Het is weer eens oorlog.

Ik bedoel:  oorlog tussen Israël en de Filistijnen – niet te verwarren met de Palestijnen, al doet wat

je over die twee van toen soms wel wat denken aan de situatie in het Midden- Oosten van nu.

Al voor Saul als de eerste koning van Israël was aangesteld, waren er steeds grensconflicten….en

Saul en zijn zoon Jonathan hadden  al een paar keer oorlog met ze gevoerd en dapper gevochten.

In 14: 52 staat: “Tijdens de hele regering van Saul werd er fel tegen de Filistijnen gestreden“.

En elke keer wonnen de Israëlieten en moesten de Filistijnen het veld ruimen – datzelfde vers gaat verder:  “Daarom keek Saul steeds uit naar  heldhaftige en moedige mannen en nam die in dienst“.

 

Maar dan begin je te lezen in 1 Sam 17, en dan lijkt het allemaal anders: waar zijn die heldhaftige en moedige mannen gebleven, en wat is er met die stoere dappere koning Saul gebeurd, dat we moeten lezen in 17: 11 dat Saul en het leger van Israël verlamd van schrik staan, en verderop wordt verteld

dat ze zelfs angstig weghollen bij het zien van die superheld van de Filistijnen met zijn grote mond?

Nou, denk je, logisch, je zult maar zo’n kerel van bijna drie meter op je af zien komen, dan wil je

wel lopen……blijkbaar werkte dat nieuwe wapen dat de Filistijnen hadden ingezet perfect……de schrik sloeg al die soldaten van Israël in de benen: daar valt niet tegen te vechten, wegwezen!

 

Toch, gemeente, kan dat het niet wezen, want je kunt toch met een heel bewapend leger wel één zo’n vechtjas aan…als David er op z’n eentje, zonder pijl en boog, zonder zwaard, zonder harnas, in slaagt om die schreeuwende en vloekende oorlogsmachine te vloeren, waarom durfde niemand van die grote kerels, ook niet die oudere broers van David,en ook niet Saul met zijn oorlogservaring,

een eind te maken aan dat uitdagende gedrag van die Goliath – was David dan de enige met lef?

 

Weet u, er was wel degelijk iets heel ingrijpends veranderd in de loop van de jaren – en dat vind

ik terug in het vorige hoofdstuk, 1 Sam. 16: 13 en 14 – daar sta je op een keerpunt binnen Israël.

In vers 14 staat iets heel ergs over Saul en wel: “de Geest van de HEER had Saul verlaten” – en dat

was omdat Saul steeds meer zijn eigen weg ging en zijn eigen macht uit was, en niet langer op de

HEER wilde vertrouwen en niet meer luisterde naar wat de HEER bij monde van Samuël hem zei.

Dan kan het zover komen dat God je overlaat aan jezelf: je hebt Mij toch niet nodig, je kunt het

toch zelf zo goed en je weet het toch altijd beter, ga je gang maar, kijk hoever je komt zonder Mij.

Bij Saul is te zien wat er van komt: de moed zakt hem in de schoenen,  het gaat bergafwaarts, tot  een roemloze zelfdoding op het slagveld -  wat zo mooi begon, eindigt  in een trieste mislukking.

 

Ja maar, in het vers er vlak voor kun je hoop putten voor de toekomst: “van toen af (vanaf het moment dat David, toen nog de jongste thuis en een herdersjoch die nog voor geen meter meetelde,

in opdracht van God door Samuël tot koning werd gezalfd) was David doordrongen van de Geest van de HEER) – die Geest zorgde ervoor dat David een jongen was met lef = met hart voor de HEER.

Wat niemand snapte  toen David met eten van thuis zijn broers in het leger opzocht,  en toen hij, geconfronteerd met dat geschreeuw en getreiter van die reusachtige Goliat, hem te lijf wilde.

Zijn broers en andere soldaten namen hem totaal niet serieus: wat doe je hier eigenlijk, jij met altijd je neus vooraan, ga op de schapen passen – en Saul kon er ook niks mee:  jij hebt helemaal geen ervaring met vechten, tegen die doorgewinterde vechtersbaas maak jij toch  geen schijn van kans.

Ze hadden allemaal gelijk natuurlijk, zo’n joch van hoogstens 16/17 jaar, ongewapend en ongetraind,

tegen zo’n boom van een kerel met soldatenpak van zo’n 80 kilo en een speer waarvan alleen de punt al 10 kilo woog – Goliat bulderde van het lachen toen dat herdertje met zijn stokje en een paar steentjes op hem af kwam: wou jij vechten, jochie, nou kom maar op, ik maak gehakt van je….

 

Wat denk je, zou David niet bang zijn geweest, was hij echt zo’n stoere bink, of een waaghals?

In elk geval maakte hij zelf heel duidelijk wat hem dreef en waar hij zoveel lef vandaan haalde.

Wat hem stak was niet dat ze allemaal zo laf waren of dat die reus zijn land en leger vernederde, ook

dat,  maar vooral: “wat denkt die onbesneden Filistijn wel, dat hij de gelederen van de levende God durft te beschimpen”  en even later: “De HEER, die mij gered heeft uit de klauwen van leeuwen en beren, zal me ook redden uit de handen van deze Filistijn” – David kon het niet hebben dat zijn God werd beledigd en David wilde voor de eer van zijn God omkomen en vertrouwde op Gods hulp.

Dat was ook zijn antwoord op dat gebral van Goliat: ik daag jou uit in naam van de God van de

hemelse machten die jij hebt staan beschimpen, vandaag zal de HEER je aan mij uitleveren….ja

want de eer van de HEER staat op het spel en de HEER zal zelf voor zijn eer opkomen: “zodat de

hele wereld weet dat Israël een God heeft…en iedereen zal beseffen dat de HEER geen zwaard

 of lans nodig heeft om te overwinnen, want Hij is Degene die de uitslag van de strijd bepaalt“.

 

Kijk, dan ben je een held, dat is lef hebben:  juist als ik zwak ben, ben ik op zijn sterkst – heel veel later horen we Paulus dat zeggen, door de HEER geleerd: opdat niet ik maar God alle eer krijgt.

Dat is lef hebben: op God vertrouwen en in zijn kracht de strijd aangaan, het van Hem verwachten.

Zoals David ervan zong: “met U durf ik mij in de strijd te wagen, de legerbenden op de vlucht te jagen, met U ga ik door water en door vuur, en met mijn God spring ik over een muur“.   Ps. 18.

Dus niet: ik kan alles aan, kijk eens wat ik durf – maar: ik ben niet bang, ik verlaat mij op de HEER.

 

Dat vertrouwen van David werd niet beschaamd en wat niemand voor mogelijk hield, gebeurde.

We kennen allemaal het vervolg: hoe David de reus tegemoet rende en een gladde scherp geslepen steen wegslingerde zodat Goliat frontaal in het voorhoofd werd geraakt en met een harde dreun op

de grond viel, waarna David de gevreesde kampvechter met zijn eigen zwaard een kopje kleiner maakte – waarna de Filistijnen panisch van schrik de benen namen en Saul en zijn soldaten ineens

weer moed kregen en hen achterna gingen:  het werd alsnog een klinkende overwinning – met dank aan David – geen wonder dat Saul hem tot legeraanvoerder maakte en David volksheld nr. 1 werd.

 

Gemeente, maar het is niet goed gezegd natuurlijk dat deze overwinning aan David te danken was.

Dat wist hij zelf wel beter en daar kwam hij openlijk voor uit: de HEER voor wiens eer David het had

opgenomen en op wie hij had vertrouwd, had hem gered uit handen van die Filistijnse vechtersbaas en de HEER had zijn volk de overwinning bezorgd: Hij is de HEER, die hulp verschaft in nood, mijn vaste burcht, ik hoef niet bang te wezen (wat David ook best wel was), Hij beveiligt voor de dood.

Kijk en daarmee had David zijn visitekaartje afgegeven, niet als die grote oorlogsheld of als die

succesvolle generaal, maar als de man naar Gods hart, als gelovige geleid door de Geest van God.

Door het geloof – het kan ook van David worden gezegd – kun je bergen verzetten en zelfs de sterkste tegenkrachten aan – dan zal God door onze zwakheid en bangheid heen zijn kracht laten blijken.

Ik denk aan die belijdenis van Paulus – ook zo’n man met lef voor God – als hij schrijft over zoveel dat

tegen kan zijn en bang kan maken: tegenspoed, ellende, vervolging, honger of armoede, gevaar of het zwaard  – maar dan naar boven kijkt: wij zegevieren in dit alles glansrijk – wij zijn om zo te zeggen wereldkampioenen, superhelden – niet van onszelf, maar: dankzij Hem die ons heeft liefgehad”.

 

2.   David – een jongen met lef!     -   als voorloper – van Jezus

 

Het was al met al een genante en trieste vertoning geweest: een heel leger met aan het hoofd een ervaren koning die talloze overwinningen had behaald – en dan komt er een zo’n grote schreeuwer

en die daagt je uit en staat te tieren en te vloeken en ook nog je God te beledigen – en het blijft

oorverdovend stil en allemaal staan ze aan de grond genageld en rennen zelfs van angst weg – tot

die ene herdersjongen die langskomt en dat niet kan hebben en die in actie komt: hoe durft hij…

en dan bedoel ik niet David maar dan herhaal ik wat David over die Goliat zegt: hoe durft hij mijn

God zo te beledigen, en de spot te drijven met de legers van de levende God, en met Gods volk?

Zijn wij daar nog wel door geschokt en verontwaardigd over, als vandaag aan de dag in ons eigen land en soms waar ze wel bij zijn lelijke dingen over God gezegd worden, over de Here Jezus, over

ons geloof en over de bijbel, en als onder het mom van vrijheid van meningsuiting alles maar moet

worden kunnen gezegd, ook over christenen, over andere medemensen – hoe reageren we dan…

We moeten dan oppassen voor twee verkeerde reacties, twee uitersten: aan de ene kant dat we het maar allemaal laten voor wat het is, er misschien al zo aan gewend zijn dat het ons niet eens meer raakt – aan de andere kant dat we in dezelfde fout vervallen en op onze beurt gaan terugschelden,

de ene belediging beantwoorden met de andere, en doen waar de bijbel ons voor waarschuwt, dat

we kwaad met ander kwaad vergelden, of dat ze in de kramp schieten en onszelf gaan verdedigen

in plaats van eerlijk het gesprek aan te gaan en de ander laten nadenken en voelen waar hij of zij

mee bezig is – en dat we zoals Paulus schrijft vechten met eerlijke, met geestelijke wapens.

Kijk maar weer naar David die niks kon en wilde met die wapens die Saul hem wilde laten aantrekken en hanteren, en tegen die Filistijn zei: “jij daagt me uit met je zwaard en je lans en je kromzwaard,

ik daag jou uit in de naam van de HEER van de hemelse machten, die God… die jij hebt beschimpt“.

 

Daarmee zien we in hoe David erin staat, op God vertrouwt, en de vijand van de HEER bestrijdt,

al de trekken van zijn grote zoon Jezus, die kwam, zei Hij zelf, om het werk van satan af te breken.

Het gaat veel te ver om iemand als Goliat satanische trekjes toe te dichten – wat moet je dan als over Saul staat dat de Geest van de Heer van hem geweken was en dat een boze geest hem aanstuurde- maar we weten wel dat satan als de aartsvijand van God er alles aan deed het werk van God af te

breken en het volk van God schade te doen – en dat God dwars erdoor heen zijn plan wil doorzetten,

en daar wordt David bij ingeschakeld en eeuwen later Davids zoon die de zoon van God is: Jezus.

En zie je zeker bij Jezus wat  Paulus schrijft dat de strijd niet gaat tegen mensen van vlees en bloed maar tegen kwade machten die actief zijn en die erop uit zijn om Gods redding van de wereld onmogelijk en ongedaan te maken – Gods uiterste wapen is de inzet van zijn eigen enige Zoon.

 

Denk dan aan Jezus al meteen in het begin, als satan hem probeert te verleiden tot ontrouw aan zijn Vader en aan zijn opdracht, en hoe Jezus dan steeds dat ene wapen inzet: maar Vader heeft gezegd,

maar in de bijbel staat – en daar kan zijn tegenstajnder niet tegen op: hij moet de aftocht blazen -

het begin van wat al vlak na de zondeval beloofd is: er komt een nakomeling van de vrouw, van

Eva, die de slang, die oude verleider en kapotmaker, eens uiteindelijk de kop zal kosten – wat is

gebeurd aan het kruis toen de zoon van David satan overwon door te lijden en te sterven en zo

de diepste oorzaak van alle ellende, de zonde, heeft overwonnen: het is volbracht – ik lees in mijn bijbel: Hij heeft door zijn dood definitief afgerekend met de heerser over de dood, de duivel.

Wat op Pasen aan het licht kwam toen Hij uit de dood opstond en Hij overwon, die sterke Held.

Ja en dat juist door zwak te willen zijn, door te lijden, door de dood in te gaan – zijn weg is de weg

van kribbe via kruis door het graf heen -

 

3.   David – een jongen met lef!    -  als voorbeeld voor ons.

 

Ben jij een held,  hebt u lef?

Daarmee bedoel ik niet of je allerlei waagstukken aandurft, of dat u nergens bang voor bent.

De vraag is of u en jij en ik ervoor durven uitkomen dat we in God geloven en Jezus volgen.

En of we als christenen in ons land laten merken dat we iets geweldigs gekregen hebben en

met anderen willen delen, en dat zijn niet onze tradities of regels of ons gelijk, maar daar is

dat we een grote God hebben, die liefde is, en dat we Jezus kennen die de wereld wil redden.

Ik las een artikel over missionair gericht zijn, met als titel ‘Christenen mogen best wat meer lef’

hebben, en dan werd dat lef ook letterlijk bedoeld:  lev hebben= hart voor die ander hebben,

bidden voor je medemensen, het gesprek met de ander aangaan, die ander Gods liefde tonen.

 

Ja en als we uit die liefde leven en kracht putten uit wat onze Heer deed en doet voor ons, kan dat geloof bergen verzetten – Jezus zei dat en belooft dat – dan kan geloof onze angsten overwinnen.

David zei. ik kom met niks van mezelf, niet met eigen wapens, maar in de naam van God mijn HEER.

Maak je maar eigen wat we nu gaan zingen: “Ik bouw op U, mijn Schild en mijn Verlosser, niet eenzaam ga ik op de vijand aan; gelovend ga ik, eigen zwakheid voelend, en telkens meer moet ik uw kracht verstaan, toch rijst in mij een lied van overwinning, ik bouw op U en ik ga in Uw naam

Dankzij Hem die overwon, over wie we nu gaan zingen, als over de Held bij wie we veilig zijn.

 

                                                                                    amen

 

 

 

 

Zondag 13 Heid. Cat.: Kind aan huis bij Vader dankzij Vaders Zoon

votum en groet

zingen:      Ps. 133 (1,2,3)

gebed

Schriftlezing:  Marc. 3: 20-35 en 6: 1-6

zingen:      Lied 135: 2

Schriftlezing:  Joh. 1: 9-14

zingen:      Lied 135: 3 – onder naspel gaan de kinderen naar de club

verkondiging:  zondag 13

zingen:      Gz. 45 (1,2) – onder voorspel komen kinderen binnen

geloofsbelijdenis

zingen:      Gz. 165

gebed

collecte

slotzang:     Ps. 8: 3,4,6

zegen

——————————————————————————————————————————–

Gemeente van de Heer Jezus Christus, zijn broers en zussen en broers en zussen van elkaar……….

 

Bent u niet wel eens een beetje jaloers? Ik bedoel: op Jezus’ bloedeigen familie?   Je zult maar de broer van Jezus zijn, of zijn zus! Met Hem zijn opgegroeid. Met Hem hebben gespeeld.

Zei Elisabeth niet tegen Maria: “Jij bent de meest gezegende onder de vrouwen. Waaraan heb ik het te danken dat de moeder van mijn Heer naar mij toe komt?

Ergens onderweg riep een vrouw uit het publiek – diep onder de indruk van het spreken van Jezus spontaan: “gelukkig de schoot die u heeft gedragen en de borst die u heeft gevoed!”.

Jezus zal je kind maar wezen! Om jaloers op te worden, als je familie van die beroemde man bent….

 

Verkijk u er maar niet op. De levensweg van Jezus die een lijdensweg werd, is ook voor de eigen familie een martelgang geweest. Jezus’ moeder heeft er al te vaak geen zicht op gehad en het heeft haar – zeker onder de schaduw en aan de voet van het kruis – pijn en verdriet gekost. De oude Simeon heeft gelijk gekregen: door uw ziel zal een zwaard gaan. De broers van Jezus hadden hun eigen strijd. De bijbel windt er geen doekjes om: “zij geloofden niet in Hem”. Ze konden met Jezus’ loopbaan niet uit de voeten: het zal je broer maar wezen! Soms dachten ze, en zeiden ze: die is gek…..ja, echt!!

 

We hebben net gehoord over dat merkwaardige voorval tijdens Jezus’ preektournee.

Het lijkt erop of de familie bij de deur wordt weggestuurd: wie zijn mijn echte moeder en broers?

Is dat om hen terug te pakken omdat ze Jezus wilden meenemen als doorgedraaid, overspannen?

Of zit er wat anders achter bij onze Heer: wat wil Hij zijn familie en wat wil Hij ons ermee leren?

Ja, en hoe zullen Maria en de broers en zussen gereageerd hebben? Verdrietig? Boos? Geërgerd?

Daarover bewaart de bijbel stilzwijgen. Daar gaat het dus blijkbaar niet om.

 

Waar het wel om gaat?

Nou, om u en om jou en om mij, om die mensen om Jezus heen en achter Hem aan, toen en nu.

Die niet jaloers hoeven te zijn op Maria en op Jezus’ bloedeigen broers en zussen.

Nee, want om Jezus heen mogen we allemaal familie van Hem worden en zoons en dochters van Jezus’ Vader, dankzij de Zoon die zich er niet voor schaamt ons zijn broeders en zusters te noemen. Kinderen aan huis bij Vader dankzij Vaders Zoon.

 

Kind aan huis bij Vader dankzij Vaders Zoon:

1. die Zoon is kind aan huis bij Vader;

2. die Zoon maakt ons tot Vaders kinderen.

 


1. Jezus is als de Zoon kind aan huis bij Vader.

 

Jezus is er weer. In zijn eigen huis in Kapernaüm. En het huis is stampvol. Vol met mensen die naar Hem zijn komen luisteren. Ineens gaat het van mond tot mond: Jezus’ familie staat voor de deur! Ze kennen hen wel: moeder Maria, de broers Jacobus, Judas, Jozef, Simon. U vindt die namen in Matt. 13:55. Het is een van de trekjes uit het evangelie die Jezus ons uittekenen als echt een mens, die uit een bepaald gezin komt en familie heeft. Geboren, zongen we, tussen alle mensen in, in het menselijk gezin. En dus ook: geboren in dit heel bepaalde menselijke gezin, van Jozef en Maria. Die zich ook niet heeft geschaamd voor het gezin waar hij uit kwam en bij hoorde. Jezus wilde bekend staan als zoon van – en zelf ook- de timmerman van Nazareth.  Al was Jozef niet zijn echte vader, we lezen van de jongen Jezus dat Hij zijn ouders(!) onderdanig was. Nog aan het kruis bekommerde de oudste zoon zich om zijn moeder en ver­trouwde Hij haar toe aan de zorgen van zijn lievelingsdiscipel: Johannes, daar staat je moeder.  Zo krijgt heel concreet handen en voeten wat we in Joh.1 lezen: “het Woord is mens gewor­den” – de Zoon van God werd een mens van vlees en bloed – en heeft bij ons gewoond.  In die stal van Bethlehem. In dat huisje met die werkplaats in dat gehucht Nazareth. In die eigen gehuurde woning in Kapernaüm.  Een mens – deze Mensenzoon – die onze broer werd.

 

Maar wat moeten we dan met dit verhaal?  Neemt Jezus daar toch niet afstand van zijn eigen familie? Scheept Hij hen af? Is Hij misschien boven aardse familie­banden uitgegroeid? Of heeft Hij aan de familie geen boodschap nu ze toch niet willen geloven? Schaamt Hij zich misschien voor ze?

Nou moet u goed lezen wat er staat. Dan merken we dat de Heer hier niet met zijn moeder en zijn broers in gesprek is, maar met de mensen die naar Hem zitten te luisteren. Hij jaagt niet zijn eigen familie weg, maar zegt juist tegen anderen dat zij net zo goed zijn familie mogen zijn. De familie van Jezus wordt niet kleiner, maar juist heel veel groter! Een onafzienbare menigte, staat in Openb. 7

 

Zeker in de tijd van Jezus waren familiebanden erg belangrijk.  De mensen in dat huis hadden kunnen verwachten dat Jezus hen naar huis zou sturen omdat vandaag de familie vóórging.  Je kunt het toch niet maken dat je geen ruimte en geen tijd hebt voor je moeder en je broers en zussen.

We kunnen ons daar wel iets bij voorstellen. Als we jarig zijn kijken we eerst wanneer de familie komt.  Als we een grote familie hebben, nodigen we vrienden en kennissen een andere keer uit. Eerst de familie! Moeten die bezoekers bij Jezus thuis nu niet beleefd plaats maken voor zijn familie? Zal Jezus niet zeggen: kom morgen maar terug, Ik heb toch al veel te weinig tijd voor de familie…?

 

Maar Jezus stuurt niemand weg.  Hij zegt tegen die mensen om Hem heen: jullie zijn ook mijn familie,als jullie doen wat mijn Vader in de hemel wil. En wat Vader wil is dat iedereen luistert naar zijn eigen Zoon. Denk aan die stem uit de hemel toen Jezus door Johannes gedoopt werd: deze is mijn eigen lieve Zoon, en jullie moeten allemaal goed naar Hem luisteren. En zelf benadrukte de Here Jezus elke keer maar weer: Ik en de Vader zijn één. Ik kom van de Vader – uit hoge hemel daalde Ik neer – om hier op aarde de wil van mijn Vader te doen.

 

Kijk zo naar dit gebeuren:  hier staat de unieke Zoon van de Vader voor ons die blijkbaar het recht heeft te beslissen wie bij Vaders gezin mogen horen. Met een breed en beslissend handgebaar wijst Hij naar zijn leerlingen: kijk, daar zitten mijn broers. In Matt. 12:50 staat het iets anders- meer direct: “ieder die de wil van mijn Vader in de hemel doet”. Hij zegt niet ‘onze’ Vader. Nee want hier spreekt de Zoon die een unieke band met de Vader heeft. Die is – zondag 13 -de eeuwige natuurlijke Zoon van God. En daarom -zondag 13 verbindt dat prachtig aan elkaar- die tegelijk is ons aller Heer. De Zoon van de Vader is de Heer van het huis van Vader. Hij heeft van de Vader het voor het zeggen gekregen in zijn huis en rijk.

 

Johannes zet zijn evangelie daarmee in: die Jezus van Nazareth – mens in dienstbaarheid -

is de eeuwige Zoon van God – die heeft meegewerkt toen alles werd geschapen. En – zegt

Johannes erbij – in het leven en werken van Jezus hebben we oog in oog gestaan met de glorievan die werkelijke, unieke Zoon van God. Denk aan zijn wonderen en genezingen. Aan zijn macht over wind en golven. Aan zijn overwinningen op de duivel en zijn demo­nen. Aan zijn goddelijke kracht waarmee Hij de straf droeg die wij verdienden, en de zonden van zoveel miljoenen en miljarden op zich heeft genomen. Aan de opstandings­kracht die sterker was dan de dood, zodat Hij de sleutels heeft van dood en dodenrijk.

 

Zondag 13 lijkt een wat jaloerse vraag te stellen: Jezus de enige Zoon van God? Maar wij dan? Zijn wij dan niet Gods kinderen? Maar voor jaloersheid is geen reden.Wel voor diepe dankbaarheid. Want juist omdat Jezus die unieke Zoon is – God én mens -kunnen weggelopen kinderen weer thuiskomen. Mogen u en jij en ik Gods kinderen zijn!

 

2. Jezus die als Zoon kind aan huis is bij Vader, maakt ons tot Vaders kinderen.

 


  We zagen dat de Here Jezus niet zijn moeder en zijn broers wegstuurt maar juist veel anderen binnenhaalt in de familie: iedereen die doet wat mijn hemelse Vader wil – en dat is: gelovig naar Mij als de unieke Zoon luistert – mag ook mijn broer en mijn zus zijn.  Zoals moeder Maria zich gelovig geschikt had naar Vaders wil:  ”de Heer wil ik dienen, laat met mij gebeuren wat u hebt gezegd”

Als Maria zo haar plaats weet, kan ze de geschiedenis ingaan als  ’de moeder van de Heer’.

Elisabeth had gelijk: “gelukkig is zij die geloofd heeft dat de woorden van de Heer in vervulling zullen gaan”.

 

Op het eerste horen is het een vreemde vraag die Jezus stelt: “wie zijn mijn moeder en wie mijn broers?”. Wie Jezus’ moeder was, wist iedereen in de omgeving. Ze kenden zijn broers en zijn zussen. Jezus’ moeder, dat is Maria die met Jozef is getrouwd (geweest). En de broers van Jezus zijn die mannen die net als hij zonen zijn van de timmerman van Nazareth, van Jozef.

Zoals elk gezin werd ook dit gezin bepaald en benoemd naar de vader van het gezin.

 

Precies: daar hebt u Jezus’ geheim. Want Jezus verwijst hier heel nadrukkelijk naar zijn Vader, maar dan naar die Vader die in de hemel is, en die in werkelijkheid Jezus’ Vader is. Nou, en daarom wordt de vraag of je familie van Jezus bent, niet bepaald door een bloed­band die je verbindt met vader Jozef. Dat kan ook niet, want Jezus is zelf geboren “niet op natuurlijke wijze, uit lichamelijk verlangen of uit de wil van een man, maar uit God“,  Joh.1:13. Jozef werd pas ingeschakeld toen Maria al in verwachting was. De engel had gezegd: het heilige dat verwekt is – door de Heilige Geest – zal Zoon van God heten. En wie nu door het geloof een volgeling van deze Zoon wordt, mag God zijn Vader gaan noemen. Dan mag je tegen de hemelse Vader van Jezus zeggen: “onze Vader in de hemel”,  “Abba, mijn lieve Vader”.

 

Dat is een onbegrijpelijk wonder. We kunnen het niet snappen én we hebben het niet verdiend.

Als zondag 13 vraagt  “maar wij zijn toch ook Gods kinderen?”  is het antwoord volmondig ja.

Maar meteen wordt heel duidelijk dat daar niks vanzelfsprekends aan is. ‘Uit genade’ zijn we als kinderen van God aangenomen, geadopteerd, en dat om Christus, die daarvoor betaalde met zijn eigen leven. Want wij hadden onze kinderrechten verspeeld zoals die weggelopen, verloren zoon, uit dat bekende verhaal. Die alleen maar kon zeggen: ik ben het niet waard nog langer uw zoon te heten. Maar die door zijn Vader met open armen werd binnengehaald. Uit genade. Terwille van Christus! Daar heeft bloed voor gevloeid. Zeg maar: voor uw plek in de kerk en in Gods gezin, betaalde de Zoon met zijn leven!

We hebben gelezen dat dat alleen kan als God zelf ingrijpt. Johannes schrijft dat de Here Jezus allen die Hem aangenomen hebben – iedereen die in Hem gelooft en alleen wie gelooft -het recht heeft een kind van God te worden. Wie de wil doet van zijn hemelse Vader. Maar dat doet geen mens uit zichzelf. Geloven is niemand aangeboren. Geloof erf je niet van je ouders, ook al wil God vader en moeder wel gebruiken om geloof in de Here en dienst aan de Here voor te leven. Je bent geen kind van God puur door geboorte of omdat je familie van huis uit christelijk is, of omdat je gedoopt bent.

Nee, er is ‘weder-geboorte’ voor nodig. Een verlossend ingrijpen van bovenaf, van God uit. Een totaal nieuw begin en een heel ander leven. Danzij die Zoon die – zondag 13 – ons met zijn kostbaar bloed heeft vrijgekocht van onze zonden en ons gered heeft. Die onze Broeder èn onze Heer is geworden.

 

Kijk, en wie echt naar Hem luistert, gaat al meer op Hem lijken. Dan mag je nu al weer iets laten zien in je leven van die heerlijkheid, die glans, die bij een kind van God hoort. Zoals ps. 8 zingt van de mens die op God lijkt en Gods glorie weerspiegelt:  bijna goddelijk verheven! Zodat het in uw en jouw leven te zien wordt: hoe heerlijk is uw naam op aarde!

 

Dus hoeven we helemaal niet jaloers te zijn op die moeder en die broers en zussen van Jezus.

Jezus zegt dat als we naar zijn onderwijs luisteren en de wil van Vader in de hemel doen, we net zo goed zijn broeder en zuster mogen zijn. Dat we kinderen zijn van zijn hemelse Vader. Dat was ook de weg die zijn aardse familie moest volgen. Zij en wij staan daarin naast elkaar. De aardse familie heeft geen streepje voor en wie van buiten komen worden niet achtergesteld als het erom gaat wie bij Gods gezin horen en bij Hem mogen wonen.

 

Jezus liet dat soms moeder Maria voelen als die even vergeet dat haar zoon ook haar Heer is. Dan is er even die afstand:  beste mevrouw, wat heb ik met u te maken? Ook Maria moet haar plaats kennen. Gelukkig heeft ze die gevonden. Als Jezus naar de hemel is en de gemeente in gebed wacht op de Heilige Geest, lezen we in Hand.1 dat de apostelen bijeen zijn, en ook enige vrouwen, en Maria, de moeder van Jezus. Jezus’ moeder wordt vooral zuster in de Heer. Meteen er achteraan lezen we dan: en met zijn (Jezus’) broers. Nog een groot wonder, want Jezus’ bloedeigen broers geloofden eerst niet in Hem, vertelt de bijbel.

 

 

Het werd wel heel schrijnend werkelijkheid: Hij kwam tot het zijne, en de zijnen – tot in eigen familie toe zelfs – hebben Hem niet aangenomen. Naar de wrange regel: een profeet is niet geëerd in zijn eigen stad en bij zijn eigen familie. Voor veel anderen was het een excuus: in Jezus geloven als de beloofde Redder? maar we kennen toch zijn vader en zijn moeder, zijn broers en zussen. Hij zou door God gezonden zijn?- Hij komt uit Nazareth!

 

Misschien zeiden ze ook wel: zijn eigen familie gelooft niet eens in Hem!  Ook dat hoorde bij Jezus’ lijdensweg: verlaten door zijn eigen leerlingen, ook door zijn bloedeigen broers en zussen, en tenslotte zelfs door zijn hemelse Vader. En dat allemaal terwille van ons – en ook voor die eigen broers en zusters, en voor moeder Maria – opdat zij en wij nooit meer door God verlaten zouden worden, maar door Hem geadopteerd tot zijn kinderen en erfgena­men. Heb. 2 zegt dat God de Vader veel van zijn kinderen de hemelse glorie wilde binnen­brengen en dat daarvoor nodig was dat Jezus zijn eigen Zoon voor ons heeft geleden. Vandaag vierden we dat: de Zoon maakt ons tot zonen en dochters van zijn Vader, en zo tot zijn broers en zussen. Het avondmaal is de gezinsmaaltijd van Vader met u en jou en mij. Als je familie van elkaar bent geworden omdat God de Vader van ons allemaal is, dan is die band niet stuk te krijgen, zelfs niet door de dood. Want niets kan ons scheiden van Vaders liefde, door Jezus Christus onze Heer.

 

Helaas maken we als broers en zussen, als broertjes en zusjes – en ook als broeders en zusters – soms ruzie met elkaar. Dat komt. zeggen we dan, zelfs in de beste families voor. Dat is pijnlijk en triest als het blijvende verwijdering brengt en er geen bereidheid is het bespreekbaar te krijgen en aan oplossingen te werken. Het kan vormend zijn en leerzaam, als maar de liefde die de Vader werkt door zijn Geest en met zijn Woord, ons aan elkaar blijft binden, als we bereid zijn de minste te zijn en te werken aan herstel. En we samen ons het eigendom weten van Hem die ons kocht en onze Heer is.

 

                          amen