2 Petrus 1: 19: Hoe glansrijk staat de morgenster! (Epifanie – nieuwjaarsdienst)

liturgie morgendienst zondag 6 januari 2013 – Epifanie

 

votum en groet

zingen:     Ps. 72: 1,5,9

wet van de Heer

zingen:     Ps. 119: 40,42

gebed

Schriftlezing:   Matt. 2: 1-12

zingen:    Lied 158: 1,2

Schriftlezing:   2 Pet. 1: 16-21

zingen:    Lied 158: 3,4

verkondiging: 2 Pet. 1: 19

zingen:    Hoe glansrijk staat de morgenster 1,3,4

gebed

collecte

zingen:    Gz. 165

zegen

——————————————————————————————————————–

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

 

De feestmaand ligt achter ons, we gaan weer over tot de orde van de dag.

Misschien geeft dat je een gevoel van opluchting of juist van teleurstelling.

De een is blij dat alle drukte voorbij is, de ander ziet op tegen alles dat weer moet.

 

Hoe dan ook: morgen wacht het werk, de school, het huiswerk, het werk in de kerk.

Iemand noemde eens de maand januari de maandagmorgen van het jaar, met wat wel maandagmorgengevoel heet, niet een vrolijk gevoel,   zoals in een liedje daarover:

 

Maandagmorgen en regen

Oh, ik kan er niet tegen:

Bedompte gezichten

bij ons in de straat

Tienduizenden wielen

op weg naar een file

Ja, een ding is zeker

iedereen komt weer te laat

 

Je zou het met enige variatie kunnen toepassen op januari als december om is: na romantiek nuchterheid, na de verlichte kerstboom en de kaarsen weer neon, na tijd voor elkaar weer hard aan het werk, na even geen school weer die toetsen, na even vrede op aarde en wat extra voor goede doelen aan de bak voor de baas en voor jezelf, na even rust weer stress…

 

Ja maar, dan is wel de vraag wat die weken en feesten ons hebben opgeleverd -en nog wat concreter en dieper: of wat we met kerst gevierd hebben meer geweest is wat een weekend ook vaak is: even pas op de plaats, even voor jezelf, even niet…en vul dan maar in wat je in het weekend even niet doet of juist wel, het weekend als even een vlucht uit dit of dat…..

Terwijl als je de bijbel leest wat met kerst begon een vervolg krijgt en bedoeld was om voorgoed ons denken en ons gevoel, ons leven en onze wereld, positief te veranderen.

Wat dat betreft is de keus om kerst te vieren op 25 december zo gek nog niet: de

wending van steeds minder licht en minder dag naar steeds meer licht en meer dag.

Zelf heb ik dat altijd als het weer januari is: op weg naar de lente en de zomer….

 

Nou, precies dat is de boodschap van het komen van Jezus Gods Zoon in een wereld waarin de zonde als een grauwsluier over zoveel dat mooi is en goed bedoeld is komen te hangen en waar angst voor de toekomst, voor het onbekende, voor wat zomaar je geluk kan bedreigen, als ziekte, ongeluk, en dood, ervoor kan zorgen dat we onzeker worden en angstig, zoals Heb. 2 het onder woorden brengt  als een realiteit van alle tijden dat wij mensen “slaaf zijn van een levenslange angst  voor de dood” - we hebben het weer een jaar overleefd, maar wat brengt dit jaar ons, wat staat ons allemaal te wachten en waar zijn we als het weer kerst en oud en nieuw is, als we er dan nog zijn, met wie die ons lief zijn.

 

Ja maar, dan zijn we helemaal vergeten wat we weer en voor de zoveelste keer hebben gevierd, waar die kaarsen en die lichtjes midden in de winternacht voor stonden en naar wilden verwijzen, namelijk naar hét Licht van de wereld dat reddend verschenen is, waar we van hebben gezongen: vrede op aarde, God heeft in de mens behagen, en dat overal het licht schijnt omdat Hij die eeuwig heersen zal, de volken – en ons dus ook- wil troosten.

 

Ik heb toen ik net verwees naar Heb. 2 die verwijzing naar angst voor ellende en dood niet goed geciteerd, niet letterlijk: er staat geen tegenwoordige maar een verleden tijd, en dat heeft te maken met wat eraan voorafgaa, hoor maar: Omdat die kinderen – bedoeld zijn wij mensen als God kinderen - mensen zijn van vlees en bloed, is de Zoon een mens geworden als zij: om door zijn dood definitief af te rekenen met de heerser over de dood, de duivel, en zo allen te bevrijden die slaaf waren van hun levenslange angst voor de dood”.

Door wat we met kerst hebben gevierd wordt die angst overwonnen, is de ban doorbroken, mogen we met vertrouwen de toekomst tegemoet gaan, wat die toekomst ook brengen moge, want ons leidt Vaders hand, op weg naar de morgen en de grote zomer.

Want het Licht dat reddend is verschenen, gaat niet meer uit en wordt juist almaar sterker.

 

Totdat de dag komt dat voorgoed alle donkerheid en grauwheid weg is, want in de stad die

het einddoel is van onze reis door de tijd zal het geen nacht meer zijn en hebben we het licht van een lamp of het licht van de zon niet meer nodig want over die stad “schijnt Gods luister en het Lam is haar licht” – Dat Lam Jezus zegt op de laatste bladzijde van de bijbel over zichzelf dat Hij ‘de stralende morgenster is” – en dat die morgenster ons hart en leven nu al verlichten wil – zoals die wijzen toen Jezus nog een kind was achter de ster die ze zagen in hun verre oosten aangingen en zo de Koning vonden en verlicht terug naar huis gingen.

 

Kijk, en dat komt allemaal samen in wat de kerk al heel veel eeuwen viert op 6 januari.

Op de handout wordt uitgelegd hoe eerst het feest van de geboorte van Jezus gevierd werd op 6 januari – Epifanie= de verschijning van de Zoon van God als het licht voor de wereld.

Later won  25 december het doordat de kerk de kerstfeest als vervanging van het heidense midwinterfeest erdoor wilde krijgen -waar ook wel wat in zat want is niet de geboorte van Jezus de echte overwinning van het licht op de duisternis, de blijvende zonnewende?

Toen werd vooral in West-Europa 6 januari het feest van Driekoningen, met weer licht centraal: de ster ging hen voor naar het Kind.

Veel liederen bestemd voor Epifanie gaan over Jezus de als de morgenster.

We zingen erover , we hebben erover gelezen, we denken er nog even verder over door.

 

De keren dat het in de bijbel over de morgenster gaat heeft dat niet altijd dezelfde betekenis. Zo wordt in Jesaja 14 de hoogmoed van de koning van Babel die zou leiden tot zijn val dichterlijk verwoord: “O morgenster, zoon van de dageraad, hoe diep ben je uit de hemel gevallen, overwinnaar van alle volken, hoe lig je daar geveld” – net een vallende ster die is uitgedoofd, zoals we zeggen dat iemand als een komeet stijgt maar ook pijlsnel kan vallen.

In Job 38 weer anders, daar staat over de schepping: “terwijl de morgensterren samen jubelden en Gods zonen het uitschreeuwden van vreugde” – bedoeld zal zijn: de engelen.

Terwijl ook in vooral de psalmen de sterren in het algemeen Gods eer staan uit te stralen.

 

Wat je niet in de bijbel vindt maar wel in veel verhalen erbuiten is de morgenster als een aanduiding voor de duivel -bekender in de latijnse vertaling van het Griekse woord: lucifer.

We weten allemaal wel wat lucifers zijn en wat je ermee kunt doen en ook het gevaar ervan.

Met een hoofdletter geschreven is Lucifer een naam voor de duivel – geschapen als een lichtgevende knecht van God maar geworden tot een gevallen engel en pijlsnel- als een bliksemschicht, staat in de bijbel – weggestoten uit Gods hemel naar ons op deze aarde.

Waar hij zich nog altijd als een lichtende engel kan voordoen maar ontmaskerd moet worden als heer van de duisternis – het licht dat hij verspreidt is dwaallicht dat ver van huis brengt.

 

Maar goed, daar gaat het vanmorgen niet om, wel om de morgenster die de dag belooft.

Een uitlegger verheldert het zo: “De morgenster was in de oudheid een gebruikelijke naam voor de planeet Venus, die kort voor zonsopgang zichtbaar wordt. Wanneer de zon zelf nog onder de horizon is, markeert die schitterende morgenster reeds het aanbreken van de nieuwe dag. Een schitterend beeld voor alle uitblinkers: koninklijke en goddelijke personen die met hun verschijning een nieuw tijdperk inluiden”.

Dan komen toch de lijnen weer bij elkaar, want die koning van Babel dacht ook een uitblinker te zijn die een eeuwig rijk had gebracht, later droomde de verheven Augustus dat hij licht voor de wereld was, eeuwen later iemand als Hitler – en allerlei andere sterren-voor-even.

Ja en de duivel deed zich zo al voor bij Adam en Eva: als je van die boom eet, zullen je ogen open gaan – dan gaat jullie het licht op – en zul je als goden zijn; en weer tegenover Jezus die van de duivel alle koninkrijken van de wereld met al hun pracht en praal op een presenteerblaadje aangeboden kreeg: allemaal voor jou als je mij erkent als je heer.

 

Vaak  is er verleiding van wat aantrekkingskracht heeft op de korte termijn maar schadelijk blijkt,waar we ons door laten verblinden zodat we de weg kwijt raken en zelfs verongelukken. Het komt er dus op aan dat we onze ogen open houden en zoals we hebben gezongen op pad gaan met een betrouwbare looplamp, en dat zijn de woorden van Gods wijsheid, en de koers vanuit zijn leefregels, en gestuurd door de boodschap van Gods liefde en zijn vrede.

Precies dat is het advies van Petrus vanuit de ervaring die hij zelf in zijn omgang met zijn Heer had opgedaan en de kijk die hij daardoor heeft gekregen op wat al vroeger door profeten onthuld was: “u doet er goed aan uw aandacht altijd daarop gericht te houden, als op een lamp die in een duistere ruimte schijnt, totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw harten”.

 

In de manier waarop Petrus dat hier zegt zit nog wel iets van nog onderweg zijn: totdat...

Zeker, hoe meer Jezus en zijn evangelie een vaste plek krijgt in ons hart en in ons leven – dat is dat we in ons denken en voelen, en we in ons doen en laten op onze Heer en Voorloper gaan lijken en ons aan Hem spiegelen – zeg maar: we in zijn licht ‘wandelen’ -

des te meer gaat ons zijn licht op en straalt dat licht van ons uit en door ons heen, naar

anderen toe, en naar de wereld om ons heen toe – zoals Hij zelf zegt in de bergrede: jullie zijn het licht in de wereld…licht dat moet schijnen voor de mensen, “opdat ze jullie goede

daden zien en eer bewijzen aan jullie Vader in de hemel” – denk ook maar een vuurtoren

die schepen op de donkere zee en midden in de storm de weg wijst naar de veilige haven.

 

Petrus noemt Gods Woord hier ” een lamp die in een donkere ruimte schijnt” – in een wereld en ook een hart en een leven met nog veel onzekerheid: over welke kant het opgaat en wat de veilige koers is en de goede keuzes zijn;  met ook donkere plekken waarvan de bijbel ergens anders zegt dat de mens van nature het licht haat en het licht schuwt omdat dan onze verkeerde dingen openbaar worden (Joh. 3: 19) – terwijl het Jezus er juist om begonnen is ons leven in zijn licht te zetten en ons zijn evangelie mee te geven als een looplamp om niet te verdwalen en om te komen: “wie Mij volgt loopt nooit meer in de duisternis, maar heeft licht dat leven geeft”  (Joh. 8: 12).

 

Paulus zegt het op zijn manier: “de God die heeft gezegd: Uit de duisternis zal licht schijnen, heeft in ons hart het licht doen schijnen, om ons te verlichten met de kennis van zijn luister, die afstraalt van het gezicht van Jezus Christus” (2 Kor. 4: 6) – het komt dicht bij wat Petrus

in ons tekstvers bedoelt: als Jezus in je hart woont en je leven bepaalt, gaat het Licht steeds

helderder stralen en van je afstralen – ga je steeds meer worden en leven zoals je bedoeld bent, en mogen andere mensen daarvan meeprofiteren – weer een uitspraak van Paulus

in dat verband: “zuiver en smetteloos, onberispelijke kinderen van God te midden van een

verdorven en ontaarde generatie, waaronder u schijnt als lichtende sterren aan de hemel”.

 

Niet omdat we zelf zulke lichten zijn maar omdat we het licht van God mogen opvangen en doorgeven – denk aan de maan die het licht van de zon opvangt en dat naar ons doorkaatst.

Dus komt het erop aan dat we ons aan Gods liefde geven en dan ook uit die liefde leven.

Beter voornemen voor 2013 kan ik niet bedenken, daarom bidden en daaraan werken kan zoveel ten goede veranderen in ons eigen leven, in onze omgeving, en voor Gods wereld.

Misschien wel aardig te bedenken dat Venus – de planeet die vaak de morgenster wordt

genoemd – ook de naam is voor de godin van de liefde – trek maar door naar Jezus die echt

de liefde van God de Vader in eigen persoon is – en die ons wil geven uit zijn liefde te leven!

 

Waarbij we nog altijd onderweg blijven, onze tekst is ook een wenkend toekomstperspectief want de morgenster die Jezus is brengt de dag dichterbij maar de volle dag is nog niet aangebroken, niet in onze wereld en ook nog niet in jouw en mijn hart – er is nog schaduw,

en we schermen het licht nog al te vaak af – en we hebben nog de bijbel als looplamp nodig.

Veel vragen blijven onbeantwoord, de toekomst is onzeker, en we zijn nog vaak geblokkeerd en staan elkaar in het licht – of we verblinden met het licht dan we denken gezien te hebben de ander – we verduisteren wat onder handbereik is en drukken weg wat waar is en goed.

 

Goed om ons daarom steeds weer wakker te laten schudden – lees Paulus in Rom. 13:12:

De nacht loopt ten einde, de dag nadert al. Laten we ons daarom ontdoen van de praktijken van de duisternis en ons omgorden met de wapenen van het licht” – kijk naar de morgenster!

Elk jaar is die morgenster weer een stukje hoger geklommen en komt de dag dichterbij!

Dus: “ontwaak uit uw slaap, sta op uit de dood, en Christus zal over u stralen”. 

 

Een uitlegger zegt: “In de nieuwe wereld zijn alle harten aangesloten op één lichtpunt.

Christus, de blinkende morgenster. Zijn schitterende verschijning lost in één keer alle

onhelderheid op. Dan is de nachtwake voorgoed voorbij. Als de grote morgen gloort, gaat ons een groot Licht op!

 

Laat het voor ons meer dan een lied zijn:  “U Christus volg  ik vrolijk na…Kom o vreugde,

ik verheug me. Wacht niet langer. U verwacht ik met verlangen”.

 

                                                         amen                   

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2 Petrus 3: 15a – Gods geduld – oudejaarsdienst

liturgie oudejaarsdienst 31 december 2012

 

votum en groet

zingen:       Ps. 117

schuldbelijdenis

zingen:       Ps. 86: 2

genadeverkondiging

zingen:      Ps. 86: 5

gebed om verlichting met Gods Geest

Schriftlezing:  Lucas 13: 1-9

zingen:      Ps. 103: 3

Schriftlezing:  2 Petrus 3: 8-9

zingen:      Ps. 90: 3,6

verkondiging: 2 Petrus 3: 15a

zingen:     Lied 252 (1-4)

gebed

collecte

zingen:     Gz. 147: 1 (+R) a; 2 m (R:a); 3 v (R:a); 4 a)

zegen

amen:       Gz. 147 refrein

——————————————————————————————————-

Gemeente van Christus, ouderen en jongeren, geliefd door God onze Vader,

 

We mogen er nog zijn, en samen de laatste dag van 2012 beleven, en dit jaar afsluiten.

Dat is niet vanzelfsprekend maar een wonder: God gaf ons er weer een jaar bij.

Anderen hebben het einde van dit jaar niet gehaald, misschien wel iemand die u goed

gekend heeft, van wie je veel hebt gehouden, die er altijd bij was maar vanavond niet meer.

2012 was ook een jaar van natuurgeweld, oorlog, schietpartijen op scholen, geweld in het

uitgaansleven en op het sportveld, honger, en een jaar waarin mensen ziek werden, een

verkeersongeluk kregen, of een hartinfarct – want we zijn en we blijven ‘stervelingen’.

We denken met ontroering terug aan zovelen voor wie 2012 het laatste jaar van hun leven hier op aarde betekende, en dat waren niet alleen ouderen maar ook veel jongeren en zelfs heel veel kinderen…..

 

Des te meer mag het ons verwonderen en dankbaar stemmen dat wij er vanavond zijn.

In het licht van wat we weer van de Heer Jezus hebben gehoord is dat echt een wonder

en niet daaraan te danken dat wij het er beter hebben afgebracht dan die anderen die

ineens een ongeluk kregen, of door een doorgeslagen schutter zijn neergeknald, die

zijn gestorven van honger en uitputting in dat vluchtelingenkamp, of zijn omgekomen

tijdens de uitoefening van hun werk als politieman, hulpverlener, grensrechter, militair..

Dat u en jij en ik er bij zijn vanavond is niet omdat wij christen zijn en trouw kerkganger.

Alsof wij beter zijn dan die collega die stierf na een lang ziekbed of die buurman die in

het verkeer is omgekomen, of die jongeren die het pesten niet meer aan konden….

Leer van Jezus die heilzame les dat zij niet groter zondaars zijn dan jij – u – of ik – en

neem zijn waarschuwing ter harte: als jullie niet – allemaal en elke dag, en nog dit jaar-

steeds weer je bekeren, kan datzelfde lot je treffen, zul je allemaal net zo omkomen….

 

Des te meer stemt het tot nadenken en tot dankbaarheid dat de grote eigenaar van de wijngaard – betrek het vandaag maar op de gemeente, en op uw en jouw leven -ook in 2012 heeft gezegd: laat mijn gemeente, mijn wereld, en zijn of haar leven – ook dit jaar met rust – maak er nog geen einde aan – zoals een lied het vertolkt: wij danken U, o Heer, dat Gij ons genadig hebt beschermd, ook dit jaar weer….en ook – als gebed voor een nieuw jaar: heb ook dit jaar met ons geduld – en sterk ons klein en zwakgeloof, tot uw eigen roem en eer.

Waarmee we wat Jezus zei verbinden met wat Petrus later schreef: de Heer heeft geduld met jullie, en wees er maar blij mee want dat geduld van onze Heer is uw en jouw redding!

Gods geduld

1.  wees er maar blij mee

2.  doe er je winst mee

3.  volg Hem daarin na

 

1.  Gods geduld: wees er maar blij mee.

 

Dat schrijft Petrus met het oog op de beloofde terugkomst van Jezus die langer duurt

dan blijkbaar verwacht werd, tot onrust bij sommigen en spot van anderen – lees maar

vs 4: “Waar blijft Hij nu? Hij had toch beloofd te komen?” – zie je wel, er komt niks van!

Je krijgt de indruk dat de christenen aan wie Petrus schrijft met die spot niet zo goed

raad wisten en er geen antwoord op hadden, want hadden die spotters niet eigenlijk

wel een punt: de Heer had toch beloofd gauw terug te komen, waarom duurt het dan

zo lang, en hadden ze het dan verkeerd begrepen, en ze verlangden toch naar Hem?

En dan legt Petrus uit dat de Heer niet treuzelt, dat het geen uitstelgedrag is van God

en dat van uitstel zeker geen afstel komt – wie dat denkt, vergeet wat ooit is gebeurd

toen God ook een oordeel had aangekondigd en ze Noach voor gek verklaarden: wat

een dwaas om een zeeschip te bouwen op het droge met geen vuiltje aan de lucht…-

maar op Gods tijd werd de aarde door het water overspoeld en kwamen velen om.

In zijn eerste brief (3:20) had Petrus er ook al aan herinnerd en juist in dat verband het

woord geduld laten vallen: “toen God geduldig wachtte en de ark gebouwd werd.”

In de vorige vertaling staat:  “toen de lankmoedigheid van God bleef afwachten”.

 

Kijk, en net als bij die zondvloed lang geleden wil God ook met het oog op de grote

dag van de terugkomst van Jezus en het eindoordeel dat dan komt, ruimte scheppen

voor zijn mensen, voor zijn wereld, om tot inkeer te komen, en er klaar voor te zijn.

Ja en het is goed te bedenken dat je daar ook zelf je leven en je toekomst aan te

danken hebt, want – wil Petrus maar zeggen – als de Heer eerder gekomen was,

was het evangelie niet bij jullie gekomen, waren jullie niet tot geloof gekomen -

dus weer maar blij dat God geduld heeft gehad en nog heeft met jullie (vers 9);

“bedenk dat het geduld van onze Heer – zijn lank-moedigheid – jullie redding is”.

 

Wij die bijna tweeduizend jaar later leven en nog veel meer ons zouden kunnen

afvragen wanneer de Heer eindelijk komt en waarom het nog altijd niet zover is

en dat weer bijna een jaar om is, en de wereld natuurlijk niet is vergaan op 21 dec.

want dat verhaal van die Maya-kalender is onzin maar Jezus dan, Hij is er ook

nog steeds niet, en die dominee die denkt dat het in 2035 zover is, zit er volgens

ons naast natuurlijk – we kunnen de wederkomst niet berekenen – maar is niet het

gevaar voor ons dat we net als die spotters er niet eens meer op rekenen dat het

echt gaat gebeuren, en dat het morgen zou kunnen of volgend jaar – en als er al mee rekenen, hopen we er dan op, kijken we ernaar uit, bidden we erom: Heer, kom toch

gauw – of denken we stiekem: het zal wel niet – en van mij hoeft het ook nog niet?

Terwijl best wel heel ongeduldige mensen zijn – naar elkaar toe en naar God toe.

Zeker in onze chaotische en jachtige tijd is er veel ongeduld, stress, en agressie.

Wachten in een rij bij de supermarkt, wachten voor een stoplicht of in de file, wachten tot de storing als je net TV zit te kijken voorbij is – wachten tot je iemand van dat bedrijf aan de lijn krijgt (“er zijn nog tien wachtenden voor u”) – irritant dat die computer zo traag opstart – waarom schieten ze nou niet op met die bouw – waarom is dat pakje nog niet bij de post?

Overal wordt gewerkt met deadlines en moeten targets gehaald worden en is tijd geld.

En waarom gaat het in de kerk vaak zo stroperig en lopen we altijd bij alles achteraan?

Ik las: “ongeduld is altijd een aanwijzing dat je de zaken naar je eigen hand wilt zetten“.

En ergens anders: “Mensen hebben korte lontjes. Als aan onze bezwaren niet tegemoet gekomen wordt, spelen we op. Als ons iets niet bevalt, laten we het weten en moeten er direct maatregelen worden getroffen”.  Genoeg voorbeelden ervan ook het afgelopen jaar van agressie tegen hulpverleners, artsen en verpleegkundigen, scheidsrechters enz.

Ongeduld heeft behalve met het zelf willen regelen van je eigen zaakjes en het willen bereiken van je eigen doelen en het willen binnenhalen van wat voor jou belangrijk is, als vanzelf ook te maken met geen ruimte en geen voorrang willen geven aan de ander als

die ander jou in de weg zit of jou dwars zit of niet beantwoordt niet jouw verwachtingen.

Nog twee citaten die dat duidelijk maken:”We kunnen de ander moeilijk verdragen, wat ons niet bevalt moet uit onze ogen verdwijnen”. En andersom juist: “Geduld hebben met een ander is een vorm van respect, een vorm van de ander in zijn waarde laten”.  Denk maar

weer aan die file, of die telefoon, of die rij voor de kassa – zou daar ook niet die bijbelse

les gelden dat we niet alleen ons eigen belang maar ook dat van de ander moet zoeken,

dat we de minste moeten willen zijn, en hoe doen we dat thuis en hoe gaat dat in de kerk?

 

Kijk, en van ongeduld hebben we ook hel vaak last als het gaat om wat God doet – of hebt u niet aan het eind van een jaar last van ongeduld over dingen die nog steeds niet opgelost

zijn, dat waarvoor je al zo vaak gebeden hebt maar wat weer niet gebeurd is; denk ook

maar aan die waarom-vragen in verband met lijden van jezelf of bij anderen waarvan je onwillekeurig denkt: waarom laat God dat toe, waarom grijpt God niet in, en: hoe lang moet

dat nog duren,  vragen die niet van vandaag of gisteren zijn maar ook in de bijbel al te

vinden zijn, denk aan Israel in de woestijn als er geen brood of water was, of later in de ballingschap: God is ons zeker vergeten; en bij de apostelen: wanneer komt Gods rijk nou?

Maar heel vaak is er dat ongeduld vooral als ons eigen belang op het spel staat en we graag willen dat God aan onze narigheid een eind maakt en God toch vooral onze wensen moet vervullen – dat kan zelfs ons parten spelen bij het denken over de wederkomst – als we in de ellende zitten kan het niet gauw genoeg gebeuren en bidden we er best vaak en veel om,

maar als alles goed gaat en we nog allerlei plannen hebben mag het nog wel even duren.

 

Gemeente, God heeft van zijn kant veel geduld, met zijn mensen, ook met u en jou en mij.

Als we misschien ongeduldig zijn en het gevoel hebben dat God ons maar laat wachten,

bedenk dan dat God elke dag maar weer op ons moet en vooral wil wachten: op ons gebed,

op wat wij hebben beloofd maar steeds maar niet doen of half doen; dat God ons elke dag zoveel missers en tekortkomingen, zoveel traagheid en ongeduld, moet en wil vergeven.

Het woord dat hier vertaald is met geduld, is wat in oudere vertalingen ‘lankmoedigheid’ is.

Dat oude woord staat dicht bij de woorden die in het Hebreeuws en het Grieks gebruikt

worden, en letterlijk zoiets betekenen als: een lange adem hebben, het lang volhouden, niet gauw boos worden en niet meteen ingrijpen – een lange adem en geen kort lontje -en dat is geweldig want dat betekent dat God het lang met ons mensen wil volhouden, dat God ons serieus neemt en ons de ruimte wil geven en de tijd gunt om onze weg te zoeken door dit leven en onze keuzes te maken, om van onze fouten te leren en tot inkeer te komen en om samen er wat van te maken in zijn wereld, tot zijn eer en met hulp van zijn Heilige Geest.

Dan is 2012 met alles dat daarin is gebeurd niet een verloren jaar maar weer een jaar vol van Gods geduld en genade, en weer een jaar dichterbij de laatste dag die zeker komt.

 

2.  Gods geduld: doe er je winst mee.

 

Dat wil Petrus ons ook meegeven: God geeft je de ruimte en gunt ons als mensen de tijd

maar dat is niet een vrijbrief om maar onze eigen gang te gaan en onze eigen zin te doen.

Denk maar weer terug aan die lange periode die aan de zondvloed vooraf is gegaan, toen Gods geduld eindeloos leek en de mensen dachten dat het er echt niet van zou komen -

de Heer zegt ervan: “zoals men in de dagen voor de vloed alleen maar bezig was met eten en drinken, met trouwen en uithuwelijken, tot aan de dag dat Noach de ark binnenging, en zoals men niet wist dat de vloed zou komen, totdat die kwam en iedereen wegnam, zo zal het ook zijn wanneer de Mensenzoon komt“, daarom, zegt Jezus, moeten jullie klaar staan, erop voorbereid – en Petrus schrijft: “God wil dat iedereen tot inkeer komt en gered wordt”.

Daar geeft God nog steeds de tijd voor, en het komt erop aan hoe wij die tijd gebruiken.

Vlak voor ons tekstvers staat: u moet zich inspannen (letterlijk: je haasten) om smetteloos,

onberispelijk en in vrede aangetroffen te worden – en dus elke dag daarmee bezig zijn.

In vers 11 staat de aansporing om heilig en vroom te leven – dat is niet als vroompies

of heilige boontjes, maar als mensen die bij God horen en op hun Heer willen lijken.

in hoe we omgaan met elkaar, met mensen die een beroep doen op onze hulp, met

de schepping die God ons toevertrouwt, met onze relaties, onze gezondheid, ons geld

en bezit, met zoveel dat God ons ook in 2012 gegeven heeft, vanuit zijn liefde en genade.

Dat door het werk van Gods Geest vruchten te zien zijn van dat geduld van God met ons:

liefde en vreugde, vrede, geduld om te verdragen, en goedheid, geloof om veel te vragen

en ook om met anderen te delen, en dat we niet krampachtig vasthouden aan wat zelf

hebben of wie we zelf zijn, niet alles alleen vanuit onszelf bekijken met zomaar een hard oordeel of een vlotte veroordeling van anderen, maar bereid onszelf te bekijken met de

ogen van God en de ogen van anderen, en met oog en oor en hart voor onze naasten.

 

Ja en daar krijgen we nog altijd veel ruimte voor, en vrijheid, in dat land waar wij wonen,

een land met problemen, economische en financiële problemen, maar vooral problemen

op moreel gebied, denk alleen maar aan die agressie die we al noemden, dat ongeduld

(waar christenen weinig beter mee omgaan dan anderen), dat gaan voor jezelf en alles

bekijken en beoordelen vanuit jezelf, dat gebrek aan respect voor medeburgers zeker als die anders zijn dan wijzelf, dat gebrek aan ruimte voor wie anders denken tot in de kerk toe.

Dat God nog geduld heeft….nee niet met die ander, maar met onszelf: met jou en met mij.

Dat God zo vergevingsgezind is, en niet boos blijft, niet een kort lontje maar een lange adem heeft….die ook in 2012 niet deed naar alles wat wij deden maar onze schuld heeft uitgewist…

Hoe gaan wij daar dan mee om, hoe gebruiken we die ruimte, die vrijheid om God en elkaar te dienen, om uit te komen voor onze mening en voor ons geloof, om elke dag naar school te gaan en op zondag naar de kerk, wat doen we met die welvaart nog steeds en die zorg….

Doen we daar onze winst mee en plukken ook anderen er de vruchten van – of zijn we alleen gericht op korte-termijn-belangen, vooral voor onszelf – en eindigt ons leven vruchteloos?

 

We hebben ook dat stukje onderwijs van onze Heer Jezus gelezen, over die vijgenboom

die maar geen vruchten opleverde en dreigde omgehakt te worden – maar die er weer een jaar bij kreeg en extra verzorging, dankzij de goedheid en het geduld van de wijnbouwer -

wees maar blij met zoveel geduld van je God – maar doe daar dan wel je winst mee!

 

3.  Gods geduld: volg Hem daarin na.

 

  De bijbel is vol van Gods geduld, zijn ‘lankmoedigheid’, verbonden met goedheid en liefde.

Gods geduld, dat is dat Hij zijn mensen respecteert en ruimte geeft om te zijn wie ze zijn,

dat Hij ons niet opjaagt en onder druk zet, en ons de tijd geeft om te kiezen en te groeien.

Psalm 103 zingt ervan “Liefdevol en genadig is de HEER, Hij blijft geduldig en groot is zijn trouw, niet eindeloos blijft Hij twisten (ruzie met ons maken), niet eeuwig duurt zijn toorn”.

En echt, Petrus spreekt ons aan, kerkmensen: alleen aan Gods geduld heb je je redding

te danken – ja en jullie God wil dat ook die anderen tot inkeer komen en worden gered -

nou, en als God zoveel geduld heeft met jou en mij, zouden wij dan niet veel geduld hebben met elkaar en met hem of haar die net als wij onderweg is, op zoek, op drift misschien, of

al zo lang ver weg, of misschien langs een heel andere weg op zoek naar de zin van zijn leven, naar haar bestemming, naar wie als de Schepper met alle mensen zijn doel heeft?

 

Meer dan eens wordt het aangegeven en aangeprezen als een christelijke houding, als zelfs vrucht van de liefde die de Geest van Christus wil werken: geduld, een lange adem

naar de ander toe,en naar de toekomst die God in het vooruitzicht stelt toe,want -1 Kor.13-

“de liefde is geduldig en vol goedheid” – vanuit geloof, dat is niet om vooral veel te krijgen maar om veel te geven,  en dat leert te leven vanuit de verwondering. dit leven, deze aarde, de adem in en uit, en weer een jaar erbij, het is van Gods genade en zijn lankmoedigheid.

 

amen                           

Zondag 16 Heid. Cat.: Leven uit de dood

liturgie morgendienst zondag 30 december 2012

 

votum en groet

zingen:                   Ps. 24: 1,4,5

wet van de HEER

zingen:                   Ps. 24: 2,3

gebed

Schriftlezing:          Joh. 11: 45-57 en 12: 12-36

zingen:                   Ps. 126: 3

verkondiging:  zondag 16

zingen:                  Gz. 79: 2,4,5

gebed

collecte

slotzang:               Lied 120 (1-4)

zegen

———————————————————————————————-

 

Gemeente van de Here Jezus Christus,  broeders en zusters, jongens en meisjes,

 

In een stroomversnelling naar de top en naar de troon. Zo leek het te gaan met de Here

Jezus onderweg naar Jeruzalem. In een dorpje vlakbij de stad had Hij zijn misschien wel meest indrukwekkende wonder gedaan. Jezus’ vriend Lazarus was ziek geworden en was aan die ziekte overleden. Jezus kwam niet toen hij ziek was en ook op de begrafenis liet Hij verstek gaan. Een paar dagen later pas arriveerde Hij met zijn leerlingen in Bethanië om de twee rouwende zussen Martha en Maria te condoleren en te troosten. Meer niet, dachten ze, en ze verwijten hun vriend dat Hij hen in de steek gelaten en dit had laten gebeuren.

 

Maar dan dat wonder waar niemand meer in geloofde – Heer, onze broer ligt al meer dan drie dagen in het graf en zijn lijk gaat al tot ontbinding over! – maar  toch: weg die steen!

open dat graf! Lazarus, kom te voorschijn – en werkelijk: de gestorvene kwam naar buiten!

Veel dieper en rijker dan iemand had durven denken bleek het waar: Ik ben de opstanding en het leven – sterker dan de dood – wie in Mij gelooft zal leven,  dwars door de dood heen.

“Als je gelooft” – had Jezus gezegd – “zul je Gods grootheid zien” (40) – en het gebeurde!

 

Geen wonder dat wie het gezien en gehoord hebben, opgetogen zijn! Er staat: veel Joden die gezien hadden wat Jezus deed, kwamen tot geloof in Hem.

En het ging als een lopend vuurtje verder.

O ja, er waren ook wanklanken. Sommigen gaven Jezus aan bij zijn vijanden de Farizeeën,

en het besluit viel zelfs dat Hij die anderen uit de dood het leven teruggaf, zelf dood moest.

Maar dat leken achterhoedegevechten, machteloze pogingen het onvermijdelijke af te wenden. Toen Jezus uiteindelijk Jeruzalem binnenkwam, leek de overwinning compleet.

Als een held werd Hij binnengehaald. Het leek de inhuldiging van een Koning, van de beloofde grote Koning:  “Hosanna, gezegend hij die komt in de naam van  de Heer!

Hoera voor de Koning van Israël!

Was het dan na zoveel eeuwen zover:  “de Vorst der eer wil binnenrijden”?

 

De tegenstanders lijken dan ook hun nederlaag grommend te accepteren. Zie je wel, zeggen ze tegen elkaar, we bereiken helemaal niets. De hele wereld loopt achter Hem aan!

Heel de wereld! Ze bedoelen daarmee: de mensen lopen massaal Jezus achterna, iedereen lijkt wel op zijn hand te zijn. Maar meteen lijken ze nog veel meer gelijk te krijgen dan ze zelf hadden bedoeld, als buitenlanders belangstellend informeren naar die Jezus en vragen of ze Hem kunnen ontmoeten. Krijgt de Koning van Israël al meteen erkenning als de Redder van de wereld? Begint het nu: “men zal van oost tot west Hem eren, en prijzen zijn bewind?”

En zegt Jezus met het oog daarop dat triomfantelijke (12:23):

“De tijd is gekomen dat de Mensenzoon tot majesteit wordt verheven?”

Wordt dit de dag van de definitieve troonsbestijging?

 

Maar meteen daaroverheen komt dan dat onbegrijpelijke over die graankorrel die moet sterven: Jezus die aangeeft dat en hoe Hij gaat sterven, en dat God zo verheerlijkt wordt.

 

           Leven uit de dood :  

1. door Jezus;

2. voor ons;

3. wereldwijd.

 


1. Leven uit de dood:   door Jezus

 

‘Meneer, we willen uw leermeester Jezus graag eens ontmoe­ten, zou dat kunnen?’. Die vraag werd wel vaker gesteld aan een van de discipelen. Elke dag verdrongen de mensen zich om Jezus heen: om advies, met een probleem, om genezing.

 

Maar deze keer is het toch heel bijzonder. De vraag komt namelijk van enkele Grieken. Mensen die niet behoorden tot het joodse volk maar wel de God van Israël kenden en naar Jeruzalem kwamen om Hem te aanbidden. Ze moesten op een afstand blijven, in de ‘voor­hof van de heidenen’, maar dat gaf niet.  Nu de stad gonsde van opwinding over een zekere Jezus die wonderen kon doen en zelfs een dode had opgewekt, en net als een vorst was binnengehaald, nu wilden ze dolgraag nader kennis maken met die beroemde rabbi die misschien wel gauw koning zou worden. ‘Meneer, we zouden graag Jezus willen zien’, met die vraag klampen ze juist Filippus aan die uit Betsaïda kwam en vloeiend Grieks sprak….

 

Maar dan Jezus’ antwoord. Eigenlijk horen we helemaal geen antwoord. Alsof de Heiland helemaal niet op dat verzoek van die buitenlandse gasten ingaat. In elk geval horen we niks meer over hen: hebben ze met Jezus gepraat,  en zo ja, waarover dan, en zijn ze gaan geloven, en hoe is het verder met die mensen afgelopen? Het blijft allemaal gissen.

Blijkbaar is het niet belangrijk voor ons dat we dat weten. Gaat het om wat de Here Jezus wel zegt, aan het adres van zijn leerlingen en de mensen erom heen, en aan ons adres.

 

In wat de Heer zegt in reactie op die vraag om een gesprek met die buitenlandse mensen lijkt een knik te zitten. Zo te horen klopt het niet op elkaar. Eerst lijkt Jezus enthousiast:

“de tijd is gekomen dat de Mensenzoon tot majesteit wordt verheven”. Een uitlegger merkt op: “de tijd is gekomen dat Jezus de redder van de mensheid zal blijken te zijn”…Die

Grieken,  mensen uit de wereld buiten Israël, lijken het begin van wereldwijde erkenning.

Het lijkt eindelijk zover te zijn wat toen Jezus geboren werd, al aangekondigd werd: de

Here God zal hem de troon van zijn vader David geven – wordt zijn kribbe een troon?

Maar dan ineens: de toon verandert en wordt somber: mijn laatste uur heeft geslagen……

Staat dat haaks op dat veelbelovende: de Mensenzoon wordt tot majesteit verheven?

 

Nee, toch niet.Juist niet! “De luister van de koning is een talrijk volk”, staat in Spr. 14: 28. . Hoe meer onderdanen en hoe meer grondgebied, hoe meer eer voor een koning.

Nou, en deze Koning die God op de troon van David zet, is op weg om Koning van heel de wereld te worden. Het komt zover dat alle volken Hem zullen gaan eren en gaan dienen.

Maar de weg naar die troon is de weg langs het kruis en via het graf. Om dat duidelijk te maken kiest Jezus als zo vaak een voorbeeld uit de natuur. Neem een graankorrel, het mag ook een ander zaadje zijn. Berg je het op, in een doosje, of in een zakje, dan gebeurt er niks mee. Hoogstens verliest dat zaad als je al te lang laat liggen, zijn kiemkracht. In elk geval komt er geen nieuwe plant uit en zullen er nooit graankorrels of mooie bloemen komen.

Om dat te bereiken moet je die graankorrel of dat zaadje onder de grond te stoppen.

Het lijkt dan of het helemaal verrrot en verdwijnt, maar moet je eens kijken na een paar weken of een paar maanden. Er komen nieuwe planten tevoorschijn, met een heleboel nieuwe graankorrels, of een heleboel bladen met de prachtigste bloemen, en veel nieuwe zaadjes. Zo mooi zit de natuur die God geschapen heeft, in elkaar. Zeg maar: leven uit de dood. Denk ook maar aan bloembollen in uw tuin. Wat een pracht straks weer in de lente!

 

Nou, zegt de Here Jezus, zo moet Ik eerst de dood ingaan en in het graf worden gelegd,

om zo veel vruchten te dragen, om zo te bereiken dat Gods koninkrijk vele miljoenen en miljarden onderdanen krijgt en dat de glorie van de grote Koning aan het licht komt. In vs. 32 wordt hetzelfde gezegd met een ander beeld: als Jezus via het kruis omhooggestoken wordt – tot op de troon in de hemel – zal Hij allen (ieder die gelooft) naar zich toe trekken.

 

Het geldt allereerst voor Jezus zelf – de Mens bij uitstek – wie zijn leven (hier op aarde) liefheeft (en dat ten koste van alles veilig wil stellen), maakt juist dat het verloren gaat, maar wie zijn leven haat (prijs wil geven) op deze aarde,  krijgt leven dat altijd blijft….

De weg naar dat leven loopt dus via de dood. Tegen wil en dank had zelfs een bittere vijand van Jezus – Kajafas – de kern van zijn evangelie moeten preken:  Jezus moet sterven voor het volk – en zelfs om een volk bijeen te halen dat vanuit alle volken overal op de wereld.

 

De vraag dringt zich dan natuurlijk op: waarom moest dat dan zo, kon dat niet anders.

Zondag 16 geeft een kort en duidelijk antwoord: omdat alleen zo betaald kon worden voor onze zonden. Elk mens verdient de dood. Geen mens kon meer bij God komen. Jezus zou een koning gebleven zijn zonder onderdanen en zonder land. En de dood hield voorgoed het laatste woord. Maar nu – punt 2 – door Jezus is er leven uit de dood – voor ons!

 

 

2. Leven uit de dood – door Jezus – voor ons!  

 

De mensen die naar Jezus luisterden, begrepen niets van wat Hij zei. Hadden ze net Hem bejubeld als de grote Koning die God beloofd had – en nu dit! Begonnen ze langzaam maar zeker te geloven dat deze Jezus de beloofde Messias was – maar in de bijbel staat toch dat de Christus eeuwig zal blijven….dat de grote Zoon van David voorgoed zal regeren….en had Jezus niet gezegd: Ik ben de opstanding en het Leven. Hoe moeten ze dat nou rijmen met dat verhaal over de graankorrel die sterft….en over de Zoon van de mens die omhooggestoken zal worden aan zo’n ellendig kruis?

 

Die mensen hadden gelijk natuurlijk, nog meer dan ze zelf door hadden.

Als er een niet de dood verdiende maar het leven, dan was het deze Jezus. ‘Door de zonde is de dood in de wereld gekomen’, maar hier staat de Enige die nooit zonde heeft gehad en nooit zonde heeft gedaan. Van wie God zelf bovendien gezegd had: deze is mijn Zoon, en die Zoon heeft net als God zijn Vader leven in zichzelf. Hij kon zeggen: Ik ben het Leven!

 

Kijk, en dan moet het ons toch wel door merg en been gaan: er kon niet anders voor onze zonden worden betaald dan door zijn dood, de dood van die unieke Zoon van God. Ik kan niet nalaten een klein stukje voor te lezen hierover uit het mooie boek ‘Zeg je ‘t mee in geloof’ van Inge de Visser-Oostdijk, uit het hoofdstukje ‘Hij is gestorven’. Dat gaat dan zo:

“Het was een hele erge vernedering voor de Here Jezus. Hij hoorde bij het leven, maar Hij ging de dood in.  Waarom moest het zo gaan? Wel, het was Gods bedoeling om zijn kinde­ren volkomen te redden. Ze moesten vrij kunnen worden van de zonde en van de dood.

De dood kwam immers door de zonde de wereld binnen. …..De dood was een straf op de zonde. Wanneer een kind van God nu moet sterven, mag je juist bij de Here komen. Daarom moest de Here Jezus die afschuwelijke dood sterven. Om ons vrij te maken van de angst om te sterven. Zie, alweer een voorbeeld van de grote liefde van de Heiland voor zondaren”.

 

We hebben gelezen hoe de Here Jezus met zijn leerlingen over zijn aanstaande dood

heeft gepraat. Niet over zijn dood als een trieste afloop van een mislukt avontuur.

Als overwinning van zijn vijanden die hun plan kunnen uitvoeren om Jezus weg te krijgen.

Zeker, ook voor de Here Jezus, zeker voor Hem, was dat lijden en dat sterven een verschrik- king.  Zijn lijdensweg is voor Hem die echt en voluit  mens was onnoemelijk zwaar geweest, juist omdat Hij onschuldig geleden heeft en veroordeeld is tot die afschuwelijke kruisdood en daarna vernederd is tot in het graf. Hij is echt de hel doorgegaan vooral toen zijn eigen Vader Hem in de steek liet en Hem zijn toorn liet voelen. Zondag 16 komt woorden tekort en kan er niet over uit: zijn “onuitspreke­lijke angsten, smarten, verschrikking en helse kwelling“. Angst voor de dood en vooral angst voor de hel, daar kan onze Heiland als geen ander over meepraten. Hij is er van te voren ook heel echt en heel erg bang voor geweest. Denk maar aan Gethsemané: Vader, als het mogelijk is, laat dat aan mij voorbijgaan.

Ook in Joh.12 proeven we die angst: “Nu ben ik doodsbang, wat moet ik nou zeggen? Vader, laat dit ogenblik aan mij voorbijgaan?” Vader, bespaar mij dit? Het is zo menselijk. Wie zou dat niet uitschreeuwen?

 

Ja maar,  Jezus kende zijn opdracht en wist wat de Vader en Hij hadden afgesproken.

Daarom weet Hij wat Hij wil en zal vragen aan Vader: “maar hiervoor ben ik  juist gekomen”, En daarom: “Laat nu zien hoe groot uw naam is, Vader“, hoe groot uw liefde voor ons is….

 

Kijk, en dan komt meteen antwoord. Voor veel omstanders als een donderslag uit heldere hemel, voor de Zoon de bemoediging van Vader die Hij nodig heeft. En die ook bestemd is voor ons: als Jezus sterft, is dat de doodklap voor de duivel en de doodssteek voor de dood.

Zijn dood betekent dat de duivel zijn claim verliest – hij wordt eens en voorgoed buiten de deur gezet. En ook de dood loopt op zijn laatste benen – de laatste vijand die eraan gaat. En dat omdat de prijs is betaald. Nu kan niets ons meer van God scheiden – zelfs de dood niet.

 

Zeker, we moeten nog wel sterven. Het wachten is nog op de terugkomst van de Koning.

Sterven blijft vernederend, pijnlijk, een diepe wond die steeds wordt geslagen wordt en die vreselijk pijn doet en lang blijft schrijnen en telkens weer onnoemelijk veel verdriet brengt.

 

Maar toch, we hoeven niet meer in paniek te raken, als mensen zonder troost en hoop. We horen van onze Heiland dat wie Hem volgt, zal komen waar Hij nu is. Achter Hem aan, dat Hem volgen op die weg door lijden heen en door de dood heen – maar het Leven binnen.

Hij staat klaar oms ons naar zich toe te trekken en ons op te vangen. Geen nederlaag meer dat sterven, maar als we geleefd hebben met Christus, voor God, pure winst. Leven uit de dood! Vandaar dat Paulus ook ons sterven een zaaien kan noemen: we dragen vruchten.

Zelfs nu al wordt die winst zichtbaar: in een nieuw leven dat begint te groeien, tegen de zonden en de verdrukking in. Voor wie gelooft, begint dat eeuwige leven met God nu al!

 

3. Leven uit de dood:  wereldwijd. 

 

Zondag 16 staat in een belijdenisgeschrift en een leerboek, ontstaan in West-Europa in de 16e eeuw. Het gaat over wat de waarde is van het offer en de dood van een Man die geleefd heeft en gestorven is in het land Israël, nu al bijna 2000 geleden. En er staat dat wat Hij gedaan heeft en ondergaan heeft, ook waarde heeft voor ons. Voor ons en voor zovelen door al die eeuwen heen en in zoveel landen van deze wereld, deze Jezus in geloof zijn gevolgd. Waarmee de woorden van de Heer naar aanleiding van de vraag van die paar Grieken, heerlijk waar zijn geworden: “als de graankorrel sterft, brengt zij veel vrucht voort“.

 

Waarmee Kajafas’ profetische woorden die de Heilige Geest hem dwars door zijn bedoelingen en plannen heen heeft laten uitspreken, heel anders en veel meer dan hij ooit kon bedenken, werkelijkheid zijn geworden en nog steeds worden, “dat Jezus zou sterven voor het volk, en niet alleen voor het volk (het volk Israël), maar om ook de verstrooide kinderen van God bijeen te brengen“. Om ook u en jou en mij naar zich toe te trekken, en dwars door de moeiten van dit leven en zelfs de dood heen de glorie van God in te slepen.

 

Er is wel gezegd: het bloed van de martelaren – gelovigen die gestorven zijn om hun geloof – is zaad van de kerk. Dat is waar gebleken: door vervolging groeit de kerk vaak extra sterk. Maar daarachter ligt het grote geheim van Gods liefde in Christus. Veel meer nog is dit waar: het bloed van Jezus dat van zonde redt, is zaad van de kerk.  En de vraag is en blijft, ook voor u en voor jou: willen wij zo’n Koning, zo’n Redder? Geloven we dat: er is juist leven uit en door de dood. De dood van Jezus. En onze eigen dood, als we met de Heer leven en in de Heer sterven? Willen we kiezen voor zijn kruisweg als onze levensweg?

 

Dan, zo,  gaat het naar de top en naar de troon.

En Vader krijgt de eer, door ons leven en in ons sterven.

Laat dat ons gebed zijn: Vader, laat ons en alle mensen maar zien hoe groot U bent!

amen

 

Lucas 2: Een volle voederbak in Bethlehem (Kerst)

Liturgie 1e kerstdag  25 december 2012

 

beginlied  :        Lied 138

votum (gezongen) en groet

zingen:              Ps. 98: 1,2

gebed

zingen:             Gz. 86

vs 1 koor , 2 allen, 3 koor, 4 allen / refrein allen                     

Schriftlezing:  Lucas 1:  26-33

zingen:             Gz. 47: 1,3,6

Schriftlezing:  Lucas 2: 1-7

zingen:             Gz. 82: 1,3

Schriftlezing:  Lucas 2: 8-14

zingen:             Gz. 84: 1-4

verkondiging :  Lucas 2: 4-7 en  2: 11

zingen:             Gz. 81: 1,5,6,8

gebed

collecte

zingen              Gz. 50 (Ere zij God)

zegen

amen:               Gz. 85: 4

————————————————————————————————————–

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

 

Weet u wie dit jaar de Nobelprijs voor de vrede heeft gekregen…?

 

Ik denk dat het u niet is ontgaan: de prijs ging dit jaar naar de Europese Unie die volgens

het comité dat de prijs elk jaar uitreikt ervoor heeft gezorgd dat er al heel lang vrede is

tussen de Europese landen, en democratie waar vroeger dictaturen waren……..

Wel vaker is deze prijs naar een organisatie gegaan: De Verenigde  Naties, Artsen zonder Grenzen, Unicef – vaker kreeg een belangrijke strijder voor vrede en mensenrechten deze

belangrijke prijs: Martin Luther King, Nelson Mandela, Aung San Suu Kyi, Desmond Tutu…

Soms is er onenigheid over want was het voor Obama niet te vroeg en is de Europese

Unie niet meer een verdediger van de belangen van rijke landen, met hulp van wapens?

 

Stel je nou eens voor dat er in de tijd dat de Here Jezus geboren werd, ook al zo’n soort

prijs was geweest, wie zou dan voor die belangrijke eer in aanmerking zijn gekomen?

Laat ik een voorstel doen:  Jezus natuurlijk, want hij is toch de vredekoning, en toen hij geboren werd hebben de engelen gezongen – gaan wij straks doen – over ‘vrede op aarde’.

Dat is allemaal waar natuurlijk, maar toen Jezus in Bethlehem geboren werd lag de wereld

daar niet wakker van – met uitzondering even van die oude dictator Herodes – en toen Jezus

volwassen was en aan de weg timmerde, vond zijn eigen volk hem eerder een onruststoker dan een vredestichter – voor hem geen eer maar verachting,  en geen prijs maar een kruis.

 

Wat ik wel zeker weet, dat is dat die prijs eerder was gegaan naar de keizer over wie we net weer hebben gelezen: Augustus, de Verhevene, geroemd en geprezen als de Brenger

van vrede op aarde -of de prijs zou gegaan zijn naar de organisatie die door hem was

opgebouwd: het Romeinse Rijk dat zorgde voor orde, rust, en vrede in grote delen van de

toen bekende wereld, met ook goede verbindingen en wereldwijde handel en grote welvaart.

Maar ook toen zou veel kritiek zijn losgekomen, op toekenning van zo’n prijs aan deze man

en aan dat rijk, want het was wel een gewapende vrede en het eigenbelang van Rome gaf de doorslag en de keizer duldde geen tegenspraak, ook niet van dat koppige volkje van de Joden, en als de keizer iets wilde was het wet, zoals bij die inschrijving, vooral bedoeld om nog beter en efficiënter en met hogere opbrengsten de onderworpen volken financieel te kunnen uitkleden,en grip te krijgen en te houden op alle inwoners van dat immense rijk.

En de sterke arm van de keizer reikte ver, tot in dat onooglijke kleine Nazareth waar een timmerman en zijn vrouw-in-verwachting op reis moesten naar de plaats waar de familie

lang geleden had gewoond en vandaan kwam en misschien nog wel verre familie woonde:

Bethlehem – een reis van enkele honderden kilometers, lopend of misschien op een ezeltje…

 

Het verdiende allemaal niet de schoonheidsprijs, gezien vanuit de eeuwenoude historie van

het vrije en trotse volk Israël dat nog altijd droomde van die gouden eeuw met roemruchte

koningen als David en Salomo – en dat de belofte had die door profeten levend gehouden en ingekleurd was van weer een gouden eeuw met weer iemand uit Davids huis op de troon -

in een tijd dat er geen eigen koning was in Israël – die zich koning van Juda noemde was in werkelijkheid een nazaat van Ezau en niet meer dan zetbaas van de grote Baas in Rome -

en iedereen moest doen wat goed was in de ogen van die keizer en van zijn stadhouders.

 

Zoals met die inschrijving weer schrijnend duidelijk was: “iedereen ging om zich te laten

inschrijven, ieder naar de plaats waar hij vandaan kwam” – een massale volksverhuizing op bevel van de bezetter – en nog altijd was de troon van David leeg – of onrechtmatig bezet.

Ja en dat duurde al best lang en hoe lang moest dat nog duren: “waar blijft het overlang

beloofde land van God, zal ooit een dag bestaan dat alle tyrannie eens zal geleden zijn..

uw schapen zijn in nood, uw naam wordt niets geacht…men breekt uw volk als brood, men heeft ons opgejaagd…zie ze gaan, dagen en dagen onderweg, en dan..geen plek…de nacht is als een graf, ontij heerst in het rond. Kom van de hemel af, o ster van Gods verbond…!

 

Ja maar, heb je wel goed gehoord wat net is voorgelezen, heb je wel door hoe het er staat?

Lucas 2 zou heel goed zo kunnen beginnen – lees maar mee – “In de tijd dat keizer Augustus een decreet afkondigde dat alle inwoners zich moesten laten inschrijven…..ging iedereen op

weg en ging ook een zekere Jozef naar Bethlehem, met zijn vrouw die in verwachting was”.

Dan wordt wat allemaal in die eerste twee hoofdstukken van Lucas, gelinkt aan wat door de

grote keizer in Rome was uitgedacht en op zijn bevel wereldwijd werd uitgevoerd…..weer een bewijs van hoe machtig een mens kan zijn en wat één man in beweging kan brengen.

 

Maar het staat er precies andersom – en hoe ontdekkend voor zeker de eerste voor wie dit boek geschreven is, uitgerekend een hoge piet in het machtsapparaat van het Imperium Romanum: de hooggeachte Theofilus die we in 1: 5 tegenkomen – lees nog eens met me mee: “in die tijd – en dat is de tijd waarover is verteld dat de boodschapper van het hof in de hemel – de hoogedele Gabriël – werd uitgestuurd met Gods wereldnieuws dat Hij nu echt in aantocht was, de beloofde Koning, die de lege plek zou gaan innemen: “God, de Heer, zal

hem de troon van zijn Vader David geven, en aan zijn koningschap zal geen einde komen” -

in die tijd – door God bepaald – kwam Augustus met zijn decreet en ging ook Jozef op reis.

Ik las: “Rome’s wil is wet, maar daarboven uit gaat Gods wil…..Het onderdrukkende plan

van de Verhevene dient Gods vreugdeplan” – zoals in de nacht van de geboorte van koning Jezus wordt afgekondigd: “goed nieuws dat het hele volk met vreugde zal vervullen: vandaag is in de stad van David jullie redder geboren. Hij is de messias (=gezalfde koning), de Heer”.

 

Het is als in die tijd van de Rechters die zo hopeloos en uitzichtloos leek – geen koning in

Israël en ieder die maar deed wat in eigen ogen goed was – terwijl in werkelijkheid achter de schermen God al lang bezig was met de voorbereiding van het komen van zijn koning – en dat ook nog via wat een omweg en zelfs een doodlopende weg leek: dat gezin dat vertrok

en mislukte, twee weduwen zonder toekomst – maar God die zo juist zijn plan doorzette…

 

Dus niet in Rome of welk machtscentrum op aarde ook – niet in Washington of New York, niet in Brussel of in den Haag, vallen de uiteindelijke beslissingen maar in het paleis in de hemel, en bij de uitvoering van die plannen worden machthebbers ingeschakeld en hele volksstammen in beweging gebracht – ik denk aan de wijsheid van de Spreuken: “de gedachten van de koning (..keizer..) zijn als waterstromen in de macht van de HEER, Hij leidt ze waarheen Hij maar wil” (Spr. 21:1) – en hoe ontnuchterend is die psalm altijd maar weer met het oog op wat koningen en volken proberen: de HEER in de hemel lacht en spot met

hen, en laat heel de wereld weten: Ik heb zelf alllang mijn koning gezalfd – en die koning

krijgt alle volken in zijn bezit – wees verstandig en gewaarschuwd, leiders van de aarde:

“onderwerp u, toon de HEER uw ontzag, breng Hem hulde, en bewijs eer aan zijn zoon!”

Als dat nou eens de kerstboodschap zou zijn voor wie regeren – en voor al die volken -

dan zou echt een nieuwe tijd beginnen – volgens niet de Maya-kalender Gods kalender.

 

Ja maar als je dan weer gewoon leest wat er staat – dan moet je er wel geloof voor hebben want wie waren dat eigenlijk: die Jozef….die Maria….nou, helemaal geen mensen met een

indrukwekkend staat van dienst, geen mensen met geld of status of invloed – integendeel.

Hoor Maria over zichzelf: uw minste dienares – de lage staat van uw dienstmaagd….niet

meer dan een jong meisje uit een klein dorp, verloofd met de plaatselijke timmerman….

En ja, van Jozef wordt verteld dat hij van David afstamde – in rechte lijn zelfs (lees Matt.1)- maar als je dan beseft dat de man die recht op de troon had zijn brood moest verdienen als dorpstimmerman in een ver afgelegen gehucht – kan uit Nazareth iets goeds komen? – is dat eerder tekenend voor het verval van oude glorie dan een hoopvol teken voor nieuwe glorie.

Een uitlegger schrijft over ‘een prins in overall’, en: “de koninklijke luister van Davids huis is bedolven onder de spaanders en splinters waartussen Jezus Jozefsen in Nazareth opgroeit”.

Tegen die achtergrond moet je die twee zien gaan – ik las: “Koningskinderen op pad voor de keizer. Een verstoorde verlovingstijd, een verstoord begin van hun huwelijk en nu ook nog op reis op bevel van Augustus. Davidszoon, koningszoon Jozef een loopjongen voor de keizer”.

 

En als ze dan in die oude stad van David aankomen, is er geen herkenning en erkenning, gaan niet zoals je zou verwachten van een kroonprins en zijn vrouw alle deuren voor hen open maar gaan die deuren de een na de ander voor hun neus dicht: geen plaats,we zijn vol, probeer maar een deurtje verder -tot eindelijk iemand zegt: jullie kunnen wel in de schuur….

Weer – als in die donkere tijd van de Rechters en in het schijnbaar mislukte avontuur van zomaar een gezin uit Bethlehem  lijkt de weg van God naar de troon een omweg en een weg die compleet doodgelopen lijkt – dan kan die Maria wel prachtige dingen zeggen en zingen over heersers die van hun troon gestoten worden en geringen die in aanzien komen – maar daar moet je wel veel geloof voor hebben – om niet te zeggen dat je wel heel naïef moet

zijn want hoe kunnen nou twee gewone, zelfs arme mensen, onbekend en zonder invloed,

en straks hun kind dat onder armoedige omstandigheden op de wereld komt, het verschil maken: een rijk dat al die machtige rijken te sterk is, een rijk van echte en blijvende vrede?

 

Het thema vandaag is niet dat een lege troon wordt bezet maar een lege voederbak wordt

gevuld -en dat slaat natuurlijk op dat nederige begin van de beloofde koning,als wordt verteld van de geboorte van dat beloofde kind als de oudste zoon van Maria – en – volgens de wet – ook van Jozef – en zo troonopvolger in de lijn van David: “ze wikkelde hem in een doek en legde hem in een voederbak” -zijn wieg was een kribbe, zingt een oud kerstlied.

 

Ja en dat begin zegt veel over het vervolg en de afloop, want: zijn troon werd een kruis.

We hebben er van gezongen vanmorgen dat daar in die voerbak dat rijk begint, dat rijk waarin de vrede het wint van oorlog en van pijn – hoe bijzonder en naar de mens gesproken ongerijmd ook, zo werkt God: daar ligt Hij in een stal die koning in Jeruzalem voor eeuwig wezen zal – en hoe dreigend ook de vijanden: zij worden verslagen, hun rijk zal vergaan.

 

 

Kijk, en zo werkt dat bij onze God altijd – later staat in de bijbel: “wat in de ogen van de

wereld dwaas is, heeft God uitgekozen om het wijze te beschamen, wat in de ogen van de wereld zwak is, heeft God uitgekozen om wat sterk is te beschamen, wat in de ogen van de wereld onbeduidend is en wordt veracht, wat niets is, heeft God uitgekozen om wat wél iets is teniet te doen. Zo kan geen mens zich tegenover God op iets beroemen”  (1 Kor. 1: 27-29).

 

Denk maar terug aan die twee weduwen Noömi en Ruth,  aan dat herdersjochie David, aan

dat ingewikkelde kind in die voerbak, aan die uitgetelde man aan het kruis – en denk aan

wie jezelf bent en voorstelt, aan de kerk in Nederland steeds meer aan de marge – en laat

je daardoor niet ontmoedigen maar ontdek de plek die God voor u en jou en ons samen in

gedachten heeft – weer Paulus aan het adres van de christenen toen in Korinte en ook later:

“niet veel die naar menselijke maatstaf wijs waren, niet veel die machtig waren, niet veel die van voorname afkomst waren” - ja en toch en juist zulke mensen: door God uitgekozen en een plek gekregen om te getuigen van wat je mag geloven en van Wie je (Ver)losser wil zijn.

 

Ik kan niet beter eindigen dan met wat de laatste zinnen zijn in het stukje begeleiding vanuit Vertel het maar – met het oog op vandaag als afsluiting van het project Brood in Bethlehem:

“Met Kerst vieren we dat God veel meer geeft dan brood alleen. De Heer geeft ons Jezus in een voederbak. Zo laat Hij zien wat nog belangrijker is dan eten en een thuis. Eigenlijk moet ik zeggen: wie nog belangrijker is dan brood en een familie en een thuis” – ik zeg erbij: en nog belangrijker dan geld en macht, status, veel spullen en veel vrienden via facebook….en noem maar op – niet waardeloos of slecht allemaal, je mag ervan genieten zelfs als je er goed mee omgaat en er goed mee doet voor anderen, je mag ook van feestdagen en een paar weekjes vakantie genieten, van lekker eten en van licht en van gezelligheid – maar – weer even dat verhaaltje van Vertel het maar: Wie belangrijker is dan dat alles is Jezus.

“Hij maakt ons leven goed en blij. Wie in Jezus gelooft, krijgt van God meer dan genoeg

van Gods goedheid en liefde”. Ik voeg eraan toe: genoeg om die genade en die liefde die God in en door Jezus en via ons ook aan al die andere mensen om ons heen gunt, met hen te delen – zoals Boaz gul wilde delen wat God hem gaf, en Obed echt knecht wilde zijn, en

David als een herder was voor zijn volk, en vooral: als Jezus die zelfs zijn leven prijsgaf.

 

Tot slot – en nu echt – de laatste regels van dat stukje van Vertel het maar: “Een kindje in een voederbak, in Bethlehem, bij arme mensen….en toch….de Redder, degene die wij nodig hebben om feest te vieren en gelukkig te zijn. Vandaag en morgen en altijd.”

 

                                                            amen

Ruth 4: Davids geslacht komt uit Bethlehem

 liturgie middagdienst zondag 23 december 2012

votum en groet

zingen:    Ps. 113 (1,2,3)

gebed

Schriftlezing:  Ruth 4

zingen:    Ps. 18: 9,15

verkondiging: Ruth 4

zingen:   Tussentijds 71

geloofsbelijdenis

zingen:    Gz. 162: 4

gebed

collecte

zingen:    Lied 124 (1-5)

zegen

—————————————————————————————————————–

Gemeente van onze Heer Jezus Christus, broeders en zusters, jongens en meisjes,

 

‘En ze leefden nog lang en gelukkig’.

Zo lopen veel sprookjes af – voor wie aan de goede kant staan.

Na eerst een bang avontuur met een boze wolf of een kwade fee,of een hongerige heks.

Het eindigt met de overwinning van goed op kwaad en vaak met een sprookjeshuwelijk.

Daar heeft het boek Ruth ook wel iets van, maar dit is geen sprookje en dit verhaal staat

ook niet in de bijbel om ons te laten griezelen of te laten smullen van een liefdesverhaal.

Ik zei vorige week al: het zou mooi zijn als liefde in het spel was maar daar draait het niet

om want de bedoeling is te laten zien hoe achter en boven wat mensen zoals meemaken

en bedenken en kunnen regelen God bezig is aan de uitvoering van zijn grote reddingsplan,

voor Israël en voor de wereld: eer voor een onteerd Israël, licht in een donkere wereld.

Vandaar die ene naam als laatste woord in dit korte mooie boekje:  David.

 

Vandaar het thema:  Davids geslacht komt uit Bethlehem

 

‘En ze leefden nog lang en gelukkig’.

Maar dat wisten die twee weduwen nog niet toen Ruth vroeg in de morgen bij Nöomi was

teruggekomen, ook al hadden ze er goede hoop op en al sprak Noömi haar schoondochter moed in: “Blijf hier maar rustig afwachten tot je weet hoe het afloopt, want ik weet zeker dat deze man niet zal rusten voordat hij de zaak geregeld heeft” – maar hoe het zou aflopen..?

 

In elk geval had Noömi het goed ingeschat want inderdaad liet Boaz er geen gras over groeien maar pakte hij – zeg maar – diezelfde morgen nog de koe bij de horens: “intussen -

terwijl Ruth vertelde hoe het was gegaan op die dorsvloer en terwijl die twee afwachtten -intussen “was Boaz naar de poort gegaan en daar gaan zitten” – meteen maar doorpakken.

 

De poort, dat was in die tijd de centrale plek in elk dorp, waar vooral de mannen elkaar ontmoetten om de laatste nieuwtjes uit te wisselen maar ook om te onderhandelen en handel te drijven, problemen op te lossen en zakelijke transacties te regelen, en recht te spreken.

De poort was om zo te zeggen marktplein, gemeentehuis, rechtbank en notariskantoor

tegelijk, en zoals blijkt uit dit verhaal ook de plek om te trouwen: stadhuis en kerk ineen.

 

Vandaar dat Boaz meteen naar de poort gaat om die lossing van het land van Noöni en

dat huwelijk van Ruth te regelen,volgens wat daarover was bepaald in de wetten van Mozes.

En dus respecteerde hij dat de man die meer naaste familie was van Elimelech en Noömi,

de eerste rechten had – en zodra die man ook in de poort arriveerde, sprak Boaz hem aan:

hé, beste man, jij bent toch ook familie van Elimelech en Noömi, weet je wel dat jij als eerste

in aanmerking komt om dat stuk land te kopen dat Noömi noodgedwongen moet verkopen?

 

Een opvallend detail is dat de naam van dat familielid – iedereen wist natuurlijk wie het was, zeker Boaz en Noömi die familie waren en zo groot was Bethlehem niet – niet vermeld wordt, en er zelfs speciaal bij staat dat die naam er niet toe doet-een uitlegger zegt: Meneer Dinges.

Dat hoeft niet te zijn omdat die man uiteindelijk het liet afweten omdat hij wel het land wilde

overkopen maar het niet zag zitten om met Ruth te trouwen en bang was dat dan een eventuele zoon van hem en Ruth er met de erfenis vandoor zou gaan – dat zijn naam niet vermeld wordt zou dan vernederend zijn: schande dat je zo voor je eigen belang gaat.

Maar ik denk niet dat je het zo moet zien, want een echt zwagerhuwelijk is hier niet aan de orde, en daarom wordt deze man ook niet publiek te schande gemaakt zoals in de wet

voorgeschreven wordt als een man weigerde met de weduwe van zijn overleden broer te trouwen – schokkend wat daarover staat in Deut. 25: ..

als de man weigert met zijn schoonzuster te trouwen, dan moet zij naar de stadsoudsten in de poort   

   gaan en zeggen: ‘Mijn zwager wil geen nageslacht voor zijn broer verwekken. Hij weigert zijn

   zwagerplicht tegenover mij te vervullen.’ Dan moeten de stadsoudsten hem erop aanspreken.

   Als hij blijft bij zijn weigering om met zijn schoonzuster te trouwen, moet zij ten overstaan van de   

   oudsten op hem afgaan, hem zijn sandaal uittrekken en hem in zijn gezicht spugen, waarbij ze hem

   toevoegt: ‘Zo vergaat het de man die zijn broer nageslacht onthoudt.’ 10 En bij de Israëlieten zal

   zijn familie bekendstaan als de familie Zonderschoen”.

Maar, zoals gezegd, van zwagers is hier geen sprake en dus ook niet van een verplichting.

Niet de letter van de wet beheerst alles maar Boaz volgt uit vrije wil de geest van de wet:

hulp aan je naaste in nood, in dit geval twee weduwen zonder inkomen en zonder toekomst.

 

Je kunt van daaruit mooi een lijn doortrekken naar hoe God en Jezus Goël zijn: (Ver)losser.

Niet omdat ze daartoe verplicht zijn of wij ergens recht op hebben maar uit vrije wil, omdat

God hart heeft voor mensen, juist voor mensen die het niet redden en geen uitzicht hebben.

Denk maar aan psalm 146 die we al eerder een keer gezongen hebben: “Gelukkig wie de God van Jakob tot zijn hulp heeft, wie zijn hoop vestigt op de HEER, zijn God..die trouw is tot in eeuwigheid, recht doet aan de verdrukten, brood geeft aan de hongerigen, de gebogenen opricht, de vreemdelingen beschermt, wezen en weduwen steunt”.  Zo’n God hebben wij,

en mensen als Boaz willen lijken op hun God, en doen zoals Hij bedoelt en het graag ziet.

En als de Heer Jezus op aarde komt, laat Hij meer dan wie ook zien wie God voor ons is.

Zoals een oude dichter Hem noemde: “Mijn Redder, mijn Goël, mijn Zondenvernieler”. Je zou kunnen zeggen dat het losserschap en hoe Boaz dat invulde daar al iets van liet zien.

 

Dus geen reden om dat familielid dat bedankte voor de eer te verwijten of te veroordelen.

Niemand die hem in die poort verwijten maakte,laat staan dat Ruth hem in zijn gezicht spuwde. Wel ook hier een schoen als een soort handtekening – er staat dat in die tijd het overhandigen van een sandaal van de een aan de ander een teken was dat de deal rechtsgeldig was – de schoen geldt teken van iets in bezit nemen, dat land betreden – zoals

in Psalm 60 en Psalm 108 waar God zegt: op Edom werp ik mijn schoen=zet ik mijn voet.

Zo droeg die ander zijn rechten op het land van Noömi en een huwelijk met Ruth over aan Boaz, en dat in aanwezigheid van maar liefst tien mannen uit Bethlehem als getuige – die poort was inderdaad gemeentehuis en notariskantoor tegelijk – en meteen werd ook het aanstaande huwelijk van Boaz en Ruth bezegeld en zelfs zoiets als ingezegend: “De HEER

geve dat de vrouw die in uw huis komt zal zijn als Rachel en Lea die beiden het huis van Israël groot hebben gemaakt, zodat ook u groot zult zijn in Efrata en uw naam in Bethlehem zal voortbestaan. Moge uw huis worden als het huis van Peres, de zoon van Tamar en Juda, en wel door de kinderen die de HEER u bij deze jonge vrouw zal geven”.

Dat roept allemaal nog wel vragen op, vooral de vraag welk huis nu zo gebouwd zou gaan worden, en welke naam zal voortleven: is dat nou de naam van Elimelech of van Boaz zelf?

 

Maar eerst nog even iets anders, en wel of we uit hoe dat toen allemaal toeging nog iets kunnen leren voor onze tijd, b.v. voor vragen rond huwelijk en samenwonen – of is de maatschappij zo veranderd dat je met zulke verhalen van zo lang geleden niets meer kunt.

 

Het is waar dat er verschrikkelijk veel veranderd is in zoveel eeuwen – toen was er niet geen gemeentehuis met een ambtenaar van de burgerlijke stand en een trouwboekje dat je meekreeg, en niet een kerkdienst waar je met elkaar een zegen kan vragen over je huwelijk.

En wij trekken niet een schoen uit als we een huis gaan kopen of een stuk land maar we zetten een handtekening onder een koopacte – niet ergens buiten maar bij de notaris – en

zo zijn er nog heel veel meer dingen heel anders geworden dan in de tijd van de bijbel.

Maar – las ik in een uitleg over dit gedeelte – “wat we in Ruth lezen, ligt helemaal op één lijn met wat we verder in de Bijbel hierover aantreffen: trouwen is een publieke en officiële gelegenheid”…”voor de hele samenleving verklaar je: zij is mijn vrouw, hij is mijn man.en je vraagt je getuigen om jou te helpen dat waar te maken”. Eerder zegt die uitlegger spits:“als het tot een huwelijk komt, gebeurt dat niet stiekem op de zolder van Boaz’ schuur, maar publiek in de poort van de stad temidden van getuigen”. Ik zei al dat er zelfs ook zoiets als een kerkelijke bevestiging achteraan komt, bij monde van de zegenwensen van getuigen.

 

Ik denk dat bij alle verschillen tussen toen en nu daar aanwijzingen in liggen waar wij ook vandaag van kunnen leren, en die iets laten zien van hoe God ons leven en samenleven,

in dit geval op het punt van huwelijk en seksualiteit richting wil geven – let er ook op dat pas na dat publiek bezegelen van de afspraken in de poort, ook dat Boaz met Ruth trouwt, we

lezen van samen gaan wonen en gemeenschap met elkaar hebben: “daarna - niet eerder, b.v. op die dorsvloer – nam Boaz Ruth bij zich, zij werd zijn vrouw, en hij sliep met haar” . 

Weer nog één keer die uitlegger: “seksuele gemeenschap hoort naar Gods wijsheid alleen thuis binnen een huwelijj, een relatie van trouw en liefde“. Dat ook ter bescherming van de kinderen die als God dat geeft, in zo’n relatie geboren worden – trouw aan elkaar en hen.

Daarmee is niet het laatste woord gezegd maar het zet in elk geval tot nadenken – hoop ik.

 

Waarmee we terug zijn bij die zegenwensen van de getuigen met daarin een centrale rol voor de bede of de HEER het huis, de familie, van Boaz zal willen bouwen en zijn naam

zal laten voortbestaan in Bethlehem – met daarna een centrale plek voor Boaz in de stamboom van de latere koning David – en uiteindelijk in de stamboom van Jezus – lees maar met mij mee in Matt. 1    Overzicht van de afstamming van Jezus Christus, zoon van David, zoon van Abraham. Abraham verwekte Isaak, Isaak verwekte Jakob, Jakob verwekte Juda en zijn broers, Juda verwekte Peres en Zerach bij Tamar, Peres verwekte Chesron, Chesron verwekte Aram, Aram verwekte Amminadab, Amminadab verwekte Nachson, Nachson verwekte Salmon, Salmon verwekte Boaz bij Rachab, Boaz verwekte Obed bij Ruth, Obed verwekte Isaï, Isaï verwekte David, de koning. U ziet: Boaz als overgrootvader van David en als voorvader naar de mens gesproken – van Jezus – die hier heet: ‘de zoon van David.’  Maar niet – wat je zou verwachten – Elimelech, of Machlon.

Terwijl dat toch de bedoeling was dat die namen niet in het vergeetboek zouden raken -

het staat in ditzelfde hoofdstuk: vs. 5 over Noömi en Elimelech (Boaz zegt tegen die andere eventuele losser dat als hij het land van Noöomi koopt dan de naam van haar overleden man zal voortleven op zijn land); en vs. 10 over Ruth en Machlon (Boaz zegt dat doordat hij met

Ruth trouwt de naam van haar overleden man – Machlon – op diens land zal voortleven).

Hoe kan het dat je die namen niet meer terugvindt in de stamboom en wel die van Boaz?

 

Nou, dat is minder moeilijk dan het lijkt, het staat er zelfs bij: de naam moet verbonden

blijven aan het land, het gaat over de erfenis, over het grondbezit.  de grond moet voor

nakomelingen van de overledene bewaard blijven en niet overgaan in andere handen -

en als een familielid als losser optreedt, moet hij zorgen voor een erfgenaam als hij volwassen is het bedrijf kan voortzetten, in de lijn van zijn vader en ahw in zijn naam.

Maar zo’n stamboom is een andere verhaal, dat gaat over de lijn van de bloedband.

 

Nou en daar zit een bijzonder boodschap in, weer een die typisch is voor Gods aanpak.

Weet je nog wat die ander zei die het niet zag zitten om met Ruth te trouwen: “dat zou ten koste gaan van mijn eigen familiebezit”: straks ging de familie Elimelech ermee vandoor.

Maar Boaz bracht dat offer wel, ten bate van Noömi en ten koste van zijn eigen bezit.

Hij zegt: Vandaag koop ik alles wat nog over is van de bezittingen van Elimelech en van Machlon en Kiljon en ook trouw ik met Ruth “om de naam van haar overleden man te laten voortleven op zijn land. zo zal zijn naam niet verloren gaan bij zijn verwanten en de inwoners van de stad”. Zo gebeurde, naar de bedoeling van het losserschap en het zwagerhuwelijk.

Nou en wij kennen die namen ook nog altijd: van Elimelech en van Machlon en Kiljon.

 

Kijk, en voor die trouw en die opoffering werd Boaz door God beloond door hem te maken tot stamvader van koning David en in rechtstreekse lijn tot voorvader van koning Jezus.

Wat dus niet samenvalt met het blijven van het land in een bepaalde familie maar zoals vaker op een onverwachte en ongedachte manier gestuurd wordt vanuit Gods vrije keus.

In de voor de ouderen vast nog bekende Korte Verklaring staat er dit over: “Ook al kon Obed

treden in de rechten van Ruth’s eerste man, dit neemt niet weg dat Boaz hem verwekt had”.

En ergens anders las ik dat God de familiegeschiedenis van Noömi gebruikt maar – zoals

God altijd doet – op zijn eigen manier, en wel via Boaz en niet via Elimelech: de komst van

de Messias “ligt niet in het verlengde van Elimelech’s  geslacht, maar in het verlengde van het geslacht van Boaz”, en ook daaraan zien we dat de Christus langs een andere weg komt dan mensen verwachten – dat was zo met zijn eerste komst en zal zo zijn met zijn tweede komst – hij zelf zelf van te voren: als iemand zegt ‘daar is de Christus’, geloof hem niet want

Ik kom anders, ongedacht en als je het niet verwachten, vergelijk met een dief in de nacht.

 

Waarmee we ongemerkt al zijn bij de bekroning van het huwelijk van Boaz en Ruth, en van het hele verhaal dat dit korte boekje vertelt en ons wil meegeven: er komt een zoon: Obed.

Voor Noömi een verrassing waar ze nooit op had gerekend toen ze uit Moab terug kwam en ze voor haar eigen gevoel met lege handen stond, zonder nageslacht en zonder toekomst.

Nu wordt ze uitbundig gefeliciteerd met haar kleinzoon die telde als haar eigen zoon en die

ze als oma en tegelijk een soort peetmoeder verzorgde – nu geen Mara – verbitterde – meer

maar echt Noömi: de liefelijke – het lijkt inderdaad wel een klein kerstfeest in Bethlehem.

Het is een beetje jammer dat in de NBV een opvallend zinnetje in vers 14 hoe correct ook vertaald toch wat vlakker is geworden dat er letterlijk staat – de vertaling-1951 en ook de HSV hebben het verrassingselement in wat de vrouwen van Bethlehem tegen Noömi zeiden gewoon laten staan: “Geloofd zij de HEERE, Die niet heeft nagelaten om u vandaag een losser te geven” -  een losser!  nee, niet Boaz, maar die baby, die kleine Obed – de redder in de nood met het oog op de toekomst: geslachten gaan maar komen ook, er is weer leven!

 

Ja en de doorbraak naar de toekomst toe voor dat ene gezin is ingebed in Gods plan om de doodgelopen wegen van zijn volk – geen koning, ieder deed wat goed was in eigen ogen – en van zijn wereld – verloren in zonde en schuld – open te breken richting zijn grote Ver(losser).

Daarom loopt dit boekje uit op dat korte stukje stamboom met verrassende namen – namen die je niet zou verwachten in de voorgeschiedenis van het heilig Kind Jezus, de grote Koning

maar verhelderend voor die vraag waarom niet Elimelech maar Boaz in die stamboom staat.

God wil namelijk de lijn doortrekken van Abraham via Juda richting David en dan Jezus.

En dat weer via het typerende van God die kiest voor zwak, onacceptabel, weinig eervol, en die zwarte bladzijden wit maakt en niet vastspijkert op zonden: uitgerekend Peres geboren uit wat je incest kan noemen en vreemd gaan (Juda met zijn schoondochter Tamar die zich als hoer had vermomd – herinner de preek van coll. Kroeze) – en dan nu eentje uit Moab.

Zij krijgen een plekje in de stamboom van David en later Jezus – zoals terugkomt in Matt. 1.

Opdat – om met Paulus te spreken – we niet in mensen zouden roemen maar alleen in God.

Obed -zijn naam is welsprekend (=dienaar):voorvader van Wie kwam om ons allen te dienen.

 

Zo kwam er toen en komt er voorgoed Brood in Bethlehem – Brood dat eeuwig leven geeft.

Zo werd en wordt het een echt happy end, voor dat gezin lang geleden, Noömi, Ruth, Boaz,

maar ook voor ons en voor zovele anderen voor ons en met ons en na ons, dankzij Jezus.

Het is geen sprookje maar echte werkelijkheid: en ze leefden nog lang en gelukkig. Eeuwig!

 

                                                                   amen