1 Johannes 2: 14-16: Ouderen en jongeren samen de kerk

liturgie gezamenlijke eredienst zondagavond 11 november 2012

welkom

voorzang:   Ps. 148: 4,5  GK

we worden stil voor God

votum en groet

zingen:       Ps. 90: 1,8 

gebed

Schriftlezing:    1 Joh. 2: 7-17

zingen:      Ps. 71: 9,10,11

verkondiging:  1 Joh. 2: 12-14

zingen:      Gz. 167 GK

gebed

geloofsbelijdenis

zingen:      Gz. 141: 3

collecte

zingen:      Opw. 366

zegen

amen:        Gz. 456: 3    liedboek

—————————————————————————————————————————–

Broeders en zusters, ouderen, jongeren, ouders en kinderen, allemaal samen Gods gemeente,

 

Heel bijzonder om vanavond deze gemeenschappelijke kerkdienst te hebben.

Ontstaan vanuit de wens van jongeren uit beide gemeentes om meer in contact te komen met

de ouderen:  we doen als jeugd veel samen maar we komen de ouderen eigenlijk weinig tegen.

Het contact tussen een aantal van jullie en het bestuur van Wijs met Grijs was gauw gelegd

en ook zij waren enthousiast – vanmiddag was het zover: samen koffie drinken, praten met

elkaar, eten met elkaar – en nu samen – met de hele gemeente – deze kerkdienst:  prachtig.

 

Ja, want het onderstreept dat zoals de apostel Paulus erover schrijft de gemeente is als een

lichaam met allemaal verschillende lichaamsdelen, ieder op eigen plek, dat alleen als ieder

op die eigen plek zijn of haar eigen inbreng heeft en zichzelf kan zijn, goed kan functioneren

 

Dat  geldt voor jullie jongeren die net komen kijken en nog allerlei frisse en misschien wilde, en

ook best kritische ideeën hebben, die ook wel eens dingen zeggen en doen waar je ouders en u/wij als ouderen van schrikken of tegen steigeren – maar die willen gaan voor hun Heer en je geloof en graag mee willen doen in de kerk maar dan wel op jullie manier en met de mogelijkheden van deze tijd, jullie  die ook vaak een scherpe blik hebben voor wat altijd zo geweest is maar waarom eigenlijk,  en kan dat niet anders, die scherpe en moeilijke en soms lastige vragen kunnen stellen – en dat mag.

 

Het geldt net zo goed van u/ons  als ouderen die al heel wat hebben meegemaakt en zo uw kijk op het leven hebben en die misschien erg zijn gehecht aan wat u zelf hebt helpen opbouwen, die liever bekende psalmen en liederen zingt  met het orgel en van een rustige dienst houdten erg moet wennen – of misschien wel nooit kunt en wilt wennen  -aan die zo heel andere liederen en heel veel meer decibels -  ja, en is het niet allemaal veel oppervlakkiger geworden tegenwoordig, met al die mogelijkheden van ontspanning en uitgaan, en is er niet veel minder bijbelkennis dan vroeger en hoe komt het dat veel jongeren nog steeds geen belijdenis hebben gedaan, of zelfs afhaken;  en als ze kritiek hebben en het anders willen: hebben wij het dan niet goed gedaan? of denkt u dat nooit?

Zo maar wat zorgen en gedachten of zelfs teleurstelling die je kan hebben als ouders en ouderen; terwijl jongeren dan weer naar ouderen kijken als ouderwets, conservatief: het is niet gauw goed,

en altijd is er die waarschuwende vinger, ja,  en: ze doen net alsof vroeger alles beter was….

Voor je het weet is er verwijdering, en gaat het haperen in dat ene lichaam – groei je niet naar elkaar toe als die ene gemeente van Christus,  maar uit elkaar als belangengroepen, en als tegenstanders.

 

Wat voor een deel nou eenmaal zo gaat en altijd zo is geweest: generatieverschillen tussen ouderen die moeite hebben met veranderingen – wat trouwens niet van alle ouderen geldt – en jongeren die wel eens of steeds weer wat nieuws willen – en ook dat gaat niet voor alle jongeren even sterk op.

Het heeft ook te maken met onbekendheid en gebrek aan contact en gesprek waardoor allerlei vooroordelen zomaar tot een generatiekloof kunnen  leiden, terwijl de werkelijkheid vaak minder zwart-wit is en leidt tot meer begrip, en tot het gevoel dat er veel gemeenschappelijks is dan dat er

verschillen zijn – en dat die verschillen niet bedreigend zijn maar juist verrijkend en tot zegen.

Daarom is dat initiatief zo mooi en is deze middag hopelijk de start van meer gezamenlijks.

 

Laten we met dat in het achterhoofd nog wat beter kijken naar de tekstverzen van vanavond.

 

Jongeren en ouderen samen de kerk

1.  allemaal kinderen van een en dezelfde Vader

2.  als ouderen met een schat aan (geloofs)ervaring.

3.  als jongeren met een wereld te winnen.

 

1.  allemaal kinderen van een en dezelfde Vader

 

Dat er verschillen zijn tussen mensen, tussen ouderen en jongeren, maar ook tussen ouderen

en ouderen, en jongeren en jongeren, dat is glashelder, en dat is ook helemaal niet zo erg – ik

zei al: dat kan juist verfrissend en verrijkend zijn – als er maar eerst en vooral respect is voor

de ander, als we niet eigen mening of gevoel doordrijven maar willen luisteren en leren van

elkaar, en vooral blij zijn met wat die ander te bieden heeft en wat we zelf kunnen geven -

ik denk ook aan een woord van de aposteln Petrus – die dat zelf ook door schade en schande

heeft moeten leren – “in de omgang met elkaar moet ieder van u” (en dan slaat dat juist ook

op jongeren en oudsten) “altijd de minste willen zijn” – een christen die op zijn Heer lijkt is er dus niet op uit vooral zelf gelijk of zijn zin te krijgen, maar die is een voorbeeld van dienstbaarheid, en van

leerbaarheid, die wil niet zichzelf neerzetten en de ander wegzetten maar er zijn voor de ander.

En dat niet om verschillen uit te vergroten maar om elkaar te vinden in wat je samen deelt.

 

Precies dat is uitgangspunt voor de apostel Johannes en rode draad door heel deze brief heen.

Die brief die begint bij wat schrijver en lezers gemeenschappelijk hebben: Jezus die het Leven is, zie

1:3:  ”wat wij gezien en gehoord hebben, verkondigen we ook aan u, opdat ook u met ons verbonden bent; en verbonden zijn met ons is verbonden zijn met de Vader en met zijn Zoon Jezus Christus”.

Dat is de verbindende schakel tussen alle generaties, dat verbindt ons vandaag met die christenen

van bijna tweeduizend jaar geleden, dat verbindt ons welke leeftijd we ook hebben, en het is de

verbindende schakel die ons als leden van twee kerken verbindt: die ene Heer, en God als Vader.

Precies dat is ook de kern van wat Johannes hier schrijft als hij zijn lezers ‘kinderen‘  noemt.

 

De meest voor de hand liggende uitleg is dat daarmee niet de kinderen in de kerk zijn bedoeld, maar dat het slaat op alle gemeenteleden; dat blijkt wel uit vers 1 van dit hoofdstuk (“kinderen, ik schrijf u opdat u niet zondigt“) en weer in vers 18 (“kinderen, het laatste uur is aangebroken“) – de al oude

apostel kan zijn meest jongere lezers zo aanspreken, maar het is vooral  wat al die lezers maar ook

de apostel zelf en zijn lezers verbindt: dat ze namelijk allemaal kinderen zijn van Vader in de hemel.

Zoals de Heer meer dan eens kinderen tot voorbeeld stelt voor volwassenen en ouderen: “wie zichzelf vernedert en wordt als dit kind, die is de grootste in het koninkrijk van de hemel”  (Matt.18:3)

 

In vers 14 staat dat zelfs met zoveel woorden: “Kinderen, ik schrijf u dus dat u de Vader kent“.

Nou, en dat is waarom je bij elkaar hoort als je samen christenen  bent, en als je bij de kerk hoort.

Samen vormen we het gezin van God de Vader, en dat is door Jezus Gods Zoon en onze oudste

broer, vandaar wat Johannes ook tegen ons zegt: “Kinderen m ik schrijf u dat uw zonden u vergeven zijn omwille van zijn naam”, dankzij Jezus die ons redt van onze schuld en ons tot Gods kind maakt.

Ik las:  “tot het basisonderwijs, dat alle gemeenteleden zich eigen gemaakt hebben, behoort de zekerheid van de vergeving van de zonden en de ervaring van de verbondenheid met God als Vader”.

Nou, en dat geeft ook een diepe verbondenheid met elkaar, door alle generaties heen; dat of je nu jong bent en sterk, sportief, met misschien nog wilde haren en vol plannen en idealen, of al wat

meer bezadigd en best wat zorgen over allerlei nieuwe ontwikkelingen, of als je lichamelijk steeds

meer beperkt bent en steeds meer op anderen aangewezen – en met zoveel meer verschillen:  God wil uw en jouw en mijn Vader zijn, en: we zijn allemaal op Gods genade en vergeving aangewezen.

 

Eerder al schreef Johannes dat niemand moet denken of zeggen geen zonde te hebben want er is geen mens die niet zondigt, daarin zijn we gelijk, en we worden in de bijbel aangespoord daarin

eerlijk te zijn tegen elkaar en elkaar onze zonden te belijden – samen klein te worden voor God is dat ook en bescheiden tegenover elkaar – en soms is het ook goed elkaar om vergeving te vragen – ook

als je als jongere die oudere misschien niet meer ziet staan of als niet meer van deze tijd eigenlijk al hebt afgeschreven – en ook als je als oudere best negatief denkt en praat over jongeren: die komen net kijken, wat weten die er nou van, en die jeugd van tegenwoordig denkt maar dat alles kan……

leer dan van Johannes de weg om elkaar te zoeken en te vinden – als hij herinnert aan dat oeroude gebod dat steeds weer nieuwe toepassingen kan krijgen en altijd actueel blijft: heb elkaar lief – niet maar dat je elkaar sympathiek moet v inden of maar moet sparen, maar dat je elkaar steeds weer

en steeds meer leert aanvaarden als broer en zus in het geloof, en als allemaal verloste zondaars.

Dan kijk je niet langs elkaar heen of elkaar zuur aan maar sluit je elkaar in je hart en kijk je met

andere ogen naar die ander, met begrip en liefdevol, en ga je elkaar waarderen en van elkaar leren.

 

2.  als ouderen met een schat aan (geloofs)ervaring.

 

Ik zeg met opzet het zo: ouderen met niet alleen een schat aan ervaring, levenservaring – dat ook-

maar waar Johannes het vooral over heeft – hij kan er als oudere over meepraten – is geloofservaring.

Tot twee keer toe schrijft hij: “U kent Hem die er is vanaf het begin” – en daar is God mee bedoeld.

Niet omdat de jongeren God niet zouden kennen, maar omdat ouderen – misschien ook wel hier mensen die al veel langer geloven- al veel meer ervaring met God hebben opgedaan – en daar als het goed is hun kinderen en kleinkinderen en andere jongeren mee kunnen dienen en kunnen helpen.

Ja en dan is daarmee niet bedoeld dat je jongeren daarmee de loef afsteekt of de pas afsnijdt, als die misschien wel heel anders dan uzelf gewend bent of goed vindt met het geloof omgaan of zich in hun dagelijks leven gedragen, zo van: maar dat hoort niet zo, dat heb ik anders geleerd, of op een wat

neerbuigende manier – dat doet u vast niet maar het gebeurt – vertel mij wat, ik heb het allemaal

meegemaakt, en ik weet wel hoe het zit en waarom het zus moet en zo natuurlijk verkeerd gaat…

Ook niet dat je met wat teksten of regels aankomt veilig op een afstand van jezelf en die ander.

Nee, maar wel heel persoonlijk: over hoe je steun had aan het geloof toen het zo moeilijk was,

hoe je merkte dat God erbij was toen je jezelf geen raad meer wist, hoe je de zegen van de Heer

hebt ervaren in je huwelijk en je gezin, wat voor steun je hebt aan het samen kerk zijn – of hoe

je geloof je op de been hield in moeilijke tijden van crisis en oorlog, en dat je weet van eigen zonden en van vergeving – durft u daarover open te praten met uw kleinzoon of kleindochter, met andere

gemeenteleden als die op bezoek komen, is er een echt geloofsgesprek als u huisbezoek krijgt—-

en staan jullie er voor open als je praat met je opa of je oma, of met andere ouderen in de kerk?

Dat is veel vruchtbaarder dan doen of vroeger alles beter was en alles alleen maar achteruit gaat,

lees maar het slot van Psalm 92 over ouderen die krachtig en fris blijven en zo van God getuigen.

En als jongere zul je merken dat je veel van ouderen kunt leren en dat ze voor jullie bidden – ik weet het zeker -daar heb je meer dan dan ouderen toch wat afschrijven als ouderwetse moeilijkdoeners.

Het is juist mooi die diversiteit in de kerk – dat jongeren en ouderen samen die ene kerk vormen.

 

Het is ook voor ouderen heel bemoedigend wat hier staat: U kent Hem die er is vanaf het begin.

Oud worden is mooi maar oud zijn is best moeilijk – een bekende kreet die maar al te waar is.

Want ouder worden brengt veranderingen in je leven mee die vaak geen verbetering zijn. als de gezondheid de wensen overlaat, als eenzaamheid toeslaat, als je jezelf overbodig kunt voelen -

en als je allerlei nieuwe ontwikkelingen niet meer bij kunt of wilt houden en je tijd voorbij lijkt.

Dan is het mooi om respect te ervaren van jongeren – kinderen, kleinkinderen, de jeugd van

de kerk – dan is vooral mooi te mogen geloven en ervaren dat God die er al die jaren voor je

was, er ook nu bij is, en dezelfde blijft in zijn trouw: u kent Hem toch, uw Vader, en zijn zorg?

Ik las: “dan kunt u een wijze oudere worden, iemand die jongeren iets mee te geven heeft”.

Je wordt dan niet verbitterd of een zuurpruim maar groeit in liefde en vertrouwen en geloof.

Bid maar vaak wat we zongen: gun mij stem o Heer, dat ik een nieuw geslacht verkondig uw grootheid en uw sterkte, al wat U in mijn leven bewerkte – ik zie, Heer, uw trouw oprijzen!

 

3.  als jongeren met een wereld te winnen.

 

Jongeren, jullie zijn sterk – nou, dat klopt wel wat Johannes schrijft, denk je dan- toch?

Natuurlijk, niet alle jongeren zijn sterk, gezond, sportief, maar het is wel het algemene beeld

dat bij jong zijn hoort: energie, plannen, idealen, aan sport doen, uitgaan, studeren en werken.

Tegenover ouder worden wat mee kan brengen dat je minder energie hebt en stapjes terug

moet doen wat niet altijd leuk is, maar je merkt dat je geen twintig of dertig meer bent……

Het kan ook op dat punt botsen tussen leeftijdsgroepen: dat je al dat flitsende en alles wat

steeds maar weer verandert niet bij kan houden, of juist je ergert aan dat trage en afremmen.

 

Maar als je beter leest, gaat het niet over dat sterk zijn, maar over geestelijke kracht, over

sterk in het geloof en het overwinnen van kwaad en zonde, zelfs van de Boze, de satan, lees

vers 13: “jongeren, jullie hebben hem die het kwaad zelf is overwonnen” - hoor ik dat goede?

Is niet juist het probleem van jong zijn dat je nog aan het zoeken bent en vatbaar voor zoveel

uitdagingen en verleidingen om verkeerde keuzes te maken – hebben ouderen niet de angst dat

‘de jeugd van tegenwoordig’ zich laat inpakken door wat in vs 15 heet: liefde voor de wereld.

 

Ja maar, er staat wel wat bij: “het woord van God blijft in je en je hebt het kwaad overwonnen’.

Als je het van God verwacht, en je wilt je door de Heilige Geest laten leiden, door de bijbel, dan

kun je heel wat aan, en kun je ook – met vallen en opstaan maar toch – goede keuzes maken.

Ik las: “Johannes wil je bemoedigen: Jullie hebben de duivel overwonnen. Jullie horen bij  Jezus, en dus ben je sterker dan het kwaad. Ga niet bij de pakken neerzitten.”  Je kunt de strijd winnen.

En dan is het juist de kracht van jongeren om niet te berusten is dingen die misschien al lang zo

zijn maar niet kloppen, om niet te wennen aan onrecht, oneerlijkheid, maar ertegen aan te gaan.

In Gods kracht heb je een wereld te winnen, Gods wereld, als je gaat voor zijn rijk en zijn zaak.

 

En als ouders en ouderen kun je er gerust op zijn: God laat het werk waaraan Hij begonnen is, niet los, Hij wil ons vasthouden en ook onze kinderen en onze kleinkinderen, Hij die trouw is en blijft.

We moeten het allemaal samen van zijn genade en trouw hebben, als samen zijn kerk.

 

amen

Zondag 12 Heid. Cat.: Ben ik echt een christen?

liturgie morgendienst zondag 4 november 2012

 

votum en groet

zingen:         Gz. 143: 1,2

wet van de HEER

zingen:         Ps. 119: 30,40

gebed

Schriftlezing:  Johannes 15

zingen:         Ps. 80: 5,8,10

preek over zondag 12

zingen:         Lied 78 (1-4)

gebed

collecte

slotzang:      Lied 319: 1,4,5

zegen

amen:          Lied 456: 3

————————————————————————————————————————

DIA 1

Gemeente van onze Heer Jezus Christus – u en jullie die christenen genoemd willen worden…

 

Om te beginnen is het goed even te kijken naar   DIA 2   Hand. 11: 26, waar we lezen:

“Het was in Antiochië dat de leerlingen voor het eerst christenen werden genoemd”.

De leerlingen – hier zijn niet bedoeld de twaalf eerste leerlingen van Jezus maar al die andere mensen die in de school van Jezus zich door Hem willen laten leren.

Zij werden in Antiochië voor het eerst christenen genoemd, staat in Hand.11:26.

Let er wel op: zo noemden ze niet zichzelf, maar buitenstaanders gaven hun die naam.

Het is niet zo belangrijk of ik mezelf een echte of zelfs een goede christen vindt, maar of ik als een christen voor anderen herkenbaar ben. Dat hangt af van de vraag: wil ik werkelijk me laten leren door Hem die de Christus is- Gods gezalfde – Jezus? Is Hij in mij herkenbaar?

 

Toen in het begin wist iedereen wat je bedoelde als je het over christenen had.

Ze vielen op hun gedrag: door hun praten, door hun doen en laten – een heel verschil met vroeger en met hun omgeving. Je pikte ze er zo uit: o, jij bent zeker ook christen.

Paulus zegt ergens: jullie zijn heel anders dan vroeger en dan jullie omgeving omdat jullie Christus hebben leren kennen. Dat is niet een opdracht maar dat is een constatering.

Dat anders-zijn was echt niet zo makkelijk – toen zeker niet – je kon rekenen op veel onbegrip, spot, haat zelfs – en meer dan eens erger….: het kon zelfs je leven kosten…

 

Helaas zijn in de loop van de tijd woorden als christen, christelijk, christendom, uitgesleten begrippen en nietszeggende etiketten geworden….. of staan ze voor heerszucht of vechtlust…….

Veel mensen en groepen en organisaties noemen zich op een of andere manier christen, maar wat beslist is wat daar in de praktijk van te merken is, hoe dat handen en voeten krijgt, wat de omgeving daarvan te zien krijgt….of dat juist vaak dat etiket christen een lading krijgt die ermee in strijd is.

 

En dan moet ik maar niet  naar anderen kijken maar mezelf afvragen: hoe ben ik christen?

 

DIA  3    Ben ik een echt een christen?

 

1.  als echt christen ben ik aan Christus gehecht;

2.  als echt christen wil ik voor Christus uitkomen;

3.  als echt christen mag ik op Christus rekenen.

 

DIA 4       1. als echt christen ben ik aan Christus gehecht – als een rank aan de wijnstok

 

Daar is het natuurlijk allemaal mee begonnen.

Dat de volgelingen van Jezus ‘christenen’ zijn gaan heten, is niet uit de lucht komen vallen.

Dat is zo gekomen omdat ze bij Jezus hoorden en Hem erkenden en wilden volgen als de Christus, de Gezalfde – die woorden van leven heeft, die je Redder is, en ook je Koning.

Antw. 32 zegt het zo: “een christen is door het geloof een lid van Christus“. Aan Hem gehecht.

Niet van Hem los te denken. Niet los verkrijgbaar. Zoals een arm of een been met je lichaam is vergroeid en los van dat lichaam dood is, niks kan, waardeloos wordt.

Een bekend beeld: Christus het hoofd, wij zijn lichaam en ieder voor zich ledematen, allemaal verschillend, met eigen gaven en een eigen taak maar één in Christus. En je komt pas echt tot je recht met die gaven en in die taak als je de kracht daarvoor haalt uit die Christus., als je maar niet iets over Hem weet of van Hem gelooft of over Hem kan praten en zingen maar jezelf met alles

wat je bent en hebt aan Hem toevertrouwt, en dan ook je leven wilt leven zoals Hij heeft geleefd.

 

Eigenlijk gaat het in Johannes 15 over datzelfde, alleen met een ander beeld, dat van de wijnstok. God wordt de grote Wijnbouwer genoemd en Jezus noemt zichzelf de echte Wijnstok. “Als een hemelse stek in de aarde geplant door de Vader”, zegt een uitlegger heel mooi. Bedoeld om naar alle kanten uit te lopen en wereldwijd zich te vertakken en veel vruchten op te leveren voor God. Eeuwenlang was het de taak van Gods eigen volk Israël geweest in de wereld. We zongen:  ”uw wijnstok uit Egypteland hebt Gij in dit gebied geplant”….maar de opbrengst viel God bitter tegen ….de druiven waren zuur….de ranken werden verdorde takken in het vuur.

Maar toen zorgde God zelf voor die unieke nieuwe stek: de Zoon die Hij bemint, zijn eigen Kind.

En God zal er voor zorgen dat aan die wijnstok levenskrachtige ranken komen die wel vruchten opleveren.

 

Jezus zegt het tegen zijn leerlingen: “Ik ben de wijnstok en jullie zijn de ranken“.

Allereerst gaat dat op voor de aanstaande apostelen. Zo meteen ging Jezus terug naar zijn Vader. Maar Hij laat dan zijn leerlingen op aarde niet los en niet aan hun lot over. Dan zou hun geloof gauw wegsterven en zou de opdracht om in heel de wereld mensen te werven om ook discipel van Jezus te worden, niks terecht komen. Daarom is het van levensbelang als een rank gehecht te blijven aan de wijnstok Christus en te leven uit en door Hem.

Christus waarschuwt van te voren: zonder Mij kunnen jullie niks doen. Denk maar aan een tak die door de storm is losgerukt van de boom of is weggesnoeid – zo’n tak mist de noodzakelijke sappen, wordt dor, en gaat dood. Je kunt er niks meer mee, hoogstens opstoken in de open haard of meegeven met het tuinafval. Een levenskrachtige rank aan de wijnstok levert druiven op, een rank los van de wijnstok blijft onvruchtbaar.

DIA 5

Nou, en dat blijft zo. Daar komt het ook voor ons op aan. We mogen door het geloof – gewerkt door de Heilige Geest -ons verbonden weten met de Here Christus in de hemel, als ranken aan de wijnstok. Dus is christen-zijn veel meer dan er een bepaalde mening op nahouden of bepaalde leerstellingen hooghouden.  Je kunt heel rechtzinnig zijn en de bijbel voor waar aannemen van kaft tot kaft – en toch zo dood zijn als een pier. Je kunt ook het zoeken in allerlei activiteiten en acties voor mens en samenleving – maar los van een hartelijke band met Christus in de hemel,  lever je met al je drukte geen blijvende vruchten op voor God.

 

Iemand schrijft mooi: “goddelijke liefde is het levenssap dat via de wijnstok naar de ranken stroomt”. Dat zegt de Here Christus zelf overduidelijk in vs. 9: zoals de Vader mij liefheeft, heb Ik jullie lief. Toen Jezus zijn werk op aarde begon, wees de Vader Hem regelrecht uit de hemel aan: dit is mijn lieve Zoon aan wie Ik mijn hart heb verpand. En Johannes noemt Jezus aan het begin van zijn evangelie: de enige Zoon, zelf God, die rust aan het hart van de Vader. Intiemer kan niet. Ik en de Vader zijn één, zegt Jezus zelf, één in God-zijn, één vooral in liefde. Die liefde wil Christus nu delen met ons – met zijn christenen: zoals de Vader van Mij houdt, houdt Ik van jullie – net zo en net zo veel. Die liefde mag wederzijds worden en blijven:blijf in Mij zoals Ik in jullie. Anders gezegd: de band wordt al sterker naarmate Hij en wij elkaar beter leren kennen en steeds intensiever met elkaar omgaan. Je raakt al meer aan Christus gehecht. Je kunt niet meer zonder Hem.

 

Natuurlijk gaat dat niet vanzelf.Zoals het als je verkering hebt niet vanzelf gaat. Zoals wanneer je getrouwd bent, je samen aan je huwelijk moet blijven bouwen. Nou, zo is dat ook met die relatie tussen Christus en zijn christenen. In vs. 7 zegt de Heer: als jullie in Mij blijven en mijn woorden in u blijven. Liefde is niet een of ander vaag gevoel. Zeggen dat je veel van Jezus houdt en mooie versjes over Hem zingen – betekent nog niet dat je echt met alle vezels van je leven aan Hem vast zit, en dat je echt je hart en je leven aan Hem hebt gegeven. De Here Jezus liet juist merken dat Hij van zijn Vader hield door in alles te doen wat zijn Vader van Hem wilde: Ik ben niet gekomen om mijn eigen zin te doen maar de wil van de Vader. Als echt de Here Christus alles voor ons is, zullen we willen leven van zijn genade en ook op Hem willen lijken in het doen van wat de Here van ons vraagt, ook als dat betekent een vechten tegen onszelf, tegen de zonde.

 

In het beeld van de wijnstok: er moet worden gesnoeid, zonden moeten weggesneden, wat verkeerd is moet bijgeschaafd. Soms snijdt dat er diep in, doet dat pijn, moet je er zelf diep onder door. Maar het is de Here er juist om begonnen dat we groeien en vrucht opleveren – en niet als een dorre rank afsterven en eindigen in het grote vuur van de laatste dag. Geloof maar dat de Here veel van ons houdt! En er alles aan doet dat er vruchten rijpen in ons leven met het oog op de definitieve oogst en het grote feest. Volgende week krijgen we weer een voorproefje van de uitbundige blijdschap die Christus wil delen met al zijn christenen: als Hij met ons de wijn nieuw zal drinken in de koninkrijkszaal. Ga je mee, naar dat feest?!

 

DIA 6         2. als echt christen wil ik voor Christus uitkomen – als vrucht aan de wijnstok

 

Johannes 15 heeft iets teers en intiems. Liefde is wel en terecht de rode draad genoemd door dit hoofdstuk heen. Mensen worden binnengenodigd om in het liefdesverkeer tussen de Vader en zijn Zoon te delen: zoals de Vader mij liefheeft, zo heb ik jullie lief. Dat slaat allereerst op de eerste discipelen van Jezus die zichzelf zijn vrienden mogen weten. Een vriendschap waarvoor Jezus tot het uiterste gaat: je kunt niet meer van je vrienden houden dan door je leven voor hen op het spel te zetten. Jezus heeft dat gedaan: Hij gaf zijn leven tot in de dood, om zijn vrienden te redden. Om vijanden van God weer tot vrienden te maken; om verloren zoons en dochters thuis te laten komen.

 

Dat geldt ook voor ons. Dat had Jezus ook voor u en voor jou en voor mij over. Wij mogen ook ingeënt worden in die wijnstok Christus; vrienden en vriendinnen van Hem zijn;als kinderen van God aangenomen.  En nog altijd groeit die wijnstok door. Worden de ranken langer. Komen er vruchten.Is de volle oogst niet  binnengehaald. Blijft de grote Wijngaardenier aan het snoeien en aan het krenten tot de druiven rijp zijn:  snoeien om te groeien en te bloeien..en vruchten op te leveren.

DIA 7

Let nog even op dat beeld van die ranken waaraan vruchten moeten komen. Als Jezus dat de eerste keer zegt, heeft Hij het over de aanstaande apostelen. Die zijn de ranken, de uitlopers op aarde vanuit hun Heer in de hemel, bedoeld om vruchten te dragen. Vruchten vooral in mensen die door hun preken ook in de Here gaan geloven. Lees vers 16: Ik heb jullie uitgekozen en aangewezen opdat jullie zouden heengaan – erop uit zouden trekken de wijde wereld in – en vrucht dragen en uw vrucht zou blijven. Wat dat laatste betreft – blijvende vrucht – mag u dat ook op uzelf, op de gelovigen die er tot op vandaag zijn. Een uitlegger zegt dat ons geloof nog altijd vrucht is op de prediking van de apostelen: nog altijd levert hun werk een grote oogst op; en bij de laatste oogst zal de Vader alle vruchten verzamelen. Trek het ook maar door op onszelf: geloofsgroei en vruchten van je geloof is niet maar dat je rust hebt in je hart, dat je blij bent dat je zonden zijn vergeven en dat je straks in de hemel mag komen – nee, je bent pas echt vruchtbaar voor de Here en zijn dienst als jouw leven uitnodigend is naar Christus toe en naar zijn kerk – als door mijn woorden en mijn levenswandel anderen geïnteresseerd raken-en als God het wil geven, mensen gaan geloven voor Christus worden gewonnen. Want een echte christen komt uit voor Christus zijn Heer.

 

Vaak is dat versmald tot: er wat van durven zeggen als er wordt gevloekt – of: met je buren praten over je geloof – en breder: aan zending en evangelisatie doen, of aan de weg timmeren in christelijke organisaties en activiteiten.

Het is er allemaal onderdeel van, maar ook dan geldt weer: het stelt niks voor zonder die levende liefdesband aan Christus. Christus zelf van wie zondag 12 zegt dat Hij als onze hoogste Profeet en Leraar ons “de verborgen raad en wil van God over onze verlossing volkomen heeft geopenbaard”.

Wie kan ons beter het geheim van Vaders liefde onthullen dan de eigen Zoon van de Vader?

In  vs.15 staat: “vrienden noem ik jullie, want Ik heb alles wat Ik van de Vader heb gehoord, aan jullie bekend gemaakt”.  Dan denken we aan zoveel woorden van Jezus – door zijn eerste vrienden doorgegeven en opgeschreven – maar ook aan zijn wonderen en zijn genezingen – en vooral aan het grote offer van zijn liefde aan het kruis.        DIA 8  (een echte christen durft te dienen)

 

Als profeet de naam van mijn Heer belijden – als aanstekelijk christen – dat is vooral dat ze in wat ze uit mijn mond horen en van mijn leven zien, de liefde van die Heer proeven – dat ik me niet schaam maar er vrolijk van wordt en trots op ben dat ik bij zo’n Heer mag horen – en dat ook wil laten zien.

Vergeet nooit dat erbij staat: als priester – dat is: vanuit liefde tot de ander en bereid mezelf op te offeren en de ander voor te laten gaan, bereid om niet mezelf te laten gelden of mijn mening op

te dringen maar om te dienen en als mijn Heer zelfs mijn leven in te zetten tot zegen van de ander.

En als er al iets van een koning bij is, dan niet om mijzelf te pushen of mijn haan koning te laten kraaien maar door te vechten allereerst tegen mijn eigen zonden en onhebbelijkheden, zoals

Jezus koning wilde zijn: Ik ben gekomen niet om mij te laten dienen maar om jullie te dienen.

Echt christen ben ik als ik op Christus wil en durf te lijken – wie durft zich nu al christen noemen?

 

DIA 9         3. als echt  christen mag ik op Christus rekenen – Hij is mijn leven

 

Zonder Mij kun je niks doen, zegt de Heiland. En ook: wie in Mij blijft, die draagt veel vrucht. Je komt er wel achter dat een christen los van Christus het niet redt. Je komt droog te staan in je geloof. Je wordt dor en doods als kerk, hoe recht misschien ook in de leer. Je kunt het ook nooit volhouden tegen zoveel weerstand en vijandigheid tegen Christus en het evangelie – allereerst van binnenuit.

 

Jezus had veel vijanden. Het liep voor Hem uit op gevangenschap en op het kruis. Vooraf geeft de Heer zijn vrienden en ook ons de waarschuwing: de leerling kan hetzelfde verwachten als zijn leermeester. Je moet maar niet op applaus en sympathie rekenen, eerder op afwijzing; gesloten harten, harde woorden en erger misschien. Op Christus willen lijden is ook met Hem durven lijden.

Ja, als we ook maar altijd beseffen dat we ook onbedoeld of ontactisch weerstand kunnen oproepen.

Petrus getuigt vast ook van zelfkennis als hij lijden om het evangelie onderscheidt van lijden dat je over jezelf heen haalt door bemoeizucht of als een onruststoker of door een verkeerd gedrag – er

is meer dan genoeg te vechten tegen wat in onszelf nog scheef en onvolgroeid is – al te vaak heeft

de ander – ook de buitenstaander een scherper oog dan ikzelf voor wat nog onchristelijk bij me is.

Dan past ons niet een opgeheven vinger of een slachtofferhouding maar berouw en verandering.

Gelukkig dat we het niet hoeven volhouden op eigen kracht. Dat we mogen rekenen op Christus.

Op de kracht van zijn Geest, de Trooster,de Helper die ons nooit in de steek laat.  En die ons altijd

en onvermoeibaar wil helpen om echte christenen te worden!   Daar werk ik aan en bid ik om!

          DIA 10                                                  amen

Zondag 11 Heid. Cat. : Wie is Jezus?

liturgie middagdienst zondag 23 september 2012

 

votum en groet

zingen:           Ps. 75: 1

gebed

Schriftlezing:   Exodus 33: 12-23

zingen:           Ps. 90: 5,7

Schriftlezing:   Joh. 1: 14-18 en 14: 1-9

zingen:           Ps. 103: 5

verkondiging:  zondag 11

zingen:           Gz. 145: 1,3,4

geloofsbelijdenis

zingen:           Gz. 107: 1

gebed

collecte

zingen:        Lied 444 (1,2,3)

zegen

————————————————————————————————————————

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,  broeders en zusters,  jongens en meisjes,

 

Het gaat vanmiddag over de vraag ‘wie is Jezus?’

Maar daarachter ligt een misschien nog wel lastiger vraag: wie en waar is God?

God van wie meer dan eens in de bijbel wordt gezegd dat mensen Hem niet kunnen zien.

Dat is ook zo en dat maakt geloven niet makkelijker, en zeker niet een relatie hebben met God.

Toch feliciteert de Here Jezus ons: gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven….hoe zo, gelukkig?

Ja maar, Jezus zegt er wel iets bij:  als je God wil vinden, Hem wil ontmoeten, moet je bij Mij zijn.

We hebben het van Hem gehoord: niemand komt tot de Vader dan door mij. En: wie Mij ziet, ziet God de Vader. Dat was zijn antwoord toen een van zijn leerlingen – Filippus – verzuchtte: Heer,

laat ons de Vader zien…je zou het zelf gezegd kunnen hebben, ik snap dat zo goed van Filippus.l

 

Wie zou dat niet willen: God met eigen ogen zien, de Heer persoonlijk ontmoeten?

We hebben dat indrukwekkende verhaal gelezen van Mozes die de Here erom smeekte: mag ik U alstublieft even echt zien, één keertje maar? Mozes die toch meer dan iemand anders dichtbij God mocht komen: de Here ging met Mozes en om en praatte met Mozes als vrienden onder elkaar.

De glans van God straalde van Mozes af elke keer als hij na een ontmoeting met de Here weer buiten en onder de mensen kwam. Zelfs zó dat de andere mensen er niet tegen konden. Ze sloegen hun handen voor de ogen of deden een doek voor hun gezicht.  – vandaag zeggen we: ze zetten hun zonnebril op- om niet verblind te worden door de glans van de hemel.

 

Toch was dat blijkbaar in Mozes’ beleving niet genoeg.

Het smaakte naar meer: laat mij toch uw majesteit zien!     

Je kunt nog zo intensief met elkaar chatten, of uren aan de telefoon hangen, over en weer e-mailen of sms’jes sturen, het blijft toch altijd contact-op-afstand – het haalt het niet bij echt bij elkaar zijn. Zeker als je van elkaar houdt, als je verkering hebt of getrouwd bent.

Je wilt niets liever dan heel dicht bij elkaar zijn.

Als je dan ver van elkaar bent – of erger: uit elkaar bent gegroeid – dan is dat pijn, verdriet, gemis..

 

Nou, God heeft de mens gemaakt met de bedoeling dat die mens God die hen gemaakt had, zou kennen zoals Hij is – Hem van harte zou liefhebben -en met Hem in de eeuwige heerlijkheid zou leven – (zondag 3).   Daar is door de zonde een heleboel tussen gekomen – de zonde maakt dat de mens ver van God is weggegroeid en dat in ons leven en in onze wereld alles eigenlijk is scheefgegroeid en onherstelbaar stuk is; dat God heel ver weg is voor ons besef – als er al een God is – als Hij bestaat.

Daar komt die vaak kwellende vraag vandaan: wie is God, en  waar is God?

Met daarachter de vraag: wie ben ik zelf, en waar ben ik zelf, wat ben ik ver van huis geraakt, en hoe kom ik ooit weer thuis.   Zondag 5 verwoordde die vraag zo: hoe kan God mij weer in genade aannemen, hoe kan de kloof tussen God en mij worden overbrugd….?  Nou, daarvoor moet ik en moet iedereen bij Jezus zijn. Die zei:  Ik ben de Weg, de brug over de kloof: wie Mij heeft gezien, heeft de Vader gezien, wie Mij volgt, komt thuis, in dat Vaderhuis waar ruimte genoeg is…..

 

Dat en veel meer heeft God voor ons vastgelegd en ons aangereikt in die naam van zijn Zoon: Jezus….

 

Wie is Jezus?

1. in Jezus komt God dichtbij

2. door Jezus komt het goed tussen God en mij

3. achter Jezus aan kom ik voorgoed thuis bij God.

 

 1. wie is Jezus?  in Jezus komt God dichtbij,

 

Laat mij toch uw majesteit zien – vroeg Mozes. Heer, toon ons de Vader – zei Filippus. Herkenbaar?

Een uitlegger zegt: “het verlangen om Jezus eindelijk eens in levenden lijve te zien, overvalt u toch ook wel eens?”. We denken vast wel eens: wat zouden we makkelijker kunnen geloven, als Jezus nog bij ons was.  Dat dat niet zo is, blijkt op heel veel bladzijden van de bijbel, maar toch: waar bent u Heer, laat u zien…!

 

Die vraag van Mozes was heel goed te begrijpen. Eerder was er dat verschrikkelijke geweest met het gouden kalf. De Israëlieten die al die jaren in Egypte vertrouwd waren geraakt met een godsdienst waarin godenbeelden een centrale rol speelden, moesten ineens op stap met een God die zei: je kunt en je mag Mij niet afbeelden, je moet me op mijn woord geloven, Ik wil ook niet net zo gediend worden als andere volken hun goden dienen. Toch was er wel wat te zien in de woestijn: overdag een wolk, ‘s nachts vuur.  En via Mozes gaf God leiding aan de operatie. Met Mozes sprak God als met zijn vriend. Maar toen Mozes de berg op was om Gods wetten in ontvangst te nemen, en  week na week maar wegbleef, kroop het bloed maar het niet kon gaan: Mozes, maak God voor ons zichtbaar, we willen een God bij wie we ons iets kunnen voorstellen, een God aan wie we houvast hebben. Gevolg: toch een beeld, een god onder  handbereik…..wat een omgekeerde wereld: de mens naar Gods beeld gemaakt, maakt zich een god naar eigen beeld, probeert de hoge God naar beneden te halen en die God voor eigen karretje te spannen…..

 

En Mozes, die bij God had gepleit en geworsteld en zijn eigen ziel en zaligheid op het spel had gezet ten bate van dat hardnekkige volk – Here spaar uw volk en als het niet anders kan, straf mij maar –

en die mocht merken dat de Here zijn gebeden verhoorde en ervan af zag dat hele volk te vernietigen – die zelfs gedaan kreeg dat de Here in eigen persoon toch weer mee wilde door de woestijn naar Kanaän, ook Mozes verlangde hartstochtelijk naar meer. Zoals je je beste vriend zo graag wil zien en in de ogen kijken.. HEER , laat me toch nog meer van Uzelf zien.  Mozes wilde niets liever dan nog intiemer met God omgaan.

 

Op het eerste gezicht kreeg hij van de Here nul op het rekest: nee, Mozes dat gaat niet, ook jij ben maar een mens en geen mens kan Mij recht in het gezicht kijken en dat overleven.

Paulus schrijft later dat God een ontoegankelijk licht bewoont -geen mens heeft ooit God gezien, geen mens kan God zien.

Denk maar  aan de  zon: wie met het blote oog in de zon kijkt, raakt verblind.

Wie te dicht bij de zon zou komen, verschroeit, smelt weg.

Laat staan als je God nadert: die een verterend vuur is.

Toch laat God zich wel degelijk aan Mozes en ons zien.

Eigenlijk geeft God juist meer dan Mozes vroeg.

Niet alleen dat Mozes toch een glimp van de hemelse glorie mag opvangen, maar vooral dat de Here zegt: Ik zal mijn naam aan je laten horen. In alle eerbied gezegd: de Here geeft zijn visitekaartje aan ons mensen af. Je kunt als mens de hoge heilige God niet recht in het gezicht kijken, nee, maar nog mooier: de Here laat zich in het hart kijken. In vs. 19 staat eigenlijk niet zoals in onze vertaling: Ik zal mijn luister aan U doen voorbijgaan – God in zijn verheven majesteit – maar: Ik zal aan u voorbijgaan in mijn goedheid.  Waar de naam Here – JHWH – zo indrukwekkend vol van is: de God die een al genade is – als Ik mijn genade toon en jullie je zonden vergeef, dan doe Ik dat ook echt en helemaal – als Ik mij ontferm, mijn armen om je heensla, dan is dat echt gemeend en dan laat Ik je nooit vallen en dan kun je helemaal op Mij rekenen…. Is het niet ontroerend? Hoe dichtbij die hoge en ongenaakbare God bij mensen wil zijn en betrokken is op uw en jouw leven? Je hoeft Hem niet naar je toe te halen, Hij komt zelf naar jou toe. Hij is er – voor ons..

 

Eeuwen later gaat die betrokkenheid van God op een unieke manier leven: in de persoon van Jezus.

Tegen Mozes zei de Here nog: mijn gezicht zien, dat kan niet, dat is dodelijk voor een mens.

Maar als Jezus wordt geboren als mens onder de mensen, krijgt in Hem God een menselijk gezicht. Krijgt die liefde en die genade van de Here handen en voeten.           

Wordt die Naam zo heilig én zo goed, mens van vlees en bloed.

Juist daarom die naam Jezus: de HEER, Jahwe, redt.

In die naam geeft God het geheim van zijn liefde prijs.

In Jezus wordt het waar als nooit daarvoor: God-met-ons, God-dichtbij ons – Immanuël.

Niemand heeft ooit God gezien – lees ik weer in het evangelie – maar de eniggeboren Zoon – Jezus doet ons de Vader kennen.

Filippus vraagt naar de bekende weg: toon ons de Vader – heb je Mij dan nog niet gezien?

Kijk naar Jezus: je kijkt God recht in het hart!

 

2. wie is Jezus?  door Jezus komt het goed tussen God en mij.

 

  Het gaat niet zomaar – het is een groot wonder – dat God zo dichtbij u en mij wil komen – dat God met die Israëlieten van toen en met ons vandaag te maken wil hebben.

Dat God zijn naam prijsgeeft, en zo ons in het hart laat kijken.

Daar was heel veel voor nodig. Daar heeft God zelfs letterlijk alles voor over gehad.

 

In de inleiding stipten we het even aan: de kloof tussen God en mens is onze eigen schuld.

In het begin was het anders. God ging vertrouwelijk om met de mensen.

Adam en Eva waren blij als God ze opzocht…met ze praatte…ze van alles vertelde….

en als zij van hun kant God konden vertellen hoe goed en fijn ze het hadden, samen, en met God.

Tot op die zwarte dag dat alles anders was, en ze voor God wegkropen.

 

Vanaf dat moment was er de onoverbrugbare kloof: geen mens kan God zien, en blijven leven.

Je leest dat meer dan eens in de bijbel: uw zonden zijn het die scheiding maken tussen God en ons. De Here zei het tegen Mozes na die zonde met het gouden kalf: als Ik maar één ogenblik in uw midden zou optrekken, zou Ik u vernietigen. Je houdt het niet uit zo dichtbij de Heilige.

 

Toch beloofde de Here Mozes: goed, Ik ga toch weer met jullie mee. Toch liet God zijn hart spreken.

Maar dat was niet vanzelfsprekend. Eerder had God iets heel ergs gezegd.

Het staat in Ex. 32: 7: Mozes,  jouw (!) volk heeft het allemaal verknoeid. God zei zelfs: Ik zet er een punt achter, Ik ga wel verder met jou, Mozes, en de rest gaat eraan. Niemand kan zeggen dat dat onrechtvaardig was van de Here, al te hard.   We doen er beter aan ons hoofd te buigen en te erkennen: het is ook ons kwaad dat vraagt om zo’n straf.

Wat doen we elke keer weer dingen waar God verdrietig om is en zich boos over maakt. Die de relatie met God onder spanning zetten en zelfs opbreken. Waardoor we verknoeien wat God zo mooi maakte.

Ja, maar toch mocht het weer worden: jullie zijn ondanks alles mijn volk, en Ik blijf jullie God.

Toch wil God zijn naam aan ons verbinden – denk maar aan uw en aan jouw doop.

Je mag dan datzelfde erin horen als Mozes te horen kreeg: Ik ben genadig aan wie Ik genadig ben, en Ik ontferm mij over wie Ik Mij ontferm. Daar zit zeker in dat God dat niet verplicht is: Hij kiest er zelf voor, Hij kiest voor u en voor jou en voor mij. Vooral spreekt eruit dat God er helemaal voor gaat en er alles voor over heeft: als Ik dan genade bewijs, dan ook geen half werk maar voor de volle 100%.

Wat dat betekende, is wel duidelijk geworden toen God in zijn zoon Jezus maar niet alleen naar ons toe kwam en naast ons ging staan, maar zelf mens van vlees en bloed werd, en slaaf, en zelfs ging tot aan en in de dood. Dat vooral spreekt uit die naam Jezus = Hij (Jahwe die mens werd) zal zijn volk verlossen van hun zonden – en alleen daarom is het in Jezus helemaal en door Jezus alleen: God-met-ons/ Immanuël – God die met ons meegaat.

 

Kijk, en vandaar ook dat absolute: Ik ben dè Weg, dè Waarheid, hèt Leven – alleen door Jezus is het weer goed gekomen tussen God en mens.  En alleen als je in Jezus gelooft, kan het goed komen tussen God en jou. Want niemand anders dan Hij kon het puin ruimen op de weg van God naar ons en van ons naar God. Jezus en Hij alleen heeft de schuld uit de weg geruimd. Heeft in onze plaats de verdiende straf ondergaan. Heeft zo de weg weer vrij gemaakt voor u en voor jou en voor mij, om weer bij God te komen. Wat Mozes niet kon, heeft Hij gedaan: zijn naam geschrapt in Gods boek – en mij ingeschreven.  Dat visitekaartje van God – Ik ben genadig, een God die zich ontfermt – het is met bloed ondertekend!

 

3. Wie is Jezus? achter Jezus aan kom ik voorgoed thuis bij God.

 

  Hoe komen we ooit thuis, in het beloofde land?  Het was Mozes’ grote zorg toen de Here zo boos was op het volk. Mozes draaide er eerst wat om heen; hij durfde het haast niet te vragen toen de HEER al zo ver was teruggekomen op zijn vonnis van net na de zonde: Ik zal heel dit volk in één klap vernietigen. Die straf was dan wel van de baan,maar wat moest er van hen worden als hun God niet verder wilde meegaan.

De HEER had gezegd: Ik stuur wel een engel – maar, zegt een uitlegger: die engel ken Ik niet zoals Ik u ken, die is een vreemde voor ons, maar U,de Here, kennen we wel, in U hebben we alle vertrouwen.

De HEER die precies weet wat ons bezighoudt, is Mozes voor: of moet Ik zelf met jullie meegaan?

o ja, alstublieft, want als U niet meegaat, blijven we liever hier, dan zien we het helemaal niet zitten. Dat mogen we ons wel eigen maken, bij onze plannen en ons doen en laten: als de HEER niet met ons is….we blijven nergens. We halen zeker niet die toekomst die ons is beloofd: dat we God zullen zien, face to face zeggen we dan, van aangezicht tot aangezicht.

 

Naar die geweldige ontmoeting is de Here Jezus met ons op weg: Ik ga naar het huis van Vader om je plaatsje alvast klaar te maken….loop zo lang maar achter Mij aan.

 

Wie is Jezus?

Jezus is God die naar ons toegekomen is – die zich in liefdevol neerbuigt over mijn leven – om het te redden – die zegt: ga maar met Mij mee, dan breng Ik je wel thuis!

Thuis bij mijn Vader die jouw Vader wil zijn!

 

                                                               amen

1 Samuël 17: 45: David, een jongen met lef!

liturgie morgendienst  

votum en groet

zingen:               Ps. 108: 1,2,4

wet van de HEER

zingen:               Lied 365 (1,2)  ( LvdK)

gebed

Schriftlezing:    1 Sam. 17: 1-16 en 26-54

zingen:              Ps. 18: 8,10

verkondiging:   1 Sam. 17: 45

zingen:              Gz. 163: 1,2,3  (GK)

gebed

collecte

zingen:              Gz. 119: 1,2,5  (GK)

zegen

——————————————————————————————– ———————- ————–Gemeente van onze Heer Jezus Christus, broeders en zusters, jongens en meisjes,

 

Ben jij een held,  hebt u lef?
Als je dat aan mij vraagt: bent u een held, dan zeg ik eerlijk: niet echt, soms eerder een bange wezel.

In elk geval  voor bepaalde dingen die ik eng vindt: de tandarts, ziekte, wie sterker zijn dan ik ben..

terwijl ik van angsten van anderen weinig last heb: het verkeer, vreemde culturen, of spinnen……

het ligt dus nogal persoonlijk verschillend: wat de een doodeng vindt, is voor de andere peanuts.

 

We hebben ook zomaar een scheef beeld van wat echte helden zijn, van wat moed is, lef hebben .

Ik las een mooi stukje op internet dat ik in grote lijnen even doorgeef, het gaat zo.

“Wanneer is iemand een echte held? Wij denken bij een held vaak aan iemand die nooit bang is,

iemand die alles aandurft. Maar is dat wel zo? Als iemand nooit ergens bang voor is, is die persoon dan een held….of is zo iemand eigenlijk overmoedig en roekeloos?  Ik heb iemand wel eens het volgende horen zeggen:  ‘Een echte held is iemand die bang is, iemand die eigenlijk niet durft, maar ondanks de angst toch gaat”….”moed is een keuze om door te gaa, ondanks de angst, en soms dwars door de angst heen”….en dat “is een keuze, om door je angst heen te gaan.. dat kan!”

 

Kijk, en dan ga ik de bijbel lezen en kom ik veel mensen tegen die op die manier een held werden.

Mensen die eerlijk zijn over hun angst, hun niet durven, hun als een berg opzien tegen wat van ze

werd gevraagd:  Mozes die op zijn tachtigste naar de Farao moest: stuur toch een ander, Heer!

Gideon die de opdracht kreeg de vijand het land uit te jagen: ik durf niet, ik ben te jong;  David die

zo vaak in zijn psalmen zijn angst uitschreeuwde; zelfs Jezus van wie we lezen dat hij vlak voor zijn arrestatie en sterven doodsangsten heeft doorgemaakt en bad:  laat deze beker Mij voorbijgaan!

Maar de bijbel vertelt hoe ze toch moed vatten en deden wat ze zelf niet durfden en niet konden.

Zoals het refrein in Heb. 11: door het geloof hebben ze…..en dan volgt een lijst van heldendaden,

of liever: dan volgt wat de door de kracht van hun geloof toch hebben gedaan, ondanks hun angst.

 

Lef, weet u wat dat letterlijk betekent?  Lev=hart, hart voor God, voor de naaste, voor de wereld. 

 

 

David – een jongen met lef!

1.   als voorvechter – voor God

2.   als voorloper – van Jezus

3.   als voorbeeld – voor ons

 

1.   David – een jongen met lef!    -   als voorvechter – voor God

 

Het is weer eens oorlog.

Ik bedoel:  oorlog tussen Israël en de Filistijnen – niet te verwarren met de Palestijnen, al doet wat

je over die twee van toen soms wel wat denken aan de situatie in het Midden- Oosten van nu.

Al voor Saul als de eerste koning van Israël was aangesteld, waren er steeds grensconflicten….en

Saul en zijn zoon Jonathan hadden  al een paar keer oorlog met ze gevoerd en dapper gevochten.

In 14: 52 staat: “Tijdens de hele regering van Saul werd er fel tegen de Filistijnen gestreden“.

En elke keer wonnen de Israëlieten en moesten de Filistijnen het veld ruimen – datzelfde vers gaat verder:  “Daarom keek Saul steeds uit naar  heldhaftige en moedige mannen en nam die in dienst“.

 

Maar dan begin je te lezen in 1 Sam 17, en dan lijkt het allemaal anders: waar zijn die heldhaftige en moedige mannen gebleven, en wat is er met die stoere dappere koning Saul gebeurd, dat we moeten lezen in 17: 11 dat Saul en het leger van Israël verlamd van schrik staan, en verderop wordt verteld

dat ze zelfs angstig weghollen bij het zien van die superheld van de Filistijnen met zijn grote mond?

Nou, denk je, logisch, je zult maar zo’n kerel van bijna drie meter op je af zien komen, dan wil je

wel lopen……blijkbaar werkte dat nieuwe wapen dat de Filistijnen hadden ingezet perfect……de schrik sloeg al die soldaten van Israël in de benen: daar valt niet tegen te vechten, wegwezen!

 

Toch, gemeente, kan dat het niet wezen, want je kunt toch met een heel bewapend leger wel één zo’n vechtjas aan…als David er op z’n eentje, zonder pijl en boog, zonder zwaard, zonder harnas, in slaagt om die schreeuwende en vloekende oorlogsmachine te vloeren, waarom durfde niemand van die grote kerels, ook niet die oudere broers van David,en ook niet Saul met zijn oorlogservaring,

een eind te maken aan dat uitdagende gedrag van die Goliath – was David dan de enige met lef?

 

Weet u, er was wel degelijk iets heel ingrijpends veranderd in de loop van de jaren – en dat vind

ik terug in het vorige hoofdstuk, 1 Sam. 16: 13 en 14 – daar sta je op een keerpunt binnen Israël.

In vers 14 staat iets heel ergs over Saul en wel: “de Geest van de HEER had Saul verlaten” – en dat

was omdat Saul steeds meer zijn eigen weg ging en zijn eigen macht uit was, en niet langer op de

HEER wilde vertrouwen en niet meer luisterde naar wat de HEER bij monde van Samuël hem zei.

Dan kan het zover komen dat God je overlaat aan jezelf: je hebt Mij toch niet nodig, je kunt het

toch zelf zo goed en je weet het toch altijd beter, ga je gang maar, kijk hoever je komt zonder Mij.

Bij Saul is te zien wat er van komt: de moed zakt hem in de schoenen,  het gaat bergafwaarts, tot  een roemloze zelfdoding op het slagveld -  wat zo mooi begon, eindigt  in een trieste mislukking.

 

Ja maar, in het vers er vlak voor kun je hoop putten voor de toekomst: “van toen af (vanaf het moment dat David, toen nog de jongste thuis en een herdersjoch die nog voor geen meter meetelde,

in opdracht van God door Samuël tot koning werd gezalfd) was David doordrongen van de Geest van de HEER) – die Geest zorgde ervoor dat David een jongen was met lef = met hart voor de HEER.

Wat niemand snapte  toen David met eten van thuis zijn broers in het leger opzocht,  en toen hij, geconfronteerd met dat geschreeuw en getreiter van die reusachtige Goliat, hem te lijf wilde.

Zijn broers en andere soldaten namen hem totaal niet serieus: wat doe je hier eigenlijk, jij met altijd je neus vooraan, ga op de schapen passen – en Saul kon er ook niks mee:  jij hebt helemaal geen ervaring met vechten, tegen die doorgewinterde vechtersbaas maak jij toch  geen schijn van kans.

Ze hadden allemaal gelijk natuurlijk, zo’n joch van hoogstens 16/17 jaar, ongewapend en ongetraind,

tegen zo’n boom van een kerel met soldatenpak van zo’n 80 kilo en een speer waarvan alleen de punt al 10 kilo woog – Goliat bulderde van het lachen toen dat herdertje met zijn stokje en een paar steentjes op hem af kwam: wou jij vechten, jochie, nou kom maar op, ik maak gehakt van je….

 

Wat denk je, zou David niet bang zijn geweest, was hij echt zo’n stoere bink, of een waaghals?

In elk geval maakte hij zelf heel duidelijk wat hem dreef en waar hij zoveel lef vandaan haalde.

Wat hem stak was niet dat ze allemaal zo laf waren of dat die reus zijn land en leger vernederde, ook

dat,  maar vooral: “wat denkt die onbesneden Filistijn wel, dat hij de gelederen van de levende God durft te beschimpen”  en even later: “De HEER, die mij gered heeft uit de klauwen van leeuwen en beren, zal me ook redden uit de handen van deze Filistijn” – David kon het niet hebben dat zijn God werd beledigd en David wilde voor de eer van zijn God omkomen en vertrouwde op Gods hulp.

Dat was ook zijn antwoord op dat gebral van Goliat: ik daag jou uit in naam van de God van de

hemelse machten die jij hebt staan beschimpen, vandaag zal de HEER je aan mij uitleveren….ja

want de eer van de HEER staat op het spel en de HEER zal zelf voor zijn eer opkomen: “zodat de

hele wereld weet dat Israël een God heeft…en iedereen zal beseffen dat de HEER geen zwaard

 of lans nodig heeft om te overwinnen, want Hij is Degene die de uitslag van de strijd bepaalt“.

 

Kijk, dan ben je een held, dat is lef hebben:  juist als ik zwak ben, ben ik op zijn sterkst – heel veel later horen we Paulus dat zeggen, door de HEER geleerd: opdat niet ik maar God alle eer krijgt.

Dat is lef hebben: op God vertrouwen en in zijn kracht de strijd aangaan, het van Hem verwachten.

Zoals David ervan zong: “met U durf ik mij in de strijd te wagen, de legerbenden op de vlucht te jagen, met U ga ik door water en door vuur, en met mijn God spring ik over een muur“.   Ps. 18.

Dus niet: ik kan alles aan, kijk eens wat ik durf – maar: ik ben niet bang, ik verlaat mij op de HEER.

 

Dat vertrouwen van David werd niet beschaamd en wat niemand voor mogelijk hield, gebeurde.

We kennen allemaal het vervolg: hoe David de reus tegemoet rende en een gladde scherp geslepen steen wegslingerde zodat Goliat frontaal in het voorhoofd werd geraakt en met een harde dreun op

de grond viel, waarna David de gevreesde kampvechter met zijn eigen zwaard een kopje kleiner maakte – waarna de Filistijnen panisch van schrik de benen namen en Saul en zijn soldaten ineens

weer moed kregen en hen achterna gingen:  het werd alsnog een klinkende overwinning – met dank aan David – geen wonder dat Saul hem tot legeraanvoerder maakte en David volksheld nr. 1 werd.

 

Gemeente, maar het is niet goed gezegd natuurlijk dat deze overwinning aan David te danken was.

Dat wist hij zelf wel beter en daar kwam hij openlijk voor uit: de HEER voor wiens eer David het had

opgenomen en op wie hij had vertrouwd, had hem gered uit handen van die Filistijnse vechtersbaas en de HEER had zijn volk de overwinning bezorgd: Hij is de HEER, die hulp verschaft in nood, mijn vaste burcht, ik hoef niet bang te wezen (wat David ook best wel was), Hij beveiligt voor de dood.

Kijk en daarmee had David zijn visitekaartje afgegeven, niet als die grote oorlogsheld of als die

succesvolle generaal, maar als de man naar Gods hart, als gelovige geleid door de Geest van God.

Door het geloof – het kan ook van David worden gezegd – kun je bergen verzetten en zelfs de sterkste tegenkrachten aan – dan zal God door onze zwakheid en bangheid heen zijn kracht laten blijken.

Ik denk aan die belijdenis van Paulus – ook zo’n man met lef voor God – als hij schrijft over zoveel dat

tegen kan zijn en bang kan maken: tegenspoed, ellende, vervolging, honger of armoede, gevaar of het zwaard  – maar dan naar boven kijkt: wij zegevieren in dit alles glansrijk – wij zijn om zo te zeggen wereldkampioenen, superhelden – niet van onszelf, maar: dankzij Hem die ons heeft liefgehad”.

 

2.   David – een jongen met lef!     -   als voorloper – van Jezus

 

Het was al met al een genante en trieste vertoning geweest: een heel leger met aan het hoofd een ervaren koning die talloze overwinningen had behaald – en dan komt er een zo’n grote schreeuwer

en die daagt je uit en staat te tieren en te vloeken en ook nog je God te beledigen – en het blijft

oorverdovend stil en allemaal staan ze aan de grond genageld en rennen zelfs van angst weg – tot

die ene herdersjongen die langskomt en dat niet kan hebben en die in actie komt: hoe durft hij…

en dan bedoel ik niet David maar dan herhaal ik wat David over die Goliat zegt: hoe durft hij mijn

God zo te beledigen, en de spot te drijven met de legers van de levende God, en met Gods volk?

Zijn wij daar nog wel door geschokt en verontwaardigd over, als vandaag aan de dag in ons eigen land en soms waar ze wel bij zijn lelijke dingen over God gezegd worden, over de Here Jezus, over

ons geloof en over de bijbel, en als onder het mom van vrijheid van meningsuiting alles maar moet

worden kunnen gezegd, ook over christenen, over andere medemensen – hoe reageren we dan…

We moeten dan oppassen voor twee verkeerde reacties, twee uitersten: aan de ene kant dat we het maar allemaal laten voor wat het is, er misschien al zo aan gewend zijn dat het ons niet eens meer raakt – aan de andere kant dat we in dezelfde fout vervallen en op onze beurt gaan terugschelden,

de ene belediging beantwoorden met de andere, en doen waar de bijbel ons voor waarschuwt, dat

we kwaad met ander kwaad vergelden, of dat ze in de kramp schieten en onszelf gaan verdedigen

in plaats van eerlijk het gesprek aan te gaan en de ander laten nadenken en voelen waar hij of zij

mee bezig is – en dat we zoals Paulus schrijft vechten met eerlijke, met geestelijke wapens.

Kijk maar weer naar David die niks kon en wilde met die wapens die Saul hem wilde laten aantrekken en hanteren, en tegen die Filistijn zei: “jij daagt me uit met je zwaard en je lans en je kromzwaard,

ik daag jou uit in de naam van de HEER van de hemelse machten, die God… die jij hebt beschimpt“.

 

Daarmee zien we in hoe David erin staat, op God vertrouwt, en de vijand van de HEER bestrijdt,

al de trekken van zijn grote zoon Jezus, die kwam, zei Hij zelf, om het werk van satan af te breken.

Het gaat veel te ver om iemand als Goliat satanische trekjes toe te dichten – wat moet je dan als over Saul staat dat de Geest van de Heer van hem geweken was en dat een boze geest hem aanstuurde- maar we weten wel dat satan als de aartsvijand van God er alles aan deed het werk van God af te

breken en het volk van God schade te doen – en dat God dwars erdoor heen zijn plan wil doorzetten,

en daar wordt David bij ingeschakeld en eeuwen later Davids zoon die de zoon van God is: Jezus.

En zie je zeker bij Jezus wat  Paulus schrijft dat de strijd niet gaat tegen mensen van vlees en bloed maar tegen kwade machten die actief zijn en die erop uit zijn om Gods redding van de wereld onmogelijk en ongedaan te maken – Gods uiterste wapen is de inzet van zijn eigen enige Zoon.

 

Denk dan aan Jezus al meteen in het begin, als satan hem probeert te verleiden tot ontrouw aan zijn Vader en aan zijn opdracht, en hoe Jezus dan steeds dat ene wapen inzet: maar Vader heeft gezegd,

maar in de bijbel staat – en daar kan zijn tegenstajnder niet tegen op: hij moet de aftocht blazen -

het begin van wat al vlak na de zondeval beloofd is: er komt een nakomeling van de vrouw, van

Eva, die de slang, die oude verleider en kapotmaker, eens uiteindelijk de kop zal kosten – wat is

gebeurd aan het kruis toen de zoon van David satan overwon door te lijden en te sterven en zo

de diepste oorzaak van alle ellende, de zonde, heeft overwonnen: het is volbracht – ik lees in mijn bijbel: Hij heeft door zijn dood definitief afgerekend met de heerser over de dood, de duivel.

Wat op Pasen aan het licht kwam toen Hij uit de dood opstond en Hij overwon, die sterke Held.

Ja en dat juist door zwak te willen zijn, door te lijden, door de dood in te gaan – zijn weg is de weg

van kribbe via kruis door het graf heen -

 

3.   David – een jongen met lef!    -  als voorbeeld voor ons.

 

Ben jij een held,  hebt u lef?

Daarmee bedoel ik niet of je allerlei waagstukken aandurft, of dat u nergens bang voor bent.

De vraag is of u en jij en ik ervoor durven uitkomen dat we in God geloven en Jezus volgen.

En of we als christenen in ons land laten merken dat we iets geweldigs gekregen hebben en

met anderen willen delen, en dat zijn niet onze tradities of regels of ons gelijk, maar daar is

dat we een grote God hebben, die liefde is, en dat we Jezus kennen die de wereld wil redden.

Ik las een artikel over missionair gericht zijn, met als titel ‘Christenen mogen best wat meer lef’

hebben, en dan werd dat lef ook letterlijk bedoeld:  lev hebben= hart voor die ander hebben,

bidden voor je medemensen, het gesprek met de ander aangaan, die ander Gods liefde tonen.

 

Ja en als we uit die liefde leven en kracht putten uit wat onze Heer deed en doet voor ons, kan dat geloof bergen verzetten – Jezus zei dat en belooft dat – dan kan geloof onze angsten overwinnen.

David zei. ik kom met niks van mezelf, niet met eigen wapens, maar in de naam van God mijn HEER.

Maak je maar eigen wat we nu gaan zingen: “Ik bouw op U, mijn Schild en mijn Verlosser, niet eenzaam ga ik op de vijand aan; gelovend ga ik, eigen zwakheid voelend, en telkens meer moet ik uw kracht verstaan, toch rijst in mij een lied van overwinning, ik bouw op U en ik ga in Uw naam

Dankzij Hem die overwon, over wie we nu gaan zingen, als over de Held bij wie we veilig zijn.

 

                                                                                    amen

 

 

 

 

Zondag 13 Heid. Cat.: Kind aan huis bij Vader dankzij Vaders Zoon

votum en groet

zingen:      Ps. 133 (1,2,3)

gebed

Schriftlezing:  Marc. 3: 20-35 en 6: 1-6

zingen:      Lied 135: 2

Schriftlezing:  Joh. 1: 9-14

zingen:      Lied 135: 3 – onder naspel gaan de kinderen naar de club

verkondiging:  zondag 13

zingen:      Gz. 45 (1,2) – onder voorspel komen kinderen binnen

geloofsbelijdenis

zingen:      Gz. 165

gebed

collecte

slotzang:     Ps. 8: 3,4,6

zegen

——————————————————————————————————————————–

Gemeente van de Heer Jezus Christus, zijn broers en zussen en broers en zussen van elkaar……….

 

Bent u niet wel eens een beetje jaloers? Ik bedoel: op Jezus’ bloedeigen familie?   Je zult maar de broer van Jezus zijn, of zijn zus! Met Hem zijn opgegroeid. Met Hem hebben gespeeld.

Zei Elisabeth niet tegen Maria: “Jij bent de meest gezegende onder de vrouwen. Waaraan heb ik het te danken dat de moeder van mijn Heer naar mij toe komt?

Ergens onderweg riep een vrouw uit het publiek – diep onder de indruk van het spreken van Jezus spontaan: “gelukkig de schoot die u heeft gedragen en de borst die u heeft gevoed!”.

Jezus zal je kind maar wezen! Om jaloers op te worden, als je familie van die beroemde man bent….

 

Verkijk u er maar niet op. De levensweg van Jezus die een lijdensweg werd, is ook voor de eigen familie een martelgang geweest. Jezus’ moeder heeft er al te vaak geen zicht op gehad en het heeft haar – zeker onder de schaduw en aan de voet van het kruis – pijn en verdriet gekost. De oude Simeon heeft gelijk gekregen: door uw ziel zal een zwaard gaan. De broers van Jezus hadden hun eigen strijd. De bijbel windt er geen doekjes om: “zij geloofden niet in Hem”. Ze konden met Jezus’ loopbaan niet uit de voeten: het zal je broer maar wezen! Soms dachten ze, en zeiden ze: die is gek…..ja, echt!!

 

We hebben net gehoord over dat merkwaardige voorval tijdens Jezus’ preektournee.

Het lijkt erop of de familie bij de deur wordt weggestuurd: wie zijn mijn echte moeder en broers?

Is dat om hen terug te pakken omdat ze Jezus wilden meenemen als doorgedraaid, overspannen?

Of zit er wat anders achter bij onze Heer: wat wil Hij zijn familie en wat wil Hij ons ermee leren?

Ja, en hoe zullen Maria en de broers en zussen gereageerd hebben? Verdrietig? Boos? Geërgerd?

Daarover bewaart de bijbel stilzwijgen. Daar gaat het dus blijkbaar niet om.

 

Waar het wel om gaat?

Nou, om u en om jou en om mij, om die mensen om Jezus heen en achter Hem aan, toen en nu.

Die niet jaloers hoeven te zijn op Maria en op Jezus’ bloedeigen broers en zussen.

Nee, want om Jezus heen mogen we allemaal familie van Hem worden en zoons en dochters van Jezus’ Vader, dankzij de Zoon die zich er niet voor schaamt ons zijn broeders en zusters te noemen. Kinderen aan huis bij Vader dankzij Vaders Zoon.

 

Kind aan huis bij Vader dankzij Vaders Zoon:

1. die Zoon is kind aan huis bij Vader;

2. die Zoon maakt ons tot Vaders kinderen.

 


1. Jezus is als de Zoon kind aan huis bij Vader.

 

Jezus is er weer. In zijn eigen huis in Kapernaüm. En het huis is stampvol. Vol met mensen die naar Hem zijn komen luisteren. Ineens gaat het van mond tot mond: Jezus’ familie staat voor de deur! Ze kennen hen wel: moeder Maria, de broers Jacobus, Judas, Jozef, Simon. U vindt die namen in Matt. 13:55. Het is een van de trekjes uit het evangelie die Jezus ons uittekenen als echt een mens, die uit een bepaald gezin komt en familie heeft. Geboren, zongen we, tussen alle mensen in, in het menselijk gezin. En dus ook: geboren in dit heel bepaalde menselijke gezin, van Jozef en Maria. Die zich ook niet heeft geschaamd voor het gezin waar hij uit kwam en bij hoorde. Jezus wilde bekend staan als zoon van – en zelf ook- de timmerman van Nazareth.  Al was Jozef niet zijn echte vader, we lezen van de jongen Jezus dat Hij zijn ouders(!) onderdanig was. Nog aan het kruis bekommerde de oudste zoon zich om zijn moeder en ver­trouwde Hij haar toe aan de zorgen van zijn lievelingsdiscipel: Johannes, daar staat je moeder.  Zo krijgt heel concreet handen en voeten wat we in Joh.1 lezen: “het Woord is mens gewor­den” – de Zoon van God werd een mens van vlees en bloed – en heeft bij ons gewoond.  In die stal van Bethlehem. In dat huisje met die werkplaats in dat gehucht Nazareth. In die eigen gehuurde woning in Kapernaüm.  Een mens – deze Mensenzoon – die onze broer werd.

 

Maar wat moeten we dan met dit verhaal?  Neemt Jezus daar toch niet afstand van zijn eigen familie? Scheept Hij hen af? Is Hij misschien boven aardse familie­banden uitgegroeid? Of heeft Hij aan de familie geen boodschap nu ze toch niet willen geloven? Schaamt Hij zich misschien voor ze?

Nou moet u goed lezen wat er staat. Dan merken we dat de Heer hier niet met zijn moeder en zijn broers in gesprek is, maar met de mensen die naar Hem zitten te luisteren. Hij jaagt niet zijn eigen familie weg, maar zegt juist tegen anderen dat zij net zo goed zijn familie mogen zijn. De familie van Jezus wordt niet kleiner, maar juist heel veel groter! Een onafzienbare menigte, staat in Openb. 7

 

Zeker in de tijd van Jezus waren familiebanden erg belangrijk.  De mensen in dat huis hadden kunnen verwachten dat Jezus hen naar huis zou sturen omdat vandaag de familie vóórging.  Je kunt het toch niet maken dat je geen ruimte en geen tijd hebt voor je moeder en je broers en zussen.

We kunnen ons daar wel iets bij voorstellen. Als we jarig zijn kijken we eerst wanneer de familie komt.  Als we een grote familie hebben, nodigen we vrienden en kennissen een andere keer uit. Eerst de familie! Moeten die bezoekers bij Jezus thuis nu niet beleefd plaats maken voor zijn familie? Zal Jezus niet zeggen: kom morgen maar terug, Ik heb toch al veel te weinig tijd voor de familie…?

 

Maar Jezus stuurt niemand weg.  Hij zegt tegen die mensen om Hem heen: jullie zijn ook mijn familie,als jullie doen wat mijn Vader in de hemel wil. En wat Vader wil is dat iedereen luistert naar zijn eigen Zoon. Denk aan die stem uit de hemel toen Jezus door Johannes gedoopt werd: deze is mijn eigen lieve Zoon, en jullie moeten allemaal goed naar Hem luisteren. En zelf benadrukte de Here Jezus elke keer maar weer: Ik en de Vader zijn één. Ik kom van de Vader – uit hoge hemel daalde Ik neer – om hier op aarde de wil van mijn Vader te doen.

 

Kijk zo naar dit gebeuren:  hier staat de unieke Zoon van de Vader voor ons die blijkbaar het recht heeft te beslissen wie bij Vaders gezin mogen horen. Met een breed en beslissend handgebaar wijst Hij naar zijn leerlingen: kijk, daar zitten mijn broers. In Matt. 12:50 staat het iets anders- meer direct: “ieder die de wil van mijn Vader in de hemel doet”. Hij zegt niet ‘onze’ Vader. Nee want hier spreekt de Zoon die een unieke band met de Vader heeft. Die is – zondag 13 -de eeuwige natuurlijke Zoon van God. En daarom -zondag 13 verbindt dat prachtig aan elkaar- die tegelijk is ons aller Heer. De Zoon van de Vader is de Heer van het huis van Vader. Hij heeft van de Vader het voor het zeggen gekregen in zijn huis en rijk.

 

Johannes zet zijn evangelie daarmee in: die Jezus van Nazareth – mens in dienstbaarheid -

is de eeuwige Zoon van God – die heeft meegewerkt toen alles werd geschapen. En – zegt

Johannes erbij – in het leven en werken van Jezus hebben we oog in oog gestaan met de glorievan die werkelijke, unieke Zoon van God. Denk aan zijn wonderen en genezingen. Aan zijn macht over wind en golven. Aan zijn overwinningen op de duivel en zijn demo­nen. Aan zijn goddelijke kracht waarmee Hij de straf droeg die wij verdienden, en de zonden van zoveel miljoenen en miljarden op zich heeft genomen. Aan de opstandings­kracht die sterker was dan de dood, zodat Hij de sleutels heeft van dood en dodenrijk.

 

Zondag 13 lijkt een wat jaloerse vraag te stellen: Jezus de enige Zoon van God? Maar wij dan? Zijn wij dan niet Gods kinderen? Maar voor jaloersheid is geen reden.Wel voor diepe dankbaarheid. Want juist omdat Jezus die unieke Zoon is – God én mens -kunnen weggelopen kinderen weer thuiskomen. Mogen u en jij en ik Gods kinderen zijn!

 

2. Jezus die als Zoon kind aan huis is bij Vader, maakt ons tot Vaders kinderen.

 


  We zagen dat de Here Jezus niet zijn moeder en zijn broers wegstuurt maar juist veel anderen binnenhaalt in de familie: iedereen die doet wat mijn hemelse Vader wil – en dat is: gelovig naar Mij als de unieke Zoon luistert – mag ook mijn broer en mijn zus zijn.  Zoals moeder Maria zich gelovig geschikt had naar Vaders wil:  ”de Heer wil ik dienen, laat met mij gebeuren wat u hebt gezegd”

Als Maria zo haar plaats weet, kan ze de geschiedenis ingaan als  ’de moeder van de Heer’.

Elisabeth had gelijk: “gelukkig is zij die geloofd heeft dat de woorden van de Heer in vervulling zullen gaan”.

 

Op het eerste horen is het een vreemde vraag die Jezus stelt: “wie zijn mijn moeder en wie mijn broers?”. Wie Jezus’ moeder was, wist iedereen in de omgeving. Ze kenden zijn broers en zijn zussen. Jezus’ moeder, dat is Maria die met Jozef is getrouwd (geweest). En de broers van Jezus zijn die mannen die net als hij zonen zijn van de timmerman van Nazareth, van Jozef.

Zoals elk gezin werd ook dit gezin bepaald en benoemd naar de vader van het gezin.

 

Precies: daar hebt u Jezus’ geheim. Want Jezus verwijst hier heel nadrukkelijk naar zijn Vader, maar dan naar die Vader die in de hemel is, en die in werkelijkheid Jezus’ Vader is. Nou, en daarom wordt de vraag of je familie van Jezus bent, niet bepaald door een bloed­band die je verbindt met vader Jozef. Dat kan ook niet, want Jezus is zelf geboren “niet op natuurlijke wijze, uit lichamelijk verlangen of uit de wil van een man, maar uit God“,  Joh.1:13. Jozef werd pas ingeschakeld toen Maria al in verwachting was. De engel had gezegd: het heilige dat verwekt is – door de Heilige Geest – zal Zoon van God heten. En wie nu door het geloof een volgeling van deze Zoon wordt, mag God zijn Vader gaan noemen. Dan mag je tegen de hemelse Vader van Jezus zeggen: “onze Vader in de hemel”,  “Abba, mijn lieve Vader”.

 

Dat is een onbegrijpelijk wonder. We kunnen het niet snappen én we hebben het niet verdiend.

Als zondag 13 vraagt  “maar wij zijn toch ook Gods kinderen?”  is het antwoord volmondig ja.

Maar meteen wordt heel duidelijk dat daar niks vanzelfsprekends aan is. ‘Uit genade’ zijn we als kinderen van God aangenomen, geadopteerd, en dat om Christus, die daarvoor betaalde met zijn eigen leven. Want wij hadden onze kinderrechten verspeeld zoals die weggelopen, verloren zoon, uit dat bekende verhaal. Die alleen maar kon zeggen: ik ben het niet waard nog langer uw zoon te heten. Maar die door zijn Vader met open armen werd binnengehaald. Uit genade. Terwille van Christus! Daar heeft bloed voor gevloeid. Zeg maar: voor uw plek in de kerk en in Gods gezin, betaalde de Zoon met zijn leven!

We hebben gelezen dat dat alleen kan als God zelf ingrijpt. Johannes schrijft dat de Here Jezus allen die Hem aangenomen hebben – iedereen die in Hem gelooft en alleen wie gelooft -het recht heeft een kind van God te worden. Wie de wil doet van zijn hemelse Vader. Maar dat doet geen mens uit zichzelf. Geloven is niemand aangeboren. Geloof erf je niet van je ouders, ook al wil God vader en moeder wel gebruiken om geloof in de Here en dienst aan de Here voor te leven. Je bent geen kind van God puur door geboorte of omdat je familie van huis uit christelijk is, of omdat je gedoopt bent.

Nee, er is ‘weder-geboorte’ voor nodig. Een verlossend ingrijpen van bovenaf, van God uit. Een totaal nieuw begin en een heel ander leven. Danzij die Zoon die – zondag 13 – ons met zijn kostbaar bloed heeft vrijgekocht van onze zonden en ons gered heeft. Die onze Broeder èn onze Heer is geworden.

 

Kijk, en wie echt naar Hem luistert, gaat al meer op Hem lijken. Dan mag je nu al weer iets laten zien in je leven van die heerlijkheid, die glans, die bij een kind van God hoort. Zoals ps. 8 zingt van de mens die op God lijkt en Gods glorie weerspiegelt:  bijna goddelijk verheven! Zodat het in uw en jouw leven te zien wordt: hoe heerlijk is uw naam op aarde!

 

Dus hoeven we helemaal niet jaloers te zijn op die moeder en die broers en zussen van Jezus.

Jezus zegt dat als we naar zijn onderwijs luisteren en de wil van Vader in de hemel doen, we net zo goed zijn broeder en zuster mogen zijn. Dat we kinderen zijn van zijn hemelse Vader. Dat was ook de weg die zijn aardse familie moest volgen. Zij en wij staan daarin naast elkaar. De aardse familie heeft geen streepje voor en wie van buiten komen worden niet achtergesteld als het erom gaat wie bij Gods gezin horen en bij Hem mogen wonen.

 

Jezus liet dat soms moeder Maria voelen als die even vergeet dat haar zoon ook haar Heer is. Dan is er even die afstand:  beste mevrouw, wat heb ik met u te maken? Ook Maria moet haar plaats kennen. Gelukkig heeft ze die gevonden. Als Jezus naar de hemel is en de gemeente in gebed wacht op de Heilige Geest, lezen we in Hand.1 dat de apostelen bijeen zijn, en ook enige vrouwen, en Maria, de moeder van Jezus. Jezus’ moeder wordt vooral zuster in de Heer. Meteen er achteraan lezen we dan: en met zijn (Jezus’) broers. Nog een groot wonder, want Jezus’ bloedeigen broers geloofden eerst niet in Hem, vertelt de bijbel.

 

 

Het werd wel heel schrijnend werkelijkheid: Hij kwam tot het zijne, en de zijnen – tot in eigen familie toe zelfs – hebben Hem niet aangenomen. Naar de wrange regel: een profeet is niet geëerd in zijn eigen stad en bij zijn eigen familie. Voor veel anderen was het een excuus: in Jezus geloven als de beloofde Redder? maar we kennen toch zijn vader en zijn moeder, zijn broers en zussen. Hij zou door God gezonden zijn?- Hij komt uit Nazareth!

 

Misschien zeiden ze ook wel: zijn eigen familie gelooft niet eens in Hem!  Ook dat hoorde bij Jezus’ lijdensweg: verlaten door zijn eigen leerlingen, ook door zijn bloedeigen broers en zussen, en tenslotte zelfs door zijn hemelse Vader. En dat allemaal terwille van ons – en ook voor die eigen broers en zusters, en voor moeder Maria – opdat zij en wij nooit meer door God verlaten zouden worden, maar door Hem geadopteerd tot zijn kinderen en erfgena­men. Heb. 2 zegt dat God de Vader veel van zijn kinderen de hemelse glorie wilde binnen­brengen en dat daarvoor nodig was dat Jezus zijn eigen Zoon voor ons heeft geleden. Vandaag vierden we dat: de Zoon maakt ons tot zonen en dochters van zijn Vader, en zo tot zijn broers en zussen. Het avondmaal is de gezinsmaaltijd van Vader met u en jou en mij. Als je familie van elkaar bent geworden omdat God de Vader van ons allemaal is, dan is die band niet stuk te krijgen, zelfs niet door de dood. Want niets kan ons scheiden van Vaders liefde, door Jezus Christus onze Heer.

 

Helaas maken we als broers en zussen, als broertjes en zusjes – en ook als broeders en zusters – soms ruzie met elkaar. Dat komt. zeggen we dan, zelfs in de beste families voor. Dat is pijnlijk en triest als het blijvende verwijdering brengt en er geen bereidheid is het bespreekbaar te krijgen en aan oplossingen te werken. Het kan vormend zijn en leerzaam, als maar de liefde die de Vader werkt door zijn Geest en met zijn Woord, ons aan elkaar blijft binden, als we bereid zijn de minste te zijn en te werken aan herstel. En we samen ons het eigendom weten van Hem die ons kocht en onze Heer is.

 

                          amen