Johannes 14: 18: ‘Wezenzondag’ (overdenking H.Avondmaal)

Overdenking avondmaal zondag 12 mei 2013

 

Joh. 14: 18:  Ik laat jullie niet als wezen achter, ik kom bij jullie terug.

 

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

 

‘Wezenzondag’.

Dat is vandaag, en dat is best raar op een zondag dat het moederdag is.

Want een wees is iemand die geen vader en geen moeder (meer) heeft.

Je wordt er des te meer aan herinnerd op moederdag en op vaderdag.

En ik hoop dat als je nog wel een moeder en/of een vader hebt, dat je blij

met ze bent, en dat je dat ook laat merken, b.v. vandaag, met moederdag.

Want het kan ook anders en het is in veel gezinnen anders: doordat je al

vroeg vader of moeder – of allebei moest verliezen – of doordat ouders zijn

gescheiden, of doordat kinderen uit een ander land hier geadopteerd zijn

en nooit hun biologische ouders hebben ontmoet of zullen ontmoeten -

en als je echt wees bent, dan mis je veel – hoeveel er ook nog goed kan komen.

 

‘Wezenzondag’

Dat gaat niet over kinderen die geen ouders meer hebben, maar over leerlingen

die afscheid moesten nemen van hun leermeester, en nu zonder hem verder moeten.

Wezenzondag is de naam die de kerk is gaan geven aan de zondag tussen de hemelvaart van de Heer Jezus en het komen van de Heilige Geest als de andere Trooster.

Eigenlijk een vreemde naam – die haaks staat op wat de Heer juist van te voren had

beloofd, in dat vers dat we net lazen: “Ik laat jullie niet als wezen achter…..”

Jezus zegt dat kort voordat Hij zal worden gevangengenomen en zal sterven aan

het kruis, maar als Hij over weggaan praat, kijkt Hij al verder vooruit, want Hij

heeft het over teruggaan naar de Vader, en over de tijd dat Hij niet meer hier is.

Dat gaf zijn leerlingen vast wel het gevoel van verweesd-zijn – eerst al toen ze hun

Meester hadden begraven, en een aantal weken later weer toen ze Hem naar de

hemel hadden zien gaan – er staat dat ze maar naar de hemel bleven staren. ze

konden het nog niet geloven dat Hij echt weg was, en ze misten Hem gigantisch.

 

Ik denk dat dat gevoel ook ons niet vreemd is: dat God ver weg is en Jezus ook.

Dat je wel bidt maar komt het wel aan, en waarom verandert er dan niets, en je

kunt je zo verloren voelen met dat probleem, dat gemis, dat conflict, die ziekte.

Wat ook zomaar kan gebeuren is dat we Jezus zelf op afstand laten en ons storten

in van alles en nog wat aan activiteiten, en dat kunnen ook christelijke activiteiten

en kerkelijke dingen zijn – heel mooi maar zomaar gaat het een eigen leven leiden

of we zijn druk om wat ze zelf belangrijk vinden en hebben opgebouwd overeind

te houden – en het komt in de plaats van Jezus en het wordt zelfs een splijtzwam

binnen de kerk omdat wat de een geweldig vindt voor de ander zo nodig niet

hoeft of omdat waar de een aan wil vasthouden voor de ander achterhaald is -

en we groeien uit elkaar in plaats van naar elkaar toe en samen naar de Heer toe.

 

Jezus laat de belofte achter, voor de tijd dat Hij vertrekt naar zijn Vader in de hemel

dat Hij zijn leerlingen – ook ons vandaag – niet als wezen zal achterlaten – denk aan zijn afscheidswoord: “Ik ben met jullie alle dagen, tot aan de voleinding van deze wereld”.

Meteen erachter komt die andere belofte: “Ik kom bij jullie terug”.

De uitleggers verschillen van mening over wat Hij bedoelde en wanneer dat zal zijn:

* drie dagen later, met Pasen, als Jezus opstaat en levend zijn volgelingen ontmoet;

* met Pinksteren als de Heilige Geest komt en Jezus zo naar ons toe komt;

* bij de wederkomst als Hij voorgoed terugkomt om nooit meer weg te gaan.

Misschien hoeven we wel niet te kiezen, daar wordt het wel zo bemoedigend van:

nu al mogen we de nabijheid van onze Heer ervaren door zijn Geest en met zijn

woorden en tastbaar zelfs in brood en wijn – en we kijken uit naar zijn terugkomst.

 

Dan is er nog wel afstand en moeten we nog wel wachten en is er best een missen -

zoals wanneer je ouders op reis zijn en je de dagen aftelt – maar ze wel bereikbaar

zijn en je weet dat ze elke dag aan je denken – want je hoort bij elkaar en je houdt

van elkaar – en daar komt geen mens tussen en dat kan niks van je afpakken.

 

Wezenzondag heeft iets van dat voorlopige en pijnlijke: Jezus, kom maar gauw.

 

Avondmaal vieren overbrugt de afstand en heeft al iets van wat komt: “en wel zo,

dat wij, hoewel Christus in de hemel is en wij op aarde zijn, toch vlees van zijn vlees

en been van zijn gebeente zijn”“en de Geest, die hem bezielt, woont ook in ons

en verbindt ons aan Hem” - “door diezelfde Geest verbindt Hij ons ook met elkaar”.

 

Dan kan ik me soms eenzaam voelen,maar ik ben nooit alleen – nooit wees.

 

amen

 

 

Efeziërs 4: 7-10: Hemelvaartsdag – dé Koningsdag!

liturgie hemelvaartsdag 9 mei 2013

votum en groet

zingen:     Ps. 68: 7,8

gebed

Schriflezing:     Hand. 1: 4-14

zingen:     Lied 228

(1a, 2m, 3v, 4m, 5v, 6a)

Schriftlezing:   Ef. 4: 1-16

verkondiging:  Ef. 4: 7-10

zingen:    Gz. 100: 2,4

gebed

collecte

zingen:    Gz. 109: 1,2,4

zegen

————————————————————————————————————————-

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

 

Het is wel mooi: hemelvaartsdag ruim een week na de inhuldiging van onze nieuwe koning.

Want met alle verschil zou je de hemelvaartsdag van Jezus Zijn inhuldiging kunnen noemen.

En nadenkend over wat een koning of koningin betekent voor Nederland zijn er lijnen te

trekken naar wat het betekent dat Jezus koning is, alle macht heeft, in de hemel en op aarde.

Eerder in deze brief aan Efeze schrijft Paulus dat God alles aan de voeten van Jezus gelegd

heeft en Hem als hoofd over alles heeft aangesteld, voor de kerk die zijn lichaam is – Jezus

is Koning van de kerk maar dat niet alleen: Hem is gegeven alle macht in hemel en op aarde.

 

Een groot verschil natuurlijk met koning  Willem-Alexander die wel invloed kan uitoefenen

op wat in ons land gebeurt maar die als het erop aan komt  geen politieke macht heeft en

al helemaal niet alle macht, niet in Nederland en zeker niet in Europa of in de wereld – en

nog een groot verschil is dat aardse koningen en andere leiders vroeger of later moeten

aftreden of ziek worden, overlijden, kunnen worden getroffen door een moordaanslag -

maar van de Heer Jezus weten we en vertrouwen we dat zijn regering geen einde krijgt.

 

Toch, met alle verschil, belangrijke overeenkomsten, vandaar als thema vanmorgen:

 

Hemelvaartsdag – Koningsdag!

1. de kroon op het werk

2. velen delen in de winst

3. en nu samen aan de slag

 

1. de kroon op het werk

 

  Dat kun je wel zeggen van zo’n inhuldiging, zoals die van koning Willem-Alexander.

Je mag dan als prins geboren zijn, en als kind al kroonprins heten, koning wordt je niet zomaar.

Daar zijn heel veel jaren aan voorafgegaan, van intensieve voorbereiding en ook een vechten

tegen wat er aan weerstanden zat, en een overwinning op zoveel dat tegenzat en je tegenkwam.

 

Nou, dat is nog veel sterker het geval als we denken aan wat aan Jezus’ hemelvaart voorafging.

Jezus die van huis uit de zoon van God was en is, en dus een eeuwig Koning – met alle macht.

Ja maar, aan die majesteitelijke dag van zijn inhuldiging, zijn troonsbestijging, is heel wat voorafgegaan aan voorbereiding, en zelfs aan een felle strijd die Hem alles heeft gekost.

Paulus herinnert daaraan in de tekst: ” ‘Hij steeg op’ – wat betekent dat anders dan dat Hij ook is

afgedaald naar wat later ligt, naar de aarde. Hij die is afgedaald is dezelfde als Hij die opsteeg”.  In een andere brief klinkt het als een lied – het is misschien wel als lied gezongen in de oude kerk -

“Hij die de gestalte van God had, hield zijn gelijkheid aan God niet vast, maar deed er afstand van. Hij nam de gestalte aan van een slaaf en werd gelijk aan een mens. En als mens  verschenen, heeft hij zich vernederd en werd gehoorzaam tot in de dood – de dood aan het kruis.”   (Filippenzen 2)

 

Ja, want die aarde waarover Hij Koning zou worden, was bezet gebied geworden doordat wij mensen

ons hadden verkocht aan Gods tegenstander satan, in de waan geen God als koning nodig te hebben-

mondige mensen nietwaar, die wel op eigen benen kunnen staan en zelf wel kunnen beslissen wat ze van hun leven willen maken en hoe ze de aarde als leefgebied zullen inrichten – wat steeds weer een illusie blijkt en op een mislukking uitloopt, zoals die andere apostel kernachtig onder woorden

brengt: Ze beloven vrijheid, maar zijn zelf slaven van het verderf, want waar men door beheerst wordt, daarvan is men slaaf.” (2 Pet. 2) – de ervaring ook van onze eigen tijd laat zien hoe waar dat is.

 

Gelukkig maar dat de Koning dat niet liet voor wat het was maar dat Hij genadig wilde ingrijpen, en

dat zijn Zoon alles wat Hij had aan macht en rijkdom achter wilde laten om zich te verlagen tot in die diepte van onze schuld – niet alleen een mens geworden maar ook nog slaaf, en zelfs slacht-offer – en dat Hij zo het gevecht aanging met die aartsvijanden van God en zijn rijk: satan, de zonde, de dood, om juist door zich op te offeren en de dood door te gaan en de hel, voorgoed heeft overwonnen:

het is volbracht – Vader, in uw handen leg ik mijn leven neer – en dan en daarom: Hij overwon, die

sterke Held – zoals dat vervolg in die hymne van Filippenzen 2: Daarom heeft God hem hoog verheven en hem de naam geschonken die elke naam te boven gaat,  opdat in de naam van Jezus elke knie zich zal buigen, in de hemel, op de aarde en onder de aarde, en elke tong zal belijden: ‘Jezus Christus is Heer,’ tot eer van God, de Vader.”   Wat Paulus in onze tekst aanwijst als waar als iets van was te zien toen lang geleden Gods ark feestelijk werd gedragen naar de plek waar God wilde wonen onder zijn volk toen, in Jeruzalem – psalm 68: “Van Sinai is God de Heer, als overwinnaar groot in eer, naar Sion opgevaren. U steeg omhoog naar het heiligdom, bracht krijgsgevangenen van alom, in uw

triomftocht mede”.  Toen gaf God zijn volk en zijn koning de overwinning over hun vijanden, nu is de overwinning veel groter en veel meer definitief: Jezus die sterker blijkt dat zonde, duivel en dood – en die iedereen die zich bij Hem aansluit laat meeprofiteren van zijn overwinning – elke dag Koningsdag!

 

2. velen delen in de winst

 

   Als vroeger een koning of een generaal een belangrijke overwinning behaalde en daarbij van alles

aan eten en dure spullen buitmaakte, deelde hij daarvan vaak uit aan de soldaten en aan het volk.

We lezen dat ook meer dan eens in de bijbel, in het OT – in die psalm 68 wordt erover gezongen:

“”koningen vluchten, hun legers vluchten, thuis verdelen de vrouwen de buit” – zo ging dat toen.

Ook bij andere gelegenheden tracteerden koningen de bevolking – zo David op die dag dat de ark feestelijk was binnengehaald in Jeruzalem – je zou dat de inhuldiging van God in zijn hoofdstad kunnen noemen – “aan heel het volk, aan alle aanwezige Israëlieten, zowel de mannen als de vrouwen, liet hij brood, gedroogde dadels en rozijnen uitdelen” (2 Sam. 6: 19). Een volksfeest!

Nou, zo gaat dat in Nederland niet meer op koninginnedag of bij een inhuldiging – maar het is

nog altijd zo dat je als volk er baat bij hebt als een koning en een regering dienstbaar willen zijn

aan het algemeen belang, en ook als er oog is voor de talenten en mogelijkheden van elke individuele burger, als er ruimte is voor goede initiatieven, én oog voor wie hulp en ondersteuning nodig heeft,

als niet de burger een nummer wordt en ondergschikt gemaakt aan regelzucht en in hokjes plaatsen,

en als zowel de beschikbare middelen als de noodzakelijke lasten rechtvaardig worden verdeeld.

 

Nou, als dat ergens zo is, dan wel waar koning Christus regeert, te beginnen in zijn eigen gemeente.

Paulus heeft het in het gedeelte dat we gelezen hebben over gaven, geschenken, die Christus als de

Heer uitdeelt aan wie bij Hem horen, en dat zoals Hij goed vindt en naar ieders draagkracht – in 1 Kor. 12, 11 schrijft de apostel er ook over en dan betrekt Hij er de Heilige Geest bij die daarvoor zorgt:

“Al deze gaven worden geschonken door een en dezelfde Geest, die ze aan iedereen afzonderlijk toebedeelt zoals hij wil” – en dan mag je erop vertrouwen dat het goed gebeurt, eerlijk, wijs – want

wie kent ons nou beter dat de Heer en dan zijn Geest – wie weet nou beter wat ik aan kan en waar

ik goed in ben, en ook wat mij boven de macht gaat en waaraan ik me dus niet hoef te vertillen…?

En dan somt Paulus in dat verband van alles op: wijsheid, kennis kunnen overdragen, een groot

geloof, de gave van genezing, onderscheidingsvermogen, en nog heel wat meer – het is niet een

volledige lijst en elke tijd vraagt weer andere gaven en ook die wil God geven als ze nodig zijn.

Denk ook aan wat eerder in dit hoofdstuk langs komt aan wat nodig is om samen dat volk van

de koning te zijn: bescheidenheid= niet jezelf overschatten maar de ander waarderen om wie hij of zij is, zachtmoedigheid = veel van elkaar kunnen hebben en niet meteen terugmeppen of het de

ander  betaald zetten, niet een dikke huid maar een ruim hart hebben; geduldig zijn =een lange

adem in plaats van een kort lontje, en zoals ik iemand hoorde zeggen: dat we niet het probleem

van de gebrokenheid te lijf gaan met onze ongebroken oplossingen – Paulus zegt het nog mooier:

verdraag elkaar in liefde” – en dan is elkaar verdragen niet iets afgedwongens waarbij we die ander nog niet niet wegmeppen, nee, er staat: de ander erbij willen hebben en erbij willen houden, vanuit de liefde die God voor ons heeft en die God van ons vraagt en die de Geest ons willen geven en leren.

Met als geweldige ondersteunende extra cadeaus – ze staan er ook bij – als dat ene geloof en die ene doop en die ene hoop die we hebben mogen, en zoveel meer dat ons samenbrengt en samenbindt.

Wat een winst die de Heer voor ons behaald heeft door zijn overwinning, en die Hij met ons deelt.

Met dat grote doel waar God aan werkt: dat steeds meer alles vol wordt van zijn aanwezigheid.

van zijn liefde, van zijn eer en grootheid, en van het samen steeds meer een nieuwe schepping zijn.

Daar loopt het op uit – vers 10 – “om alles met zijn aanwezigheid te vullen” – de kerk eerst, ons gemeente-zijn, uw en jouw en mijn leven, maar ook het land waar we wonen,  en heel Gods wereld.

 

  3. en nu samen aan de slag

 

  De koning is ingehuldigd! – het werd binnen en buiten de Nieuwe Kerk officieel uitgebazuind.

En daarmee werd een nieuwe periode ingeluid – van aan het werk, als koning, en als bevolking.

Waarbij als het goed is ook de nieuwe koning, samen met zijn echtgenote, en met zijn familie,

ook in die nieuwe periode, samenbindend kan werken, in een land met heel veel verdeeldheid.

Die verdeeldheid, al die verschillen van achtergrond, cultuur, taal zelfs, levensovertuigingen,

meningen en ambities, hoeven geen probleem te zijn, maken zelfs een samenleving veelkleurig.

Gelukkig maar dat niet alle mensen hetzelfde zijn: wat ik niet kan, kun jij wel, en veel beter – en

iedereen is nodig en niemand is overbodig – juist een koning boven al die partijen kan dat uitstralen en zo verbinden – koningin Beatrix hield ons dat vaak voor en zij gaf zelf het goede voorbeeld.

 

Kijk, en weer, daarin zal als het goed is de gemeente van Christus stageplek en proeftuin zijn.

Ook dat gaat niet vanzelf, dat leert de ervaring, en daarom gaat het er in de bijbel zo vaak over.

De brief aan Efeze gaat er eigenlijk helemaal over: “span u in om door de samenbindende kracht

van de vrede de eenheid te bewaren die de Geest u geeft” - laat zien dat je bij elkaar hoort omdat je samen bij die ene God en Vader hoort, en die ene Koning hebt, en geleid wordt door die ene Geest.

Nou, en dan zijn verschillen geen ramp maar een uitdaging, groeien we niet uit elkaar maar naar

elkaar toe, en dat niet door alle verschillen weg te praten of te onderdrukken, niet door eigen

gelijk te bevechten en de ander weg te zetten, niet door aan te vallen maar aan te vullen – Paulus

zegt het mooi en laat het allebei overeind: “dan zullen we, door ons aan de waarheid te houden(niet: mijn waarheid maar Christus die de Weg en de Waarheid is, door Hem te volgen) én  elkaar lief te hebben, samen volledig toe te groeien naar Hem die het hoofd is: Christus”…..en daar heeft ieder

een taak in en krijgt ieder gaven voor:“ieder deel draagt naar vermogen bij tot de groei van het

lichaam, dat zo zichzelf opbouwt door de liefde”Vanuit het hoofd, onder leiding van de Koning.

Tot de grote dag dat het zover is: alles vol van Gods aanwezigheid, en heel de aarde Zijn koninkrijk!

De Koning is ingehuldigd, Hij is er klaar voor, en Hij maakt u en jou en mij er klaar voor!

amen

Deuteronomium 17: 18-20: Koning ‘bij de gratie Gods’

liturgie morgendienst zondag 5 mei 2013

votum en groet

zingen:      Ps. 47: 1,3,4

wet van de HEER Deut.5/6

zingen:      Ps. 119: 17,18

gebed

Schriftlezing:    Deut. 17: 14-20

zingen:      Ps. 72: 1,2

verkondiging:  Deut. 17: 18-20

zingen:      TT 214 (1-4)

voorbereiding HA:  Openb. 19: 7-9

zingen:       Gz. 101: 5

gebed

collecte

zingen:      Ps. 61: 5,6

zegen

zingen:      Lied 411: 1,6 (Wilhelmus)

—————————————————————————————————————–

Gemeente  van onze Heer en Koning  Jezus Christus,

 

‘Koning bij de gratie Gods’.

Dat klinkt erg officieel en misschien ook wel erg ouderwets.

Toch staat het nog altijd boven elke wet die in Nederland van kracht wordt.

Vanaf 30 april is het: Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods koning der Nederlanden.

Als niet door een of andere actie vanuit de Tweede Kamer ook dat veranderd zal worden,

wat al eens is geprobeerd op voorstel van D’66, maar toen gelukkig niet is gelukt.

 

Maar waarom staat dat boven elke wet, wat betekent dat: ‘bij de gratie Gods’?

Het is al een heel oude uitdrukking, voor het eerst gebruikt in 751 na Christus, door een koning van de Franken, Pepijn de Korte, die daarmee duidelijk wilde maken dat hij zijn macht niet ontleende

aan mensen maar aan God – en zich zo ook wilde afzetten tegen de invloed van de kerk en de paus.

Later werd dat ‘bij de gratie Gods’ al te vaak misbruikt om absolute macht te claimen voor de vorst.

Dan kun je ook wel begrijpen dat mensen die niet geloven in een overheid als in dienst van God,

van zulke formuleringen af willen want democratie is toch dat het volk beslist, via verkiezingen?

In Nederland beslist niet de koning of koningin maar het kabinet en de Tweede en Eerste Kamer.

 

Toch is het ook dan bijbels te verdedigen en juist een waarborg voor een goed koningschap

dat een koning of koningin – maar ook ministers en het parlement – in dienst staan van God.

De apostel Paulus schrijft erover in Rom. 13: “er is geen gezag dat niet van God komt; ook het

huidige gezag (dat van de heidense keizer) is door God ingesteld…ze staat in dienst van God”.

Ja en dat geeft juist de grenzen aan waarbinnen gezagsdragers moeten blijven, en stelt ze

verantwoordelijk tegenover het hoogste gezag – de Koning in de hemel – voor hoe ze met hun

gezag omgaan en hoe ze hun macht gebruiken – want regeren is dienen, rechtvaardig, wijs.

 

Waarmee we heel dicht komen bij de bedoeling van wat wel de ‘koningswet‘  heet, in Deut. 17.

Vooraf: natuurlijk kun je niet de koning van Israël toen gelijkstellen met onze koning of koningin.

En de grondwet waaraan koning Willem-Alexander trouw gezworen heeft is niet dat wetboek

die een koning in Israël volgens de tekst onder handbereik moest hebben – maar toch zitten er

genoeg elementen in die koningswet van lang geleden die voor elke koning/regeerder belangrijk

zijn – denk maar weer aan Paulus: elk gezag komt van God – en regeren is altijd en overal: dienen.

 

Koning bij de gratie Gods

1. met ontzag voor de Heer

2. trouw aan de grondwet

3. dienstbaar aan het volk

4. lang leve de koning!

 

1.  Koning bij de gratie Gods:  met ontzag voor de Heer

 

De koning moet zijn leven lang uit Gods wet lezen, om ontzag voor de HEER, zijn God te hebben.

Dat is vanzelfsprekend voor een koning in die tijd in Israël, want Israël was het speciale volk van God.

We komen door heel het OT tegen dat de HEER zelf de eigenlijke koning van het volk Israël was – er

zijn heel wat psalmen die koningsliederen zijn, een ervan is Psalm 47 waarmee we de dienst zijn

begonnen:  “volken, geeft de HEER, onze Koning eer, looft zijn majesteit, weest in Hem verblijd”.

Als later het inderdaad zo ver is dat de Israëlieten net als de volken om hen heen, een koning willen hebben, vindt Samuël dat geen goed idee, en de HEER gaf hem gelijk: ze verwerpen hierdoor Mij als

hun koning; maar toch moest Samuël toegeven aan hun wensen – ze zouden er wel achter komen dat

het hebben van een koning ook lastenverzwaring zou betekenen want een hofhouding kost geld en

vraagt mensen om te werken voor de koning, en zomaar wordt een koning van leider tot dictator.

Dat zit niet in het koningschap op zichzelf maar is een valkuil die het hebben van macht meebrengt.

 

Vandaar ook al van te voren deze koningswet die je een soort grondwet van het koninkrijk kan noemen – en die de koning tijdens zijn hele regeerperiode onder handbereik en tussen de oren zal

moeten hebben, met grondregels  die zijn bedoeld om de grenzen aan te geven van zijn macht en

hem bij de les te houden: je mag dan wel koning zijn, maar alleen bij de gratie Gods, onder God

die de hoogste en de eigenlijke koning is – Jezus zegt later: die macht is je gegeven, van Boven-af.

Nou en dat legt elke koning beperkingen op, zoals die hier worden genoemd: geen paardenhandel

met Egypte (stel dat er een hang zou komen naar dat land waar ze juist vandaan zijn gehaald, en te

veel paarden leidt er ook zomaar toe dat de koning niet op God vertrouwt maar op een sterk leger),

niet een harem vormen met heidense prinsessen, en ook niet uit zijn op heel veel goud en zilver.

Israëls koning mocht niet een soort Farao worden, en Gods volk mocht niet weer tot slaven worden.

Vandaar als centrale regel dat de koning zijn plaats moet weten: dienstbaar: aan God en aan zijn volk.

 

Ik zei: wat hier staat – de koning moet ontzag hebben en houden voor de HEER, zijn God, als de

Koning boven alle koningen – dat verwacht je ook van de koning over Gods volk, over Israël – maar

wat kun je nou met die koningswet in Nederland in 2013 – nu wij net een nieuwe koning hebben?

Is Nederland niet een ‘seculier’  land – een land waar menselijke wetten gelden, waar uiteindelijk

het volk beslist, en waar de koning of koningin niet verplicht wordt gelovig te zijn, laat staan in de

bijbel te lezen en  naar de kerk te gaan – en veel mensen, ook in de politiek, alles wat doet denken aan religieuze teksten of symbolen ver weg willen houden uit het publieke domein en het bestuur.

 

Toch, door heel de bijbel heel, ook in die psalmen die we vandaag zingen, wordt God geëerd als

niet maar de Koning van dat ene kleine volkje – of van ons als christenen – maar van alle volken:

“volken, geeft de Heer, onze koning eer – en ook: vorsten komen samen, vrezen ‘s Heren naam”.

Je bent als volk ook goed af als je een koningin of een koning hebt die zich van God afhankelijk en tegenover God verantwoordelijk weet;  koningin Beatrix heeft dat meer dan eens laten blijken en

ook onze nieuwe koning en koningin hebben bij meerdere gelegenheden daar iets van later merken.

Zoals in een interview waarin de kroonprins vertelde over zijn openbare geloofsbelijdenis en toen zei dat het geloof iets is dat je leidt in je leven en je tolerantie, normen en waarden leert.

Het zit ook in de eed die koning Willem-Alexander aflegde:  “zo waarlijk helpe mij God almachtig”.

God wordt daarmee erkend als machtiger dan welke regering of koning ook, en als Degene van

wie elk mens elke dag afhankelijk is – voor leven en gezondheid, voor inzicht, voor leiding in het

even – en aan wie iedereen verantwoordelijk is:  gelukkig het land met een koning onder God!

2.  Koning bij de gratie Gods:  trouw aan de grondwet

 

Het is het eerste onderdeel van de eed die een koning of koningin bij de inhuldiging aflegt :

“Ik zweer aan de volkeren van het Koninkrijk dat Ik het Statuut voor het Koninkrijk en de Grondwet steeds zal onderhouden en handhaven“.   Het onderstreept dat Nederland niet een ‘absoluut koningschap’  heeft – waarbij een koning alle macht in handen heeft en zijn wil wet is – maar wat

heet een ‘constitutioneel koningschap’ – waarbij de koning niet boven maar onder de wet staat.

Het is precies datzelfde waar het ook in die koningswet van Mozes over gaat: de koning moet de

wet onder handbereik hebben en daar heel zijn leven lang in lezen of zich daaruit laten voorlezen

(zo ging dat toen vaak): “dan zal hij zich niet inbeelden dat hij meer is dan anderen en in enig

opzicht boven de wet staat” – bijzonder: ook de machtigste man van het land is gebonden aan

de wetten: aan de wet van God, en aan de wetten van het land die gelden voor alle burgers.

Weer een streep onder het uitgangspunt dat een koning niet moet heersen maar moet dienen.

En de wetten zijn ervoor om te regelen waar iedereen zich aan te houden  heeft – lees ook maar

de wetten eerder in dit hoofdstuk over rechters, processen, straffen, en later over priesters en

profeten, over oorlogvoering, over problemen in families, erfenissen, en nog heel veel meer.

Allemaal uitwerking van wat we de grondwet kunnen noemen: God liefhebben, en de naaste.

 

Die grondwet werkt uitgewerkt in allerlei wetten en rechtsregels voor het leven en werken in

het land dat God aan zijn volk wilde geven, en waar Hij dat volk wilde beschermen en het goede

leven gunde – waar ook zorg moest zijn voor kwetsbare mensen als armen, weduwen, wezen,

vreemdelingen – en daarin hadden leiders als stamhoofden en richters en later de koningen,een belangrijke taak ; zoals b.v. dat koningslied Psalm 72 zingt over de koning en over zijn zoon die hem zou gaan opvolgen :  ”Geef,  o God, uw wetten aan de koning, uw gerechtigheid aan de koningszoon. Moge Hij uw volk rechtvaardig besturen, uw arme volk naar recht en wet…Moge hij recht bieden aan de zwakken, redding bieden aan de armen, maar  de onderdrukker neerslaan…. Hij zal bevrijden wie arm is en om hulp roept,wie zwak is en geen helper heeft.Hij ontfermt zich over weerlozen en armen,wie arm is, redt hij het leven”. Als dat uitgangspunt is voor hoe een land wordt

geregeerd, zal niet iedereen schatrijk worden maar is er wel voor iedereen een goed leven, want de grondwet van de grote Koning is dat alle mensen als naar Gods evenbeeld geschapen gelijkwaardig zijn en dat we inderdaad zullen waken over het leven van elkaar, verantwoordelijk aan de Schepper.

 

De Nederlandse grondwet begint daarom terecht met die gelijkwaardigheid voorop te stellen – hoe

dat ook wordt uitgewerkt, die gelijkwaardigheid spoort helemaal met wat we leren uit de bijbel  en met hoe de Tien Geboden beschermend zijn voor leven, bezit, relaties en ieders goede naam.

We kijken met veel dankbaarheid terug op de jaren waarin koningin Beatrix daaraan in haar regeren en ook in meer dan een toespraak inhoud aan heeft gegeven, en we hopen en bidden dat koning

Willem-Alexander dat op zijn manier ook zal gaan doen – en laten wij ook zelf,  ieder op eigen plek,

die goede voorbeelden volgen, en de grondwet van onze God ons eigen maken en daar in ons doen en laten handen en voeten aan geven – zodat we als burgers van het rijk van de hemel des te betere burgers kunnen zijn van het Koninkrijk der Nederlanden: waar niet recht van de sterkste beslist en wie betaalt alles bepaalt maar waar we de minste durven zijn en bereid zijn te dienen.

En iets van die psalm al zichtbaar wordt:  dat onrecht verdwijnt en de vrede volop zal bloeien!

 

ia  8   3. Koning bij de gratie Gods:   dienstbaar aan het volk

 

Zo kennen we onze koningin en haar gezin en familie: tussen de mensen, betrokken met wat gebeurt en vooral ook met mensen die in de knel zitten of door een ramp zijn getroffen, mensen

die het alleen niet redden, en met inzet voor activiteiten die gericht zijn op verbetering van mensen

en situaties dichtbij en ver weg, zoals microkredieten, schoon water, milieu, armoede in de wereld.

Niet uit op eigen belangen of voordeel maar altijd vooraan om er te zijn voor wie hen nodig hebben.

 

Je zou dat een uitwerking kunnen noemen van het tweede onderdeel van de eed bij de inhuldiging:

“Ik zweer dat Ik de vrijheid en de rechten van alle Nederlanders en alle ingezetenen zal beschermen, en tot instandhouding en bevordering van de welvaart alle middelen zal aanwenden welke de wetten Mij ter beschikking stellen”. Daar zit die dienstbaarheid helemaal in: niet je macht

en invloed misbruiken voor jezelf, voor eigen gewin of een gemakkelijk leventje, maar die inzetten

om waar het kan en mag goede dingen te bereiken voor mensen persoonlijk en het land als geheel.

 

Dat klinkt ook in die koningswet van Deut. 17 door: als de koning in God zijn meerdere erkent en zich door de goede wetten van de HEER laat leiden, zal dat concreet tot gevolg hebben dat die koning zich niet zal gaan verbeelden dat hij meer is dan anderen – zeg maar ‘gewone mensen’ – en dat hij in enig

opzicht boven de wet staat – zo van: mijn wil is wet, de wetten van het land gelden wel voor die gewone mensen maar ik hoef me er niet aan te houden – nee: de koning staat net zo goed onder de

wet, en hij moet zelfs het goede voorbeeld geven van je aan de wet houden, en het recht zijn loop

laten hebben – en als een regeerder de fout in gaat, heeft dat extra gevolgen want aan wie veel is

gegeven (macht, vertrouwen, verantwoordelijkheid, geld), voor hem of haar ligt de meetlat des te

hoger  – ook daarom is het erg goed en nodig voor wie hoog zijn geplaatst te bidden -lees Paulus:

“bid voor alle koningen en gezagsdragers, opdat we rustig en ongestoord kunnen leven, in alle vroomheid en waardigheid” (1 Tim. 2: 2) - en dan zijn die ‘we‘ niet alleen wij christenen – alsof we

vooral bidden om behoud van voorrechten als ruimte voor kerkdiensten en zondagsrust en zo meer.

Nee, in vers 1 roept de apostel ons op te bidden voor alle mensen – en in vers 3 staat dat God blij is als we zo bidden, omdat Hij  ”wil dat alle mensen worden gered en de waarheid leren kennen” .

Je bidt dus niet of de overheid je als kerk of gelovige met rust wil laten en je positie zal beschermen,

maar of er recht wordt gedaan en de bevolking wordt beschermd, en dan ook of er ruimte mag blijven om alle mensen bekend te maken met het evangelie, en met Jezus als de hoogste Heer.

Ja, en de beste evangelisatie is zelf als christen te leven vanuit respect voor God en voor je naaste, vandaar die verbinding tussen een vroom en waardig leven én: dat alle mensen de waarheid leren kennen en zo worden gered<  laten we dus ook maar bidden voor onszelf:  Heer, geef dat niet onze mooie woorden en vooral ook niet uw woorden, zullen breken op de daden van ons als uw kerk.

Bidden om dienstbaarheid voor wie ons regeren zal  stimuleren om zelf dienend bezig te zijn – anders wordt dat gebed ongeloofwaardig – maar goede voorbeelden  doen goed volgen, tot zegen!

 

4. Koning bij de gratie Gods: leve de koning!

 

Het is geroepen door de aanwezigen bij de inhuldiging, het wordt geroepen op Prinsjesdag,  als

instemming namens de bevolking en als goede wens voor de koning: we wensen u alle goeds toe!

Dat menen we allemaal vast en zeker, we bidden regelmatig voor ons koningshuis, ook in de kerk,

en we gaan straks ervan zingen:     “Blijf o God, de koning sparen, tal van jaren”.

In de tekst Deut. 17 is het niet een wens of een gebed, maar een belofte: als de koning ontzag voor God heeft en de wetten van de HEER naleeft, “zal zijn koningschap over Israël bestendigd worden

en op zijn zonen overgaan” – later wordt het herhaald als David koning wordt, en eeuwenlang heeft

een nakomeling van David op de troon, totdat er koningen kwamen die zich niet aan die voorwaarde

hielden van ontzag voor God en een regeerbeleid dat zich hield aan de goede wetten van de HEER.

Na de ballingschap was er geen koning meer uit Davids huis – totdat de grote Koning kwam:  Jezus,

Jezus van wie we later deze week gaan vieren dat Hij in de hemel troont, en voor altijd regeert.

 

Die belofte mag ook meegaan met onze nieuwe koning Willem-Alexander, en dan niet als een

garantie dat als hij goed zijn best doet, hij lang gezond zal blijven en heel oud zal worden, maar wel

als een belofte van God van zegen en kracht voor de zware taken die hij als koning op zich neemt.

En dat als hij in de lijn van zijn moeder verder gaat om ons land te dienen en naast mensen te staan, hij zal merken dat er veel steun is voor het koningschap, nu en in de toekomst – onder Gods zegen.

Om die zegen willen we bidden – in onze voorbeden en  in ons lied – vandaag, en in de tijd die komt.

amen                       

Matteüs 12: 38- 41: Meer dan Jona…

liturgie avonddienst zondag 21 april 2013 – met CGK

voorzang:     Gz. 164 GK (=Opw. 126)

stil gebed

votum en groet

zingen:          Ps. 139: 1,4,5  LB

gebed

Schriftlezing:   Jona 1: 1- 2:2

zingen:          Ps. 86: 1,2

Schriftlezing:   Jona 3

zingen:          Ps. 86: 3,7

verkondiging:  Matt. 12: 38-41

zingen:          Gz. 462: 1,3,4

gebed

collecte

geloofsbelijdenis Nicea

zingen:          Gz. 257 LB  (=GK 108)

zegen

amen:           Gz. 456: 3  LB

 

—————————————————————————————————————————-

Gemeente van onze Heer Jezus Christus, broeders en zusters, jongens en meisjes,

 

Iedere Nederlander van 14 jaar en daarboven moet overal een legitimatiebewijs bij zich hebben:

een paspoort of een rijbewijs of een ID-kaart – niet alleen als de politie je aanhoudt, maar ook als je uitgaat, als je als jongere alcohol wil kopen, als je wilt gaan stemmen, en in het openbaar vervoer..

en we snappen wel waar dat voor is: om te kunnen aantonen dat je bent wie je zegt te zijn……..

ook b.v. om fraude tegen te gaan met uitkeringen of bij de verkiezingen of als je de wet overtreedt.

Je kunt mensen niet maar op hun woorden geloven of op hun blauwe of hun bruine ogen…..

 

Het lijkt vaak ook zo te gaan met hoe mensen denken over God en praten over God: als er dan een

God is, moet Hij maar eens……en dan komen allerlei voorwaarden en verlangens en zelfs eisen: dan

moet God maar eens een eind maken aan al dat lijden, aan al die oorlogen, aan die ziekte van mij…

En zo is er nog heel wat meer op te noemen, met als rode draad dat God zich maar moet bewijzen.

Ja want de bijbel mag dan wel vol staan met grote daden die God gedaan zou hebben en er is ook

heel wat indrukwekkends te zien in de wereld om ons heen,  maar wat bewijst dat nou en waarom

merk ik dan niks van God en waarom laat God al die ellende toe, en waarom….God, waar bent U?

 

Bijna tweeduizend jaar geleden liep Jezus op deze aarde rond en Hij deed heel bijzondere dingen:

mensen te eten geven van weinig, mensen genezen van ziekten en kwalen, kwade geesten wegjagen.

Toch lazen we dat lang niet iedereen zich liet overtuigen, en het waren niet de eersten de besten.

Vlak voor onze tekst gingen juist bijbelgeleerden en mensen uit de meest rechtzinnige vleugel van de kerk van toen frontaal in de aanval: die Jezus geeft zich uit voor iemand die door God gestuurd is en zelfs de beloofde messias zou zijn, maar in werkelijkheid zijn het trucjes die wijzen op zwarte magie:

die Jezus komt niet van God maar hij is een handlanger van duistere machten, een uit de satanskerk.

 

Kijk, en als Jezus dan nog eens wijst op wat Hij allemaal doet, laten ze zich nog niet overtuigen maar

zeggen ze wat we net gelezen hebben: wij willen een teken van U zien, laat uw legitimatiebewijs

maar eens zien als bewijs  dat U echt bent voor wie zich uitgeeft: de door God gestuurde messias.

Die vraag kreeg Jezus wel vaker, en dan zeiden ze er zelfs bij: we willen een teken uit de hemel, een

regelrecht bewijs van God zelf dat die Jezus uit Nazareth echt van God komt en namens God spreekt.

We gaan luisteren naar de reactie van Jezus op die vraag – die afwijzend lijkt maar ver-wijzend is

Meer dan Jona…

 

1. is Jezus – door God zelf gelegitimeerd

2. is Jezus – het teken van Gods genade

3. is Jezus – het appèl om je tot God te bekeren

 

1. Meer dan Jona…is Jezus – door God zelf gelegitimeerd

 

Op het eerste horen klinkt het best respectvol:  “Meester, we zouden graag een teken van u zien”.

Maar Jezus doorziet hen en weet als geen ander wat achter die beleefde vraag zit: verzet tegen zijn

persoon en tegen zijn boodschap, en de weigering om Hem te aanvaarden als gestuurd door God.

Vandaar die harde typering van waar deze vragers voor staan: “een verdorven en slechte generatie“.

Letterlijk staat er ‘overspelig’ – er zit trouwbreuk achter, de relatie met God op het spel zetten uit

eigen belang, in plaats van Jezus erkennen en geloven als de al lang beloofde messias van God.

Vandaar ook dat ze wat Jezus allemaal zei en deed in een kwaad daglicht stelden als occult gedoe.

En Jezus uitdagen om zijn ID kaart maar eens te laten zien: laat maar zien dat God achter je staat!

Het is een steeds terugkerend refrein, de ex-Farizeeër Paulus zegt later: “Joden verlangen tekenen”.

Het ging door tot aan het kruis: kom van het kruis af als u Gods zoon bent, dan zullen wij geloven!

 

Alsof er niet elke dag overtuigende tekenen waren; in het vorige hoofdstuk is verteld over de twijfel van Johannes de Doper:Bent u degene die komen zou of moeten we een ander verwachten?” en dan verwijst Jezus naar wat Hij elke dag liet zien:  “Zeg tegen Johannes wat jullie horen en zien: blinden kunnen weer zien en verlamden weer lopen, mensen met huidvraat worden gereinigd en doven kunnen weer horen, doden worden opgewekt en aan armen wordt het goede nieuws bekendgemaakt. Gelukkig is degene die aan mij geen aanstoot neemt.’”    (Matteüs 11: 4-6).

Precies dat zat achter die vraag van wetgeleerden en Farizeeërs: ze ergerden zich dood aan Jezus,

en daarom wilden ze Hem dood hebben – lees  11:14: “ze besloten Hem uit de weg te ruimen”.

 

  Kijk, en dat verklaart de afwijzende reactie van de Heiland: zo’n teken zul je niet krijgen, een of

ander regelrecht signaal uit de hemel waardoor God overduidelijk laat zien dat ik zijn Zoon ben.

Alsof God niet in Jezus en door wat Jezus doet elke dag overtuigende bewijzen geeft van zijn liefde.

Weer een schokkend voorbeeld dat niet als vanzelf zien mensen tot geloof brengt – als je kijkt met

scheve ogen of met een verkeerde bril op – als niet in jezelf een knop is omgezet , door Gods Geest!

Wat Paulus schrijft: niemand die door de Geest wordt geleid zegt: vervloekt is Jezus – en niemand

kan zeggen: Jezus is Heer!  dan door de Heilige Geest – hoe nodig is bekering, een nieuw hart!

 

Hoor dat erin als de Heer zegt: jullie zullen geen ander teken krijgen dan dat van Jona de profeet.

Jona, ja die kennen ze wel, dat was die profeet tegen wil en dank, die eerst wegliep bij God vandaan en bij zijn opdracht vandaan en die toen hardhandig als het ware door de dood heen teruggestuurd

werd: Jona, zo kom je van Mij niet af en kom je er niet onderuit, en in Nineve komen ze ook niet van Mij af -en daar lag hij op dat strand, en ging toch de goede kant op, en preekte hij in Ninevé – en

was hij met wat hij had meegemaakt en door dat hij nog leefde en daar kon rondlopen, een levend

teken – opgeslokt door de zee maar weer als door een wonder opgepikt en aan land gezet – een

levend bewijs van die psalm: “al vloog ik heen voor uw gelaat op vleugels van de dageraad tot aan

het uiterste der zee, uw hand ging daar zelfs met mij mee, uw rechterhand zou mij bereiken….”

ik las: “God spaarde hem op wonderlijke wijze en zo bleef Jona als profeet beschikbaar”. God dank!

Zeg maar: die wonderlijke redding uit zee en via dat zeemonster was Jona’s ID als echt profeet!

Als ze hem vroegen wat Hij kwam doen in die vreemde stad van dat vijandelijke land, kon  hij ze

vertellen over dat hij eerst niet wilde en dat toen die storm kwam en ze hem over boord gegooid

hadden maar dat toen dat grote zeedier kwam en hij drie dagen later op het strand gedumpt werd..

Ja en dat was allemaal omdat ik jullie in Ninevé moest waarschuwen voor het oordeel van mijn God!

 

Ja maar, zult u zeggen, maar dat kon hij toch niet bewijzen, dat moesten ze op zijn woord geloven?

Daar hebt u dan helemaal gelijk in, het bleef een kwestie van geloof, en ze geloofden hem in Ninevé!

Eeuwen later komt Jezus, en Hij spreekt zijn eigen volk aan, en weer wordt geloof gevraagd, in de

woorden die Jezus spreekt en in de wonderen die Hij doet om die woorden kracht bij te zetten…..

En als Hij dan herinnert aan Jona, zegt Hij erbij, tot hun beschaming en om hen wakker te schudden:

en meer dan Jona staat hier voor jullie, met daarbij: maar wat doen jullie, hoe reageren jullie..op Mij?

 

Meer dan Jona….ja dat kun je wel zeggen van Jezus: anders dan Jona, vooral ook:  gehoorzamer.

Jona liep de andere kant op dan de kant die God hem opstuurde omdat hij anders wilde dan God -

Jezus liet horen en zien dat Hij niet kwam om zijn eigen zin te doen maar de wil van zijn Vader – en

dat zelfs als dat hem kwam te staan op verzet en haat en zelfs toen dat uitliep op de kruisdood….

ja en ook erger dan Jona was wat Jezus moest doormaken: niet bijna verdronken maar echt dood

aan het kruis – en niet maar drie dagen en nachtgen in zo’n benauwd zeedier maar ‘in het binnenste van de aarde’ : in het graf, in het rijk van de dood – voorgoed uitgeteld, dachten ze allemaal – de vrienden rouwden en kropen in hun schulp en de vijanden dachten: eindelijk zijn we van Hem af.

 

Maar al van te voren kondigde de Heer aan hoe ze zich dan zouden vergissen want nog meer dan

lang geleden die mensen van Ninevé niet van Jona af waren en van zijn boetepreken, en ze dus niet

van de God van hemel en aarde af waren, des te meer kan niemand om Jezus en om zijn boodschap

heen – en dat zal Jeruzalem en Juda en Galilea merken en dat zal de hele wereld merken, als God na

die drie dagen en nachten zijn Zoon opwekt uit de dood en mensen met zijn evangelie de wereld in gaan – Pasen is het grote gelijk van Jezus – Pasen is dan toch het teken uit de hemel dat Jezus echt

wel is de beloofde messias en de grote Koning -  zoals Petrus zijn volk daarmee confronteert met Pinksteren: “Laat het hele volk van Israël er zeker van zijn dat Jezus, die u gekruisigd hebt, door God tot Heer en messias is aangesteld”. Paulus schrijft:  door de opstanding uit de doden is Jezus bewezen Gods zoon te zijn in kracht. En geen mens en volk ter wereld kan nooit meer om deze Heer heen!

Ook dan – en tot vandaag toe – blijft dat uiteindelijk een kwestie van geloof: in Jezus die gekruisigd

is en opgestaan, en die leeft – lees maar die vele verslagen en kijk maar mee met de ooggetuigen -

tot het definitieve gelijk zal blijken op de dag dat Hij terugkomt om de balans op te maken -  Jezus

wijst er waarschuwend naar vooruit: pas op dat dan die mensen uit Ninevé niet u veroordelen

zullen, omdat zij wel geloofden wat Jona maar jullie van van Jezus hebben afgemaakt – en dat is

bedoeld om ter harte genomen te worden, door Gods volk toen, maar ook door Nederland en

de wereld vandaag – en zeker voor u en door jou en door mij: wat doen wij met Jezus’ woorden?

 

2. Meer dan Jona…is Jezus het teken van Gods genade

 

  Het is wonderlijk gelopen met Jona: weggelopen bij God vandaan en ingehaald door storm en

golven – en Jona besefteen kwam er tegen die heidense zeelui eerlijk voor uit:  “dit is mijn schuld”.

Bijzonder dat hij zijn leven ervoor over had om die mannen te redden van de storm waardoor het schip met man en muis dreigde te vergaan: “gooi me in zee, dan zal de zee jullie met rust laten!”.

Daar zie je ondanks alles toch al iets in van Jezus die zijn leven opofferde tot redding van velen.

Meteen is er dan weer dat ‘meer dan Jona’  is Jezus, want Jona werd getroffen als gevolg van zijn

eigen schuld,  en Jezus gaf zijn leven voor onze schuld – Hij die nooit zonde gedaan heeft – om ons

kwamen de golven van Gods boosheid over Hem heen, om ons is Hij door de dood heen gegaan.

Maar toch, in wat Jona deed werd al iets zichtbaar van Gods liefde voor mensen – en toen de storm ging liggen en God als het ware het offer van Jona aanvaard had, gingen die mannen tot de HEER bidden als de God die zee en land gemaakt had, en ze brachten offers en deden de HEER geloften.

Ja,  en als Jona later toch in Ninevé arriveert en de mensen gaat vertellen over zijn God die hen zou

straffen als ze niet zouden breken met hun verkeerde daden, is hij met het verhaal van zijn eigen zonde en zijn wonderlijke redding een levend teken van Gods geduld en Gods genade: mensen, met de HEER is niet te spotten maar Hij is niet op jullie ondergang uit maar op jullie bekering en leven!

Gemeente, en nog veel meer dan Jona is Jezus het levende teken van Gods liefde en genade.

Van te voren kondigde Hij het zelf aan: “zoals Jona drie dagen en drie nachten in de buik van een grote vis zat, zo zal de Mensenzoon drie dagen en drie nachten in het binnenste van de aarde verblijven” – en dat was om die ongehoorzame Jona te redden en ook u en mij die al te vaak van God weglopen en liever op onszelf afgaan en vanuit onszelf denken en leven dan gericht op God en om

onze medemensen te dienen – of herken je totaal niets van jezelf in Jona die zo zijn eigen kijk op de

wereld had en voor wie de hemd nader was dan de rok – eigen volk eerst en wat moet ik met die

mensen die ons alleen maar schade willen doen – Jezus is op Gods tijd voor zulke mensen – goddeloos in zichzelf en liefdeloos maar al te vaak – gestorven; en is op de derde dag opgestaan uit de dood!

Wat anders was dat en wie anders is Hij – veel meer dan Jona en veel meer dan wij ooit kunnen zijn -

het ultieme en overtuigende teken dat God zijn wereld zo liefheeft dat Hij zijn allerliefste Zoon Jezus

gegeven heeft – tot in de dood, en aan ons – opdat ieder die in Hem gelooft niet verloren gaat maar

eeuwig leven zou krijgen – God stuurde hem om de wereld niet  te veroordelen maar te redden!

Nog altijd staat dat teken leesbaar en zichtbaar midden in de wereld – Jezus redt! – is dat de kern van het evangelie en van de boodschap van de kerk: laat u met God verzoenen, geloof en je bent gered!

 

3.  Meer dan Jona… is Jezus – het appèl om je tot God te bekeren

 

Eigenlijk was dat de directe aanleiding tot dat aangekondigde teken van Jona: dat de leiders van Gods eigen volk zich eerst van de oproep tot boete en bekering van Johannes de Doper hadden afgemaakt en dat ze ook de woorden en de wonderen van Jezus weigerden te aanvaarden – in het vorige hoofdstuk stelde de Heer dat aan de kaak: jullie hebben Johannes de Doper weggezet als een

zwartkijker en Mij als een losbol, een vriend van tollenaars en zondaars, en als daar geen verandering

in komt, zullen jullie in de eindbeoordeling door God je voor dat ongeloof en dat verzet moeten verantwoorden – vlak voor onze tekst gaat het daar weer over: op grond van jullie woorden zullen

jullie worden vrijgesproken of veroordeeld – en dan gaat het om wat ze gezegd hadden over Jezus.

Met het oog daarop worden de kerkmensen van Jezus’ tijd vergeleken met de heidenen van Ninevé

en als het niet verandert valt die vergelijking in het voordeel uit van Ninevé: “op de dag van het

oordeel zullen de Ninevieten opstaan met deze generatie en haar veroordelen, want zij hadden zich

bekeerd na de prediking van Jona, en hier ziet u iemand die meer is dan Jona”.  Die Iemand is Jezus.

 

Kijk, en dan stopt het, het vervolg moeten de hoorders zelf invullen, dat hangt van hun reactie af.

Lang geleden was God niet uit op de ondergang van Ninevé, u weet: helaas tot verdriet van Jona.

Jona wist goed wie God was: “u bent een God die genadig si en liefdevol, geduldig en trouw, en tot vergeving bereid” (4:2) – en dat kan Jona niet rijmen want in Ninevé verdienden ze toch dat ze van de kaart zouden worden geveegd, daar hadden ze het toch naar gemaakt – als vijanden van Gods volk?

Jona moest leren – door schade en schande, denk aan die wonderboom – waar het verhaal op uit- loopt: “zou Ik geen verdriet hebben om Ninevé, die grote stad” , met al die mensen en die dieren?

En zo is God nog steeds: Hij heeft ook verdriet om Langedijk en Heerhugowaard, om Nederland en

Europa, waar zoveel mensen niet weten wat goed en kwaad is, en vooral: Gods liefde niet kennen.

Maar in die wereld, ook in die moderne samenleving van  2013, staat dat teken van Jona nog altijd

overeind,  klinkt de boodschap van Gods liefde in en door Jezus die gekruisigd is en is opgestaan.

Die liefde gaat zover dat Jezus zelfs voor zijn vijanden heeft gebeden en ons leert zelfs onze vijanden lief te hebben – en te delen in zijn verdriet over zoveel haat, geweld, agressie, armoe, eenzaamheid.

Zolang Jezus nog niet terug is, klinkt zijn oproep wereldwijd  laat u met uw God verzoenen.

Die oproep komt naar u en jou toe, en die oproep mogen we laten doorklinken naar anderen toe.

Niet als gelijkhebberig of betweterig maar vanuit de liefde van God voor zijn wereld, zijn mensen.

En dan is het aan iedereen die ermee wordt geconfronteerd, wat hij of zij ermee doet, allereerst

zelf en in eigen leven – het mag wel een les zijn ook voor ons dat Jezus die mensen van Ninevé tot voorbeeld stelt aan zijn eigen volk, aan de kerk van toen – het zou wat zijn als straks je buurman of je collega die nooit naar de kerk gaat je zou veroordelen – dat houdt ons wakker en houdt ons in beweging, naar God toe, en naar die anderen toe, en naar de eindstreep toe!

amen

Zondag 26 en 27 Heid. Cat.: Land in zicht – gered als door water heen (de doop)

liturgie morgendienst zondag 21 april 2013

 

votum en groet

zingen:       Ps. 8: 1,2,3

wet van de HEER

zingen:       Ps. 105: 20,21

gebed

Schriftlezing:  Ex. 14:14-15:21

zingen:       Ps. 66: 1,2

Schriftlezing:  Opb. 15: 1-4

zingen:        Lied 457: 2,4

verkondiging:   zondag 26+27

zingen:        Lied 87: 2,4,5

gebed

collecte

slotzang:     Ps. 56: 4

zegen

—————————————————————————————————————————

Gemeente, broeders en zusters, jongens en meisjes, geliefd door onze Here Christus,

 

  “Heel het leger van de onverzettelijke farao van Egypte

    hebt U doen omkomen in de Rietzee,

    maar uw volk Israël hebt U in uw barmhartighei,d

    dwars door diezelfde zee, over droog land doen gaan.

    (in deze gebeurtenis – en eerder in de zondvloed)

    hebt U toen al iets van de doop laten zien

Bekende zinnen uit het gebed dat wordt gebeden als in de kerk gedoopt wordt.

Een gebed dat erg oud is, waarschijnlijk al van voor de Middeleeuwen, uit de oude kerk.

 

Maar of ons allemaal glashelder is wat die zinnen precies betekenen?

En als we erover nadenken: is dat niet vergezocht – toen al de doop aangeduid?

Wie denkt nou als hij dat verhaal van Exodus 14 en 15 leest aan de doop?

Ik las in een boek over de doop daarover deze kritische noot:

het is een misgreep het doopwater te verbinden met dat zeewater:

“de zondige wereld van destijds en de Farao met zijn leger verdronken in het water,

maar daarmee werden ze niet gedoopt”.

 

Toch verwijst ook art. 34 van onze Ned. Geloofsbelijdenis naar de doortocht door de zee.

Christus “is onze Rode Zee, waar wij doorheen moeten gaan

                 om te ontkomen aan de tirannie van Farao – dat is de duivel -

                  en binnen te gaan in het geestelijke Kanaän”.

Vanuit dat gezichtspunt willen we samen verder doordenken over wat het is gedoopt te zijn.

Want natuurlijk zijn er verschillen – Farao en zijn leger zijn niet gedoopt maar verdronken -toch

trekt de bijbel zelf lijnen door, zoals Paulus doet  1 Corinthe 10…zagen we vorige week zondag.

En Johannes hoorde uit de verte de samenzang: het lied van Mozes én het Lam

God maakt zijn volk een voetpad vrij: als muren staan de golven.

          Maar Farao’s soldatenmacht wordt in de vloed bedolven.

          Gods kindren dansen hand in hand in vrijheid aan de overkant.  :

          Het water is een teken, een teken van de doop.

         Wij zijn gedoopt in Christus. God geeft ons nieuwe hoop.

 

 

Land in zicht – gered als door water heen

1. de doop die scheiding maakt;

2. de doop die bescherming biedt;

3. de doop die toewijding vraagt.

 

1. de doop maakt scheiding.

 

Uit hoe zij ervoor stonden toen, die groten en die kleinen,

met de vijand op de hielen en de dood voor ogen,

krijgen we haarscherp in beeld hoe wij mensen ervoor staan:

door een sterke vijand opgedreven richting een zekere ondergang.

Het doopsformulier begint ermee: je kunt zoals je bent het rijk van God niet binnenkomen.

Zeg maar: je krijgt geen verblijfsvergunning maar wordt als illegaal teruggestuurd.

En onophoudelijk in de rug aangevallen door Gods vijanden geldt:

we kunnen zelfs niet één ogenblik standhouden: u niet, ik niet, en jullie ook niet.

Denk maar aan die Israëlieten: achter hen Farao’s elitetroepen, voor hen de zee….

De keus is tussen in de pan gehakt worden en jammerlijk verdrinken…..

 

Maar dan grijpt God zelf verrassend en verlossend is.

Het is een schitterend trekje in deze geschiedenis, zo verteld in 14:19:

“De Engel van God, die steeds voor het leger van Israël uit was gegaan, stelde zich nu achter hen op, zodat hij tussen het leger van de Egyptenaren en dat van de Israëlieten in kwam te staan.

Aan de ene kant bracht de wolk duisternis, aan de andere kant verlichtte de vuurzuil de nacht.

Die hele nacht konden de legers niet bij elkaar komen”.

Kijk, zo maakte God scheiding: zijn volk had licht, zijn vijanden zaten in  het donker.

Het is alsof die negende plaag, de duisternis die Egypte had beangstigd,wordt herhaald.

En als God dan de zee klieft, en het wassende water wijkt,

wandelen de Israëlieten veilig en met droge voeten  naar de overkant.

Waarna de zee Farao met zijn leger overspoelt: er bleef van hen niet één over.

Daarmee ligt Egypte, dat huis van slavernij en uitbuiting, voorgoed achter hen.

En baant God zelf de weg – daar waar geen weg was – om in het beloofde land te komen.

God zelf maakt scheiding: voor de een wordt de zee een pad en voor de ander een graf.

 

Maar wat heeft dat nou te maken met uw en jouw doop – wat zegt ons dat vandaag nog?

Is het niet een vreemd en ver gezocht beeld: dat de Here Jezus ‘onze Rode Zee’  is?

Het lijkt op het eerste horen een woordenspel: Rode Zee – zinspeling op het rode bloed van Christus.

Maar toch: minder vergezocht dan het lijkt –  kijkt nog eens naar dat vers dat ik al noemde, Ex.14: 19.

Daar staat niet dat  de HEER tussen zijn volk en de Egyptenaren in ging staan

en zo scheiding maakte en zijn volk redde van de tiran die het wilde vernietigen…

nee, er staat: de Engel van God. Die tegelijk meer is dan een van Gods engelen.

Want het mooie is juist – zie al 13: 21 – dat de HEER zelf vooropging.

Dus wijst alles erop dat we in die Engel van de HEER mogen zien de komende Christus.

Christus baande ook toen al die weg door de zee naar het beloofde land.

Christus als het ware de Rode Zee om te ontkomen aan de tirannie van Farao,

maar eigenlijk aan de greep van de duivel en de slavernij van de zonde.

Vandaar onze geloofsbelijdenis: Christus is als het ware onze ‘Rode Zee’.

 

Kijk, en nou uw en jouw en mijn doop.

Waarvan antwoord 74 zegt dat we al vanaf dat allerprilste begin

bij de christelijke kerk ingelijfd en van de kinderen van de ongelovigen onderscheiden worden.

En we in artikel 34 belijden: hierdoor worden wij in de kerk van God opgenomen

en van alle andere volken en vreemde godsdiensten afgezonderd……

Nee, natuurlijk niet omdat wij ook maar een haartje beter zouden zijn dan die anderen.

Onze belijdenis noemt de doop niet een medaille die een christen zichzelf opspeldt,

wel een merkteken dat God zelf heeft aangebracht: dat is er eentje van Mij.

Zoals Mozes tegen de Israëlieten zei:

niet omdat jullie zo voortreffelijk zijn maar omdat God van jullie houdt.

Onbegrijpelijk maar waar! Ook waar voor u en voor jullie. Wat een God hebben we toch!

 

Wat toen die zee markeerde, beeldt nou de doop uit: het zonde-land ligt achter je.

Wat een houvast: wij met onze kinderen…..toch…in Christus voor God heilig, aan Gods kant gezet!

Maar daarvoor moet je wel eerst door de Rode Zee heen.

Anders gezegd: geloven dat het offer van Christus aan het kruis ook voor jou is gebracht.

En het elke dag heel je leven lang daar dan ook van verwachten.

Zeg maar: Christus is ondergegaan in de vloedgolf van Gods toorn over onze zonden,

om ons en onze kinderen veilig door de dood heen aan de veilige overkant te brengen.

 

Dat wil de doop zeggen en daar is de doop garantiebewijs van: land in zicht!

Ik vond ergens de treffende vergelijking met een paspoort:

“ons paspoort wordt gestempeld. onze naam staat erin.

maar ook het land waartoe wij nu behoren: Christus-land”.    

Ik zeg erbij: de handtekening in dat paspoort is geschreven in bloed-rood.

Omdat Christus ons kocht met zijn bloed, hebben we vrij toegang tot zijn land.

Door de zonde hadden we het burgerschap van Gods rijk verspeeld.

Was ons paspoort ingenomen om het nooit meer terug te krijgen.

Totdat de Koning zelf het terugverdiende om het terug te geven aan ieder die in Hem gelooft.

De doop is het eigendomsmerk van de Heer die uit alle volken zijn volk bijeenbrengt.

De doop markeert ook zichtbaar de overgang van een leven verkocht aan de zonde

tot een leven in dienst van een nieuwe Heer – als burger van het koninkrijk van de Vader.

 

2. de doop biedt bescherming.

 

Doodsbenauwd waren ze daar bij de zee, met de hete adem van Egypte’s keurtroepen in de nek: help, we gaan eraan!! dit wordt onze dood!!  Mozes, hoe kon u ons dit aandoen?!!

Ik zou haast zeggen: waren wij maar wat benauwder voor die veel gevaarlijker vijand: de duivel.

We bidden: leid ons niet in beproeving maar verlos ons uit de greep van het kwaad, van dé Kwaadaardige!maar onderkennen we wel echt de ernst van de verleidingen die op ons af komen?

Nemen we Petrus wel serieus als die waarschuwt: de duivel zwerft rond als een brullende leeuw?

Wat een paniek als ergens echt een leeuw is losgebroken, of een ander gevaarlijk beest.

Waren we maar net zo waakzaam en voorzichtig als het om dat veel gevaarlijker roofdier gaat.

Die het echt op ons en onze kinderen heeft gemunt:

om ons weg te lokken en ons weer en nu voorgoed slaven van de zonde te maken.

Zoals lang geleden de Farao alles op alles zette om dat net vrije volk weer terug te halen -

en als dat niet lukte het in de pan te hakken: alles beter dan dat ze meegingen met hun God,

 

Kijk, en dan is er maar één uitweg.

Mozes zegt: stil maar, de Here zal voor u strijden, u hoeft zelf niets te doen!

Voor die machtige God is geen zee te hoog en geen leger te sterk.

En dan zien we die wolk van de HEER er tussen in gaan staan:

donker naar Egypte toe, licht naar Israël toe, zodat de legers niet bij elkaar konden komen.

Bedoeld zal zijn: zo kregen de Egyptenaren geen kans de Israëlieten te naderen (Het Boek).

Het is God zelf die zijn volk beschermt en het ook verder brengen zal tot in het nieuwe land.

 

 

Het valt op dat in dat lied van Exodus ook al over dat vervolg gezongen wordt:

Het is goed mogelijk dat dat er later aan is toegevoegd om dit lied bruikbaar te maken

voor de zang in de tempel.

Het kan ook dat het vertrouwen van Mozes en het volk in de Here zo groot waren

dat ze over de goede afloop zingen alsof het allemaal al is gebeurd (15: 13, 16)

“U bevrijdde dit volk en ging het liefdevol voor,sterk en machtig leidde U het naar uw heilige woning”….”U brengt hen naar de berg die uw domein is,HEER,en daar zult U hen planten,

 in uw eigen woning, het heiligdom door U gebouwd”.

Hoe dat ook zij, zo is het ook gegaan onder de hoge bescherming van de Here,

ook al zou het een lange reis worden met veel ontberingen en veel hindernissen,

en zouden velen door eigen schuld hun bestemming missen:  Gods doel werd bereikt!

 

Nou, en door Gods genade mogen u en jij en ik bij dat ene volk van God horen,

onderweg naar wat onze belijdenis noemt ‘het geestelijke Kanaän’, Gods nieuwe wereld.

Meer dan ooit zet de aartsvijand van God de aanval in,

geraffineerd en precies op onze zwakste plekken.

Dat was al zo toen Farao’s leger dat volk onderweg naar de vrijheid in de rug wilde aanvallen.

Juist daar waar ze het kwetsbaarst waren, waar de zwaksten waren en de kleinsten.

Des te ontroerender dat die Engel van God juist daar gaat staan:

ter bescherming van het zwakste, dat zichzelf niet kan verdedigen.

Ik denk ook aan een profetie die de tweede uittocht eeuwen later aankondigt, na de ballingschap:

“Als een herder weidt Hij zijn kudde weiden: zijn arm brengt  de lammeren bijeen,

Hij koestert ze en zorgzaam leidt Hij de ooien”.   

Wat geweldig een schaap of een lammetje van deze goede Herder te zijn, te horen bij zijn kudde.

Met andere woorden is dat wat onze belijdenis bedoelt:  door de doop zijn we in de kerk van God opgenomen. Dat is geborgenheid, dat biedt bescherming. Zoals het bezit van een Nederlands

paspoort rechten geeft op hulp en bescherming door de Nederlandse overheid.

En dan zegt de catechismus met het oog op de kinderdoop:

ook die allerkleinsten horen al bij Gods verbond en zijn gemeente: bij Vader op de arm!

Nou, en dat geeft bij alle zorgen en dreigingen een geweldige rust, voor oud en jong:

“waarom schrei  je, ben je bang? toe, blijf niet huilen, je mag je leven lang bij je Vader schuilen!”

want: “jij bent van God m’n kind, je kwaad wordt weggewassen in Christus’ zuiver bloed,

Hij maakt weer alles goed!”

 

3. de doop vraagt toewijding.

 

  Dat gold Israël toen bij de zee en door de woestijn heen naar het beloofde land.

We lezen ervan in 14:31: “ze kregen ontzag voor de HEER

en ze stelden hun vertrouwen in Hem  en in zijn knecht Mozes”.

Dat is eerbied en ontzag, geloofsvertrouwen en ook toewijding, gehoorzaamheid.

Nee, niet dat gedoopt zijn automatisch betekent dat je wel binnen bent, voorgoed.

Zoals staatsburgerschap en een paspoort in bepaalde gevallen afgepakt kunnen worden,

zo kun je ook je kind-van-God-zijn verspelen, door ongeloof en weglopen bij God vandaan.

 

Het volk van toen had wel Egypte achter zich gelaten,

maar ze namen in hun hart nog heel veel restanten Egypte mee.

Meer dan eens verlangen ze zelfs openlijk terug:

och waren we maar in Egypte gebleven, Mozes, we willen terug!!

Zo laat de doop zien dat onze zonden worden vergeven en weggenomen,

maar tegelijk zit er nog veel zondigs in ons hart en in ons leven.

Zijn we niet bestand tegen de zuigkracht van wat beperkt aards of zelfs echt zondig is.

 

Daarom verplicht de doop ook – staat in het formulier – tot een nieuwe gehoorzaamheid.

Moet je als ouders je gedoopte kind bijbrengen en vooral voorleven dat we anders zijn:

onderscheiden van de kinderen van de ongelovigen. Op weg naar dat nieuwe land,

en daarom nou al herkenbaar als burger van het koninkrijk dat uit de hemel op aarde komt.

Dat brengt voor ons allemaal mee dat we moeten inburgeren, en dat vraagt oefening, training.

Paulus houdt zijn leerling Timoteüs voor, die nog jong is: “oefen jezelf in een vroom leven”-en dat mogen we allemaal ter harte nemen want je bent nooit te oud om te leren als christen te leven.

Zeg maar: de inburgeringscursus van het koninkrijk  van de hemel houdt niet op als je belijdenis

hebt gedaan, en gereformeerde mensen zijn niet volleerd maar blijven een leven lang leerbaar.

 

Het is niet vanzelf: eens gered, voorgoed binnen, er is ook een eigen keus en verantwoordelijkheid.

Hoor Petrus :  “De doop wast niet het vuil van uw lichaam, het is een vraag aan God om een zuiver geweten. Hierom kunt u vragen dankzij de opstanding van Jezus Christus”

Je ziet het ook in de zondagen 26 en 27: de doop vraagt om een vervolg, als bad van wedergeboorte.

Gedoopt zijn verzekert me ervan dat God mijn zonden om Christus wil vergeven

maar ook dat de Heilige Geest met ons aan het werk gaat om een nieuw mens van me te maken:

“zodat we hoe langer hoe meer van de zonde afsterven en godvrezend en onberispelijk leven”.

 

Nog altijd is God met u en jou onderweg, met ons samen, op weg naar dat beloofde land.

Tot we allemaal samen aan de overkant zijn, en zingen dat lied van Mozes èn het Lam!

 

                                                                              amen