‘Bomen kiezen een koning’ – wat een actueel verhaal!

Preek ‘Bomen kiezen een koning’

Gemeente van onze Heer en Koning Jezus Christus,

Het was zo mooi begonnen.
Ik bedoel: met Gideon die, nog jong, in een chaotische tijd een moeilijke opdracht kreeg namens God: “Toon je moed en bevrijd Israël”, van de Midjanieten namelijk
die elk jaar in het land Kanaän op strooptocht gingen en de oogst wegkaapten.
Eerst zag Gideon het niet zitten: onze stam Benjamin stelt niets voor en ik ben de jongste van ons gezin – maar God zei: je kunt het omdat Ik achter je sta en je help.
Daarna vatte Gideon moed, en pakte door: eerst zelfs tegen zijn eigen vader en dorp in want ’s nachts sloeg hij het altaar
en de heilige paal die zijn vader had gebouwd om er afgoden te vereren stuk, en hij bouwde een altaar voor de Heer.
Kwaad dat de dorpelingen op hem waren maar zijn vader kwam voor hem op en het liep goed af.
Met Gods hulp versloeg Gideon de invallers, met maar driehonderd strijders,
en dat niet eens met wapens maar met ramshorens, kruiken en fakkels: ‘Gideon,
die de vijand heeft verslagen zonder paard en zonder wagen, zonder leger sterk en groot, maar met God als bondgenoot’
…..wat was het goed begonnen en afgelopen.
Daarna reageerde Gideon ook nog goed, bescheiden en met alle eer aan God.
Toen zijn volksgenoten hem als koning wilden aanstellen, en zelfs een erfelijk koningschap aanboden aan zijn familie,
weigerde Gideon beslist: “Ik zal uw heerser niet zijn, en mijn zoon zal uw heersen niet zijn, want de HEER is uw heerser”. Mooi!

Ja, maar het was schone schijn, bleek meteen, want macht en status zijn verleidelijk.
Gideon was vereerd en liet het zich aanleunen: hij werd een soort priester-koning,
en hij ging zich in de praktijk als een heerser gedragen die een hele harem had, en rijkdom, en die zelfs net als eerder zijn vader het volk weer tot afgoderij verleidde.
Ja, en veelbetekend noemde hij een van zijn vele zoons Abi-melech, wat betekent:
‘mijn vader is koning’ : de man die geen koning wilde heten, voelde zich toch zo.
Ik moest denken aan vroeger eeuwen toen vaak bisschoppen – zoals die van Utrecht – meer wereldlijke heersers waren met alles wat erbij hoort als een leger en oorlog voeren en burchten bouwen, dan geestelijk leiders die God en mensen dienden.

Wat zo goed was begonnen, ging daarna steeds verder steeds meer gruwelijk mis.
Vooral toen juist die ene zoon met het woordje koning in zijn naam zich als koning verkiesbaar stelde
en zijn eigen volk paaide met het feit dat hij familie van hen was en dus – want zo gaat dat – hen vast en zeker op allerlei manier zou bevoordelen.
‘Eigen volk eerst’is van alle tijden en populisme is niets nieuws – kijk naar Abimelech!
Abimelech speelde de kaart van ‘eigen volk’ eerst handig uit tegen zijn zeventig halfbroers die van andere vrouwen waren en niet van Sichem – allochtonen .

Abimelech spande een stel ooms en neven, ook uit Sichem, voor zijn karretje, om de burgers van Sichem voor de keus te stellen: wie willen jullie als heerser: die zeventig zonen van Jerubbaäl (Gideon) samen, of één man, die bovendien bloedverwant is?
Weer een herkenbaar iets: verlangen naar een sterke man boven polderen en compromissen tussen een heleboel bestuurders – en naar een die ‘van ons’ is….
De keus leek niet lastig: ze kozen voor die ene, “omdat hij familie van hen was”.
Het werd nog veel erger allemaal want Abimelech verzamelde een stel lieden om zich heen die hier “een legertje gewetenloze avonturiers” genoemd worden, en al zijn
halfbroers werden afgeslacht, want wie weet zouden ze hem zijn macht betwisten.
Ook dat zie je al te vaak gebeuren, zelfs bij democratisch gekozen leiders dat wie ze
zien als tegenstanders worden weggezet als vijanden, als gevaar voor het volk.

Helaas hoeven we dan niet alleen te denken aan landen als China of Noord-Korea.
De afgelopen weken hebben we gezien hoe in wat een voorbeeld van democratie wil zijn,
een president die de verkiezingen verloren heeft weigert dat te erkennen en dan zijn aanhangers de straat op stuurt en opstookt – met de vreselijke gevolgen die heel de wereld kon zien: bedreigingen, vernielingen, en zelfs doden en gewonden…en triest dat deze gelukkig nu oud-president gesteund werd en wordt door veel mensen die zich christen noemen en elke zondag in de kerk zitten – en die het wangedrag en de leugens van een president voor lief nemen omdat hij doet wat zij willen…

Wat je ook vaak ziet, is wat ook de tragiek van Gideon en zijn familie is: dat wie begon als bevrijder, vrijheidsstrijder, als hij eindelijk de macht in handen heeft, die macht niet wil afstaan en op den duur een nog ergere dictator wordt. Ook van alle tijden: eerst worden revolutionairen bejubeld als bevrijders maar ze ontpoppen zich als ook weer onderdrukkers; een mooie uitzondering was Nelson Mandela in Zuid- Afrika. Als het fout gaat, zit er meestal angst achter om weer kwijt te raken wat je net bevochten hebben, maar ook laat het zien dat macht en bezit en status zomaar tot misbruik leiden en ook erg verslavend zijn: hebzucht is de wortelvan veel kwaad.

Maar gelukkig zijn er ook altijd mensen die het niet pikken en die in verzet komen:
klokkenluiders, moedige journalisten, politici van de oppositie, gewone burgers.
Zoals in dat verhaal van vandaag de enige zoon van Gideon,
die aan de moordpartij van zijn halfbroer Abimelech was ontsnapt – Jotam, dat is: ‘de Heer is betrouwbaar’.
Er staat bij dat hij de jongste was van het hele gezin – net als eens zijn pa Gideon toen hij door God geroepen werd om zijn volk te bevrijden van de Midjanieten.
Op de dag dat de inwoners van Sichem ‘hun’ Abimelech tot koning gingen uitroepen- onder een monumentale eik – zeg maar in de Ridderzaal van stad en regio Sichem – klom Jotam de nabijgelegen berg Gerizim op – en sprak vanuit de hoogte dwars door de plechtigheid heen de mensen die daar bij elkaar waren aan: met een verhaaltje.

Een verhaal over bomen die een koning gingen kiezen – een soort gelijkenis zoals later de Heer Jezus zo vaak deed – om de mensen aan het nadenken te krijgen en op te schudden, en als het mogelijk was ze op andere gedachten te brengen.
In die zogenaamde ‘koningsfabel’ die Jotam zijn broer en het volk voorhoudt, worden we meegenomen naar de wereld van de bomen, die erop uit gingen om een koning te kiezen. Heel bizar natuurlijk en heel confronterend want bomen hebben helemaal geen koning nodig, ik las: ze redden het samen prima, door gewoon boom te zijn.
Dat hoor je als de bomen die op zoek zijn naar een koning steeds op een overtuigd nee stuiten als ze eerst de olijfboom, daarna de vijgenboom en tenslotte de wijnstok aanbieden om hun koning te zijn, maar alle drie bedanken ze feestelijk voor de eer: ik heb wel wat beters te doen dan een beetje boven de andere bomen te zweven en met mijn takken te wuiven – de olijfboom wilde veel liever gewoon vruchten opleveren en de mensen van olijfolie voorzien, de vijgeboom bleef graag gewoon vijgen laten groeien die veel mensen lekker vinden, en de wijnstok had het veel te druk met zorgen voor lekkere druiven en goede wijnen: zal ik me daar stoppen met waar ik goed in ben en voor bestemd ben om een beetje boven alles en iedereen koninkje te spelen? – nee, jullie worden bedankt, zoek alsjeblieft een ander.

Je kunt denken aan mensen die in de zorg werken of een goed lopend bedrijf hebben en er niet aan moeten denken de politiek in te gaan – begrijpelijk – maar toch bedoelt de fabel niet bestuurders en volksvertegenwoordigers als zakkenvullers of machtswellustelingen weg te zetten – het gaat vooral om dat ‘boven de andere bomen uit willen steken en macht over anderen willen uitoefenen in plaats van bezig te zijn voor het welzijn van mensen en om het goede te doen voor de samenleving.
Als leidinggevenden en bestuurders dat als doel hebben, en beseffen dat ze – zoals we lazen in die koningswet van Deut. 17 – niet meer zijn dan anderen en dat ze niet boven de wet staan – dan staan ze om met Paulus te spreken in dienst van God om kwaden te stoppen en te bestraffen en goeden te beschermen, danzijn ze tot zegen.

Iemand schrijft dat we leiders nodig hebben die verbinding zoeken in plaats van tegenstellingen aan te wakkeren, en daarom: “laat het niet zover komen dat niemand met goede kwaliteiten nog politieke verantwoordelijkheid wil dragen en we alleen nog op doornstruiken zijn aangewezen”.Dit gaat ook over ons, over kiezers, over het volk.
Maar Jotam had goed door dat het Abimelech vooral om macht en eer ging, en dat hij zoals hij al had laten zien, daarvoor bereid was over lijken te gaan, zelfs over de lijken van zijn eigen broers – en met zo’n start kan het alleen maar van kwaad tot erger gaan, en daarom: burgers van Sichem en omgeving, weet wel wie je kiest.

Prikkelend is daarom het vervolg: de bomen die uitkomen bij de doornstruik. En zeg niet te gauw dat nou eenmaal politici veel beloven en het later vaak tegenvalt, alsof je er ingetrapt bent, alsof je nou eenmaal niet in de toekomst kunt kijken: we zien wel waar het schip strandt – al te veel mensen gaan zo stemmen, totdat het weer niet is wat ze hadden gedacht en gewild en ze thuisblijven: of je nou van de kat of de hond gebeten wordt, het zijn toch allemaal zakkenvullers, ik kom er mijn huis niet voor uit.
Nee, vaak kun je best weten wat je aan hem of haar hebt, als je je er wat meer in verdiept, en er wordt ook vaak tegen verkeerde keuzes en leugens gewaarschuwd.
In elk geval konden de bomen achteraf niet zeggen dat ze niet gewaarschuwd waren, want de doornstruik zegt van te voren wat ze kunnen verwachten: “Als u mij werkelijk tot uw koning wilt zalven, kom dan maar hier, in mijn schaduw is het goed toeven. Maar zo niet, dan zal uit mijn takken een vuur komen dat de ceders van de Libanon zal verteren.” O ja, dat lijkt veelbelovend maar als je een beetje weet wat een doornstruik is….dan weet te een paar dingen van te voren: een doornstruik is geen boom maar inderdaad een struik en als je dus onder de takken schaduw wil zoeken, moet je je diep buigen – en dan is er ook nog weinig schaduw te vinden en vooral veel stekels om je aan te prikken – als je een beetje boom bent, kijk je wel uit.
In een boek over Planten in de Bijbel wordt ervan uitgegaan dat met de doornstruik de boksdoorn wordt bedoeld : een struik die kan uitgroeien tot een ondoordringbare struik van 3 meter – met voor mensen giftige bessen – al met al nou niet een struik om in weg te kruipen om je veilig te voelen!
Een liedje gaat erover: “De bomen hadden zich vergist! Een doornstruik steekt, een doornstruik is geen goede koning van het woud, laag- bij- de- gronds en koud. De bomen kozen, maar verkeerd want wie alleen met macht regeert, die gaat ten onder aan het kwaad, ten onder vroeg of laat.” En dan nog de dreiging: als je mij niet meer wilt als je koning, wacht je dan maar: wie niet luistert, brand ik weg– een doornstruik heeft aan een klein vonkje genoeg om vlam te vatten en een complete bosbrand te veroorzaken – zelfs de hoogste en sterkste bomen, de ceders op de Libanon, worden door dat vuur verteerd – als je voor zo’n leider kiest, dan speel je met vuur!
Jotam geeft bij zijn fabel ook nog de toepassing, vol cynisme en ernst: als jullie door voor Abimelech te kiezen – de man die bijna ons hele gezin uitgemoord heeft – denken Gideon en zijn familie dankbaarheid te bewijzen, dan wens ik Abimelech en jullie alle geluk van de wereld, zo niet, dan zullen jullie elkaar kapotmaken, afbranden.
Nou, het vervolg laat zien dat Jotam niet voor niets gewaarschuwd had: na drie jaar barstte de bom en gingen de burgers van Sichem en de aanhang van Abimelech elkaar te vuur en te zwaard te lijf, met veel slachtoffers tot gevolg, en Abimelech stierf roemloos toen ze vanaf de muur van Sichem hem verpletterden met een maalsteen en Abimelech zijn wapendrager de opdracht gaf hem de genadestoot te geven.
Ook dat konden we meemaken in de VS de laatste weken, en eerder ook al trouwens: wie tegengeluiden laat horen worden ontslagen, zwart gemaakt, belasterd. En zelfs de trouwste aanhangers worden gezien als vijanden als ze niet naar de pijpen van de grote leider dansen – en uiteindelijk moet die leider zelf weg wezen.
We zeggen dan wel het kwaad zichzelf straft, en de kwaaddoeners elkaar liquideren.
Maar daarachter mogen we God zien die op zijn tijd recht doet en het kwaad straft.
Een les voor iedereen van hoog tot laag die voor zichzelf gaat en macht misbruikt ten koste van vooral wie kwetsbaar zijn en zichzelf niet redden – je komt er niet mee weg en ook de dictators en uitbuiters en oorlogshitsers van deze wereld komen er niet mee weg – dat mag hun slachtoffers moed geven en wie hun macht misbruiken waarschuwen – en het leert ons naar Jezus’voorbeeld te dienen en goed te doen.

Ja, want dit verhaal staat nog altijd in de Bijbel, en het is voor ons vandaag actueel.
Wat opvalt is is dat Jotam met zijn verhaal over de bomen niet zijn op macht beluste halfbroer aanspreekt, maar de burgers die achter hem aan dreigden te lopen.
Hij houdt hen de spiegel voor: wie willen jullie volgen, wat voor land wil je zijn?
Het zegt ook iets over hoe het gaat in de kerk en over hoe om te gaan met elkaar: dat we aan elkaar zijn gegeven om elkaar te dienen en naast elkaar te staan, om niet zoals in dat verhaal staat ‘boven de bomen te zweven’, in je eigen wereldje, maar om met beide benen op de grond – stevig geworteld – je talenten in te zetten om zelf te groeien en ook voor mensen om je heen wat te betekenen – om niet anderen te overheersen maar te inspireren; om zoals die olijfboom en die vijgenboom en die wijnstok in het verhaal van Jotam gewoon te doen waar jij goed in bent en daar waar dat kan anderen van mee te laten profiteren.

Helaas zijn er ook in de omgang tussen mensen binnen en buiten de kerk vaak veel stekeligheden, is de een voor de ander als een moeilijk te benaderen doornstruik.
Ook dat hoort bij de gevolgen van de zondeval, lees Genesis 3 over dorens en distels die we zullen tegenkomen of zelf laten opschieten – ook daar worden we in de Bijbel voor gewaarschuwd, zoals in Spreuken 22: 5: “Wie de verkeerde weg gaat, treft dorens en distels aan, wie zijn leven liefheeft, blijft er verre van.” En onze Heer heeft het meer dan eens over bomen die te herkennen zijn aan hun vruchten, wat slaat op mensen, op ons, die herkenbaar zijn aan wat we zeggen, doen, en laten:
“Een goede boom brengt geen slechte vruchten voort, en evenmin brengt een slechte boom goede vruchten voort. Elke boom kun je aan zijn vruchten kennen, want van distels pluk je geen vijgen, en van doornstruiken geen druiven.” (Lucas 6: 43-44).

Voor vandaag sluiten we af met een gezongen gebed voor de mensen met macht en verantwoordelijkheid maar ook voor onszelf en allerlei mensen: om wijsheid, recht en vrede, om bescherming, om liefde die wil dienen en geen schade doet, die de ander hoogacht en het goede zoekt.

amen

liturgie

Belijdenis van afhankelijkheid – amen

Groet – amen

Zingen: NLB 985: 1,2,3 ‘Heilig, heilig, heilig, hemelhoog verheven’

Gods leefregels Deut. 5: 6-21; 6: 4-9 en 17: 18-20

Zingen: Ps. 146: 1,3,4 DNP

1. Halleluja! Heel mijn leven
zal ik zingen voor de HEER.
Hem wil ik mijn liefde geven,
telkens weer en telkens meer!
Zingen wil ik dag aan dag
en Hem prijzen vol ontzag.

3. Vol geluk mag ieder leven
die de HEER als helper heeft.
Hij heeft ons zijn woord gegeven
en Hij maakte al wat leeft.
Wie berooid is of geknecht
geeft Hij brood en doet Hij recht.

4. Hij, de HEER, laat boeien breken,
geeft aan blinden levenslicht,
helpt wie bijna was bezweken,
houdt van wie op Hem zich richt.
Hulpelozen staat Hij bij,
slechte mensen oordeelt Hij.

Gebed

Bijbellezing: Rechters 8: 22-35

Zingen: Ps. 146: 2,5 DNP

2. Macht van mensen heeft geen waarde:
zoek daar niet naar zekerheid!
Zelfs de sterkste is maar aarde,
krijgt maar weinig levenstijd.
Als zijn adem stokt, gaan ook
al zijn plannen op in rook.

5. Tot het einde van de tijden
heerst de HEER met overmacht.
Sions God blijft alles leiden;
Hij regeert in elk geslacht.
Eeuwig zing ik tot zijn eer:
Halleluja, loof de HEER!

Lezen tekst: Rechters 9: 1-21

Preek

Gz. 260 GK ‘Heer, voor alle mensen roepen wij U aan’

Gebed

Collecte

Zingen: NLB 413: 3 ‘Heer, ontferm U over ons’

Zegen

Heimwee en verlangen (adventspreek) : Psalmen 42 en 43

Liturgie morgendienst

Welkom

Votum en groet

Introductie 4e adventszondag, zondag Rorate coeli , naar Jesaja 45: 8
Hemel, laat gerechtigheid neerregenen, laat haar neerstromen uit de wolken, en laat de aarde zich openen. Laten hemel en aarde redding voortbrengen en ook het recht doen ontspruiten. Ik, de HEER, heb dit alles geschapen.

Gz. 188: 1 en 4 GK (oud Gz. 80) ‘O Heiland, open wijd de poort’

Gods wet
NLB 439: 1,2,3 ‘Verwacht de komst des Heren’
Gebed voor de opening van het Woord
Bijbellezing: Psalm 42 en 43
Opwekking 281 ‘Als een hert dat verlangt naar water
NLB 452 : 1 en 2 Als tussen licht en donker´
Gebed
Collecte
NLB 416 ‘Ga met God’
Zegen

Verkondiging: ‘Heimwee en verlangen’
Gemeente van Christus,
Ik heb normaal gesproken niet zoveel met heimwee, met terugkijken en terug verlangen naar wat vroeger beter was, mooier, toen geluk nog gewoon was. Niet omdat je dan vaak heel selectief terugkijkt en vergeet wat juist minder was vroeger, lastiger, maar ook omdat het weinig oplevert want je leeft hier en nu. Meer dan eens leert de Heer ons in de Bijbel dat we als mensen en zeker als christenen altijd onderweg zijn, en dat stilstaan en achterom verlangen niet past bij mensen die achter Jezus aan willen want Jezus gaat verder en zegt: volg Mij! Ja maar toch, er kunnen omstandigheden zijn dat heimwee en weemoed toeslaan. Als veel waar je aan gewend was en blij van werd, energie van kreeg, wegvalt. Dan kun je heimwee ervaren naar wat vorig jaar nog kon en nu niet meer, maar vooral daar door heen voel je verlangen: naar weer betere tijden, maar wanneer en hoe?
Waarmee we helemaal in de psalm zitten die we lazen en die onze aandacht vraagt. Een psalm met veel tranen, lijden onder de spot van vijanden, eenzaamheid, vol heimwee naar wat vroeger zo gewoon en zo mooi was en nu zo ver weg lijkt, maar ook een lied van verlangen: naar God, naar nieuwe tijden; een lied ook vol hoop. Zoals bij meer psalmen roept het veel herkenning op en tegelijk zit er aansporing in om jezelf aan te pakken en niet bij de pakken neer te blijven zitten, als een refrein dat drie keer terugkomt: twee keer in Psalm 42,en als slotakkoord in Psalm 43: “Waarom, ziel, zo aangeslagen, waarom bang en rusteloos? Hoop op God, stel Hem je vragen. Wees niet langer lusteloos. Want de dag komt – heb geduld – dat je Hem weer prijzen zult. Ik kijk uit naar nieuwe tijden, want mijn God zal mij bevrijden.”
Ik las: “Dat refrein is een pareltje: de dichter heeft het zwaar, maar hij roept zichzelf tot de orde en komt zelfs tot een dankzegging. Dat doet hij drie keer, want zo vaak is nodig om tot rust en vertrouwen te komen.” Je moet het dus steeds weer tegen jezelf zeggen en van anderen – van God en mensen – horen, en steeds herhalen: “vestig je hoop op God, mijn God die me ziet….en me redt”. Niet alsof dan de zorgen weg zijn en alles is opgelost, maar als aansporing om niet alleen achterom te kijken naar hoe het was, en naar voren: wat gaat het worden, en wanneer wordt het weer normaal – maar om ook en vooral naar boven te kijken: waar God is die al heeft bewezen een redder te zijn, op zijn tijd en zijn manier; aan wie je je vragen mag blijven stellen en voor wie je niet je groter en stoerder hoeft voor te doen dan je bent.
Houdt dat vooral vast, tegen de klippen op, en kijk uit naar nieuwe tijden! Dat is een treffende boodschap voor de adventstijd: kijk uit naar Gods nieuwe tijd! Waarbij meteen de oproep om geduld te hebben en erom te blijven bidden, zoals Gods volk Israël dat heel veel eeuwen heeft gedaan in afwachting en verwachting van de beloofde goede nieuwe tijden van Gods Messias….goed om dat te bedenken: wat is nou nog geen jaar afzien en onzekerheid vergeleken met die vele eeuwen dat Israëlieten generatie op generatie moesten wachten en blijven bidden tot Gods tijd. I Ik weet niet hoe het jullie gaat maar ik vind deze crisis en deze tijd van afzien en van onzekerheid al veel te lang duren…maar onlangs bladerde ik een in uitvoerig verhaal van mijn al lang overleden vader over onder andere hoe hij de oorlogsjaren beleefde en hoe na vijf moeilijke jaren – vijf jaren – eindelijk de bevrijding kwam – de ouderen onder ons zullen die tijd zich ook herinneren….en wat is dan een jaar – en dan denk ik aan de ballingen in Babel die 70 jaar moesten wachten en aan Israël in Egypte – meer dan 400 jaar voor ze naar hun eigen land terug mochten – en heel veel eeuwen voordat Jezus de Messias kwam – hoe vaak is er gebeden, geroepen: hoe lang nog? Juist daartoe worden we gedwongen in deze tijd: afwachten, en tot hoelang weten we niet, en dan is de vraag hoe we daarmee omgaan,en hoe we ons daarin oefenen.
Weer terug die psalm induiken helpt daarbij: we staan er niet alleen voor en heimwee en verlangen, hopen tegen alles in, en moeten wachten, het is van alle tijden. Van de dichter van dit lied en de situatie waarin het lied ontstaan is, weten we weinig. ‘Een kunstig lied van de Korachieten’ zal betekenen: bestemd voor het tempelkoor. Maar dat was veel later, toen deze psalm een plek kreeg in het liedboek van Israël. Het bijzondere van deze psalm is dat het lied heel persoonlijk wordt: een ik- psalm. Wat trouwens van heel veel psalmen geldt, zeker ook de vele met de naam David. En dat is mooi want bij God telt elk mens, is niemand een nummer, en is elk leven en elk levensverhaal de moeite waard, ook om voorgoed een plek te krijgen in de Bijbel en in het zangboek van de kerk van alle tijden, herkenbaar voor mensen nu en later. En als je dan zo’n lied leest of hoort voorlezen of meezingt, kun je er je eigen leven met verdriet en pijn, heimwee en verlangen, wanhoop en hoop, en blijdschap, in terugvinden en mee uitzingen, voor jezelf of samen, thuis of in een volle kerk……
Nou, dat laatste, die volle kerk, die er al maanden niet was voor ons, en er ook vandaag nog niet is zoals we graag zouden willen, miste de dichter ook: “Weemoed vervult mijn ziel nu ik mij herinner hoe ik meeliep in een dichte stoet en optrok naar het huis van God – een feestende menigte, juichend en lovend.” Een herinnering aan lang geleden en ver weg en dat doet best pijn want waarom… Uit het vervolg leren we wie zo klaagt kennen als een vluchteling, een balling, iemand die door waarschijnlijk oorlogsgeweld of een opstand niet kan reizen en niet naar de tempel kan: “Mijn ziel is bedroefd, daarom denk ik aan U, hier in het land van de Jordaan, bij de Hermon, op de top van de Misar”. Dat was ver in het noorden, ver van Jeruzalem waar de tempel stond, waar God woonde, en het volk samen was. En dan te bedenken dat het toen nog veel moeilijker dan met de beperkingen waar wij mee te maken hebben, die Israëliet in ballingschap het gehad zal hebben, zonder smartphone, zonder skype of videobellen, zonder tempeldiensten online, en met familie en vrienden ver weg, en vijanden op de loer en de spot van die vijanden nog in zijn oren: hé, waar is jouw God dan, die jou toch helpt…..dat maakt het allemaal nog erger want is dat niet zo: God, waar bent U nou? Dan huilt je hart en komen de tranen: “Tranen zijn mijn brood, bij dag en bij nacht…mij gaat door merg en been de hoon van mijn belagers, want ze zeggen heel de dag: ‘Waar is dan je God?’ …..Dan blijft niets anders over dan een schreeuw naar omhoog, een gebed uit de diepte en van ver naar waar God toch is: “Waarom komt en redt U niet? Waarom laat u mij alleen met de vijand om mij heen?” Heer waarom vergeet U mij, waarom ga ik gehuld in het zwart, door de vijand geplaagd?” Maar is God niet ook je tegenstander: ”Al uw golven slaan zwaar over mij heen”. ‘Heer, ik verdrink! Heer, help!
Er zit in deze psalm een enorme spanning: in de dichter zelf, en tussen hem en God. Aan de ene kant is er dat heimwee naar hoe goed het was, en de frustratie over hoe anders het allemaal geworden is, en vragen die hem naar de strot vliegen over wat die betekent en waarom het zo gaat en vijanden dit hem aandoen en God blijkbaar dat toelaat en niet ingrijpt: Heer, ‘Waarom komt en redt U niet? Waarom laat U me alleen met de vijanden om me heen” en dat terwijl ik zo naar uw nabijheid verlang. Ja, want dat trilt door alles heen, daar begint het mee en daar loopt het op uit: “Ik verlang naar God, die leeft, die mijn ziel te drinken geeft. Wanneer zal ik hem ontmoeten, zal Gods glimlach mij begroeten? Dat is de ene kant: verlangen dat nog niet vervuld wordt, afstand, God die zwijgt…en aan de andere kant een toch sterk en ongeschokt vertrouwen dat God er is als de levende God en dat God hem niet is vergeten en hem zal redden, wat hij keer of keer tegen zichzelf zegt, en ons tegen onszelf laat zeggen: vestig je hoop op God, blijft dat ondanks alles en tegen alles in – ook tegen die vijanden in – doen: hoop op God en stel Hem je vragen – loop dus niet bij Hem weg maar schreeuw het uit naar Hem- want ik weet zeker dat ik eens Hem weer zal loven, samen met anderen, in zijn tempel, in zijn kerk, mijn God – dat blijft zo – mijn God die mij ziet en mij redt…dat is Psalm 43: “Heer, zend uw licht, laat mij ervaren dat U mij naar uw woning leidt. Wanneer ik kom bij uw altaren, zal ik U prijzen bij de snaren” Dat gebeurde steeds weer, God is trouw en goed.
Ja, en dan mogen wij dat lied zingen als mensen die Jezus kennen en willen volgen. Jezus die meer dan wie ook ons Gods gezicht laat zien en zijn vriendelijke ogen, en die daarvoor nog meer dan de dichter van Psalm 42 er diep onderdoor is gegaan, tot aan het kruis en tot in de dood, tegen wie ook is geschreeuwd: waar is nou jouw God? En die zelf tot God heeft geroepen: “Mijn God, mijn God, waarom verlaat Gij mij, en blijft zover, terwijl ik tot U schrei, en redt mij niet naar gaat aan mij voorbij? Hoe blijft Gij zwijgen?”. Dat is een schreeuw uit de diepte naar God heel hoog en ver weg met woorden van David in Psalm 22; het hadden ook kreten uit Psalm 42 kunnen zijn: “Waarom komt en redt U niet? Waarom laat U mij alleen met de vijand om me heen?”. En weer in Psalm 43: ‘Waarom laat U mij zolang lijden door mensen die bedrog verspreiden. Waarom heb ik het zo benauwd en word ik uitgejouwd?”. Heftig! Het komt heftiger dan ooit op Jezus af, daar aan het kruis, bespot, verlaten, alleen. Maar ook Jezus bleef zich vastklampen aan God, God zijn vragen stellen: waarom? En hij bleef roepen tot God en hopen op God: mijn God die mij ziet en mij zal redden. We mogen geloven en we vieren het elke zondag, verbonden met elkaar en met zoveel anderen wereldwijd, en samen met onze God: God heeft zijn Zoon gered en door Hem redt Hij ons; Hij gaf en geeft nieuwe tijden. In deze psalm zit een oproep aan onszelf en elkaar: “Wees niet langer lusteloos. Want de dag komt – heb geduld –dat je hem weer prijzen zult”. Dat prijzen van God hoeft natuurlijk niet te wachten, dat kun jij en kan ik elke dag doen, op jezelf of in kleine kring, en er kan vast nog heel wat om elkaar te steunen in dat wachten en verwachten en aandacht te hebben voor God en voor elkaar, vandaag te doen wat vandaag op je af komt en wel kan, in plaats van ongeduldig almaar te denken aan wat straks hopelijk allemaal weer mogelijk is en teleurgesteld te zijn dat weer niet en nog steeds niet.. Volhouden dus maar met geloven en hopen…én zingen, in jezelf en straks weer samen: ‘Wees niet langer lusteloos, Want de dag komt – heb geduld – dat je – samen – Hem weer prijzen zult. Ik kijk uit naar nieuwe tijden (u ook?) , want onze God zal ons bevrijden!’ Vast en zeker! Beloofd is beloofd.
amen

Geroepen uit Egypte – Matteüs 2: 13-15

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

We hebben weer kerst gevierd, anders dan andere jaren, soberder, rustiger…maar ondanks beperkingen wel veilig thuis en in de kerk, in een land met een betrouwbare overheid en waakzame politie, en ook veel welvaart….we hoeven niet bang te zijn opgepakt te worden en we hoeven niet op de vlucht te slaan of op straat te slapen. Zomaar vergeten we bij de warmte en gezelligheid waarvan wij hebben mogen genieten dat het kerstverhaal allesbehalve gezapig en romantisch is maar een heftig verhaal over ouders en een pasgeboren kind voor wie geen plek was in eigen land en die zelfs overhaast moesten vluchten en asiel aanvragen in een vreemd land, uit angst voor Herodes die het op het leven van hun kind had gemunt – vluchtelingen dus, asielzoekers.

Als je dichtbij kerst wil komen, moet je eigenlijk eerder in een AZC zijn of in een van de vele vluchtelingenkampen dan in een warm verlicht huis in het veilige Nederland.
Het zou helpen om ons iets meer in te leven in wat vluchteling zijn, asielzoeker zijn, betekent, ook voor kinderen die moesten vluchten, met hun ouders, vaak ook alleen.
Er zijn verhalen genoeg om dat wat dichterbij te krijgen: verhalen van mensen die je zelf kent – ik denk voor wat onszelf betreft aan onze buren uit Eritrea – maar ook via allerlei sites op internet, van Vluchtelingenwerk, St. Bootvluchteling, of Amnesty.
Het zijn vaak schrijnende verhalen over wat onderweg gebeurde en ook in Nederland met gevaren onderweg, onveilige slaapplekken, onzekerheid, honger, kou, ziektes..

Op deze eerste zondag na kerst gaat het ook over een kind dat moest vluchten. Matteüs zegt niet voor niets dat Jozef te horen kreeg: “vlucht met het kind en zijn moeder”, in die volgorde, pijnlijk precies ook: niet ‘jij met vrouw en kind, maar ‘het kind en zijn moeder’ – het ging vooral om Jezus en om hem het leven te redden.
Tegelijk is bijzonder hoe Jozef ingeschakeld wordt als vader en beschermer van dit kind en zijn moeder Maria; en hoe Jozef met volle inzet en liefde die rol pakt en die zorgtaak invult; hoe hij ook aanvoelt dat er gevaar loert en wat dan te doen staat.
Intussen is het wel een schrijnend contrast: rijke magiërs uit het verre oosten die met dure cadeaus Jezus eren als de beloofde koning van Israël, de blinkende morgenster en meteen daarna de dreiging vanuit Jeruzalem door koning Herodes en zijn
moordcommando’s, gevoed door wat de wijzen hadden verteld: de koning komt ook!

Ik denk zomaar dat Jozef en Maria al de bui voelden hangen, gelet op de reputatie die Herodes had opgebouwd, als een tiran die bereid was over lijken te gaan om zijn macht vast te houden – de bekendste Joodse geschiedschrijver van die tijd, Flavius Josephus, vertelt dat Herodes maar liefst acht familieleden had laten ombrengen; de laatste – een van zijn zoons – zelfs nog enkele dagen voor zijn dood. De man was ziekelijk wantrouwend, geloofde in complotten, en wilde koste wat kost aan de macht blijven, wat we ook vandaag maar al te vaak herkennen in leiders van landen waar in onze tijd veel mensen uit wegvluchten, met gevaar voor eigen leven en met verlies van alles wat ze hebben en van mensen waar ze veel van houden…triest. Dat Jozef ervan droomde – noem het gerust een nachtmerrie – is zo vreemd niet. In zijn droom zag hij een engel van God die zijn gevoel bevestigde: jullie moeten vannacht nog weg! Dat was opstaan, Maria wakker maken, het kind inpakken en er vandoor!

Reken maar dat het stress is geweest, en angst, denk maar weer aan vluchtelingen in onze tijd, en probeer maar eens van die verhalen los te krijgen of op te zoeken: over een grens over met gevaar van opgepakt te worden of erger: neergeknald, over met een wrakke boot de zee over met alle gevaar van te verdrinken, over met veel te veel mensen in een opvangkamp zoals op Lesbos, in een tent met dan weer regen en dan weer kou en dat weer brandende hitte en ook nog corona, en veel ruzies…

Jozef en Maria zullen zo snel ze konden hun spulletjes hebben gepakt met ook – gelukkig – de cadeaus van de wijzen waar ze misschien een ezel voor hebben gekocht, of twee ezels, en de kleine Jezus hebben aangekleed en in een draagzak goed ingepakt, en dan was het wegwezen, met een onzekere toekomst voor ogen.

Dat ons indenken kan helpen om achter de om het kerstverhaal heen gesponnen romantiek van het kindje in de kribbe en de herdertjes bij nachte en de engeltjes die door het luchtruim zweven iets te proeven van de harde werkelijkheid waarin Jezus terechtkwam hier op aarde en waar hij eenmaal volwassen heeft gezegd: “De vossen hebben holen en de vogels hebben nesten, maar de Mensenzoon kan zijn hoofd nergens te ruste leggen.” (Matt. 8:20). Nou, en dat moet je bedenken als je deze Jezus wilt volgen; die uitspraak over geen vaste woon- en verblijfplaats voor Jezus is zijn reactie op een enthousiaste wetgeleerde die zei: “Meester, ik zal u volgen waar u ook heengaat”. Mooi maar weet wel wat je zegt en wat je kunt verwachten. Het hoort bij volgeling van Jezus zijn, bij christen-zijn, zelfs bij mens zijn, dat je niet rechten kunt claimen op een land of een huis of wat dan ook, als jouw eigen bezit.

Door heel de Bijbel heen wordt ons voorgezegd dat we allemaal vreemdelingen zijn en gasten – gastarbeiders – op deze aarde die van God is en van God blijft, en die wij in bruikleen hebben gekregen om goed voor die aarde en voor elkaar te zorgen. En vaak wordt de opdracht aan de Israëlieten om te zorgen voor de vreemdelingen gemotiveerd met die herinnering: vergeet niet dat jullie ook vreemdelingen zijn geweest in Egypte en dat Ik jullie uit de slavernij daar heb bevrijd. Ken je plek, dus.

Ja, en wij kennen Jezus, we volgen iemand die al als kind zijn leven niet zeker was en op het eind de stad uitgegooid werd en opgehangen, tussen hemel en aarde..
Dat begon dus al vroeg: geen plek, moeten vluchten naar ver weg, asielzoeker zijn, en dan was Egypte een veilige bestemming omdat daar Herodes geen macht had.
Het is alsof de geschiedenis van lang geleden zich herhaalt toen Mozes in veiligheid gebracht moest worden voor de soldaten van de Farao, en dat via een mandje dat op het water dreef, en daarna via het paleis van de Farao door meegevoel van een prinses; o laat God nu Jezus in veiligheid brengen in datzelfde Egypte, ver van huis.

Jozef en Maria en Jezus komen na een vast lange vermoeiende reis veilig in Egypte. Hoe lang ze daar gewoond hebben, en waar, en hoe het hun daar is vergaan, weten we niet, het staat in elk geval niet in de Bijbel, blijkbaar is dat niet zo belangrijk.
Als we bedenken dat ze pas terug gingen toen het bericht kwam dat Herodes dood was, kwam een lang gekoesterde droom uit: we kunnen weer terug.

Gezien de vermelding dat ze teruggingen na de dood van Herodes zullen ze wel enkele jaren in Egypte hebben gewoond, maar waar precies en hoe, weten we niet.
Ik vond wel bijzonder om te lezen dat voor de christenen in Egypte – meestal horend bij de Koptische Kerk – die vlucht naar Egypte en het daar zijn van Jezus met zijn ouders heel veel betekent, en dat erom heen veel legendes en wonderverhalen zijn ontstaan, en dat plaatsen waarvan die christenen denken dat Jozef en Maria met Jezus gewoond hebben, belangrijke bedevaartsoorden geworden zijn. Bij veel van die verhalen moeten vele korrels zout, maar het is mooi dat ze mensen bemoedigd hebben en vooral dat ook in Egypte het evangelie nog steeds mensen raakt, en zeker ook dat de kerken daar alles er aan doen om met moslims in vrede te leven, zelfs in tijden dat er grote spanningen zijn en Koptische kerken zijn verwoest.

Toch, het blijft bijzonder, die aanhaling door Matteüs uit een profetie van lang geleden, van de profeet Hosea, die we net gelezen hebben. Op het eerste horen is het een vreemde opmerking dat toen het kind Jezus met zijn ouders na dat verblijf in Egypte terug kon reizen naar het eigen land, en gingen wonen in Nazaret, dat een vervulling was van wat God via Hosea tegen zijn volk toen zei: ‘Toen Israël nog een kind was, had ik het lief, uit Egypte heb ik mijn zoon weggeroepen.” Die zoon was natuurlijk Gods volk Israël, zoals dat al in Exodus 4 staat waar Mozes van God de opdracht krijgt om naar de Farao te gaan en tegen hem te zeggen: “Israël is mijn zoon, mijn eerstgeboren zoon”. Farao moest die zoon vrijlaten maar wilde dat niet maar werd daar door zware straffen toe gedwongen: Laat mijn volk, mijn zoon, gaan!

Eeuwen later komt God op dat begin terug, in een tijd dat het volk ontrouw is en God hevig teleurgesteld is in dat ongehoorzame kind, wat leidt tot aanvallen van andere volken en zelfs tot wegvoering in ballingschap, terug naar wat weer lijkt op Egypte. Ja maar toch blijft God van zijn kind houden: “Toch zal Ik jullie niet loslaten, jullie nooit in de steek laten, want mijn liefde voor jullie is groot en mijn hart vol medelijden,
daarom haal Ik jullie weer terug zoals ooit uit Egypte”..:“als bange vogeltjes komen ze uit Egypte, als duiven uit Assyrië; dan laat Ik hen weer wonen in hun eigen huis”. Dat is ook gebeurd, na lange ballingschap kwam een tijd van herstel en wederopbouw.

Weer eeuwen later werd Jezus geboren, in een tijd van weer bezetting, door Rome, en met op de troon in Jeruzalem die wrede Herodes, als zetbaas van de Romeinen. Maar als die Herodes is gestorven, kunnen Jozef en Maria met Jezus weer terug. En dan wordt dat profetenwoord opgehaald dat God zijn zoon uit Egypte terug roept.
Om de bedoeling te begrijpen moeten we ook hier bedenken dat die zoon Israël is, en dat Egypte beeld is voor onderdrukking, slavernij, onvrijheid en onvrede. En dat God zijn zoon Jezus heeft beschermd in Egypte en weer laat teruggaan naar het eigen land, om zo zijn volk en al zijn mensen te bevrijden uit van alles waar Egypte voor staat: de macht van de zonde, de angst voor de dood, verslaving, stress, dictatuur…En dat zou Jezus juist zijn vrijheid en zijn leven kosten – voor hem was dat Egypte ook in Israël: geen plek om rustig te wonen, vijandschap, en uiteindelijk zelfs uitgebannen uit de stad van God en als een godslasteraar weg gevloekt. Buiten de poort heeft Jezus geleden, buiten de poort de kruisweg betreden… En dat om dat volk en Gods wereld en ook u en jou voorgoed te redden en weg te roepen uit ‘Egypte’= een slavenleven van angst en zonde, ziekte, en dood.

Geroepen uit Egypte, dat mag je nu dankzij Jezus ook toepassen op je eigen leven. En dat is ook bemoedigend voor al die vluchtelingen en asielzoekers, en een les voor ons en al die andere mensen in geriefelijke huizen in een altijd nog veilig vredig land. Jezus die begon als vluchtelingetje weet wat het is wat vluchtelingen en hun kinderen van nu meemaken en Jezus spoort ons aan om ons hart voor ze open te zetten en onze handen naar ze uit te steken: wat je doet voor die broer of zus van mij in nood – die zieke, die hongerige, die gevangene, die vreemdeling, dat kind, doe je voor Mij. Jezus meet juist aan onze houding tegenover die kwetsbaren en hulpvragers af wie echt zijn volgelingen zijn en wie dat zeiden en dachten te zijn maar toch niet echt. Je zou kunnen zeggen dat de vluchtelingen onder ons die spiegel zijn van Jezus, dat je in wat zij meemaken kunt terugzien wat Jezus meemaakte, en dat voor ons en voor hen; en ook dat het juist past bij een christen vreemdeling te zijn, gast, nog niet thuis.

Jezus moest als vluchteling naar Egypte, en daarna uiteindelijk naar het kruis buiten de stad Jeruzalem, om ons leven te leven en onze zonden en ellende op zich te nemen, en zo ons weg te roepen uit wat voor ons kan zijn als een soort ‘Egypte’. Iemand noemt dat zo bedoelde Egypte ‘Angstland’, en dat kan van alles voor je zijn wat je dwars zit, je bang maakt, je gevangen houdt, allerlei oud zeer, en zonden. We zijn net als ooit die oudste zoon Israël onderweg van Egypte naar het beloofde land, en we mogen achter Jezus aan gaan die voorop gaat en die ons vasthoudt en meeneemt om ons te hulp te komen als we blijven steken of dreigen te vallen, en die ons thuisbrengt bij Vader, samen met al die anderen voor ons, met ons, en na ons. Dat ‘geroepen uit Egypte’ is ook een aansporing: kom ik als ik word geroepen, wil ik Jezus volgen, wil ik me bekeren van wat niet goed is, wil ik mee naar het goede land en nu al iets ervaren en laten zien van het goede leven, los van wat me gevangen houdt, met achterlating van wat me misschien wel veel waard is maar me blokkeert naar God en naar die ander toe- durf ik loslaten om zo juist te leven zoals bedoeld?

God roept al zijn dochters en zonen, al zijn mensen, wereldwijd, uit ‘Egypte’ terug.
Ja, en daar zullen ook onze broers en zussen bij zijn uit dat land Egypte van toen en van nu, en heel veel anderen uit landen waar het heel moeilijk is, gevaarlijk door onderdrukking en vervolging, of juist omdat luxe en geld of juist zorgen of verslaving aan van alles en nog wat mensen gevangen houden – er is voor een wereld die vaak nog donker en chaotisch is, en die vaak nog lijkt op dat Egypte als slavenhuis hoop en toekomst, dankzij Jezus die ons door dat alles heen meeneemt naar het beloofde land waar niemand meer hoeft te vluchten en niemand meer bang hoeft te zijn en waar we niet elkaar op afstand hoeven te houden, omdat we er allemaal thuis zijn en kwetsbare mensen dan helemaal geheeld zijn en voorgoed tot hun bestemming zijn gekomen – heel de wereld wordt Gods rijk en God zal voorgoed alles zijn in allen.

Zoals in Psalm 68 “Ook zelfs het land der duisternis zal weten wat uw luister is, Egypte zal U eren. Het Morgenland strekt als een bruid de handen haastig naar U uit, ook daar zult U regeren. De wereld brengt U huldeblijk, want heel de wereld is uw Rijk, Jeruzalem het midden; koningen overal vandaan komen met schatting voor U staan, elk land zal tot U bidden”.
amen

Liturgie morgendienst

Welkom

Belijdenis van afhankelijkheid en vertrouwen

Groet – amen

NLB 506: 1,2,3 ‘Wij trekken in een lange stoet op weg naar Bethlehem’

Gebed

Bijbellezing: Hosea 11

Psalm 81: 6,7,8 DNP

Bijbellezing: Matteüs 2: 1-12

NLB 520: 1-7 ‘De wijzen, de wijzen, die gingen samen reizen’

Preek over Matteüs 2: 13-15 Geroepen uit Egypte

NLB (Ps.) 68: 7,10 ‘God zij geprezen met ontzag’

gebed

collecte

Lied Opwekking 726 ‘Er is een onbegrensde liefde’

zegen

Lucas 21 – Hoe blijf je overeind in een tijd vol onrust en onzekerheid?

Liturgie

Zingen: Opwekking 830 ‘Hoe we ook zwerven’

Hoe we ook zwerven, zoekend en vragend
In onze twijfel laat U niet los,
in onze angst en pijn,
waar we ook bang voor zijn,
in onze onrust houdt U ons vast
Heer, ik geloof, maar help mijn ongeloof

Refrein:
In elke vraag blijft U de Heer.
Als oorlog woedt: God, U regeert
En ik geloof: één ding staat altijd vast
U bent trouw Heer, U bent trouw Heer

In al onze chaos blijft U dezelfde
U bent betrouwbaar, wat ook gebeurt
Al onze angst en pijn,
waar we ook bang voor zijn
ook als de storm komt, bent u erbij

Refrein (2x)

Heer, ik geloof, maar help mijn ongeloof
Heer, ik geloof, laat mij uw waarheid zien.

Bridge (8x)
U bent trouw, Heer, U bent trouw, Heer
U bent trouw, Heer, tot aan het eind.

Stiltemoment

Votum en groet – amen

Zingen: Ps. 93: 1,2,3 (Levensliederen)

1. De HEER regeert, gehuld in majesteit,
gekleed in almacht en hoogwaardigheid.
De wereld raakt beslist niet uit haar baan:
uw troon zal net als u altijd bestaan.

2. De oceanen bulderen, o HEER!
Ze daveren, de golven storten neer.
Maar boven storm op zee en waterkracht
heerst God de HEER met grote overmacht.

3. Wat u bedenkt is ongeëvenaard.
Wat u besluit is ons vertrouwen waard.
Uw niet te overtreffen heiligheid
versiert uw huis, HEER, tot in eeuwigheid.

Gods leefregels

Zingen: NLB 1008: 1,2,3 ‘Rechter in het licht verheven’

Gebed

Bijbellezing: Lucas 21: 5-36

Zingen: NLB 462: 1-6 ‘Zal er ooit een dag van vrede…?

Verkondiging over m.n. Lucas 21: 19/28/36
‘Hoe blijf je overeind in een tijd vol onrust, dreiging en onzekerheid?
Leer van Jezus
1) volhouden ;
2) moed vatten;
3) scherp blijven – en dat alles: op God gericht

Gemeente van Christus,

We leven in een tijd vol onrust, onzekerheid, slecht echt en slecht nepnieuws. Het is vaak al lastig om er achter te komen wat echt nieuws is en wat nep, fake-nieuws. En dat laatste maakt mensen vaak nog meer angstig en verward dan wat werkelijk is. Ik denk aan dat oude gezegde dat een mens nog het meest lijdt door onheil dat hij vreest en dat niet op komt dagen – maar het waart wel rond als een nog gevaarlijker virus dan corona – het zet aan tot terreur tegen b.v 5G-masten maar – nog erger – tegen medemensen die anders zijn en daarom dreigend – in de Middeleeuwen waren dat de Joden die werden aangezien als de bron van de pestepidemie, in onze tijd zijn het zomer Aziaten of anderen met een andere kleur of cultuur of gewoonten.

Maar inderdaad, onze tijd is onzeker en zit vol dreiging, onrust en ook veel angst, en dan is er meer dan dat virus: aanslagen hier en daar, oorlogen met als gevolg ook voor onze wereld de komst van vluchtelingen, klimaatproblemen, wantrouwen tegen de politiek en de media – niet alleen in de VS – aardbevingen zoals in Groningen…
En misschien is wel het moeilijkst de onzekerheid: hoe lang duurt wat we nu meemaken, en wat zijn de gevolgen op langere termijn voor onze manier van omgaan met elkaar, voor je bedrijf of baan, voor onze manier van kerk – zijn….
En als hopelijk deze pandemie voorbij is of er een afdoend vaccin gevonden is, wat is dat het volgende dat op ons af komt – weer: dat lijden dat ik vrees…wat misschien.
Vragen en nog eens vragen met daarachter dé vraag: hoe ben ik eronder, wat doet het mij/ons, en hoe ga ik en hoe gaan wij samen daar dan mee om, als gelovigen.

We hebben met elkaar een aangrijpend en ook wel lastig uit te leggen Bijbelgedeelte gelezen, een weergave van een stuk onderwijs van Jezus, kort na zijn triomfantelijke intocht in Jeruzalem en kort voor zijn arrestatie en veroordeling en kruisiging….het was dus in de laatste week van Jezus op aarde, vlak voor het laatste pesachmaal. Een aankondiging is het van wat allemaal te gebeuren staat in de tijd nadat Hijzelf via kruisdood en opstanding teruggegaan zal zijn naar zijn Vader in de hemel; zeg maar: in de tijd tussen zijn hemelvaart en zijn terugkomen naar deze wereld, dus de tijd waarin ook wij vandaag nog altijd leven en van alles en nog wat meemaken, ook aan moeilijke en dreigende en vreselijke dingen als oorlogen, rampen, epidemieën, natuurgeweld, klimaatproblemen, en ook een tijd waarin wie geloven het al te vaak zwaar hebben door bedreigingen en vervolgingen, zelfs van wie heel dichtbij staan.
En weer die vraag: wat doet dat met je, hoe ga je ermee om, hoe blijf je overeind?

Ik zei net dat dit Bijbelgedeelte best lastig is om helder te krijgen wat bedoeld is.
Dat zit vooral vast op de vraag op welke tijd en situaties slaat wat Jezus zei. Je krijgt het ene moment de indruk dat het gaat om wat we dan wel de ‘eindtijd’ noemen, de periode die voorafgaat aan de terugkomst van de Heer op de wolken; daar gaat het ook met zoveel woorden over in de verzen 27 en 28 en ook in vers 36, waar we lezen over ‘de Mensenzoon’ die in heerlijkheid arriveert, en ons ter verantwoording roept. Maar in het gedeelte vanaf vers 20 heeft Jezus het over de stad Jeruzalem die door vijandelijke legers omsingeld en verwoest zal worden en dat het er dan op aan komt of je op tijd weg kan komen voordat je gevangen genomen, weggevoerd of gedood wordt, want Jeruzalem zal “vertrapt worden door de heidenen”, een vreselijke tijd.
Terugkijkend in de geschiedenis weten wij dat het zo ook is gegaan, in het jaar 70 na Christus, toen de Romeinen Jeruzalem en de tempel hebben verwoest en veel mensen, vooral christenen, de stad zijn ontvlucht de bergen in, naar her dorp Pella.
Maar dan, als in één adem, gaat het verder over tekenen aan de hemel, en angst onder de volken, als het ware vanwege kosmische rampen, en dan komt Jezus. Dan vraag je je af wat dat wil zeggen want dat slaat toch op gebeurtenissen veel later?

Zoals vaker helpt het ook hier om andere Bijbelgedeelten erbij te betrekken, zeker als het om een van de vier evangelieverhalen gaat – vier die vaak elkaar aanvullen. In dit geval is verhelderend ernaast te leggen wat Marcus – de secretaris van Petrus – over ditzelfde gesprek vertelt, met veel overeenkomsten maar ook aanvullingen. B.v. dat de aanleiding tot dit gesprek een opmerking was van een van de leerlingen in het zicht van het tempelcomplex: “Meester, kijk eens wat een enorme stenen en wat een imposante gebouwen”(Marcus 13: 1). Waarop Jezus reageert met hard zal zijn aangekomen bij zijn leerlingen: er blijft geen steen op de ander, heel die tempel zal worden afgebroken. Het was blijven hangen bij ze, want als ze dan later op de dag vanaf de Olijfberg die tempel weer zien liggen, vraagt Petrus wanneer dat vreselijke zal gebeuren en waaraan ze kunnen herkennen dat het zover is – waarop Jezus als antwoord geeft wat we ook lazen bij Lucas dat ze niet door nepnieuws zich moeten laten beetnemen, en dat er eerst nog heel wat gebeuren zal – juist ook aan moeilijke dingen voor wie Hem willen volgen – en dat zij rustig moeten blijven en volhouden.

Dat is dan ook meteen de eerste les om overeind te blijven in een tijd vol onrust, dreiging en onzekerheid : volhouden – daar zit uithoudingsvermogen en geduld bij.
Dat gold voor de eerste generatie christenen die na Pinksteren de wereld in gaan met de boodschap van Jezus en die zullen stuiten op weerstand, vijandschap, vervolging, en die dat zelfs kan komen te staan op gevangenschap en doodstraf. We weten dat dat ook is gebeurd in die eerste eeuwen en ook later, tot vandaag aan toe. En ook – ik zei het al – is uitgekomen wat Jezus zei over Jeruzalem en de tempel. Maar, zei hij erbij, dat is nog niet het einde, en wanneer dat einde komt, weet God alleen – in Marcus 13 lezen we: “Niemand weet wanneer die dag of dat moment zal aanbreken, de engelen in de hemel niet, en de Zoon niet, alleen de Vader”(13: 32).

Een les die al te vaak niet geleerd is, als b.v. in tijden van oorlogen of grote rampen altijd wel weer dominees of andere zogenaamde profeten denken te weten dat het nu wel bijna zover is, en dat met allerlei Bijbelteksten of spitsvondige rekensommen. En ze beroepen zich er dan op dat Jezus zelf ons ‘tekenen der tijden’ gegeven heeft. Dat laatste is waar, maar die tekenen zijn wel wake-up-calls maar geen tijdpad. Ik zal nooit vergeten dat toen ik student was de al oude dominee Douwe van Dijk een lezing hield over die tekenen van de tijden en toen zei dat je ze moet zien als richtingwijzers – die kant gaat het op – maar niet als kilometerpaaltjes – zo ver nog. Een wijze les van een al vergrijsde voorganger – altijd goed om bij die les te blijven.

Ja, want het is eigenlijk gewoon een les van Jezus zelf: laat je niet misleiden en raak niet in paniek bij allerlei berichten over oorlogen en opstanden, aardbevingen en hongersnoden en epidemieën – pandemieën – dan weer hier en dan weer daar, all over the world, en door alle tijden heen – “want dat is nog niet meteen het einde.”
Waarmee we dichter bij de betekenis komen van dit onderwijs van onze Heer, dat bestemd is voor de tijd die zijn eerste leerlingen nog zouden meemaken maar ook meegaat daarna tot aan de dag dat Hij terugkomt, en dus ook actueel voor ons.

Sinds onze Heer wat in dit hoofdstuk is opgeschreven heeft gezegd, zijn bijna tweeduizend jaar voorbijgegaan en veel van wat we lazen is gebeurd en gebeurt nog steeds, en daar kun je van onrustig worden, bang, of zelfs van in paniek raken – of –
en dat kan ook zomaar – er cynisch van worden en je ogen maar ervoor sluiten. Vooral als het nieuws is – zomaar oud nieuws – dat onszelf minder of niet raakt: al die vluchtelingen in wrakke bootjes of in tenten in Griekenland of Libanon of waar dan ook; die ondernemers die bang zijn failliet te gaan, die jongeren aan de kant zonder contract en zonder geld, die daklozen die niet thuis kunnen blijven, die ouderen in het verpleeghuis die gelukkig geen familie of bekenden zijn, die oorlog en al die verwoestingen ver van ons veilige huis; die christenen die worden vervolgd, die mensen die lijden onder discriminatie en racisme, anti -semitisme, haat tegen moslims, en ga zo maar door –heel erg, maar je kunt er toch niets aan veranderen….

Maar wat dan wel? Hoe blijf je overeind bij dat alles zonder in paniek te raken of cynisch te worden, zonder of je kop in het zand te steken of er niet van te slapen?
Als eerste – ik gaf het al even aan – wat in vers 18 staat : standvastigheid, om zo erdoor heen te komen, je leven te redden omdat God er is en je overeind houdt. Het is een ijzersterke bemoediging van Jezus je Heer: “Geen haar van je hoofd zal worden gekrenkt. Red je leven door standvastigheid” – het gebruikte woord heeft in zich dat geduld gevraagd wordt en uithoudingsvermogen, veel dus, het kost veel en je krijgt niet de garantie dat je niks kan overkomen – integendeel – lees maar wat er allemaal op je af kan komen en wat het je kan kosten, maar houd vol en houd moed want dit is niet het einde, het einde is gered worden en overwinnen, met Jezus.

Houd vol en – dat is twee – vat moed. Dat haal ik vooral uit vers 28, na dat lastige gedeelte over al die ellende tijdens en na de belegering en verwoesting van Jeruzalem en daarna – weer komen beelden langs van natuurgeweld boven en beneden – en angst slaat door de wereld: “de mensen worden onmachtig van angst voor wat er met de wereld zal gebeuren”- dat slaat op de tijd die de eerste leerlingen zouden gaan meemaken, maar het herhaalt zich de eeuwen erna, tot op vandaag, en we herkennen het in onze tijd met dan weer aanslagen, nu weer zo’n pandemie en we weten niet wat het volgende zal zijn, en oorlogen en dictaturen zijn er ook steeds maar weer – en dan is de bemoediging van onze Heer om moed te vatten en er voortekenen in te zien van de definitieve afrekening en verlossing als Hij terug zal komen: “wanneer dat alles staat te gebeuren, richt je dan op en hef je hoofd, want jullie verlossing is nabij”. Nabij, dat wordt herhaald in vers 31: “Zo moeten jullie ook weten, wanneer je die dingen ziet gebeuren, dat het koninkrijk van God nabij is”.
‘Nabij’, zoals vaker in de Bijbel staat er geen datum bij en krijgen we ook geen tijdpad mee, maar is het wel een stip op de horizon: het komt goed, laat je hoofd niet hangen maar kijk omhoog en zorg dat je er klaar voor bent.

Ja, want dat is de derde en laatste aansporing; wees waakzaam en blijf bidden. Dat is een oproep om scherp te blijven, en in alles gericht op God en op zijn toekomst.
Er gaat een waarschuwing aan vooraf – ook heel actueel voor onze tijd – om niet afgestompt te raken door of ‘de roes en de dronkenschap’- zeg maar: werk, geld, luxe, spullen, uitjes en noem maar op – óf ‘de zorgen van het dagelijks leven’- zeg maar: m’n baan, m’n gezondheid, m’n pensioen, m’n huis of het zoeken ernaar, dat virus en wat er de gevolgen van zijn, en zoveel meer dat ons in beslag kan nemen.
Allemaal vanuit de gedachte of de wens om alles in je leven in de grip te hebben.
Ik herken het bij mezelf als het meest lastige en ingrijpende van al die beperkende maatregelen van de laatste maanden: ik heb er moeite mee dat ik niet het leven kan leven dat ik graag wil en waar ik me goed bij voel: op bezoek gaan als dat zo uitkomt, naar een museum of een stad als ik daar zin in heb, en vooral ook: naar de kerk elke zondag en de preekafspraken die gemaakt zijn nakomen, en elkaar ontmoeten…en ook dat de vakantie die we hebben geboekt gewoon kan doorgaan en zo nog wat…en dan ineens gaat door een heleboel een streep of je moet in elk geval erover nadenken wat wel en niet kan en dat je elkaar op afstand moet houden…heftig!
En dan bekruipt me de nare gedachte dat het zo nog maanden door kan gaan misschien, dat je de hele winter niet gewoon naar de kerk kan en op bezoek…je hebt het niet meer onder controle, je moet afwachten en geduld hebben en volhouden… Het zijn precies de aansporingen die we in dit gedeelte horen van onze Heer zelf,
met het oog op tijden vol onrust en onzekerheid; maar hoe brengen we dat op?

Het kan niet op eigen kracht en met allerlei eigen goede voornemens, we hebben er de hulp van boven voor nodig, van God zelf die in ons woont en werkt door zijn Geest – Jezus zegt ook in vers 36 dat we niet moeten ophouden te bidden, en bidden is vooral om hulp en kracht vragen om vol te houden, de moed erin te houden en waakzaam te blijven – en daar geeft God ons ook elkaar voor: familie, gemeente, en ook een overheid die goed luistert naar de burgers en het goede met ons voor heeft – anders dan in landen waar regeringsleiders de situatie misbruiken voor eigen gewin en vergroting van hun eigen grip op hun burgers – bid vooral ook voor die landen, en voor zovelen die extra kwetsbaar zijn als vluchtelingen, daklozen, armen.

Gemeente, nog altijd zijn we onderweg en in afwachting, onderweg naar de echt goede nieuwe tijden als Jezus een eind maakt aan al die onzekerheid en onvrede. Als er een wereld komt zonder ziekte en oorlog, zonder eenzaamheid en stress. Zover is het nog niet, en daarom blijft het aankomen op volhouden en moed houden. In de zekerheid van vers 19: je redt je leven door standvastigheid. Beloofd is beloofd!
amen

Zingen: Opwekking 354 ‘Glorie aan God’

Gebed

Collecte

Zingen: Gz. 231: 1-4 NGK ‘Maak muziek voor God de Vader’

Zegen

Zingen: NLB 425 ‘Vervuld van uw zegen’

Psalm 78: 1-8: ‘Wie de ogen sluit voor het verleden, is blind voor de toekomst’ (herplaatst – n.a.v. 75 jaar vrijheid – en 80 jaar na begin WO II

Psalm 78: 1-8: ‘Wie de ogen sluit voor het verleden, is blind voor de toekomst’.

Gemeente van onze Heer Jezus Christus, die leeft en regeert,

‘Wie de ogen sluit voor het verleden, is blind voor de toekomst’.

Dat is een uitspraak van de vroegere Duitse president Richard von Weizsäcker. Dat laat zien dat kennis van het verleden en door blijven vertellen van wat in de 2e Wereldoorlog is gebeurd en wat die oorlog aan wonden heeft nagelaten, niet alleen belangrijk is om de slachtoffers en de nabestaanden te eren, maar ook om lessen te trekken uit die oorlog, om de gevaren te zien die in onze eigen tijd de vrijheid van mensen en de vrede tussen de volken bedreigen, en om er alles aan te doen wat in de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw gebeurde te voorkomen: om het kwaad dat aan alle kanten de kop opsteekt – van haat tegen Joden en christenen, maar ook tegen moslims, asielzoekers, homo’s, en andere minderheden en afwijkende meningen – aan te wijzen en op tijd aan te pakken. En ook wordt de vraag steeds nijpender wat onze verantwoordelijkheid is voor de opvang van en hulp aan de grote stroom vluchtelingen die Europa willen binnenkomen omdat het in eigen land onveilig is of omdat ze daar geen toekomst zien. En: hoe voorkomen we een negatieve tegenreactie uit angst voor eigen verworven rechten? Wat doen we als discriminatie en uitsluiting dreigen, met geluiden en zelfs geweld die doen denken aan wat aan de oorlog voorafging?

Allemaal redenen – en er zou meer te noemen zijn – om te blijven herdenken. Want – weer dat jaarthema – “wie de ogen sluit voor het verleden, is blind voor de toekomst” – je kan erbij zeggen: en die stopt zomaar ook zijn kop in het zand voor dreiging die nu al de kop opsteekt, en kijkt weg van bestaande nood.

Kort en goed: herdenken is meer dan herinneringen ophalen aan lang geleden, het is vooral ook van dat verleden leren voor nu en voor de tijd die voor ons ligt.

Als mensen die in God geloven en hier vanmorgen in de kerk zijn, leren we nog veel verder terug te kijken en mogen we veel verder vooruit kijken, en worden we ook uitgetild boven wat korter of langer geleden door toedoen van mensen en volken en hun leiders is gedaan aan goed of slecht, en wat nu mensen elkaar aandoen.

Want we geloven dat er Een is die daarboven staat en achter de schermen bezig is om zijn plan uit te voeren: de God van wie we aan het begin van deze dienst zongen dat zijn trouw eeuwig is en dat Hij het werk dat Hij begonnen is nooit zal loslaten.

Daarom is voor een gelovige herdenken, gedenken, dwars door alles heen en meer dan alles wat mensen deden en meemaakten aandacht voor Gods grote daden.

Psalm 78 is daar vol van, en die psalm begint met de oproep wat God vroeger allemaal aan grote dingen gedaan heeft niet in het vergeetboek terecht te laten komen, en daarom de verhalen door te geven van de ene generatie op de andere.

Precies wat veel mensen zien als het belang van elk jaar de dodenherdenking en het vieren van de bevrijding en vooral ook het blijven doorgeven van de vrijheid. Zoals iemand zei die de nationale herdenking op de Dam bijwoonde: “Ik ben hier vanavond met mijn dochter en vier kleindochters. Mijn opa heeft in concentratiekamp Theresienstadt gezeten omdat hij bij het verzet zat. Ik wil aan de volgende generatie doorgeven hoe belangrijk het is in vrijheid te leven.”

Nou zou je kunnen denken dat wij in de kerk toch met andere verhalen bezig zijn. Psalm 78 is een soort geschiedenisles, op muziek, ‘een leerdicht’ staat in de oude vertaling, vanaf de uittocht uit Egypte tot en met koning David. Maar we zeggen dan dat het niet maar vaderlandse geschiedenis is van de Joden maar een belangrijk stuk van wat we ‘heilsgeschiedenis’ noemen.

Vroeger kregen wij op school Bijbelse geschiedenis – de verhalen over de schepping en de zondvloed en het volk Israël, en over de Here Jezus – over wat God deed dus.

En dan kreeg je Vaderlandse geschiedenis, en dat ging over mensen en wat zij deden : de tachtigjarige oorlog met Willem van Oranje, Filips II, de watergeuzen – en later de Franse tijd, en natuurlijk ook de Tweede Wereldoorlog en de bevrijding…..

Twee heel verschillende vakken, maar toch: ook wat gebeurd is in onze eigen Nederlandse geschiedenis, valt toch niet buiten de leiding en het plan van God? We geloven toch dat de God van Israël de God van de wereld is, van alle volken? En dat we daarom zo’n psalm als Psalm 124 ook mogen zingen met het oog op de bevrijding van 1945, na vrij zware jaren van bezetting en onderdrukking, van honger, met verzet en verraad, onderduikers, concentratiekampen, gaskamers: “indien de HEER ons niet had bijgestaan, toen het woeden van de vijand werd gevreesd, dan waren wij verslonden en vergaan…” maar – God zij dank: “wij zijn ontsnapt als vogels aan het net…de strik brak los en wij zijn vrij geraakt” ?

Nou, en daarom kun je uit die Psalm 78 die gaat over de geschiedenis van Gods volk Israël, ook veel leren over hoe om te gaan met onze eigen geschiedenis. In een wereld die Gods wereld is, en waar God vandaag overal werkt aan zijn plan, en waar God ook ons een plek geeft, in deze tijd, met oog voor wat onder Gods leiding is gebeurd in het verleden, wat in eigen tijd speelt, en wat we kunnen leren uit de geschiedenis voor onze eigen houding, en om door te geven aan de volgende generatie en zo steeds verder. Zoals in de psalm: “zo zou het volgende geslacht ervan weten en zij die nog geboren moesten worden, zouden het weer aan hun kinderen vertellen” – met open oren, open ogen, om als Gods tekens te verstaan.

Zoals al gezegd: Psalm 78 is – hoe het woord erboven ook vertaald – lesstof. De dichter zegt het met zoveel woorden – ik geef ze nu even weer uit de BGT: “Luister goed, want ik wil jullie iets leren. Wijze woorden wil ik spreken, wijze woorden over het verleden, over dingen die vroeger gebeurd zijn, en die wij van onze voorouders hoorden. Ook onze kinderen moeten dit weten”.

En dan volgt – dichterlijk maar tegelijk heel feitelijk – een geschiedenisles. De geschiedenis komt langs vanaf de uittocht in Egypte tot aan koning David. Een geschiedenis vol hoogtepunten maar vooral veel dieptepunten, en eerlijk.

Dat eerlijke is misschien de eerste les, voor hoe om te gaan met eigen verleden. De neiging bestond – en bestaat misschien nog wel – om als het gaat over de geschiedenis van je land, of van je eigen familie, of van je eigen kerk – vooral naar voren te halen wat goed was en goed ging, en waar jouw land of jouw familie of jouw kerk positief mee voor het voetlicht te halen is. Dan wordt geschiedenis zomaar een verhaal over heldhaftigheid, over goede keuzes van het voorgeslacht, over de roemrijke en krachtige daden die mensen gedaan hebben, waar we trots op kunnen zijn, zoals het verslaan van het machtige Spanje, en de gouden eeuw met de VOC en schilders als Rembrandt, en natuurlijk de verzetsstrijders in de oorlog en de mensen die onderduikers verborgen hielden, en dat we na de oorlog ons land weer hebben opgebouwd.

Ja maar, veel schaduwkanten blijven dan zomaar onderbelicht: over de slavernij waaraan we goud hebben verdiend, over veel armoede ook in die gouden eeuw, en over veel wegkijken in de oorlog, en meewerken met de bezetter dat er ook was, en over te weinig oor en oog voor het lot van de Joden – Hoe moedig dat onze koning in zijn toespraak op 4 mei dat benoemde en zelfs zijn overgrootmoeder koningin Wilhelmina daarbij noemde. En eerder zijn na jaren ook excuses aangeboden voor onrecht en geweld in Ned- Indië na de oorlog. Ik herinner me de titel van een boek dat vroeger bij ons thuis in de boekenkast stond en dat ging over wat Nederland in Indië tot stand gebracht heeft: ‘Daar werd wat groots verricht’ – over Nederlands- Indië in de twintigste eeuw. Ik heb het boek nooit gelezen, ik weet alleen die titel nog, maar ik denk zomaar dat het een nogal eenzijdig verhaal zal zijn..terwijl later steeds meer bekend werd over onderdrukking en keihard geweld ..niet lang geleden is een ander boek verschenen: ‘daar werd wat gruwelijks verricht’ – dat moet in alle eerlijkheid ook verteld.

Kerkgeschiedenis kan ook heel eenzijdig verteld worden als het vooral gaat over eigen gelijk en er geen oog is voor wat dan heet ‘veel vlees en wereld’; door mensen die met alle goede bedoelingen beperkt zijn en verkeerde keuzes kunnen maken – precies zo als je eerlijk terugkijkt naar je eigen voorgeslacht en je van alles kan tegenkomen waar je als familie niet alleen maar blij mee bent.

Maar dat eerlijk kijken naar het verleden, met ook oog voor wat er allemaal mis was en mis ging, dat maakt juist de bewondering groter voor onze God die met zoveel kromme stokken toch nog rechte slagen kan maken en die dwars door alles heen trouw blijft en ons vasthoudt – die niet loslaat wat zijn hand begon.

Kijk en dat is wat die psalm ons wil leren en wat ouders moeten doorgeven aan hun kinderen als een les vanuit het verleden voor de toekomst. Als we die psalm in zijn geheel lezen is het eigenlijk één vervolgverhaal van de grote daden van God en van gebrek aan vertrouwen en ongehoorzaamheid en ontrouw van het volk – waar dan weer straf op volgde en toch weer nieuwe redding – hoor de verzen 34-38 (BGT): “Soms doodde God mensen uit het volk. Dan zocht het volk Hem weer, dan verlangden ze weer naar Hem. En dan wisten ze weer: God is trouw aan ons, de Allerhoogste is onze bevrijder. Toch werden ze weer ontrouw, ze waren niet eerlijk tegen God. Ze dachten niet meer aan Hem en deden niet wat ze Hem hadden beloofd. Maar God had medelijden met hen. Hij strafte hen niet voor hun fouten, Hij doodde hen niet allemaal. Hij liet niet zien hoe boos Hij was, steeds opnieuw had Hij geduld. Want Hij kende de Israëlieten. Hij wist hoe klein en zwak ze waren, zo zwak als adem die je uitblaast”.

Ja, inderdaad, daar werd wat groots verricht, niet door mensen, maar door God. Kijk zo ook maar terug in eigen verleden: van je familie, van de kerk, van ons land. En sta versteld van Gods geduld, van zijn trouw, van toch steeds weer een nieuw begin, en wees maar bescheiden over wat mensen ervan terecht brengen, noem eerlijk wat fout ging, wat echt slecht was, en wat we kunnen leren en moeten afleren. Vers 8 is over dat laatste glashelder: “dan zouden zij niet worden als hun voorouders, een onwillig en opstandig geslacht, onstandvastig van hart en geest, een geslacht dat God ontrouw was” . Die vuile was wordt niet weggestopt maar eerlijk buiten gehangen, daar kun je juist van leren en wijzer en sterker van worden, in je voordeel.

Ook weer een wijze les – wijzer dan te doen of vroeger alles beter was – de Prediker wist het ook al: “Vraag je niet af waarom het vroeger beter was dan nu. Het getuigt van weinig wijsheid als je daarnaar vraagt” (Prediker 7: 10) – ja, want het is in heel veel opzichten niet zo – de Prediker zegt ook dat er weinig nieuws onder de zon is: “alles wat er gisteren was,zal er morgen weer zijn en alles wat eerder gedaan is, zal later weer gedaan worden” – en bovendien gaat het zoals het gaat en leef je niet vroeger maar nu, en ook dat is onder de leiding van God – nog een keer de Prediker: “er is voor alles in het leven een geschikte tijd en God zorgt ervoor dat alles op de juiste tijd gebeurt” – en dan komt het erop aan dat wij de tijd goed gebruiken en daarbij leren van het verleden, en onze winst ermee doen, voor nu en voor de tijd die komt.

Wat de psalm ons ook leert, is het belang van contact en gesprek tussen generaties: grootouders, ouders, kinderen – dat is wat bedoeld is met traditie = doorgeven van wat je zelf hebt gehoord, meegekregen, geleerd, en meegemaakt – hoor maar: “wij hebben het gehoord, wij weten het, (want) onze ouders hebben het ons verteld”.

En dan hou je dat niet voor jezelf en stop je het niet weg, uit angst of uit trots – dia 9 b.v.dat lastige verhaal over die fout keus, of die misser die toen is gemaakt, of die bijzondere ervaring die je nooit vergeten bent – nee: “wij willen het onze kinderen niet onthouden, wij zullen het aan het komende geslacht vertellen” – en dat ook niet met daarbij een ‘ vertel het maar niet verder, ik vertel het je in vertrouwen’. Soms is dat wijs maar vaker is wegstoppen niet zo goed. In de psalm is het: “zo zou het volgende geslacht ervan weten, en zij die nog geboren moeten worden, zouden het weer aan hun kinderen vertellen” – en dat niet om eigen verleden te verheerlijken of om die of die aan de kaak te stellen maar om des te meer op God te vertrouwen – en niet op mensen, die andere of jezelf – en Gods grote daden niet te vergeten, en ook om zich te richten naar zijn geboden – zoals die opa en oma, of juist anders dan die oom die fout was of….om niet weer in de fouten te vervallen die mede tot die vreselijke oorlog hebben geleid, om niet weer verschillen te laten uitgroeien tot een scheuring, om des te meer te willen leven van genade en het in alles van God alleen te verwachten.

“Wij zullen het onze kinderen niet onthouden, wij zullen aan het komend geslacht vertellen…” hoe is het dat ons, hoe doet u dat, en wat merken jullie ervan? Ik bedoel: wat vertelt u dan, wat geven we door, wat krijg je ervan mee, of niet?

In de psalm gaat het over de daden van God, de wonderen die Hij gedaan heeft. Heel concreet komen dan allerlei gebeurtenissen langs vanuit de geschiedenis. Maar als je dat goed leest en op je in laat werken, is het meer dan namen en feiten, gaat het om ingrijpende ervaringen van mensen, van zonde, straf, bekering, weer falen, over diep menselijke drama’s en over heel veel goddelijke liefde en geduld – en dan weer die vraag hoe dat is met ons, hoe u dat doet, wat jij daarvan meekrijgt. We zijn er niet met doorgeven van de Bijbelverhalen, wat echt overkomt is ons eigen verhaal: wat het geloof met ons doet,wat God deed in ons leven,wat wij meemaakten.

Ik denk ook voor wat de oudste generatie onder ons betreft: hoe u de oorlog bent door gekomen, wat is gebeurd met uzelf, uw ouders, wat de invloed ervan geweest is.Wat je steeds weer tegenkomt is dat veel vanuit die oorlog verzwegen is, weggestopt maar dat juist de laatste jaren elke weer verhalen naar boven komen, eindelijk – vaak verhelderend en helend – want steeds weer hoeveel impact die tijd gehad heeft. Alle reden om te praten, om juist wel te vertellen, ook wat pijn blijft doen en verdriet. Alle reden om een luisterend oor te zijn voor mooie verhalen en ook voor oud zeer.

Ja maar vooral – in de lijn van die leerzame en vooral dankbaar verwonderde psalm – om oor te hebben en oog voor wat God heeft gedaan en blijft doen, voor zijn onvoorstelbare trouw en geduld, zijn liefde en genade, bij alle vragen die er kunnen zijn en ook bij alle pijn en verdriet van lang geleden en van hier en nu . De psalm loopt uit op Gods keus voor David om namens hem Gods volk te leiden en te weiden.

Dan mogen wij in het licht van Pasen doordenken tot op Davids en Gods Zoon Jezus die als de grote goede Herder voorop gaat en alle macht heeft, ook over deze aarde.

Dus vergeet niet zijn verleden en zijn heden, en wees niet blind voor zijn toekomst. Want echte vrijheid en blijvende vrede en een hoopvolle toekomst zijn mogelijk geworden en zullen werkelijkheid worden dankzij Jezus die zijn bloed gaf en zijn leven opofferde voor ontelbaar velen en die wie Hem volgen het goede leven leert.

’Vrijheid geef je door’ is het meerjarenthema van dodenherdenking en bevrijding. Over doorgeven gaat ook Psalm 78 – en dat wordt terecht vaak toegepast op de opdracht om je kinderen, om de jongere generatie, door te geven en voor te leven wat God voor ons gedaan heeft en doet, en wat God van u en mij en jullie vraagt.

Dan gaat het over de echte en blijvende bevrijding – van zonde en van schuld en dan ook van de zonden van vroeger en nu, en de wonden die dat nalaat, tegen de hoge prijs van het bloed van Gods eigen Zoon Jezus – en de vrede die daardoor is verdiend: vrede met God die zelfs midden in ellende als ziekte, oorlog, dood, niet verstoord kan worden, en vrede in je eigen hart en met de mensen om je heen.

Ik denk aan die sterke taal van de apostel Paulus in het bekende Romeinen 8: “Wij horen bij Christus en Christus houdt van ons. Niets kan dat veranderen. Ook al moeten we lijden, ook al worden we vervolgd en bedreigd. Ook al hebben we honger, ook al zijn we arm, ook al is ons leven in gevaar……Hoe zwaar het ook wordt, we zullen alle moeilijkheden overwinnen. Want God houdt van ons” (Rom 8:35v. – BGT).

Dat heeft veel mensen in die moeilijke oorlogsjaren, zelfs in concentratiekampen en in de dodencel, moed gegeven; en het geeft kracht aan wie in onze tijd vervolgd worden; het kan helpen in tijden van ziekte en zelfs als de dood dichterbij komt.

Dat doorgeven is meer dan erover praten, het is vooral dat geloof voorleven,zodat je kinderen en kleinkinderen en anderen om je heen erdoor geraakt en er zelf door bemoedigd worden, en als God het geeft ook op Hem willen en gaan vertrouwen – en ook zo willen leven als ze van u of jou zien: leven als Jezus, in zijn vrijheid en vrede; als – zingt een lied – “een volk op weg gezet om vrede tegemoet te gaan: de toekomst die is aangezegd, moet doorverteld, verstaan, gedaan…..Wij struikelen en staan weer op: iedere dag een nieuw begin…..Wij gaan.”

amen

liturgie morgendienst

votum en groet

zingen: Ps. 124: 1,2,3

wet van de HEER Deut. 5

zingen: Gz. 11: 1,2,3 mel. Lied 288

gebed

Schriftlezing: Psalm 78: 1-22; 34-39; 67-72

zingen: Ps. 78: 1,2,9,20

verkondiging: Psalm 78: 1-8 dia 1

zingen: Lied 130: 1,3,4

gebed

collecte

zingen: Ps. 126: 1,2,3

zegen

amen: Gz. 37: 8