Psalm 22: 4 ‘Staat of valt Gods troon met ons lied…of niet?

Liturgie middagdienst zondag 22 oktober 2017 BoL

welkom
zingen: NLB 985: 1,2,3 ‘Heilig, heilig, heilig, hemelhoog verheven’
moment van stilte en gebed

votum en groet
zingen: Ps. 107: 1,20 LB ‘Gods goedheid houdt ons staande
gebed

Schriftlezing: Psalm 22
zingen: Ps. 22: 1,2,8 Levensliederen

1. Mijn God, mijn God, waarom verlaat u mij?
Waarom komt u die redt, niet dichterbij?
Waarom gaat u aan mijn verdriet voorbij,
aan al mijn vragen?
Mijn God, al schreeuwend vul ik al mijn dagen.
U antwoordt niet, en ook in lange nachten
krijg ik geen rust, geen antwoord op mijn klachten.
Hoort u mij niet?

2. Toch bent u heilig – dat geloof ik wel.
U troont op liederen van Israël.
Hoor hoe ik mijn vertrouwen op u stel,
op u wil bouwen,
zoals ons voorgeslacht u bleef vertrouwen.
Zij riepen u, waarna u hen kwam leiden.
Erkenden u, waarna u kwam bevrijden.
Help mij ook nu.

8. U gaf mij antwoord, u keek naar mij om.
Als ik met broers en zussen samenkom,
eer ik uw naam: wij zijn uw eigendom
om u te prijzen!
Kom, Jakobs kinderen, ga hem eer bewijzen.
Hij heeft gezag, maar zal je nooit verachten.
Wie naar hem uitkijkt mag zijn komst verwachten,
met groot ontzag.

verkondiging: Psalm 22: 4 ‘Staat of valt Gods troon met ons lied… of niet?’

zingen: Ps. 149: 1,2,5 LB ‘Halleluja! Laat opgetogen’

geloofsbelijdenis
zingen: NLB 304: 1,2,3 ‘Zing van de Vader, die in den beginne’

gebed

collecte

zingen: Ps. 22: 9,10 Levensliederen
9. Mijn lied, mijn danklied komt bij u vandaan.
Bij wie de HEER erkent, sluit ik mij aan.
Wat ik aan u beloof zal ik voortaan
daar laten weten.
Wie zwaar vernederd is, zal volop eten.
Ja, dat de mens die God de eer zal geven
verzadigd wordt, in eeuwigheid blijft leven!
Dat is mijn wens.
10 De hele wereld hoort dan van de HEER.
De hele aarde zoekt en vindt hem weer.
En alle volken knielen voor hem neer.
Hij is de koning!
Armen en rijken krijgen hun beloning:
zij prijzen God en zullen met hem eten.
Wie hier gestorven is, en wordt vergeten
vangt daar geen bot.
zegen

amen: Ps. 22: 11 Levensliederen

Het nieuws zal overal te horen zijn.
En wie de Heer is, weet straks groot en klein
en zelfs wie nu nog niet geboren zijn:
hij houdt van daden.
Het is volbracht, de eer is aan de Vader
en aan de Zoon, door wie wij eeuwig leven,
en aan de Geest, die ons geloof wil geven
en in ons woont.
————————————————————————————————————
Gemeente van onze Heer Jezus Christus, broeders en zusters, jongens en meisjes,
dia 1
Toen ik nog jong was, was het een populair liedje, gezongen door Corry Vonk, de vrouw van de cabaretier Wim Kan….ze zijn allebei al lang overleden, en vergeten?
Uitgedost met een oranje hoedje, zwaaiend met een roodwitblauw vlaggetje, en met een feesttoeter aan de mond, speelde Corry Vonk een parodie op de volksmassa die uitliep als de koningin langskwam, met koninginnedag of Prinsjesdag:
en ze zong: ”ik heb heel de monarchie in m’n handen met die drie: met mevlaggetje, me hoedje en me toeter”. dia 2
Die voorstelling en dat liedje hadden naast zelfspot een serieuze ondertoon.
Het serieuze zit daarin dat – zeker in onze tijd van volksinvloed en mondigheid -
erfelijk koningschap niet kan overleven zonder een breed draagvlak in de samenleving. Als niemand meer de royals toejuicht, kunnen ze net zo goed naar huis gaan…….Vandaar regelmatig onderzoeken naar de vraag hoe populair de koning is en de andere leden van het koninklijk huis – en als het daarmee niet goed zou gaan,zou dat echt een probleem zijn – op den duur zelfs voor het voortbestaan van de monarchie; plat gezegd: daarmee zouden de poten onder de troon al verder worden weggezaagd….want een koning zonder onderdanen, een koning die door het volk niet geaccepteerd wordt, dat gaat uiteindelijk niet – stel je voor dat de meerderheid voor een republiek zou kiezen…

Kijk, en als je nou ons tekstvers zo leest, lijkt het wel of daar net zoiets is bedoeld
als het gaat over God de HEER als de Koning, en het volk Israël als zijn onderdanen.
De HEER wordt de Heilige, De Verhevene, genoemd, die troont op de lofzangen van Israël… dat is zoiets als: de troon van Jahwe staat of valt met de toejuichingen, het eerbetoon, van zijn volk.

Zeg niet te gauw dat je dat natuurlijk niet mag zeggen, omdat God natuurlijk gewoon Koning is, zelfs als geen mens Hem als Koning zou erkennen – God heeft geen mensen nodig, toch? Hoe waar dat ook is – en het is waar! laten we ons niets verbeelden! – toch belijden we als het over de kerk gaat, dat die kerk er zal zijn tot het einde van de wereld, omdat Christus een eeuwig Koning is, die niet zonder onderdanen kan zijn. dia 3

Kijk, en dat geeft geweldig houvast ook en juist midden in de crisis van de hemelse monarchie, als het alles er op lijkt dat het met dat koningschap gedaan is en niemand deze koning nog wil, als (nog eens onze belijdenis) de kerk soms heel klein wordt of zelfs verdwenen lijkt te zijn:dan mag je zeker weten dat dat niet het einde kan zijn,
want de Koning kan niet zonder onderdanen, en Hij zorgt ook zelf voor steeds weer nieuwe onderdanen.

Je mag je erop beroepen zoals David in deze psalm doet: Here, U laat me toch niet in de steek? Ik ben toch uw knecht? ik hoor toch bij dat volk dat uw lof zingt in de wereld? Mooier nog en intiemer nog: maar Vader, ik ben toch uw kind? Maar HEER, maar Vader, hoe kan ik daarmee rijmen wat mij gebeurt en wat gebeurt in uw wereld? U zaagt toch niet de poten door onder de troon die U zelf midden in deze wereld hebt neergezet?

dia 4 Staat of valt Gods troon met ons lied… of niet?
1.God schept zelf het draagvlak voor zijn troon
2.houdt die troon het wel als er weinig te zingen valt?
3.Gods troon staat wel stevig- maar waar blijft ons lied?

dia 5 1. God schept zelf het draagvlak voor zijn troon.

Het staat als een paal boven water dat God over de hele wereld regeert.
Dat mag een klein bedreigd volkje tussen en tegen veel grotere wereldmachten
tot zijn geruststelling vasthouden en volhouden: God troont boven het rond der aarde (Jes. 40: 22) – nietig zijn de volken in Gods ogen, Hij beschouwt ze als onbeduidend, minder dan niets (40:17). Vandaar dat psalmen en profeten alle volken keer op keer oproepen Israëls God te loven. Ja inderdaad, Israëls God. Zo maakt Jahwe zich ook eeuwen en generaties lang bekend Niet omdat de HEER alleen de God van dat ene volk zou zijn, naast collega-goden uit de buurt. Ook niet omdat Hij aan de rest van de wereld, aan zeg maar de mensen buiten de kerk, geen boodschap zou hebben en ze als toch hopeloze gevallen zou hebben afgeschreven.

Maar wel omdat de Schepper van heel de wereld, de God van alle volken,zich uit al die volken dat ene volkje uitgekozen heeft, om zijn speciale eigen volk te zijn.Niet omdat ze beter waren dan de rest, ook niet omdat er veel eer aan te behalen was -Mozes zette ze met beide benen op de grond: een minivolkje jullie en nog koppig en dwars ook – maar alleen omdat dat de Heer ten voeten uit is: wat voor de wereld van geringe afkomst is en weinig te betekenen heeft, ja wat helemaal niets voorstelt, dat heeft God uitgekozen om alles wat iets betekent uit te schakelen. Voor eigenroem is dan ook geen plaats” (1 Kor.1:28-29).

Kijk, en juist zo komt er plaats vrij voor roem en eerbetoon aan het adres van God zelf. Juist met het oog daarop koos God voor Israël en ruimde Hij een eigen plaats voor hen in. Zoals de Heer via zijn profeet zei: een volk dat Ik heb gevormd om mijn lof te verkondigen (Jes.43:21).

Daarmee komen we heel dicht bij wat David in ons tekstvers zeggen wil, en bezingen wil. In een wereld vol vijanden, een wereld waarin de volken ipv. de HEER eigen goden dienen – een regelrecht gevolg van de opstand van de mens in het paradijs, de mens die als God wilde zijn -in een wereld die weigert in woord en lied God te loven, en metterdaad te leven tot Gods lof -in zo’n wereld schept de Schepper van alle dingen ruimte voor zichzelf en een nieuw draagvlak voor zijn hemelse koninkrijk, dat eens weer heel de aarde zal omvatten.Dat ene kleine volkje Israël zou je kunnen noemen Gods bruggenhoofd midden in bezet gebied. Als een springplank om de wereld terug te veroveren, van Jeruzalem straks tot de einden der aarde.

Gemeente, daar hing voor de HEER veel van af. Hij had a.h.w. zijn lot aan Israël verbonden. Dat is een geweldig voorrecht voor mensen: dat God met jou in zee wil, het met u wil wagen. In alle eerbied gezegd: dat is als je alleen naar die mensen kijkt, een riskant waagstuk. Zeker terugkijkend door Israëls geschiedenis heen kun je niet begrijpen dat God het aandurfde:zijn naam op het spel zetten door die naam te verbinden aan zo’n stelletje ondankbare mopperaars die als de HEER even niet keek zomaar weer van Hem wegliepen andere goden achterna. Trouwens: zijn wij veel beter? dat de HEER het aandurft op stap te gaan met ons! met jou! met mij!
De geschiedenis is vol voorbeelden dat Gods naam om Israël, en om ons, door het slijk gaat! Zo vaak lijkt zelfs dat smalle draagvlak onder de troon van de Here weg te vallen – want als zelfs in Israël zijn lof niet meer klinkt – als christenen Hem al niet de eerste plaats geven! – nou, zou je zeggen, dan kan de Here maar beter naar huis gaan, terug naar zijn veilige hemel…. Wat de HEER af en toe bijna heeft gedaan, maar toch nooit over zijn hart verkrijgen kon. Telkens zie je weer een nieuwe reddingsactie: want God kan en wil niet zonder onderdanen zijn! De HEER is het verplicht aan zichzelf, zich steeds weer draagvlak te scheppen voor zijn troon.

Vandaar de trouw van de Here aan Israël….vandaar zijn trouw tegen zoveel ontrouw van ons in. Omdat de HEER zichzelf niet kan verloochenen, en niet loslaat waar Hij ooit aan begonnen is.

Nog altijd schept de HEER zich in een wereld vol verzet en vijandschap draagvlak voor zichzelf. En dat draagvlak is dankzij Jezus en sinds Pinksteren zelfs veel breder geworden: wereldwijd. Jezus vergadert zich een gemeente uit heel de mensheid, Gods lof klinkt op uit alle volken. Het is daarom meer waar dan ooit, ook al denken we misschien dat het er niet op lijkt: HEER, U bent de Heilige en de Verhevene, die troont op de lofzangen van uw volk…..

Daar zit tegelijk voor wie bij dat volk horen, een grootse taak en enorme verantwoordelijkheid in. Je zou inderdaad kunnen zeggen dat de troon van de HEER onze God staat of valt met ons leven tot zijn lof..of niet. Hij verbindt zich aan ons, opdat zijn naam door ons en om ons niet gelasterd maar geprezen wordt. Als wij al niet zingen en vooral leven tot Gods lof….waar wordt dan nog die lof gevonden!?

dia 6 2. maar houdt die troon het wel als er weinig te zingen valt?

Dat is een heel werkelijk en grondig probleem dat veel mensen met Gods regeerbeleid hebben. Daar komen ook veel vragen en twijfels en geloofsproblemen die christenen kunnen hebben, op neer. Zoals de bekende en vaak herhaalde kreet dat je gezien alle rampen en oorlogen, geweld en vreselijke ziekten, niet in God kunt geloven, zeker niet in een God die almachtig is en dan ook nog een God van liefde – niks van gemerkt!

Heeft die God het niet lelijk laten afweten in de wereld en in mijn leven? .Waarom gebruikt die God de macht die Hij schijnt te hebben dan niet om zoveel onschuldigen te redden, om geweldplegers te straffen en tegen te houden, om vrede te maken?
Het zijn voor meer dan een argumenten om God de rug toe te keren en weg te gaan bij de kerk. En ook als je ondanks alles in God blijft geloven, kun je het er soms knap moeilijk mee hebben.

Nou, David wist daar ook van mee te praten, en achteraf maakte hij er een lied over.
David, op dat moment de aangewezen koning of misschien al een poos op de troon,
die zich door de grote Koning, de Heer zelf, toen het erop aan kwam, in de steek gelaten voelde. Vijanden hadden hem in het nauw gebracht en het leek wel of God ze de vrije hand liet. Het ging zelfs zover dat ze onder elkaar de buit al aan het verdelen waren – en ze maakten ook nog Davids vertrouwen op de HEER belachelijk: David, waar is die God van jou? We dachten dat jij het lievelingetje van de HEER was, de man naar Gods hart… nou, laat dan maar eens zien of God jou zal redden uit onze macht….waarom gebeurt er niks? Is het een wonder dat je er geen raad mee weet…..als er niks verandert, als God niet ingrijpt? Wat schiet je dan op met je geloof dat God alle dingen regeert, en dat doet als jouw God en Vader?
Toch blijft David dat hardop zeggen: mijn God, mijn God, waarom laat U me in de steek? Dat is om te beginnen precies waarom het zo’n probleem is: dat mijn God zo met me doet. Dat het wel lijkt of Hij vergeten is dat Hij mijn Vader is en dat ik zijn kind ben. Dat ondanks dat je elke zondag naar de kerk gaat en je echt met je hart zingt en bidt, dat je gelooft… het toch zo moeilijk is en zo moeizaam gaat en er maar niks ten goede verandert….hoe kan dat nou? Maar aan de andere kant: juist omdat de Heer mijn God wil zijn, mag ik Hem te hulp roepen. Juist als je elke dag tot Hem bidt en wil zingen voor Hem en wil leven als zijn kind, mag je de Heer daaraan herinneren en een beroep op Hem doen: Heer, U helpt me toch wel? Zo is het in deze psalm: David herinnert aan wat God allemaal voor Israël en voor hem heeft gedaan: ”zo ken ik U niet, God van mijn volk zijt Gij toch, God die bevrijdt…” Dat maakt zo pijnlijk dat God veranderd schijnt te zijn: ”God zo ver God zo vreemd…….Alsof ik niet meer voor U besta”.Maar dat kan toch niet! Heer, zo ken ik U niet! Heer, laat U weer horen, laat U weer zien!

Gemeente, David is blijven zingen ook toen we weinig te zingen leek te zijn. Zoals eeuwen later twee mannen in de cel om hun geloof psalmen zongen in de nacht.
Zoals Paulus en Silas midden in de nacht in hun cel psalmen gingen zingen. Zoals kinderen van God tot op hun sterfbed en bij een open graf samen kunnen zingen.
Ik las van gevangen christenen die Gods lof zongen, zo dat zelfs bewakers mee gingen doen.. Om het te zeggen met onze tekst: zo vast staat Gods troon, dat lofzangen niet kunnen verstommen. Dat is alleen dankzij Hem die tot in de diepste diepte werkelijk door zijn God verlaten is geweest, en die tot in de gruwelijkste details dat lijden dat David uitschreeuwde aan den lijve geleden heeft. Aan het kruis waar Jezus hing, als de door zijn eigen volk weggehoonde koning van Israël, en waar Hij de klacht van zijn voorvader-naar-het-vlees, op zijn door dorst gekloofde lippen nam: mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten, alsof Ik niet meer voor U besta, zo ken ik U niet! Maar waar juist zijn straf ons de vrede aanbracht, en Gods troon voorgoed vast verankerd werd. Want de zoon van de Koning behaalde door dat vreselijke lijden de overwinning op al Gods vijanden, en legde voor eeuwig de fundering voor het rijk van de vrede waaraan nooit meer een einde komt. Dus hoef ik nooit meer te vrezen dat het met dat rijk van God niks worden zal, dat er geen draagvlak overblijft voor de heerschappij van mijn hemelse Vader. Want die troon staat vast en hecht, gegrond op Gods heilig recht, bediend aan zijn eigen Zoon, die, toen alles was volbracht, alle macht gekregen heeft in de hemel en op deze aarde. En meer dan ooit heb ik reden Gods lof te zingen, in oude psalmen en nieuwe liederen.

Nee, Gods troon staat of valt echt niet met ons wel zingen of niet zingen, die troon staat vast. Maar of wij zingen en hoe wij leven, daar staat of valt mee of het voor ons een kroon wordt…of niet.

dia 7 3. Gods troon staat wel stevig (daar hoeven we niet bang voor te zijn) maar waar blijft ons lied?

David was niet bedrogen uitgekomen toen hij bleef roepen tot de Heer en erop bleef vertrouwen dat de Here op zijn tijd antwoord zou geven: blijf niet ver, help me toch!
Later mocht hij erover vertellen en kon hij ervan zingen: Here, U hebt mij antwoord gegeven. Een antwoord dat bestond in krachtdadig ingrijpen en een wonderlijke redding. Alle reden voor een uitbundig loflied: in het midden van de gemeente zal ik U lofzingen.

Nou, meer dan ooit hebben wij toch reden om van en voor God de Heer te zingen.
Want het beslissende antwoord is gekomen na dat ene waarom van onze Heiland
waarin Hij al onze waaroms heeft meegenomen en voor zijn Vader neergelegd….
en toen Hij door zijn nacht van smart en zorgen ons meenam naar de grote morgen.
Toen zijn ‘het is volbracht’ uit mocht monden in het ‘Hij is opgestaan’ van Pasen….en wij er nooit meer aan hoeven twijfelen: Hij is door God verlaten, opdat wij nooit meer door God verlaten zouden worden. Opdat wat de toekomst ook brengen moge, wij altijd mogen grijpen naar Vaders hand..en veilig zijn. Wat die troon van God betreft, is er geen reden voor bezorgdheid meer: die haalt niemand onderuit. Laat het maar aan God over of er wel onderdanen van zijn rijk overblijven….dat komt wel goed.

De vraag die ons veel meer mag bezighouden is: ben ik onderdaan van het hemelse rijk, en als ik dat ben en wil zijn, wat komt er terecht van mijn lied? van mijn lof voor de grote Koning?

Denk dan eerst maar heel concreet aan ons zingen en bidden. Als de psalm zegt dat God op de lofzangen van Israël troont- en dat is vandaag zijn gemeente -dan is het dus aan die gemeente om het lied niet te laten verstommen maar juist om hoe meer bewijzen van Gods redding en hulp er zijn, daar blijer van te zingen. Reken maar dat de Heer er blij mee is als mensen enthousiast voor Hem zingen…b.v. in de kerk.
Maar veel belangrijker nog dan wat we zingen is dat ons hele doen en laten, denken en praten, tot eer en tot lof van God is. Dat uit ons leven van elke dag de muziek van Gods liefde en genade opklinkt. De lofzangen waarop de Heerwil tronen, zijn meer dan dat Hij alleen met de mond geëerd wordt. Jezus zei zelfs dat we er niet zijn met Heer, Heer te roepen, maar dat het erop aan komt dat we de wil doen van zijn en onze Vader in de hemel.

Gods wonen bij ons staat of valt ermee of onze Koning het in ons leven echt te zeggen heeft. Nee, niet dat God als dat niet zo is, van zijn troon valt. Het kan wel gebeuren dat Hij zijn residentie verplaats, dat Hij bij ons weggaat. Zoals de Heer de joden van zijn tijd waarschuwde dat als ze bleven weigeren Hem als koning te erkennen, het kon gaan gebeuren dat buitenstaanders zouden binnenkomen en wie bij God kind aan huis waren, buiten de deur gezet zouden worden.

Dat kan ook christenen-van-huis-uit overkomen. Dat anderen ons links en rechts passeren en wij straks het feest missen. Het hangt ervan af waar ons lied blijft, of de muziek van het evangelie in ons leven zit. Aan de Koning zal het niet liggen of het goed komt met zijn troon. In de hemel zingen ze al: Aan Hem die op de troon zit en aan het Lam komen de dank, de eer, de lof en de macht toe, tot in eeuwigheid. Hier op aarde moeten we dat lied maar heel goed en heel vaak oefenen. Want straks op de nieuwe aarde moeten we het allemaal kennen. Als we zoals God beloofd heeft, zelf ook een troon krijgen en mogen meeregeren.

Nee, Gods troon staat of valt niet met ons lied…of niet -als wij maar niet de poten wegzagen onder onze eigen troon…..

amen

Handelingen 27: 24 en 28: 30-31: Jezus’ evangelie lijdt geen schipbreuk

liturgie morgendienst zondag 22 oktober 2017 BoL

welkom
zingen: Ps. 29: 1,2,6 LB ‘Gij die hoog verheven zijt’
.moment van stilte en gebed
votum en groet
zingen: Ps. 93: 1,2,3 Levensliederen

1. De HEER regeert, gehuld in majesteit,
gekleed in almacht en hoogwaardigheid.
De wereld raakt beslist niet uit haar baan:
uw troon zal net als u altijd bestaan.

2. De oceanen bulderen, o HEER!
Ze daveren, de golven storten neer.
Maar boven storm op zee en waterkracht
heerst God de HEER met grote overmacht.

3. Wat u bedenkt is ongeëvenaard.
Wat u besluit is ons vertrouwen waard.
Uw niet te overtreffen heiligheid
versiert uw huis, HEER, tot in eeuwigheid.

inleiding op Gods leefregels

zingen: NLB 310 ‘Eén is de HEER, de God der goden’
(1 A; 2 A; 3 M, 4 V, 5 A)

gebed
kinderlied
kinderen naar KND
Schriftlezing: Handelingen 27
zingen: Ps. 107: 8,9,10 GK ‘Er waren handelaren, op schepen rijk bevracht’
verkondiging Hand. 27: 24 en 28: 30-31 ‘Jezus’ evangelie lijdt geen schipbreuk’.
zingen: Ps. 68: 7,8,11 LB ‘God zij geprezen met ontzag’
gebed
collecte
slotzang: Gz. 299: 1,2,4,10 ‘Voor alle heilgen in de heerlijkheid’
zegen
amen: .Ps. 89 laatste regel

Dia 1
Gemeente van onze Heer Jezus Christus, broeders en zusters, jongens en meisjes,

Wat zou die Paulus het makkelijker hebben gehad als hij in onze tijd had geleefd!
Ik bedoel: wat zou hij makkelijker en sneller de wereld over hebben kunnen reizen.
Als vandaag aan de dag een zendeling erop uit gestuurd wordt, b.v. naar Afrika,
dan pakt zo’n man met z’n gezin het vliegtuig en hij is er binnen één dag. Binnen Europa kun je met de auto en dan lukt dat met enkele dagen best en heb je geen auto dan rijden er ook nog treinen en je spullen gaan met een vrachtwagen.
Vroeger ging dat ook in Nederland heel wat langzamer en moeizamer dan nu:
met een trekschuit of met paard en wagen…en uren en uren lopen..

Maar ach, die arme Paulus, wat heeft die man wat afgereisd en ook afgezien .
In een boek daarover maakt de schrijver een schatting van het aantal kilometers en hij komt op zo’n 16.000 uit, daarvan ongeveer 9000 km. over zee, per schip, en de rest meestal te voet….over lang niet altijd goed bestrate wegen, al had het Romeinse rijk van zijn tijd wel veel betere wegen en was het een stuk veiliger dan het daarvoor was – je zou kunnen zeggen dat God die alles regeert, de wegen voor zijn apostelen met zijn evangelie ook zo gebaand had.

Toch was het een hele onderneming met best heel wat risico’s en de nodige ontberingen en tegenslagen. Paulus vertelt in 2 Kor. 11 iets (lang niet alles) over wat hij zoal had meegemaakt onderweg: Ik heb driemaal schipbreuk geleden. Eén keer heb ik een heel etmaal op zee rondgedreven. Voortdurend was ik onderweg, bedreigd door rivieren, rovers, volksgenoten en vreemdelingen., in gevaar in de stad, in de woestijn, op zee…Ik heb gezwoegd en geploeterd, vaak zonder te slapen, hongerig en dorstig, vaak zonder te eten, verkleumd en zonder kleren”. En dan ook nog – dat heb ik nu weggelaten, allerlei narigheid als gevangenschap en slaag.
Als je dat dan allemaal leest van Paulus, denk je: waarom deed die man dat allemaal? Vraag jezelf maar af: zou ik dat kunnen opbrengen, en voor mijn geloof wel over hebben? Waarom Paulus wel….en met het oog op de tekst: waarom wou hij perse naar Rome?

We weten dat natuurlijk wel omdat Paulus daar zelf meer dan eens over geschreven heeft.. en omdat het ook de rode draad is in wat het boek Handelingen over de apostel vertelt.Toen Paulus tot bekering gekomen was, had hij zijn levensopdracht meteen meegekregen:een instrument zijn van God om zijn naam -zijn boodschap- uit te dragen onder volken en koningen. Paulus had een kostbare lading te vervoeren: het evangelie van redding door de Here Jezus voor iedereen die gelooft – en dat evangelie moest ook naar Rome, de hoofdstad van de wereld en naar wie toen gold als de machtigste man van de wereld, keizer Nero….

We hebben gelezen van Paulus maandenlange reis daar naar toe – als gevangene – maar wonderlijk: tegelijk als de man aan wie blijkbaar al zijn medereizigers hun overleven te danken hadden.
Dia 2
Jezus’ evangelie lijdt geen schipbreuk
1. dat evangelie bereikt zijn doel, zelfs door de zwaarste stormen heen;
2. dat evangelie is de reddingsboei waardoor een mens het hoofd boven water houdt;
3. dat evangelie brengt je, dwars door de diepten heen, veilig aan land.

1. het evangelie bereikt zijn doel, zelfs door de zwaarste stormen heen
Dia 3
Geloven betekent niet dat het je altijd voor de wind gaat, dat je leven gladjes verloopt. Het kan geweldig stormen in je leven, je kunt in zwaar weer terecht komen… zelfs zo dat je heen en weer geslingerd wordt en je geloof schipbreuk dreigt te lijden. Als er één gelovige is die dat aan den lijve ervaren heeft,is dat wel Jezus’ knecht Paulus. We hebben al van hem zelf gehoord wat hij zelf over zijn belevenissen als apostel vertelt. Ergens anders heeft hij het erover dat een knecht van satan keer op keer op hem losbeukt, om hem maar als apostel te laten mislukken….en ook nog zijn geloof schipbreuk te laten lijden. Nou, dat leek satan uiteindelijk aardig gelukt: Paulus zat al een paar jaar achter de tralies. Je zou zeggen: wat kon die Paulus nog doen voor zijn Heer, met zijn boeien en in zijn cel en zo een speelbal van hoge heren….vastgelopen toch…mislukt..
Dia 4
Toch lijkt dat maar zo, in het echt is het juist precies andersom.
In een van zijn brieven spreekt Paulus zichzelf en ons moed in: Gods Woord is niet geboeid.En dat komt juist zo prachtig aan het licht als Paulus ervoor kiest zijn zaak aan de keizer voor te leggen. Dat is geen noodsprong, omdat hij anders levenslang gevangen moet blijven….nee, want wie zal zeggen dat de keizer hem vrijlaat? misschien kost het hem wel de kop.

Toen Paulus net gevangen genomen was, kreeg hij in de nacht in zijn cel een boodschap van God: Geef de moed niet op, Paulus..je hebt van Mij getuigd in Jeruzalem, zo moet je dat ook doen in Rome. Dat was wat..in Rome….waar de machtige keizer woonde…die zelfs dacht dat hij een god was…Tegen die keizer zeggen dat er een andere Heer is, die alle macht heeft ook over het romeinse rijk…In Rome preken over Jezus uit het verre Nazaret, gekruisigd door een Romeinse stadhouder, maar weer opgestaan uit de dood….je moet maar durven…is dat niet levensgevaarlijk….Maar Paulus had al eerder aan de christenen in Rome geschreven: ik schaam mij daar niet voor, want dat is ook voor Rome het goede nieuws dat ze nodig hebben….Jezus die alleen redden kan.

Eindelijk is het zover: de reis naar het verre Italië en naar het paleis van de keizer gaat beginnen. Wat anders dan het nu zou gaan als gevangenen vervoerd worden naar een of andere gevangenis. Niet met een boevenwagen of in een extra beveiligd vliegtuig of op een oorlogsschip. Nee, de gevangenen en hun bewakers gaan samen met andere passagiers mee met een vrachtschip. Onderweg stappen ze ook nog over, op een schip dat als lading koren vervoert van Egypte naar Rome. Ook zo lang geleden werd er veel gereisd, was er handel in van alles en nog was, en werden spullen over land of over de zee overal heen gebracht, wat soms weken of maanden duurde.
Dia 5
Dat reizen bracht ook zo z’n gevaren mee, zeker ook op zee, er zijn ook heel wat schepen vergaan. Schepen die nog geen motor hadden – zeilschepen met meestal ook een stel slaven als roeiers – schepen van hout die lang niet zo groot en sterk waren als de schepen van tegenwoordig. Eerst ging alles goed maar toen het langzamerhand herfst werd en het weer slechter begon te worden, en toen de kapitein ondanks de waarschuwing van Paulus toch besloot door te varen, stak de storm op. Zeg trouwens niet te gauw dat die schipper maar eigenwijs was dat hij niet naar Paulus luisterde. Waarom zou hij? Hij had zoveel meer ervaring en kende deze zee als geen ander…..zou zo’n landrot als Paulus, bovendien nog een gevangene ook, het beter weten dan een rot in het vak.
Dia 6
Wist die kapitein veel, van dat Paulus niet maar een arrestant was maar een knecht van God.Juist dat zou dwars door de storm en de dreigende schipbreuk heen steeds duidelijker worden. Je ziet hoe op dat schip in zwaar weer en tussen huizenhoge golven, steeds meer ontzag groeit voor Paulus. Eerst werd zijn advies in de wind geslagen, later gaan ze luisteren, op het eind is Paulus hun redding.

Ja maar dat is niet de verdienste van Paulus, van zijn rust en moed, maar dat is het werk van God. O, Paulus is vast ook bang geweest. Niet voor niets komt die engel langs: je hoeft niet bang te zijn.En waarom niet? Nou, daarom niet, omdat het evangelie dat Paulus als het ware vervoert,om dat als brood van leven naar Rome te brengen en zelfs aan de keizer, geen schipbreuk kan lijden.Die engel zegt: je zult niet verdrinken want jij moet en jij zult veilig bij de keizer aankomen!

Zo is het ook gebeurd: ook dit scheepje staat onder Jezus’ hoede..en heeft veilig strand voor oog. Want het heeft Vaders Zoon aan boord…in zijn evangelie dat de wereld in moet, van laag tot hoog.Dat doel wordt bereikt: Paulus mag straks zonder dat hem iets in de weg wordt gelegd, evangeliseren.En van Rome is het grote nieuws verder verteld, ook waar wij wonen, en nog altijd gaat et verder.Zie je wel dat Jezus’ boodschap niet tegen te houden is, en doorgaat…nog steeds….totdat het werk af is..

Dia 7 2. dat evangelie is de reddingsboei waardoor een mens het hoofd boven water houdt.

Hoe langer de strijd van de bemanning tegen de storm en de golven duurde
en hoe hopelozer het er uitzag – tot ze de hoop om het nog te redden helemaal hadden opgegeven, des te meer Paulus voor zijn medepassagiers uitgroeide tot een rots in de branding, een man die rust en vertrouwen uitstraalde en die ze er allemaal steeds weer bovenop hielp. Het kan geweldig helpen, als paniek uitbreekt bij brand of een andere ramp of op een zinkend schip,als er zijn die het hoofd koel houden, weten wat je vooral wel en niet moet doen, die de leiding nemen. Op dat schip met die ruim 270 passagiers en bemanning, onder wie de soldaten met hun gevangenen, was het Paulus die steeds de moed erin hield: het komt goed, geen paniek, eet nou eindelijk eens wat..maar dat lag niet aan zijn rust of optimisme, ook niet aan zijn karakter of leiderscapaciteiten…nee, Paulus wist van de grote Kapitein, en van zijn opdracht die niet mocht en zou mislukken.Een opdracht die gericht was op de redding van mensen….ook van deze mensen op dit schip.

Het verrassend mooie van onze tekst is dat die boodschapper van God niet alleen zegt:nou Paulus, maak je niet benauwd, jij zult in elk geval in Rome komen….daar zorgt de Here wel voor…terwijl dan misschien veel van die andere opvarenden het niet zouden overleven, zouden verdrinken. Nee, dat Paulus aan boord van dit schip was, zou voor al die andere mensen redding betekenen:“en zie, allen die met jou meevaren, Paulus, heeft God jou geschonken….jou toevertrouwd”.
Dia 8
Om zo te zeggen is hun leven gekoppeld aan dat van Paulus, is hij hun reddingsboei.
Maar dan moeten ze ook niet proberen op eigen houtje het vege lijf te redden.
Paulus waarschuwt dan ook: wie niet aan boord blijft, die kan niet worden gered.
Nog eens: niet omdat die Paulus het altijd beter weet, nog beter dan de mannen van het vak…maar omdat hij de drager en de brenger van het evangelie is van de redding door Jezus alleen. Er zit een uitnodigende boodschap in: dat evangelie van Jezus is een beproefde reddingsboei waardoor mensen die dreigen kopje onder te gaan toch het hoofd boven water kunnen houden en zelfs de zwaarste stormen overleven kan. Dat wil God:dat alle mensen gered worden! Dat een mens zijn bestemming bereikt.
Dia 9
Het is precies de omgekeerde wereld nu: wie is eigenlijke de gevangene daar in boord? Paulus natuurlijk zult u zeggen, en die anderen onderweg naar de gevangenis van de keizer. Paulus die al jaren uitgeschakeld leek, achter de tralies, een vergeten arrestant.Paulus van wie de handen geboeid zijn en de bewegingsvrijheid beperkt en onschuldig vastgezet..

Maar die engel zegt: al die mensen op dit zwalkende schip zijn eigenlijk jouw gevangenenen hun vrijheid hangt af van jouw redding – van het verdergaan van dat evangelie dat jij vervoert en dat veilig moet aankomen op de bestemde plek, in dat huis waar Paulus huisarrest zal krijgenmaar dat een centrum van evangelisatie en gemeente-opbouw zal worden in die grote wereldstad.
Dia 10
Neem het mee en laat het op u inwerken: allen die met u meevaren heeft God u geschonken.En denk aan deze wereld onderweg naar de grote dag, en al die mensen die met ons meevaren. Eeuwen voordat Paulus leefde, bad zijn en onze voorvader Abraham voor het behoud van zijn wereld terwille van misschien een handjevol rechtvaardigen: Heer, ontferm U over die allen Een andere apostel schreef: de Here heeft nog geduld want Hij wil niet dat sommigen verloren
gaan maar dat ze zich gaan bekeren – wees blij met Gods geduld want dat is ook jouw redding.

Gemeente, het evangelie van de Here Jezus is de enige reddingsboei waarmee een mens het hoofd boven water kan houden – pak dan die reddingsboei en gooi die ook naar anderen uit. Opdat velen zich vastklampen aan Jezus en komen schuilen bij zijn evangelie en in zijn kerk en zo gered worden: nemen we – als ark van verlossing – ook allen die in nood zijn, op? Laten we niemand over boord vallen, of tussen wal en schip? Hebben we hart voor Langedijk, voor Schagen, en voor al die plaatsen waar we wonen en werken, voor al die mensen die God op onze weg zet?

Dia 11 3. dat evangelie brengt je, dwars door de diepten heen, veilig aan land.

Allemaal kwamen ze veilig aan land. En na Malta ging het verder. Naar Rome.
Hoe het verder met hem ging, vertelt Lucas niet. Niet of hij bij de keizer is geweest en hoe dat ging. Anderen melden: Paulus eindigde zijn leven op het schavot. Maar nee, dat is niet echt het einde. Want wie gelooft, mag zeker weten: je komt echt veilig aan land.Paulus eindigt er zijn laatste brief mee: dia 12 de Heer zal “me van alle kwaad redden en me veilig naar zijn hemels koninkrijk brengen.” (2 Tim. 4: 18)

Met dat geloof lijdt je leven geen schipbreuk: al gaat het soms heel diep, je bereikt zeker de veilige haven. En de overwinning is de grote Koning, die heerst van zee tot zee en over heel de aarde. “Hem komt de eer toe tot in eeuwigheid. Amen.”

Psalm 24: 1 : Onze aarde is van God (Micha-zondag)

Liturgie avonddienst zondag 15 oktober BoL
Welkom
Zingen: NLB 992: 1-4 ‘Wat vraagt de Heer nog meer van ons’
Moment van stilte en gebed
Votum en groet
Zingen: Ps. 24: 1,2,5 (De Nieuwe Psalmberijming)

1. De hele wereld om ons heen
is van de HEER, van Hem alleen,
met alle wezens die er leven.
Het vasteland blijft stevig staan,
verrezen uit de oceaan.
De HEER heeft het zijn plaats gegeven.

2. Wie mag de tempel binnengaan?
Wie kan er op Gods hoogte staan?
Wie zal Hem op zijn berg vereren?
De mens die schone handen houdt,
niet op bedrog of list vertrouwt
en nooit een valse eed zal zweren.

3. Aan hen die eerlijk zijn en echt
doet God, hun redder, altijd recht;
zijn zegen zullen ze ontvangen.
Zij zijn het volk dat Hem verwacht,
zij vormen Jakobs nageslacht,
de mensen die naar Hem verlangen.

5. Kom, poorten, hef je oude boog!
Maak jullie doorgang wijd en hoog,
geef ruimte aan de grote koning.
Wie is die vorst vol majesteit?
De HEER die hemellegers leidt.
Hij komt vol glorie naar zijn woning.

Gebed
Schriftlezing: Genesis 1: 24 – 2: 17
Zingen: Ps. 146: 3,4,5 LB

Verkondiging: Psalm 24 ‘Onze aarde is van God’
Zingen: NLB 994: 1-4 ‘Voor hen die ons regeren’

1 Voor hen die ons regeren,
de hoofden van het land,
bidden wij God de Here,
om ootmoed en verstand,
dat zij bewaren hecht en recht
al de getuigenissen,
die ons zijn aangezegd.

2 De sterken, die bewaken
de wegen met hun woord:
dat zij ook zullen dragen
de zwakken in de poort!
Want hoofd en lichaam zijn in pijn
en niemand wordt behouden,
als dié verlaten zijn!

3 Wij bidden ook om vrede,
de aftocht van geweld:
Heer, – dat wij niet vergeten,
hoe Gij de namen telt,
bewaar het land voor overmoed
en voor het blinde razen,
de stemmen van het bloed!

4 O God, – Gij moet regeren
tegen het onverstand:
wij dienen vele heren
tot schade van het land.
Gij zijt genade, uw bevel
doet leven en vergeven,
o God van Israël!
Gebed
Collecte
Zingen geloofsbelijdenis (melodie Gz. 293

Ik geloof in God de Vader, groot in wijsheid en in macht,
die de hemel en de aarde door zijn woord heeft voortgebracht,
die de mens als kroon van de schepping naar zijn beeld geschapen heeft
en nog in zijn grote liefde alles draagt en aanzien geeft.

Ik geloof in Jezus Christus ’s Vaders ééngeboren Zoon,
mens geworden om ons mensen, lijdend onze smaad en hoon;
die gestorven aan de zonde opstond ter rechtvaardiging
en ten hemel is gevaren waar Hij alle macht ontving.

Ik geloof de Heilige Geest, die God als Gids gegeven heeft
en een kerk die in alle tijden enkel op zijn adem leeft.
Ik geloof de schuldvergeving en ook de herrijzenis.
Ik geloof een eeuwig leven, dat in God geborgen is.

Zegen
Zingen: NLB 425 ‘Vervuld van uw zegen’

Dia 1 Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

‘Nederland wordt duurzaam’.
Dat staat boven wat je kunt noemen de milieuparagraaf in het regeerakkoord dat afgelopen dinsdag door de vier coalitiepartijen naar buiten werd gebracht.
Er spreekt de ambitie uit om de afspraken te halen die in Parijs afgesproken zijn in het klimaatakkoord, en allerlei maatregelen worden aangekondigd om energie te besparen, te gaan naar schone energie, de gaswinning terug te schroeven, te streven naar beperking van de opwarming van de aarde en de stijging van de zeespiegel, om de natuur te beschermen, dierenwelzijn te bevorderen, en de aarde leefbaar te houden..en natuurlijk is er ook aandacht voor armoede en vluchtelingen, al is schrijnend dat het kinderpardon niet uitgebreid wordt en het naast opvangen en beschermen wel veel gaat over weghouden en terugsturen…compormissen dus.
Te veel om op te noemen, en niet de plek hier om daar dieper op in te gaan.
We zijn hier niet in de Tweede Kamer, en we kunnen veel niet overzien.
Bovendien gaat het vanmiddag niet over politiek of bedrijfsleven, maar om ons.
Het is goed en belangrijk dat we als christenen er veel aandacht voor hebben,
en daarom wordt elk jaar in oktober de Michazondag gehouden, met dit jaar
als thema ‘De knop om’, met alle nadruk op God als Heer van de schepping.

Ik lees als slot van deze inleiding een stukje voor uit het begeleidende materiaal
van ‘Micha Nederland’, als antwoord op de vraag of we als christenen ons wel druk moeten maken om het vraagstuk van de klimaatverandering, waarbij gewezen wordt op de gevolgen daarvan: “Akkers drogen uit en zelfs het kleine beetje eten dat net genoeg was om in leven te blijven, raakt op. Hele bevolkingsgroepen raken op drift, op zoek naar eten. ‘Klimaatvluchtelingen’ noemen we hen. Als we aan deze mensen denken, in hun miserabel leefomstandigheden, komen we al heel gauw bij de Micha-onderwerpen zorg voor de ander en zorg voor de schepping. Daarnaast kun je ook zeggen dat wij, inwoners van het westen, met onze levensstijl en ons consumentisme, mede bijdragen aan klimaatverandering. En, omgekeerd, we ook, weliswaar bescheiden, bij kunnen dragen aan een omkeer”. Tot zover de inleiding.

Onze aarde is van God
Dia 2
Daar zet Psalm 24 mee in, als een belijdenis en als uitgangspunt voor doen en laten:
“Van de HEER is de aarde en alles wat daar leeft, de wereld en wie haar bewonen”.
Daar begint een psalm mee die niet op eerste horen en lezen gaat over hoe we met het milieu en met de grondstoffen en met onze medemensen moeten omgaan, maar daar wel de basis voor legt en ons daarvoor wakker schudt:besef dat je leven en je leefwereld, die aarde met alles erop en eraan en erin, niet van jou is en ook niet van jullie mensen samen, maar dat God die alles heeft gemaakt, de Eigenaar is en blijft.
Psalm 24 is een psalm over de HEER als de grote Koning, van Israël – Jahwe, de God van het verbond met zijn volk – maar ook de grote Koning van heel de wereld.
En de psalm loopt erop uit dat die Koning eraan komt en zijn intocht zal houden, en dat de stad en het volk zich erop moet voorbereiden en de weg voor de Koning moet banen: “Kom, poorten, hef je oude boog! Maak jullie doorgang wijd en hoog, geef ruimte aan de grote koning”- denk aan wat gebeurt als koning Willem-Alexander ergens op bezoek komt: de rode loper uit, vlaggen, een erehaag, het volkslied….
Deze psalm gaat niet over een aardse koning of president maar over God zelf als de grote Koning, en in het licht van het NT mag je doordenken naar de komst van Jezus.
Nou, en dat heeft alles te maken met onze aarde en hoe wij daarmee omgaan.
Iemand zegt: “als deze koning terugkomt en bij ons gaat wonen, hoe treft Hij zijn aarde dan aan?” en voegt eraan toe: de koning treft zoals het nu is, zijn aarde aan met een klimaatprobleem, met een CO-2 probleem en ook een voedselprobleem en een energieprobleem, en noem maar op: “we pakken wat we pakken kunnen, alsof de aarde van ons is”, ten koste van de natuur en het klimaat,maar ook ten koste van de allerarmsten, met als gevolg klimaatverandering en ook klimaatvluchtelingen.
Wij kunnen met behulp van veel geld en technologie ons leven nog wel dragelijk en zelfs comforatabel houden, ook als het klimaat verandert en de zeespiegel stijgt, maar er zijn veel landen waar dat niet lukt en waar veel onrust is en armoede, oorlog en terreur, waar wij onze ogen en ook onze portemonnees niet voor kunnen sluiten, maar wat ons samen, zeker hier in het westen en als christenen, een zorg zal zijn.

Kijk, en dan is die psalmregel een basisregel die teruggaat op het allereerste begin en als een rode draad door heel de Bijbel meegaat en ons gedrag zal bepalen:
“De hele wereld om ons heen is van de HEER, van Hem alleen, met alle wezens die er leven”, en daar horen ook de lucht bij en het water, rivieren en oceanen, de planten en de dieren, de energiebronnen en delfstoffen, te veel om op te sommen.
Een andere vertaling heeft: “De aarde is van de HEERE en al wat zij bevat”.
Het zet ons op onze plek, maakt ons bescheiden en maakt ons ook dankbaar, want dat geweldige dat God geschapen heeft wil Hij ons in handen geven, zo in een andere psalm: “De hemel is de hemel van de HEER, de aarde heeft Hij aan de mensen gegeven” (Psalm 115) – en we kennen allemaal die geweldige Psalm 8 over de mens die van God de hoge plek en de grote verantwoordelijkheid gekregen heeft om namens God over zijn schepping te regeren: “U hebt hem bijna hemelhoog gegeven, een kroon van eer en majesteit gegeven, de schepping hebt U aan hem toevertrouwd, het kunstwerk dat door U is opgebouwd” (Psalm 8 Levensliederen).
Mooi berijmd vind ik, juist om dat ‘hem toevertrouwd’- wat aangeeft dat we niet maar zelf kunnen uitmaken wat we met ons leven en met de schepping kunnen doen alsof wij de eigenaars zijn, maar we hebben de aarde in bruikleen van de Maker,God zelf.
En als je iets kostbaars geleend hebt, ben je er zuinig op: je moet het teruggeven en je moet verantwoorden wat je met wat je ios toevertrouwd, hebt gedaan, als lener.
Dat is wat we vaak rentmeester zijn noemen: beheerder namens de Eigenaar.

Precies dat is waar de Bijbel en waar de geschiedenis van ons mensen mee begint.
We hebben er iets van gelezen in Genesis 1 en 2: over hoe God is begonnen.
Er is veel te doen in onze christelijke wereld over schepping en/of evolutie, en dat zijn belangrijke en boeiende vragen,waar je heftig over kunt discussiëren, en dat is goed.
Maar ik denk dat die eerste hoofdstukken van de Bijbel niet allereerst en misschien zelfs helemaal niet gaan over wanneer en hoe het allemaal precies ontstaan is, maar over dat waar de psalm mee begint: onze aarde en wijzelf komen van God en zijn van God, en dat bepaalt als het goed is hoe we leven en waarvoor we leven en hoe we in het leven staan en hoe we omgaan met elkaar en met onze leefwereld – als mensen die naar Gods evenbeeld gemaakt zijn en daaraan ook herkenbaar zijn:
als mensen die de taak gekregen hebben deze aarde te bewerken en ook voor God en voor elkaar en al die andere mensen en medeschepselen en voor volgende
generaties te bewaren; een opdracht die blijft maar wel veel lastiger is geworden nadat de zonde de wereld is binnengekomen, de zonde van niet meer rentmeester maar bezitter denken te zijn en vaak ook uitbuiter die ik-gericht is en gericht vooral op zelfontplooiing en zelfbeschikking en zelfverrijking ook, op krijgen en pakken en houden wat je hebt, meer dan op geven en delen, en waar nodig een stap terug.
Ik betrap mezelf er ook op hoe lastig het is dingen niet meer te doen zoals je gewend was, of anders te gaan doen dan je gewend was – ik kom er nog wel op terug straks.

De psalm komt er ook op trouwens, op dat vanuit besef dat onze aarde van God is, en dat God als de grote Koning eraan komt en inspectie komt houden, en dat wij geroepen zijn om als onderdanen van die grote Koning ons te gedragen, dat ons doen en laten daarop afgestemd zal zijn: “wie reine handen heeft en een zuiver hart, zich niet inlaat met leugens en niet bedrieglijk zweert” , anders gezegd: dat je een mens-uit-een-stuk bent, zonder dubbele moraal of een verborgen agenda, met een manier van denken en voelen die openstaat naar God en de ander, met hart voor die ander die ook beeld van God is en met hart voor de aarde die van God is en blijft,
en die ons en al die andere schepselen is gegeven om er te leven en te werken,
ons te ontspannen en ervan te genieten, en waar we dus goed voor zullen zorgen.
‘Reine handen’, dat slaat op wat we doen, wat we pakken en hoe we wat we hebben gebruiken, ik las ook: vrij van bloed aan de handen en zonder corruptie of andere verkeerde dingen die schade toebrengen aan anderen of aan de samenleving, en dat slaat ook op koopgedrag en weggooimentaliteit, of zuinig zijn op jouw spullen en die van de ander, en vooral ook zorg voor wie kwetsbaar zijn en aangewezen op hulp van anderen, met zeker ook vluchtelingen, asielzoekers, daklozen, eenzamen.
Denk even weer aan dat lied over Micha 6 waarmee we begonnen vanavond:
“Wat vraagt de Heer nog meer van ons dan dat wij recht doen en trouw zijn, en wandelen op zijn weg? Wat vraagt de aarde meer van ons, dan dat wij dienen en hoeden als mensen naar zijn beeld? Wat vragen mensen meer van ons dan dat wij breken en delen als ons is voorgedaan? Het is de Geest die ons beweegt dat wij Gods wil doen en omzien naar alles wat er leeft”.

Maar dan komt wel de vraag op ons af wat dat vraagt van ons, wat ons dat kost en mag kosten, wat we daarvoor willen laten of juist doen, en wat ons dat oplevert.
Eerlijk gezegd vind ik dat zelf best lastig, zeker als het gaat om eigen gedrag:
wat koop ik wel en wat niet, wat eet ik en wat minder of niet (vlees b.v.), reizen,
gebruik van de auto, papier dat ik print, hoe warm stook ik, en waaraan en hoeveel geef ik weg aan goede doelen en moeten dat vooral christelijke doelen zijn….het zijn zomaar wat vragen en afwegingen…..en dan komen daar nog de grotere dingen bij waar b.v. een nieuw kabinet mee gaat komen als een beter milieu ook kosten voor de burger meebrengt: zijn we bereid die te betalen of komt er verzet tegen los? En zijn we bereid meer te betalen voor verantwoorde voeding en voor kleding die niet is gemaakt ten koste van kinderarbeid of andere misstanden in de derde wereld?
Ik zei al: best lastig, er moeten dan echt wel knoppen om soms, ook bij mij.
Zeker als je, zoals ik, houd van een lekker stukje vlees en iets lekkers bij de koffie,
als je houd van reizen en autorijden, en als je liever en makkelijker van papier leest dan van een elctronisch scherm, en als je best graag fiets maar vooral bij mooi weer.
Ik denk zo maar dat het herkenbaar is, bij de een weer op dit en bij de ander weer op dat punt, dat we allemaal zo onze weerstanden hebben tegen gedragsverandering.
Vanavond ga ik daarom ook niet met geboden en verboden komen – wie ben ik?
Iemand schrijft: “Ik ga niet zeggen wat je allemaal wel en wat je allemaal niet mag doen.” Waar het om gaat is om bewustwording en dan kijken waar mogelijkheden liggen om beter om te gaan met die aarde die van God is en alles wat we daaruit halen en daar weer in stoppen, en ook met die andere mensen en de dieren.
Misschien is het wat om eens een aantal mogelijke actiepunten naast elkaar te zien en dan voor jezelf te kiezen waar je aan wil werken in eigen leven en omgeving.
B.v. om een speerpunt te kiezen – noem het een valkuil of een uitdaging ¬– en daar voor jezelf werk van te maken – kleine stapjes brengen verder dan grote idealen.

Ik geef een paar keuzes door, aangedragen door het landelijke materiaal voor de Michazondag, of aanbevolen door andere boeken of websites – dia 3
1. Zet je verwarming een graad lager dan je gewend was
2. Douche maximaal 5 minuten per keer – houd het in elk geval een week vol
3. Eet deze week alleen seizoensproducten
4. Eet een week geen vlees – of: eet elke week 1 dag minder vlees dan normaal
5. Was deze week op hooguit 30 graden
6. Pak voor korte afstanden in de regel de fiets in plaats van de auto
7. Beperk het gebruik van papier, thuis en als het kan ook op kantoor
8. Gooi zo min mogelijk eten weg; koop dus niet meer eten dan je op kunt
9. Laat niet meer lampen in huis branden dan nodig
10. Denk samen na wat in en rond dit gebouw zuiniger en groener kan.

Een goede opmerking daarbij die ik tegenkwam in een preek van een collega is de volgende: “En dan moet je niet zo bezig zijn met wat het resultaat is als jij besluit tot een bewuster duurzaam leven. Nee, kijk maar naar jezelf en leer van je Meester Jezus in Matt.5: hongeren en dorsten naar de gerechtigheid ook in je zorg voor de schepping van God en het milieu…Het resultaat mag je aan Hem overlaten.”
En een christen-filosoof wijst op het centrale Bijbelse begrip gerechtigheid, vaak concreet gemaakt in de zorg voor wat hij het ‘kwetsbare kwartet’ noemt: de wees, de weduwe, de arme, en de vreemdelinmg. Hij zegt dat alle volken beoordeeld worden naar de mate waarin zij recht doen, en omgaan met die kwetsbaren in de wereld.
Het ligt dicht tegen elkaar aan en in elkaars verlengde: zorg voor een bedreigde schepping en zorg voor in een gebroken wereld extra kwetsbare mensen – want
“onze aarde is van God en alles wat daar leeft, de wereld en wie haar bewonen.”
Dia 4 Wat ook betekent dat Nederland niet van de Nederlanders is en voor geboren en getogen Nederlanders maar van God en dus past niet iets als ‘eigen volk eerst’
Want net als God vaak zei tegen Israël geldt het ook voor ons: jullie zijn gasten en vreemdelingen op die aarde die van Mij is – waar ook plek mag zijn voor wie op de vlucht zijn heenkomen bij ons zoekt: binnen de grenzen van de wet, en vanuit de rechtvaardigheid en barmhartigheid van God zoals Jezus ons heeft voorgedaan.

Onze aarde is van God – daar zit een dubbele boodschap in.
1e. God zorgt voor zijn schepping en heeft zijn wereld met alles en iedereen zo lief dat Hij niet loslaat wat zijn hand begonnen is; de schepping wordt gered van de vergankelijkheid, schrijft Paulus; dat geeft rust want God voltooit wat wij niet kunnen: een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid en vrede zullen bloeien.
2e. datcde wereld van God is maakt dat wij extra zuinig erop zullen zijn en waar en hoeveel wij maar kunnen proberen bij te dragen aan eerlijk en rechtvaardig
delen van en zorgvuldig omgaan met wat en wie aan onze zorgen zijn toevertrouwd.

Nog een keer terug naar Psalm 24,de psalm die uitziet en uitloopt op de komst van de grote koning, van wie wij geloven dat Hij alles nieuw maakt: kom, Heer Jezus.
Dat geeft hoop en vertrouwen: onze aarde is van God, en God blijft de aarde trouw.
Dia 5 amen

Zondag 51 Heid. Cat. : Vergeving vragen

Liturgie middagdienst zondag 1 oktober 2017 – BoL

Zingen: Ps. 116: 1,3,6 Levensliederen

1 Ik hou van God! Hij luistert naar mijn stem.
Hij hoorde mij om zijn genade vragen,
bood mij een luisterend oor in zware dagen.
Mijn leven lang val ik terug op hem.

3 Rechtvaardig en genadig is de HEER.
Gewone mensen neemt hij in bescherming.
Toen ik, vernederd, riep om zijn ontferming,
kwam hij me redden, daalde naar me neer.

6. Waarmee toon ik de HEER mijn dankbaarheid?
Ik zal met dank de reddingsbeker heffen,
om zo zijn grote daden te beseffen –
met heel zijn volk ben ik hem toegewijd

Moment van stilte en gebed
Votum en groet
Zingen: Ps. 103: 1,3 ‘Zegen, mijn ziel, de grote naam des Heren’
Avondmaalsformulier V
- Inleiding en gebed
- Incl. Apostolische Geloofsbelijdenis Gz. 179a
- Viering
- Dankzegging (1)
Zingen: Ps. 103: 4,9 ‘Zo hoog en wijd de hemel staat gerezen’
Schriftlezing: Matt. 18: 15-35
Zingen: Gz. 175: 1,2,4 ‘O wij arme zondaars’
Verkondiging: zondag 51 ‘Vergeving vragen’
1. schuldbewust;
2. blij verrast;
3. vergevingsgezind.
Zingen: Gz. 408: 1,4,6 ‘Nu laat ons God de Here’
Gebed
Collecte
Zingen: Gz. 167: 3 ‘Prijs de Heer, de weg is open
Zegen
Amen: Ps. 89 laatste regel
—————————————————————————————————————
Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Een vreemde koning en een rare knecht. Die zijn we tegengekomen in dat bekende verhaal van de Here Jezus. Dat het zo bekend is, heeft als nadeel dat we er niet meer zo van opkijken. Niet verrast zijn van de koning en niet schrikken van die knecht. En dus – want daar slaat dat verhaal op – veel te weinig onder de indruk zijn van de verrassing die we van de grote Koning krijgen – en niet eens meer schrikken van onszelf – of herkent niemand zichzelf in die knecht?

Een vreemde koning. Ja, want dat zie ik nog geen regering of belastingdienst doen. De koning uit het verhaal roept zijn knechten op het matje. Zijn ministers of hoge ambtenaren. Ze moeten de boeken opendoen en zich verantwoorden voor wat ze hebben gedaan met het geld van de koning. Vandaag zouden we misschien zeggen: het geld van de belastingbetalers. En dan blijkt dat er eentje verschrikkelijk heeft geknoeid. Het gaat om miljoenen die zijn verdwe¬nen. Verkeerd besteed. Weggegooid. Misschien was het corruptie. In elk geval wanbeheer.

Geen wonder dat de koning dat geld terug wil zien, en als de man niet kan betalen, beslag laat leggen op wat hij nog heeft, en zijn vrouw en kinderen in gijzeling neemt. En dan wordt die hoge piet ineens een heel klein mannetje. Hij gaat door de knieën en wringt zich in alle bochten en smeekt om uitstel van betaling:heb geduld en alles komt terug. Tegen beter weten in:hij kan dat gigantische bedrag zijn leven lang niet bij elkaar sprokkelen. Dat weet de koning ook, en diep geroerd door dat brok ellende voor hem, scheldt hij de man heel die onbetaalbare schuld kwijt. Welke koning doet zoiets?! Die koning kan alleen maar God zijn, Jezus’ Vader. Onze liefdevolle Vader!

Maar dan die rare knecht. Je snapt er niks van, dat de vent er nog niks van heeft gesnapt. Miljoenen waren hem kwijtgescholden, hij was op het nippertje ontsnapt aan de cel, en dan komt hij buiten en grijpt een medewerker van hem bij de strot: ik krijg nog honderd euro van je, kom op met dat geld. En als die man hèm om genade smeekt, is hij keihard zakelijk en laat hij zijn collega opsluiten tot de laatste cent is afbetaald. Is het niet net zo raar dat er nog zoveel christelijke zuur-pruimen rondlopen? Dat elkaar vergeven in de kerk misschien nog wel moei¬lijker is dan erbuiten? Dat we echt niet zo van de zonde schrikken en erg weinig uitstralen wat ons eigenlijk vergeven is? Hoe bidden we dan: vergeef ons onze schulden…?

Daarover horen we de bijbelse boodschap:

Vergeving vragen:

1. schuldbewust;
2. blij verrast;
3. vergevingsgezind.

1. Vergeving vragen: schuldbewust.

Er is iets vreemds aan de hand als het over vergeving gaat. Het is misschien wel het moeilijkste voor een mens iemand anders te vragen: wil je het mij vergeven? Voor je zover komt, moet je heet wat drempels over en heel wat weerstanden overwinnen. Ja, want hoe zal die ander reageren? Wil hij wel je uitgestoken hand accepteren?
Wil ze nog wel met me praten over dat van toen? Maar de groot¬ste weerstand zit in mezelf: als ik om vergeving vraag, erken ik dat ik fout ben geweest, dat ik het verkeerd heb gedaan, dat ik dat nooit had mogen zeggen, dat ik tekort geschoten ben. Nou, en dat ligt een mens helemaal niet. Adam en Eva begonnen er almee: excuses bedenken, schuld afschuiven, jezelf schoonpra¬ten en de ander zwart maken, je gedrag vergoelijken. Dat is allemaal heel menselijk. Zo zitten wij in elkaar.

Maar nou het vreemde. Je zou verwachten dat de drempel naar God wel helemaal onoverko¬melijk zou zijn. Dat vergeving aan God vragen nog veel meer moeite kost. Dat we net als die slaaf met lood in de schoenen en knikkende knieën voor God staa¬n om Hem te smeken om genade. Kleine mensjes die in het krijt staan bij de allerhoogste majesteit en wel weten dat ze nog niet één cent van die torenhoge schuld kunnen afbetalen. Elke dag komt er rente bij, en bovendien groeit door ons gedrag die schuld alleen maar aan. Als het aan ons ligt, wordt dat levenslang.

Toch vragen we elke dag heel makkelijk: vergeef ons onze zonden. Heel vaak als een stan¬daardgebed, in een kort zinnetje aan het eind van onze gebeden, en meestal zonder het kwaad bij de naam te noemen, en zelfs zonder dat we onder woorden kunnen brengen wat voor zonden God nou precies zou moeten vergeven… En ook zonder een blij en opgelucht amen: bevrijd van schuld en zeker van de vergeving, we mogen weer opnieuw beginnen.

Gemeente, willen we echt gemeend om vergeving vragen en blij zijn met de vergeving die de Here ons belooft en graag geeft, kan dat niet zonder een werkelijk besef van schuld. Zullen we ervan doordrongen moeten zijn wat we verkeerd doen en ook wat we laten liggen en wie we links laten liggen, wat we aanrichten in de schepping van God en wat we elke dag nog God en elkaar en andere mensen aandoen. Dat kost heel veel moeite voor mensen zoals we geworden zijn, met nog zoveel onmacht en onwil en blinde vlekken, en allerlei balken en splinters in de ogen.

‘Vergeef ons onze schulden’. Dat is nog dieper eronder door dan: vergeef mij m’n zonden. Zonden zijn misstappen en misgrepen. Dat is dat je verkeerde dingen doet en zegt en denkt.¬ En ook dat we nalaten wat de Here van ons verwachten mag. Niet maar als af en toe over de schreef gaan, maar omdat we niet anders meer kunnen en eigenlijk ook niet anders meer willen. Zonde – zegt de bijbel – is wetteloosheid. Je eigen zin doen. Je niet door God laten gezeggen. Eigen baas zijn. Nou, en dat is eigen schuld. Daar is geen excuus voor. Je kunt jezelf niet vrijpleiten of de schuld afschuiven. Zoals die knecht tegenover zijn koning: hij kon er niet onderuit en probeert dat ook niet eens. Hij kan alleen maar op de knieën gaan en om genade smeken: o God, wees mij, zondaar genadig. Je weet je een arme zondaar – niet een arme stakkerd die het ook niet helpen kan – een arme zondaar die niks heeft om het goed te maken, en alleen maar z’n hand kan ophouden als een bedelaar. Je geeft je over op genade of ongenade: Genade! Kyrie eleison= Heer, ontferm U!

Dat verhaal van die koning en zijn slaaf leert ons wat ten diepste zonde is. Dat is dat we deze wereld en ons eigen leven gestolen hebben van God. Dat we doen alsof ons leven van onszelf is, en we met Gods schepping kunnen doen wat wij willen Maar de Here vraagt het ons: leg verantwoording af van je beheer, wat heb je gedaan met de wereld waar Ik je een plaats gaf, wat heb je gemaakt van het leven dat je aan Mij te danken hebt, wat deed je met je tijd, je geld, je verstand, je gaven? Wat heb je gedaan voor Mij; en met mijn wereld, en al die mensen om je heen?

We moeten wel schrikken van zoveel openstaande rekeningen, en van zoveel schadeclaims die God heeft op ons. Je moet wel op de knieën: Here, vergeef! Here, genees! Genade!

2. Vergeving vragen: blij verrast.

Een verrassing was het zeker, voor die slaaf die nooit zijn schulden kon afbetalen, en moest vrezen dat hij levenslang onder die schulden gebukt zou moeten gaan. Maar dan opeens – wie had dat gedacht?! – ging er een dikke streep door al die onbetaae rekeningen. De koning schold de schuld hem kwijt, niet voor een deel maar hele¬maal: je hoeft geen cent terug te betalen! Wat een geweldig feest!

We weten wel wat het geheim is van die verrassende vergeving. Niet dat God de zonden op hun beloop laat. Dat Hij z’n hand maar over zijn hart strijkt omdat er toch nou eenmaal niet meer inzit en het toch niks meer wordt met die mensen. Gelukkig dat het zo niet gaat. Vaak proberen wij dat onder elkaar wel. Er is iets tussen mij en die ander voorgevallen en ik weet wel: ik was mis, ik had dat nooit zo mogen doen, nooit dat mogen zeggen. Na veel moeite geef je dan elkaar maar weer een hand: sorry hoor, zand erover, het moet maar weer goed zijn. Vaak blijkt vroeger of later: echt goed wordt het nooit meer; het is wel vergeven zeggen we dan, maar vergeten kan ik het niet. En het oude zeer blijft schrijnen en de wond die nooit echt is genezen, barst zomaar weer open. Dat komt omdat wat gebeurd is nooit goed is uitgepraat, of omdat de schuldvraag in het midden is gebleven, en vergeving niet van harte is gegaan maar om de lieve vrede: ik zet er maar een punt achter – of onder druk van de omgeving: zet je er toch overheen! Bedekt met wat heet de mantel der liefde maar vaak funcioneert als een smeulende doofpot en een tikkende tijdbom.
Maar dat doet de Heer anders. Hij wil dat het probleem echt uit de wereld is. En dat kan alleen Hij zelf doen, en Hij doet het op de meest verrassende en ongedachte manier die denk¬baar is: door zijn eigen Zoon op te laten draaien voor onze schuld en zonde. Door Hem de rekening te laten betalen en Hem voor onze liefdeloosheid en eigenzinnigheid te stra¬ffen – we hebben het vandaag weer gevierd: doordat Jezus de beker van al onze ellende en van Gods boosheid daarover heeft leeggedronken tot en met de laatste druppel mochten wij de beker van onze verlossing aanpakken en aan elkaar doorgeven: “Ik zal met dank de reddingsbeker heffen, om zo Gods grote
daden te beseffen –met heel zijn volk ben ik Hem –mijn Redder en Heer– toegewijd!”

Daarom kwam die knecht er zo genadig af. Kon hij een nieuwe start maken. En daarom hoeft u en hoef jij toch niet met angst en beven bij God aan te kloppen om vergeving. We mogen vrijmoedig om die vergeving vragen, als we uit de grond van ons hart schuld erkennen en ons overgeven aan Gods genade om Christus: wil mij, arme zondaar, om het bloed van Christus, niet een van mijn slechte daden/ woorden/ gedachten toerekenen, en ook niet de slechtheid die nog altijd in me huist en wroet en die er elke keer toch weer uitbarst. We smeken om de genade van Christus.

Maar als er dan al is betaald? Als de schuld vergeven is, waarom moeten we er dan toch om vragen? Steeds weer bidden? Ik denk weer aan dat verhaal van de koning en zijn slaaf. Wat zegt die koning: ik heb je de schuld kwijtgescholden, omdat je het mij dringend had gevraagd. De Heer wil zien dat we schuld erkennen en Hij wil om vergeving worden gevraagd. Denk maar vaak aan die slaaf tegenover zijn koning: zo sta ik er ook voor, wat een verras¬sing dat het toch goed mag komen. Je kunt alleen maar bidden: wees ook mij, arme zondaar, genadig. Om het bloed van Christus! Je kunt je blijdschap niet op, en je dankbaarheid. Als je daaraan denkt, vallen zoveel van die kleine ergernissen en conflicten en problemen weg. En gaan we ons schamen over veel waar we ons druk en boos om kunnen maken. Hoe kan een christen dan een zuurpruim zijn, of onverzoenlijk,of een driftkop? Heer, ontferm U!

3. Vergeving vragen: vergevingsgezind.

We hebben er al een paar keer wat over gezegd. Over hoe vreselijk moeilijk het is een ander mens vergeving te vragen. En om je naaste echt te vergeven, zodat wonden helen en we ouwe koeien niet steeds weer uit de sloot halen. De Here gaat ons voor: zover het west verwijderd is van het oosten, zo ver heeft Hij om onze ziel te troosten, van ons de schuld en zonden weggedaan. En met een ander beeld: onze zonden heeft Hij geworpen in de diepten van de zee. En de Here laat ze daar. Zal ze niet weer opduiken.Nou, daarin geeft de Heer ons het goede voorbeeld. We zullen lijken op onze hemelse Vader, en een spiegel van zijn liefde zijn. We hebben een Vader die ons zo liefheeft dat Hij graag ons vergeeft wat we Hem schuldig zijn en Hem hebben aangedaan. Daar heeft Hij zelf zijn allerlief¬ste Zoon voor over gehad. Alleen maar: waarom lukt dat nou zo vaak niet? Komt er ook in de kerk en onder christenen al te vaak zo weinig van terecht? Staan we meer op onze strepen dan dat we op onze knieën liggen, voor elkaar – om zonden toe te geven en vergeving te vragen, en om ruimhartig die uitgestoken hand aan te pakken.

U proeft al de reserve in de vraag van Petrus. Hij had wel geleerd van zijn Meester wat de ander liefhebben als jezelf met zich meebrengt. Het staat even eerder in Matt.18: als uw broeder tegen u zondigt, ga heen bestraf hem onder vier ogen- hoort u het, niks zand erover, maar uitpraten en waar nodig zonde aan de kaak stellen – en als dan die ander luistert, heb je je broeder gewonnen. Je hebt hem weer terug, als broer, je staat niet meer tegenover elkaar. Je kunt elkaar vergeven.

Ja maar, vraagt Petrus aan Jezus, hoe vaak kan dat zich herhalen? Stel nou dat er elke keer weer wat is, en iedere keer zegt die ander dat het hem echt spijt en dat het nooit meer gebeuren zal, en toch gebeurt het weer, wat dan? Hoe vaak kan die ander komen en moet ik hem verge¬ven? Zeven keer misschien wel? U hoort de ondertoon van: dat is toch wel veel gevraagd! Het houdt toch een keer op?
Maar Jezus weigert een maximum te stellen, een grens aan te geven voor christelijk geduld en vergevingsgezindheid. Het zal een schrik zijn geweest voor wie het hoorden, Petrus voorop: nee, niet ten hoogste zeven keer (al een afgerond vol getal in de bijbel) maar 70 maal 7 maal. Niet bedoeld om op te tellen: 490 keer, maar als de volheid ten top. Oneindig vaak. Zoals de Heiland in de bergrede: wees volmaakt als uw Vader. God stelt gelukkig niet een maximum aan zijn vergeving. Zijn geduld met ons is oneindig en Hij vergeeft veelvuldig. Graag!

Voor ons is dat niet op te brengen als het van onszelf moet komen. Zondag 51 noemt verge¬vingsgezindheid dan ook een bewijs van Gods genade, en niet een goede eigenschap of een prestatie van onszelf. Als ik een ander vraag me te vergeven, of als mij iets is aangedaan en de ander heeft echt berouw en vraagt me of ik het wil vergeven, en ik pak de uitgestoken hand, dan is dat het resultaat van de liefde en genade van God. Dan is dat te danken aan het vernieu¬wende werk van de Heilige Geest.Om die verandering in ons hart en ons leven bidden we ook: vergeef ons onze schulden, zoals wij vergeven die ons iets schuldig is. Dan schrik je van die knecht – van jezelf. En je bidt eens te meer om de kracht van de Geest van God. Om de moed elkaar in de ogen te kijken, zelfs de naarste dingen die gebeuren kunnen uit te praten, en die dan te bedekken met de mantel van echte liefde, de rode mantel van Jezus’ bloed. Het wordt fijn in de kerk, en het is feest in de hemel. amen

Matteüs 20: 1-16 ‘Loon naar werken…of toch niet?

Liturgie morgendienst 24 september 2017

Welkom

Zingen: Ps. 65: 1,2 Levensliederen
1. Wij zingen met verstild verlangen:
God, die aan Sion hecht,
u zult van ons de dank ontvangen
die u is toegezegd.
U hoort wat mensen aan u vragen,
bij u komt al wat leeft.
Zelf kan ik al mijn schuld niet dragen –
dank dat u ons vergeeft.
2. Gelukkig wie u wilt onthalen,
verwelkomt in uw huis.
De heiligheid daar doet ons stralen,
de goedheid bij u thuis.
U antwoordt machtig en rechtvaardig,
u redt ons, neemt ons mee.
U bent de hoop van heel de aarde
en van de verste zee.

Moment van stilte en persoonlijk gebed

Votum en groet

Zingen: Ps. 65: 3,4,5 Levensliederen
3 U die de bergen wist te vormen
– een machtig mooi idee! –
u stilt verwoestend zware stormen,
het schuimen van de zee.
U stopt het woeden van de volken,
vervult hen met ontzag.
Zelfs mensen heel ver weg vertolken
luid juichend uw gezag.
4. U onderhoudt het land met regen
en zorgt dat alles groeit.
U geeft rivieren vol met zegen,
zodat de akker bloeit.
U maakt het land geschikt voor koren,
uw arm raakt nooit vermoeid:
u klieft de kluiten, vult de voren
en zegent al wat groeit.
5. U kroont het jaar met uw geschenken,
het druipt van overvloed.
U wilt het droge land doordrenken,
wat bent u gul en goed!
De dalen kleuren blond van koren
de weiden bont van vee,
De heuvels laten van zich horen,
de bergen juichen mee.

Gods leefregels uit Leviticus 19: 1-18

Zingen: Opwekking 244 ‘Welzalig de man die niet wandelt’

Gebed

Kinderlied

Kinderen naar de KND

Bijbellezing: Matt. 19: 23 – 20: 16

Lied: ‘Jij krijgt evenveel’ (Hemelhoog lied 95)

Verkondiging : Loon naar werken, of toch niet?

Zingen: Ps. 81: 1,4,8,9 (LB) ‘Jubelt, God ter eer, Hij is onze sterkte’

Voorbereiding H. A

Zingen: Opwekking 737 ‘U nodigt mij aan tafel’

Kinderen terug in de kerk

Gebed

Collecte – zingen Opwekking??

Zingen: Gz. 456: 1,2 ‘Zegen ons, Algoede’

Zegen

Amen : Gz. 456: 3
——————————————————————————————

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,
Wie van jullie werkt fulltime, 40 uur per week of meer, in dienst, of voor uzelf?
Ik denk: met een eigen zaak of als zzp’er, is het meestal veel meer dan 40 uur.
En wie van jullie heeft een parttime baan, van b.v. 20 uur per week, of minder?
Als dat voor hetzelfde bedrijf is, is het logisch dat wie de hele week werkt, heel
wat meer zal verdienen dan wie 2 of 3 dagen in dienst is – loon naar werk, toch?
En ervaring telt ook, en dienstjaren, en het soort functie – er zit heel wat afstand
tussen de directeur en de jongere met een minimumloon – soms zoveel afstand
dat er vraagtekens bij te zetten zijn: als b.v. de top zich verrijkt en geld over de
balk smijt terwijl onderop er geen ruimte is voor loonsverhoging, er fors wordt
bezuinigd, en zelfs mensen ontslagen worden, dan voelt dat als onrechtvaardig.
Maar verschil in beloning tussen fulltimers en parttimers, dat snapt iedereen.
En dat overwerk en extra prestatie leidt tot extra beloning, is ook normaal, toch?

Maar stel je voor dat je een drukke fulltime baan hebt, elke week vijf lange dagen
met soms ook nog overwerk, en met volledige inzet, terwijl er ook collega’s zijn
die twee of drie dagen hetzelfde soort werk doen, en je merkt dat zij precies
hetzelfde verdienen als jij – en dat ook de stagiair voor 1dag het volle pond
krijgt aan het eind van de maand – dat kan niet natuurlijk, en dat pik jij niet.
Als een bedrijf zoiets raars zou doen, wordt meteen aan de bel getrokken
en breekt een opstand uit, wordt de vakbond ingeschakeld, en de media….
Want dat is grof onrecht natuurlijk, vooral tegenover wie de hele week werkt.
En ook al gun je die collega alle goeds, jij verdient toch wel meer dan hij of zij.
Laten we met dat in het achterhoofd gaan luisteren naar dat verhaal van Jezus
over de werkers in de wijngaard, en over de uitbetaling aan het eind van de dag.

Ik stel me zo voor dat het gaat om seizoenswerk, in de tijd van de druivenoogst.
Dan red je het als wijnboer niet met je gezin en met je vaste arbeidskrachten.
Er moeten in die paar drukke weken extra mensen worden aangetrokken om
de oogst op tijd binnen te halen en de druiven te persen en tot wijn te verwerken.
Zo gaat dat eigenlijk nog steeds, ook in Nederland, waar vaak een beroep wordt
gedaan op seizoenswerkers uit b.v. Oost-Europa, om aardbeien te plukken of asperges te steken, bollen te pellen en nu weer hier voor het koolseizoen….
Vaak zijn het dan uitzendbureaus die bemiddelen en die werkgevers en werknemers bij elkaar brengen, en ook verantwoordelijk zijn voor goede arbeidsvoorwaarden.

Je ziet in dat verhaal van Jezus net zoiets; alleen is nu het centrum van het dorp
de ontmoetingsplek van werkgevers en werkzoekenden – een soort speeddate.
De wijnboer uit dit verhaal heeft dringend werkers nodig voor zijn oogst, en hij gaat daarom naar de plek waar de werkzoekenden zich verzamelen, en waar vroeg in de morgen – 6 uur in de ochtend – al mannen staan die graag aan de slag willen.
Met de afspraak dat ze 1 denarie krijgen – wat toen het normale arbeidsloon was voor 1 dag werken – gaat de eerste ploeg mee om in de wijngaard te gaan werken.
Drie uur later gaat de boer weer naar de markt want er zijn nog meer mensen nodig.
Weer blijken er werkzoekenden te staan, die wel aan de slag willen bij die wijnboer.
Zij krijgen de toezegging mee dat ze een eerlijk loon zullen krijgen, en ze gaan mee.
Hetzelfde scenario herhaalt zich om 12 uur en om 3 uur ’s middags – werk genoeg.
Ja, en vreemd genoeg gaat de wijnbouwer zelfs om 5 uur ’s middags nog een keer naar het plaatselijk uitzendbureau want zelfs werkers voor 1 uur zijn nog welkom.
Ook dan blijken er nog lui op de markt te staan afwachten of iemand werk voor ze heeft, wat de wijnboer tot de verbaasde vraag brengt waarom ze er nog staan:
“waarom staan jullie hier nog steeds, en zijn jullie niet aan het werk gegaan “.
Merkwaardig die vraag want waarom heeft de boer ze niet eerder aangenomen?
Het kan zijn dat hij eerder dacht ze niet nodig te hebben: ze vinden wel werk.
Wat blijkbaar niet gelukt was: “niemand heeft ons vandaag gewerk gegeven”.
Of zij waren nu pas komen opdagen omdat ze liever lui dan moe waren, en dan is het een smoes dat niemand ze werk had aangeboden: ze hadden er geen zin in.
Het staat er niet bij dus wij moeten het ook maar niet gaan invullen en oordelen.
Zoals het in onze tijd erg onredelijk is als je makkelijk praat over mensen die nog steeds geen baan gevonden hebben terwijl er toch zoveel vacatures zijn: ik snap niet dat hij nog altijd van een uitkering leeft, ‘ze’ vinden het zeker wel makkelijk zo…..
Er zijn in Nederland nog steeds heel wat mensen die maar wat graag aan de slag zouden willen en die zich suf solliciteren maar die steeds weer afgewezen worden.
Ook al daalt de werkloosheid, er zijn nog bijna 400000 werklozen, en vooral als mensen ouder zijn en ‘te duur’ of met niet de goede ervaring, is het heel erg lastig.
Dus laten we vooral niet oordelen, maar laten we naast wie dat overkomt gaan staan.

Terug naar het verhaal van Jezus over die wijnboer en over zijn dagloners, die allemaal in de wijngaard hadden gewerkt en na gedaan werk wachten op hun loon.
In de lijn van wat al was bepaald in de wetgeving van Mozes – lees Lev. 19: 13: “Betaal een dagloner zijn loon nog dezelfde dag uit”, en ook Deut. 24:14: “Een dagloner, die het al moeilijk genoeg heeft, mag u niet uitbuiten, of het nu iemand van uw eigen volk betreft of een vreemdeling die in een van uw steden woont. U moet hem nog dezelfde dag, voor zonsondergang, uitbetalen,want hij is arm en het gaat hem juist om dat loon. Anders zal hij de HEER zijn nood klagen, dan zal u wat u hem hebt aangedaan, als zonde worden aan aangerekend.” Een regel die ook voor ons land actueel is, denk maar weer aan die seizoenskrachten in land- en tuinbouw, aan die buitenlandse vrachtwagenchauffeurs en anderen die vaak worden uitgebuit maar recht hebben op gelijk loon als hun Nederlandse collega’s– een taak voor de politiek.
Ook in Israël ging het vaak mis op dat punt, vandaar b.v. de scherpe woorden van de profeet Maleachi over “mensen die hun dagloners uitbuiten, die weduwen en wezen
Onderdrukken, en die vreemdelingen geen plaats gunnen” (3:5) – over zulke mensen zegt de HEER dat zij geen ontzag voor Hem hebben, en dat Hij recht zal doen.
Eeuwen later komt het terug, als Jacobus stevig uithaalt naar boeren, misschien zelfs wel kerkleden, die werden aangeklaagd door hun werknemers omdat die niet het loon kregen waarop ze recht hadden voor het maaien van de akkers, terwijl zij zelf in weelde leefden – ik herinner me nog die broeder uit mijn eerste gemeente die in zijn jonge jaren landarbeider was geweest en mocht meeëten bij de boer aan tafel maar bij de Bijbellezing merkte dat de boer juist dat stukje uit Jacobus maar oversloeg….

Nou, de wijnboer deed het goed: aan het eind van de dag werd het loon uitbetaald.
Alleen maar, het ging wel totaal anders dan die werknemers verwacht hadden.
En zij die dit verhaal aanhoorden, zullen met stijgende verbazing geluisterd hebben.
Het begon al vreemd: niet de werkers van het eerste uur mochten als eersten hun loon in ontvangst nemen maar die lui die pas te elfder ure waren aangeworven.
En, nog vreemder, ze kregen allemaal 1 denarie in handen gestopt: het volle loon
voor een hele dag, terwijl zij toch maar alleen dat ene uurtje hadden gewerkt.
Stel je voor dat je erbij had gestaan na een lange dag werken, dan snap je vast de verontwaardigde reacties wel van die mannen die van de vroege morgen en op het heetst van de dag en tot de late avond zich in het zweet gewerkt hadden in die wijngaard, en die dan terwijl zij op de uitbetaling van het afgesproken loon staan
te wachten, tot hun schrik en ergernis moeten meemaken dat die laatkomers die
nog even een uurtje druiven geplukt hebben na misschien wel de rest van de dag op hun rug gelegen hebben, het eerst hun loon kregen, en ook nog het volle dagloon.
Maar o, misschien is dat juist wel een goed teken: dan krijgen de mannen die langer gewerkt hebben vast wel een extra bonus – en zijzelf, die de hele dag zich hadden afgebeuld, zullen wel helemaal dik betaald worden – met spanning wachtten ze af tot zij naar voren werden geroepen – maar nee: nadat de mannen van het derde en het zesde uur allemaal hetzelfde gekregen hadden en zij eindelijk aan de beurt waren: dank mannen voor jullie inzet, goed gedaan, ik ben erg tevreden over jullie, wat mij betreft mogen jullie morgen terugkomen, en hier is jullie loon, zoals we vanmorgen hebben afgesproken: alsjeblieft, hier is jullie eerlijk verdiende denarie.

Je voelt de spanning stijgen en als ze hun loon in handen hebben, barst het los:
Maar dat is toch niet eerlijk! Die lui hebben maar één uurtje gewerkt, en wij de
hele dag – zij kwamen toen de zon al bijna onder was en de hitte voorbij, mooi
makkelijk – wij hebben gewoon doorgewerkt ook op het heetst van de dag – hoe
kan het dan dat zij net zoveel geld krijgen als wij – dat kunt u toch niet maken!

Nee, dat zou een werkgever in Nederland – of een uitzendbureau – niet kunnen maken, dat zou iedereen erg oneerlijk vinden, denk aan de voorbeelden waarmee ik vanmorgen deze preek ben begonnen, pas het toe op de arbeidsverrhoudingen in Nederland met cao’s en vakbeweging en allerlei regelingen vanuit de politiek.
Maar ook in de tijd waarin Jezus dit verhaal vertelde, was zoiets ondenkbaar.

Kijk, maar de Heer die hier wordt vergeleken met een wijnboer, kan dit wel maken.
Want Jezus vertelt dit verhaal niet zomaar, maar hij begint te zeggen dat het niet gaat over arbeidsvoorwaarden of politieke afspraken hier op aarde, maar over
‘het koninkrijk van de hemel’, over hoe het gaat waar hoe God zijn Vader met mensen omgaat en hoe het toegaat waar God het voor het zeggen heeft: “Dit
voorbeeld leert je iets over Gods nieuwe wereld” (zo staat het in de BGT). En die nieuwe wereld begint nu al waar God mensen aanneemt en inzet en beloont.

De wijnboer uit het verhaal reageert op die boze verwijten nuchter en tegelijk ontwapenend – hij slaat meteen de kritische dagloners hun wapens uit handen.
De man die als eerste en misschien wel als woordvoerder van de rest protesteert,
Krijgt een vriendelijk hanmaar duidelijk antwoord: “Beste man, ik behandel je niet oneerlijk, je krijgt wat we vanmorgen hebben afgesproken, en dat is het normale loon voor een dag werken; neem je loon in ontvangst en ga rustig naar huis. Ja en wat ik die anderen wil geven, gaat jullie niks aan, het is mijn zaak wat ik doe met mijn geld”.

Nou, dat klinkt redelijk, daar is geen speld tussen te krijgen…..toch….of toch wel….?
Ik denk dat wij er toch heel wat tegenin zouden kunnen brengen: ja maar hij….zij?
Als mensen zitten wij zo in elkaar en zit de samenleving zo in elkaar dat we heel erg naar anderen kijken en onszelf en onze omstandigheden met anderen vergelijken.
En dat is vaak best terecht maar het verraadt hoe wij mensen in elkaar zitten.
De heer in het verhaal legt de vinger op de wonde plek: of ben je misschien jaloers?
Gun jij eigenlijk die anderen niet dat ze net zoveel krijgen als jij, letterlijk: of is jouw oog boos, geblokkeerd door jaloersheid, erger je je aan mijn goedheid en midlheid?
Daar zit precies de kern van wat Jezus zijn leerlingen en ons wil leren – niet voor niets moeten die werkers van het eerste uur er bij staan als wie minder uren of zelfs maar alleen dat laatste uurtje hebben gewerkt, net zo beloond worden als zijzelf.
De les dat God niet beloont naar prestatie maar geeft uit genade, omdat Hij goed is.

Ja, en dan moeten we maar niet naar anderen kijken, en er namen bij invullen.
Dat kun je zomaar doen, b.v.: die werkers van het eerste uur zijn de Joden, of de Farizeeën die denken dat ze door hard hun best te doen, kunnen verdienen bij God, en de werkers van het laatste uur zijn de gelovigen van het NT, zijn wij dus ook.
Maarten Luther die meer dan tien keer over die verhaal heeft gepreekt, legde het in het begin ook zo uit, en later kregen vooral de priesters en monniken en pausen ervan langs die dachten dat zij door hun goede werken zichzelf als de besten beschouwden, terwijl het erom gaat dat je God dient uit liefde en niet uit plicht.
Later kwam Luther steeds meer tot de uitleg dat het een les is voor ons allemaal.
Zoals hij deed in een preek in 1537 met een heel persoonlijke toepassing: “Ik heb
nu al 20 of 30 jaar met preken en doceren, samen met vele anderen, veel arbeid verricht en vele zorgen doorstaan; maar daarmee verkrijg ik toch maar precies hetzelfde als de kinderen die vroeg gestorven zijn, en maar één uur in de wijngaard zijn werkzaam geweest. Ik zou het ook wel met lede ogen kunnen aanzien en kunnen klagen – God moge het mij vergeven -, omdat Hij mij zo lang laat werken en zo laat zweten, terwijl ik daarvoor toch niets meer ontvangen zal dan een kind dat, nadat het gedoopt is, nog maar één of twee dagen leeft….Ik moet mij echter laten welgevallen dat God zo goed en zo barmhartig is, dat Hij aan hem die weinig werk doet evenveel geeft als aan hem die veel werk gedaan heeft.” Tot zover Luther,
die dit verhaal ook heel duidelijk aandraagt als concreet voorbeeld van wat hij als de rode draad ontdekt had in de Bijbel als evangelie: niet prestatie, maar genade alleen.
Ik denk ook aan zondag 24 van de catechismus waar gevraagd wordt of God wat wij voor Hem doen dan niet wil belonen, nu al, en straks na dit leven, en als antwoord gegeven wordt dat die beloning wordt gegeven niet uit verdienste maar uit genade.

De laatsten worden de eersten, dat is niet bedoeld om ons aan te moedigen het te laten afweten als het gaat om liefde tot God, groei in geloof, inzet voor mensen. De apostel Paulus die zo inzette op dat we worden gered door geloof alleen en niet als loon naar werken, reageert verontwaardigd op de suggestie dat we dat hoe meer we zonde doen des te meer genade we krijgen – geen sprake van zegt hij dan, want als je van de ondergang bent gered laat je je dankbaarheid zien in een leven voor God.

Prachtig als je zoveel voor je Heer over hebt als zijn eerste leerlingen dat hadden –
“wij hebben alles achtergelaten en zijn U gevolgd”, zegt Petrus tegen Jezus – en de reactie op de vraag wat dat hun oplevert is dan dat God ze rijkelijk zal belonen – maar dan meteen erachter aan komt dat vele eersten de laatsten zullen zijn en vele laatsten de eersten – want bij God verdien je niets maar krijg je volop zijn genade.
En dat is de doodsteek voor hoogmoed en activisme – dan red je het niet en wordt je op je plek gezet – achteraan – én het is een hart onder de riem voor wie na wie weet wat een moeilijk of slecht leven wordt gered en een nieuw leven mag beginnen – zoals b.v. die misdadiger naast Jezus aan het kruis – en zovelen naast en na hem.
Een uitlegger zegt erover: “Waarom zullen vele eersten laatsten worden? ..Omdat zij zich wel vroeg lieten roepen, maar uiteindelijk aan anderen de genade misgunnen…
Ingaan in Gods koninkrijk is namelijk ingaan in het rijk van goedheid en genade. Het
volgen van de roeping was een weg: het prijzen van Gods genade het doel”.
Deze gelijkenis van onze Heer doet denken aan die andere bekende: van die twee zoons van wie de jongste zijn deel van de erfenis te grabbel gooide en in de goot belandde en toen tot inkeer kwam en als een berooide zwerver weer bij zijn vader aanklopte: zijn vader sloot hem in de armen en maakte er een groot feest van maar zijn broer was razend en viel boos uit: “Al jarenlang werk ik voor u en nooit ben ik u ongehoorzaam geweest als u mij iets opdroeg, en u hebt mij zelfs nooit een geiten- bokje gegeven om met mijn vrienden feest te vieren. Maar nu die zoon van u is thuisgekomen – hoor je dat? niet: mijn broer, maar: ‘die zoon van u’- nu die zoon van u is thuisgekomen die uw vermogen heeft verkwanseld aan de hoeren, hebt u voor hem het gemeste kalf geslacht” . Zijn oog was boos, omdat zijn vader zo goed was.
Je gaat vergelijken en dan vind je jezelf beter dan die ander die er misschien in jouw ogen de kantjes van afloopt terwijl jij toch zo je best doet en zoveel op jou neer komt.
Dan gaan we in de kerk vooral letten op wie veel doet en er altijd is terwijl hij….zij….
Ja en moet je eens kijken naar hem of haar: die denkt zeker dat het zomaar gaat.
Of je schiet in de stress dat wat jij doet toch niks voorstel als je kijkt naar wat hij doet en zij allemaal aan kunt – en wat heb ik heel wat jaren verprutst –ik tel toch niet mee.

Dan heeft dit verhaal van Jezus een boodschap voor ons allemaal: wat is God goed, wat is het gelukkig bij God anders dan in onze wereld en ook anders dan vaak in de kerk en in onze denkramen: blij met elke zondaar die zich tot Hem bekeert en van zijn genade wil leven – en bij Hem ben je nooit te slecht en is het ook nooit te laat.
Ja en ook: wees blij als je al heel je leven mag geloven en van die genade mag leven
En als je veel kon en mocht en wilde doen voor God en voor mensen om je heen –
zie het maar als bewijzen van Gods genade, en zeg het Paulus maar na die zich een laatkomer en een wegloper wist die door God was teruggeroepen en vooraan gezet: “God was goed voor mij. Hij liet mij zijn dienaar worden. Ik heb heel hard gewerkt, veel harder dan alle andere apostelen. En mijn werk is niet voor niets geweest, want veel mensen zijn gaan geloven. Dat was natuurlijk niet mijn werk maar Gods werk. Want al mijn werk is te danken aan Gods goedheid” (1 Kor. 15: 10 – BGT).
Geen reden dus om je erop te laten voorstaan, maar om God ervoor te danken, en om God ook dankbaar te zijn voor die broer en zus, niet voor of achter in de rij, maar naast je: gelijk bedeeld met Gods onverdiende rijke genade! Niemand komt tekort!
Dat gaan we volgende week samen vieren, naast elkaar met al onze verschillen.
Aan de tafel van de Heer zijn geen ereplaatsen, maar we zijn daar allemaal gelijk:
“voor ieder van ons een plaats aan de tafel…een veilige plek, een plek om te schuilen, een plaats in Gods licht als tafelgenoot…niet minder of meer, de een of de ander…een hand zoekt de hand, de jongste de oudste, zij vinden elkaar en niemand gaat voor…voor ieder van ons een plaats aan de tafel, beschadigd of gaaf, rechtvaardig of slecht, en ondanks de pijn; een plek van vergeving, genadig begin van goddelijk recht, voor ieder van ons een plaats aan de tafel, van eerbied vervuld, van angsten bevrijd, een plaats om te zijn, een plaats om te worden getuige van Hem, een levend bewijs”.

Gunnen wij elkaar – en elk mens – die plaats aan Gods tafel, nu al en straks voorgoed? Bid maar om een hart vol liefde, en ogen die Gods goedheid uitstralen!

amen