Nehemia 4: Bouwen en verdedigen

Gemeente van Christus, broeders en zusters,jongens en meisjes,
dia 1
Alleen naar school kunnen met politieagenten om je te be¬schermen.
Omdat ze anders stenen naar je gooien of je in elkaar slaan.
Gelukkig dat jullie dat niet hoeven meemaken!
Het is wel gebeurd gelukkig al lang geleden, nota bene in de Verenigde Staten:
zwarte kinderen die naar school gingen onder begeleiding van gewapende solda¬ten, die hen moesten beschermen tegen blanke medeleerlin¬gen en hun ouders, die de school koste wat kost blank wilden houden, in de tijd van felle rassentegenstellingen.

Andere beelden doemen op: stakers die proberen mensen die wel willen werken tegen te houden en zelfs te bedreigen, zo zelfs dat de ME moet worden ingezet om werkwilligen toch de poort door en op hun werkplek te krijgen. Of mensen die een vreedzame demonstratie willen houden maar dat alleen kunnen als de politie ze beschermt tegen wie dat willen verstoren. En geweld tegen vluchtelingen, of Joden.

Stel je voor dat ergens een kerk wordt gebouwd en dat de bouwvakkers moeten werken met een pistool op zak. Dat politie moet worden ingezet omdat anders wat opgebouwd is weer wordt vernield. Onvoorstelbaar voor ons. Maar in Jeruzalem gebeurde dat. Nehemia moest de sterke arm inzetten om door te zetten wat uitdrukkelijk wettelijk was toegestaan: het weer opbouwen van de muren van Jeruzalem. De tegenstand daartegen was zo bedreigend en kwam zo van alle kanten dat de bouw alleen kon doorgaan onder bescherming van gewapende ME’ers. Het was zelfs zo erg dat de sjouwers en bouwers hun werk alleen konden doen als ze in staat waren tot zelfverdediging. Waarbij gelukkig boven alles uit ging dat ze van hogerHand werden beveiligd en gesteund. Niet maar door de koning, maar door de God van de hemel. Die was een vurige muur om zijn stad en zijn volk. Van wie Nehemia tegen zijn mensen kon zeggen: onze God zal voor ons strijden.
En dus werkt geen bouwer vruchteloos….
dia 2
Bouwen en verdedigen
1. bedreigd;
2. waakzaam;
3. ontspannen.

dia 3 1. Bouwen en verdedigen: bedreigd.

U kent dit symbool misschien wel. Het is het symbool van het studentencorps FQI in Kampen, hier afgebeeld op een nummer van hun blad Cornu – en het staat ook op mijn oud-senatorenlint dat ik bewaar als herinnering aan mijn Kamper studententijd.
Het stelt voor een troffel- zo’n ding om mee te metselen- en een zwaard. Samen afgebeeld zodat ze ook nog de eerste letters van de naam Christus vormen: twee troffels die gekruist de griekse letter CH vormen; het zwaard dat staat voor de griekse letter R: Christus is onze¬ krac¬ht.

Dat symbool gaat terug op wat in onze tekst wordt verteld. Als we nauwkeurig lezen en iets weten van hoe toen gebouwd werd, klopt het ook weer niet helemaal. Nehemia liet de mensen die bezig waren aan de muur hun werk doen met hun zwaard aangegespt. Ze hadden dus twee handen vrij om te werken. En het is maar de vraag of ze daarbij een troffel nodig hadden. Ze bouwden toen niet met van die keurige bakstenen, allemaal recht toe recht aan en precies gelijk aan elkaar, met daar dan specie tussen om ze op elkaar en aan elkaar vast te metselen. Nee, ze hakten stukken steen uit de rotsen, allemaal onge¬lijk, zodat ze op maat gehakt werden en dan op elkaar gesta¬peld.

Hoe dat ook zij, wat het beeld van de troffel en het zwaard zeggen wil, klopt wel: die bouwers moesten werken onder de bedreiging van hun vijanden en ze moesten zich daartegen in-dek¬ken doordat ze een wapen bij zich droegen. De sjouwers die buiten de stad materialen moesten ophalen, waren gewapend met een werp¬speer, de bouwers onder en op de muur hadden altijd hun zwaard bij zich. En dan waren er nog gewapende bewakers in de buurt. Allemaal voorzorgsmaatregelen tegen een mogelijke aanval van de vijanden die niet wilden dat het werk af kwam.

We hebben gelezen hoe die tegenstanders op alle mogelijke manieren probeerden er een stokje voor te steken. Eerst door het vlijmscherpe wapen van bijtende spot. Wat willen die joden toch,sneerden ze. Een muur bouwen uit dat puin, met die stenen die door het vuur zijn aangetast? Alsof wij ze zomaar hun gang zullen laten gaan! O, ze denken natuur¬lijk dat hun God hen zal helpen? Een heleboel offers en dan gaat het verder vanzelf? Denken ze echt dat er iets van terecht komt? Nou, misschien dat er wel een muur staat straks, maar zo slap en krakkemikkig dat die muur al omvalt als er maar een vosje ten opspringt…

Wat dan opvalt is dat Nehemia niet reageert door kwaad te worden. Door ze nog eens de papieren van de koning onder de neus te wrijven. Of door terug te gaan schelden en spotten. Je zou dat verwachten en het heel goed kunnen begrijpen ook. Vaak doen wij dat wel, als een ander ons uitscheldt of steeds pest. Als we het met een buurman aan de stok hebben over een heg of een schutting en we weten zeker dat we in ons recht staan….en als we in de kerk te makkelijk oordelen en er harde woorden vallen, als we liever een stevige mail sturen dan in gesprek gaan, als we
de mening of keus van die ander wegzetten als verkeerd of niet gereformeerd…
,
Nehemia doet iets heel anders. Net als we lezen van Hizkia toen de koning van Assur hem uitdaagde en Israël en de HEER hoonde. En zoals we lezen dat Jezus ons voordeed: Hij werd uitgescholden maar Hij schold niet terug; Hij had zwaar te lijden maar Hij uitte geen bedreigingen. Nee, Hij liet het over aan de Here God die rechtvaardig oordeelt. Paulus zegt dat ook: broeders neem geen wraak maar laat God rechter zijn.

Wat Nehemia doet is in gebed al die spot en die bedreigingen aan de Here voorleggen en God vragen om recht te doen en hun spot als een boemerang op hun eigen hoofd neer te laten komen. Dan is het ook van je af. Je vertrouwt erop dat de Heer het wel hoort en ziet en op zijn tijd de daders zal straffen. Dat geeft rust en nieuwe moed: zij herbouwden de muur, ze hadden zin in het werk.
dia 4
Toch begonnen er ook haarscheurtjes te komen in de hechte muur van vertrouwen en onverzettelijkheid. De tegenstanders werden nog kwaaier toen ze merkten dat ze geen succes hadden en dat de muur elke dag een beetje hoger en een beetje sterker werd. Ze smeedden zelfs een complot om met geweld een einde te maken aan de bouwactiviteiten. In vs. 5 lezen we. “onze tegenstanders dachten ons ons onverhouds aan te vallen en te dode, en zo het werk te kunnen stopzetten”. Zo zaaiden ze angst en dreigde er verdeeldheid: “de Joden die in de buurt van onze vijanden woonden kwamen overal vandaan naar ons toe en drongen erop aan dat wij met hen mee teru zouden gaan.” Moeilijk als ook je eigen mensen zich tegen je keren en er een sfeer ontstaat van moedeloosheid: stop maar, dit lukt toch nooit.

Eigenlijk is er wat dat betreft door al die eeuwen heen weinig of niks veranderd.
De duivel wil niets liever dan verdeeldheid zaaien en mensen tegen elkaar opzetten.
Dat zie je in de samenleving, en helaas ook vaak binnen kerken; en dat is misschien nog wel gevaarlijker dan wat van buitenaf op ons afkomt: wantrouwen, dat je niet je veilig voelt bij elkaar, dat je niet meer samen bouwt maar elkaar afbreekt – dat je niet samen de Heer wilt volgen maar ieder zijn eigen ideeën en idealen achterna gaat.
En dat de angst gaat regeren voor wat allemaal mis is of fout kan gaan, vooral bij
en door die anderen – en dan zal het ook niet lukken om samen iets op te bouwen.
Maar juist als wij zwak zijn -en onze zwakheid ronduit toe-ge¬ven – komt des te geweldiger de kracht van de Heer aan het licht. Van Hem die uit onze puinhopen toch zijn stad kan en wil bouwen. En die ons aan het werk zet met troffel èn zwaard.

dia 5 2. Bouwen en verdedigen: waakzaam.

De troffel en het zwaard, ze kunnen geen van beide worden gemist. Dat zwaard herinnert ons eraan dat de bouw van Gods rijk altijd weer wordt bedreigd. Dat we gevaar lopen als we in God geloven en de Here Jezus willen volgen. We zongen over die tegenstand, over zware strijd, over geweld waartegen je gewapend moet zijn en waakzaam. Om niet onverhoeds overvallen en verslagen te worden, maar om bedacht te zijn op de aanval van de vijand.

Let dan goed op hoe Nehemia zijn mannen instructies geeft en moed inspreekt: wees niet bang voor die tegenstanders van ons- nee, niet omdat ze niet zo gevaarlijk zijn of omdat we ze makkelijk aankunnen, maar omdat jullie moeten denken aan die grote en geduchte God. Dan durf je zelfs de zwaarste strijd aan. De strijd om maar niet alleen een bouwwerk over¬eind te houden, maar om de veiligheid van gezin en huis. Je bent niet alleen verantwoordelijk voor jezelf of voor een of andere zaak of principe, maar we zijn voor elkaar verantwoor¬delijk. dia 6. Voor je kinderen, voor je familie, voor je broer of zus in je geloof, voor Gods kleine en grote kinderen.
Als ik dat zo lees bij Nehemia – waakzame wachters en goed bewapende bouwers zodat het werk door kon gaan en de vijand er geen afbreuk aan kon doen – dan denk ik onwillekeurig door tot op dat appèl van de apostel Paulus eeuwen later om de wapen-rusting van God aan te doen, tegen de vurige pijlen van satan. dia 7
Denk aan Gods woord, en het gebed, aan het geloof en de hoop. Denk ook aan de gemeente waar we samen de wapens scherpen en leren gebruiken, om Gods bouwwerk en zijn bouwvakkers – en dat zijn wij samen – te beschermen. Opdat het werk kan doorgaan en tot een goed einde kan worden gebracht. En wij veilig wonen!

Ik wil in dit verband nog speciaal twee dingen aanstippen. In de eerste plaats dat het goed is ons steeds af te vragen of onze bewapening wel op orde is en toegesneden op de vijanden die ons belagen. Dat kan vernieuwing en verandering meebren¬gen. Laat ik het zo zeggen: je moet een vijand die je aanvalt met tanks en vliegtuigen niet te lijf gaan met hooivorken en kapmessen. Je hebt de strijd al verloren voor die begonnen is. Zo redt je het vandaag niet met oude uitgekouwde antwoorden als heel nieuwe vragen en uitdagingen op ons afkomen. En het kan heel goed zijn dat nieuwe tijden en problemen vragen om een andere aanpak en andere vormen dan veertig of vijftig jaar geleden. U kunt denken aan omgaan met de Bijbel, aan jeugdwerk en catechese, aan de plek van man en vrouw in de kerk,
aan openheid naar andere gelovigen, midden in een multiculturele samenleving.
Natuurlijk blijven de sterke wapens van de christen altijd de betrouwbare boodschap van God, het geloof en het gebed, het lied,het steun zoeken bij elkaar om samen te schuilen bij God. Maar in elke tijd moeten die wapens weer worden ge¬scherpt en bruikbaar gemaakt om de vijand af te slaan en in het hart te raken. Om jezelf en elkaar te voorzien van die wapens die in de strijd nodig zijn. En om ook samen die wapens te gebruiken. Dat is het tweede waar steeds weer aandacht voor moet zijn: wat komt er terecht van het oefenen om de wapens die we hebben gekregen, ook te hanteren. Wat komt er terecht van persoonlijk bijbellezen en bijbelstudie – en hoe staat het met onze bijbelstudie samen-en bidden we nog wel samen? Daarbij ook: zijn de vormen om daarmee bezig te zijn wel het meest effectief gelet op deze tijd en wat er op ons afkomt, en spreken we echt met elkaar over wezenlijke dingen, open en van hart tot hart, waarbij alles op tafel mag komen, we elkaar serieus nemen en ons veilig voelen binnen de gemeente en niet bang hoeven zijn om onszelf te zijn?

Gemeente, waakzaamheid is het sleutelwoord in de aanpak van Nehemia. Toen de vijand moest afdruipen, zei hij niet: nu is het gevaar geweken en kunnen we weer rustig op de oude voet doorwerken en ‘s nachts rustig gaan slapen. Nee, precies het tegenovergestelde. Uiterste waakzaamheid is geboden, en elke seconde telt. Behalve dat er gewapende bewaking was en ieder die aan de muur werkte zichzelf moest kunnen verdedigen, was er ook een man die alarm moest blazen als er ergens aan de muur gevaar dreigde: om zo elkaar te hulp te kunnen schieten en daar te verzamelen waar de stad het meest werd bedreigd. Ook een goede les: je staat er samen voor, we zullen elkaar te hulp komen, en onderkennen waar de gevaren liggen en waar vooral onze zwakke punten zijn. Waakzaam doorbouwen, en niet verslappen, of indutten. Waakzaam, en biddend!

dia 8 3. Bouwen en verdedigen: ontspannen.

Als we dit hoofd¬stuk zo lezen, trilt de spanning erdoorheen. Reken maar dat ze in angst gezeten hebben, bouwend tussen hoop en vrees. Ze zaten daar in Jeruzalem als ratten in de val: in het noorden de Samaritanen, in het oosten Tobia en zijn medestanders, in het zuiden Gesem met achter hem de Arabieren, en dan in het westen de ‘Asdodieten’ – afstammelingen van de Filistijnen.Nu eens bijtende spot – en hadden ze niet gelijk dat het allemaal niet veel voorstelde? Dan weer de dreiging van een nachtelijke aanval – de ene waarschuwing na de andere kwam op ze af – en wat konden ze beginnen tegen zoveel tegenstanders? En onderling ook spaningen.

Je proeft er af en toe de paniek en de moedeloosheid doorheen: de sjouwers zijn aan het eind, er ligt zoveel puin dat we er nooit doorheen komen. Ja, en toen Nehemia een deel van de mannen aan het werk onttrok doordat ze in de bewaking dienst moesten doen, moesten wie overbleven er extra hard aan trekken en dat ook nog met een speer in de hand of een zwaard dat in de weg zat. Het werk werd extra zwaar en schoot nog minder op. Met steeds de dreiging aangevallen te worden. Een zware klus! Toch raakte Nehemia niet in paniek. Hij vroeg van zichzelf en zijn naaste medewerkers wel het uiterste. Als een echte voortrekker, een oorlogsleider. Die niet anderen laat sloven en zelf er zijn gemak van neemt, maar die voorop loopt in afzien en doorzetten. Lees maar het slot van het hoofdstuk: “geen ogenblik waren we uit de kleren, ik niet, en mijn verwanten, mijn mannen en mijn lijfwacht ook niet”.

Maar de beste dienst die Nehemia zijn mensen en zijn volk bewees, was dat hij hen voorging in een onverwoestbaar geloof en vertrouwen op God hun Heer. In het samengaan van bidden en wer¬ken. Lees maar vs. 9: “wij baden tot onze God, en met het oog op hun plannen zetten we wachten uit.” Nog eens vs. 14: “wees niet bang voor hen, denk aan de grote en geduchte Heer,en strijd voor uw volksgenoten,
voor uw zonen, dochters en vrouwen, en voor uw huizen”. Niet het een of het ander dus: handen in de schoot en het aan de Here overlaten of: zelf je best doen om te vechten en te winnen. Het gaat samen: “onze God zal voor ons strijden” -en tegelijk
dat je met zijn hulp ook zelf en samen aan de slag gaat, en je verdedigt tegen allerlei gevaren. Ik denk aan wat zondag 52 van de cat. naast elkaar zet als het gaat om de strijd van het geloof tegen de duivel en de zonde: God bidden om zijn Heilige Geest – want we zijn zelf zo zwak dat we geen ogenblik kunnen standhouden – zodat we niet het onderspit delven maar altijd krachtig tegenstand bieden totdat wij uiteindelijk de volkomen overwinning behalen.
dia 9
Nou, en dan hoeven we ook niet aan die overwinning te twij¬felen. Dan is er geen reden voor paniek ook niet als we zien wat voor strijd er vandaag aan de gang is om ons, om onze kinderen, om de toekomst van de kerk…. Geen reden om dat zorgeloos en lijdelijk over ons heen te laten komen – we zullen waakzaam zijn en we mogen niet verslappen – maar ook geen reden voor wanhoop of paniek. Nehemia stak zijn mannen vooral een hart onder de riem door ze steeds weer te wijzen op hun God: vergeet niet dat we een machtige God hebben. Zeker, er werd veel van hen gevraagd: dag en nacht op wacht, bouwen met in de ene hand een troffel en in de andere een zwaard. Maar als je vertrouwt op de Heer en trouw je taak doet, dan
is er alle reden voor vertrouwen in de goede afloop: onze God zal voor ons strijden. En – mogen wij er bij zeggen – de Heer Jezus Christus heeft overwonnen. Daarom mogen we ontspannen en zelfs blij en dankbaar verder bouwen en doorvechten.Niet tegen elkaar maar met elkaar. Tot het hoogste punt is bereikt en het werk af is.
dia 10
amen

liturgie – morgendienst zondag 17 juli 2016

votum en groet
zingen: Gz. 145: 1-4
wet van de HEER
zingen: Lied 365:1,2
gebed
Schriftlezing: Nehemia 3: 33 – 4:17
zingen: Ps. 60: 1,2,5
verkondiging: Nehemia 4: 14-15
en Ef. 6: 10-13
zingen: Lied 298: 1,2
gebed
collecte
slotzang: Gz. 163: 1,2,3
zegen
amen: Gz. 37: 8

Nehemia 3: Samen bouwen

Gemeente van Christus, broeders en zusters,jongens en meisjes,
dia 2
Er staan van die hoofdstukken in de bijbel….Zo droog als gort. Je vraagt je echt af wat je daar nou nog mee aan moet… We hebben net zo’n hoofdstuk gelezen. Wat moet dat nou worden? Zo’n einde¬loze serie namen waar je je tong over breekt en die je meteen weer vergeet. En dan al die poorten die allang verdwenen zijn. Wat heb je daar nou aan? Kunnen we dat niet beter overslaan?
Toch niet, denk ik. Alleen al niet omdat de Heer het nodig heeft gevonden ook dit in de bijbel op te nemen. Hij wil niet dat al die mensen vergeten werden en wat zij hebben gedaan voor Hem en voor zijn stad. Dat is het onthouden waard. Dan gaat het er uiteindelijk niet om voor die mensen een soort monument neer te zetten – of bewondering te krijgen voor de aanpak van Nehemia – maar om achter al die mensen God aan het werk te zien. God die heel verschillende mensen samen aan het werk zet – nog altijd doet Hij dat – zodat zijn werk klaar komt. Onbruikbaar mensenmateriaal wordt bruikbaar gemaakt, om zelf als levende stenen Gods huis te vormen, zijn prachtstad.
Dat vooral moeten we horen en vasthouden – en nooit vergeten.
We kunnen van een hoofdstuk als dit ook heel wat van leren voor als wij samen bezig zijn in en voor de gemeente en als gemeente. Let maar op en kijk maar met me mee.
dia 3
Samen bouwen: 1. schouder aan schouder;
2. ieder op eigen plaats;
3. om nooit te vergeten

dia 4 1. schouder aan schouder samen bouwen.

Stel je voor dat je met een helicopter boven die stad had kunnen vliegen. Of dat je vanaf de hoogste toren om je heen naar beneden had kunnen kijken. Je zou ogen tekort gekomen zijn. Wat een drukke be¬drijvigheid! Al die mensen aan het sjouwen, aan het timme¬ren, bezig stenen te stapelen…Net een gigantische mierenhoop waar iedereen door elkaar en langs elkaar heenliep. En overal het geluid van gezaag en getimmer, van gebik aan stenen…De stad Jeruzalem was één grote bouwput. Zoals het ook hier en daar in Nederlandse steden aan de hand is. Bedrijvigheid. Drukte. Chaos. Nee, dat laatste toch niet. Geen chaos, al leek dat zo als je er vanuit de hoogte op neer¬keek.Er zat wel degelijk een plan achter. Alles ging precies volgens het boekje.
Het is goed om eens even stil te staan bij dat werk aan de muren. Je staat er van te kijken, na hoe het jarenlang geweest is, dat ineens die hele stad gonsde van de bouwactiviteiten. Meer dan vijf jaar was er eigenlijk niks gebeurd. Het puin bleef gewoon liggen. Verkoolde poortdeuren hingen scheef in roestige sponningen. Het mos groeide op de half afgebrokkelde muren. Hier en daar had toch een gezin z’n toevlucht genomen in een onbewoonbaar verklaarde woning, met alle gevaar ervan. Ze hadden ermee leren leven: het zal onze tijd wel duren.

Totdat Nehemia kwam met dat verrassende nieuws: de koning heeft mij gestuurd om samen met jullie de muren weer op te bouwen. Ze geloofden hun oren niet maar toen ze met eigen ogen de officiële documenten zagen met de handtekening van de koning eronder, konden ze er niet meer omheen. Dit kon niet anders dan de goede hand van hun God zijn die de koning ertoe had gebracht zijn toestemming te geven en Nehemia te sturen. Massaal gaven ze Nehemia hun vertrouwen en beloofden ze hun steentje bij te dragen. Zij pakten de zaak krachtig aan, staat in 2:18. De vijanden konden hen ook niet meer bang maken en van het werk afhouden. De Here zelf gaf hen weer moed en zelfs enthousiasme om onder leiding van Nehemia deze klus te klaren.

Nou, dat is eigenlijk meteen al het grootste wonder! Dat ze allemaal aan het werk gingen, en dat samen, als een eenheid. Een hele prestatie zeggen we, een bewijs ook van organisatie-talent, als een leider zijn mensen zo aan het werk kan krijgen en kan houden. Dat al die mensen met hun verschillende achter¬gronden en karakters en belangen zo tot een eenheid gesmeed worden dat ze eensgezind hun schouders onder het karwei zet¬ten. Daar was een man als Nehemia voor nodig, met zijn gaven. Maar bovenal: dit wonder is van de Heer. Hij stuurde op het goede moment de juiste man naar de juiste plaats. Hij zorgde ervoor dat Nehemia een open oor kreeg bij de koning. En Hij bewerkte die eenheid en dat enthousiasme bij zijn volk. Hoe waar bleek het: de God van de hemel doet dit werk lukken.

Als we dit hoofdstuk doorlopen en al die namen aan ons voorbij zien trekken, vallen ons elke keer bijzonderheden op. Zoals dat de ketting werkers en werksters om de stad heen begint en eindigt bij de Schaapspoort. Dat was de poort vlak bij het tempelterrein waarlangs de offerdieren aangevoerd werden. Juist daar werd het startsein voor de wederopbouw gegeven door de hogepriester en de priesters. Er staat bij dat ze de poort en het stuk muur daaraan vast ‘hebben ingewijd’. Letterlijk: ‘hebben geheiligd’. Daarmee kreeg heel het werk het stempel van toewijding aan de Here: het is niet ons werk maar uw zaak, de zaak waarvoor wij staan.

Als je dan doorleest, dan zie je een bonte stoet uiteenlo¬pende mensen aan je voorbijtrekken. Er zijn vakmensen bij die jaren in de bouw gezeten hebben, maar vast ook mensen met één of zelfs twee linkerhanden. Mensen die gewend zijn met hun handen te werken en mensen die tijdelijk de kantoorkruk voor de steiger verwisseld hebben. We komen goudsmeden tegen en apothekers, poortwachters (zeg maar: politiemensen en mensen van de beveiliging), hooggeplaatsten en kleine winkeliers,
ouderen en jongeren, mannen maar ook vrouwen. Lees maar in vs. 12 waar onze aandacht wordt getrokken door de dochters van Sallum die ook met stenen lopen te sjouwen. Niet alleen mensen uit de stad, maar ook heel wat bewoners van het platteland helpen mee.Dorpen worden genoemd als Gibeon en Mizpa en Tekoa. Met als refrein: daarnaast, naast hem…Schouder aan schouder.

Dat wonder is de wereld niet uit. De Heer kan dat wonder ook vandaag doen. Zijn gemeente is als een bouwplaats waar heel verschillende mensen schouder aan schouder samen aan hetzelfde karwei bezig zijn. Op heel wat plaatsen in de bijbel lezen we over dat wonder dat wij, hoe verschillend ook, samen ledematen van datzelfde lichaam zijn, één grote familie. De Heer wil ons gebruiken om zijn huis, zijn stad te bouwen. Hij wil ons inschakelen zoals we zijn, met wat we kunnen, en daar zijn we allemaal bij nodig. Dat is zo als die ene kleiner wordende gemeente, maar ook als het zover komt, in een grotere samenwerkingsgemeente, ook daar is iedereen nodig
En ook dan is het zaak elkaars gaven te ontdekken en elkaars sterke punten te benutten en elkaars zwakke punten te versterken en niet krachten te verspillen door
dingen alle twee naast en los van elkaar te doen maar nieuwe dingen op te pakken.
Als het goed is lopen we elkaar daarbij niet voor de voeten, vallen we niet elkaar aan maar vullen we elkaar aan en voelen we elkaar aan. Als een rode draad loopt het door dit hoofdstuk heen: naast hen, daar weer naast. Samen bouwen, maar wel ieder op zijn of haar eigen plaats. Wat het tweede is dat onze aandacht trekt in deze bouwplaat.

dia 5 2. Samen bouwen – ieder op eigen plaats.

Denk nog eens even aan die totaalblik,vanuit zo’n helicopter of vanaf zo’n toren.
Dan lijkt het een chaotische gewriemel daar beneden, iedereen holt en vliegt langs elkaar heen en tegen elkaar in. Alsof ze alles tegelijk overhoop halen en aanpakken. En je denkt: als dat maar goed komt. Komt daar wel ooit wat van terecht. Wat je ook kan aanvliegen als je zelf een heleboel tegelijk aan je hoofd hebt en op je bordje krijgt en je wel eens het gevoel hebt dat je er geen grip meer op hebt. In de gemeente kan dat
ook: een heleboel tegelijk wordt overhoop gehaald maar na een poosje blijkt dat eigenlijk niks goed van de grond komt, laat staan dat al die plannen en initiatieven echt tot iets leiden. Of je doet als twee gemeenten dezelfde dingen, terwijl je werkt aan hetzelfde doel. Wat ook veel extra vraagt: aan menskracht, en ook financieel. Ik denk aan de nuchtere waarheid die de Heer zelf ons voor¬houdt dat wie een toren wil gaan bouwen toch eerst alles op een rijtje zet en het kostenplaatje bekijkt, om niet straks met een half afgebouwde toren te blijven zitten. Zodat je niet wordt uitgelachen en de mensen zeggen: hij begon wel te bouwen maar kon het niet afmaken. Wat ook kan bij kerkelijk werk en met christelijke projecten die met veel tromgeroffel worden aangekondigd maar na een poosje een zachte dood sterven, door gebrek aan draagvlak of organisatie of financiële middelen.

Als we ons laten rondleiden over de bouwplaats die Jeruzalem geworden was, wordt ons oog getrokken door een doordachte planning en een verstandige aanpak. Daar hoort zeker bij dat iedereen zichzelf in het werk kwijt kan met zijn eigen gaven en mogelijkheden. Ieder op eigen plaats. Wat Nehemia deed was ieder een eigen afgebakend stuk geven zodat ieders taak te overzien was. We lezen ook een aantal keren: die en die, dit of dat gezin, herstelde het stuk muur tegen¬over zijn eigen huis of eigen bedrijf. Zelfs van de priesters gold het: zij herstelden de poorten en muren rond de tempel. Dat bespaarde heel wat heen en weer geloop en bovendien ver¬grootte het de betrokkenheid: het was in je eigen belang en voor je eigen veiligheid dat die muur verstevigd werd en die poort dicht kon als het donker werd.Het verhoogde het woonple¬zier en je huis en je bedrijf gingen in waarde omhoog. Nog altijd weten we dat: mensen hebben meer plezier in hun werk als ze ook zelf iets zien van het resul¬taat. Hoe dichter bij huis, hoe meer je je betrokken voelt. Simpel maar waar…!

Dat is een goede les, ook voor ons. De Heer geeft ons altijd een eerste taak dichtbij huis. Je bent allereerst verantwoor¬delijk voor elkaar. Als man en vrouw in je huwelijk. Als ouders om de kinderen op te voeden en te zorgen dat het thuis goed loopt. Als broers en zussen om naar elkaar om te kijken en elkaar te helpen. Ook in de gemeente moet je niet je in grootse projekten storten en voorbijkijken wie vlakbij op je weg is gezet. Actief zijn in evangelisatiewerk is prachtig, maar loop niet voorbij wie vlak naast je wonen of werken. Als iedereen oppakt wat in en vlakbij huis op je weg komt, dan gebeurt er al heel veel en hebben we onze handen al vol. Wat we nog meer aan kunnen, is meegenomen. Maar laten we oppassen zoveel hooi op de vork te nemen dat onderweg al dat hooi weer van die vork afvalt en het eindresultaat 0,0 is. Beter minder taken goed doen, dan een heleboel oppakken en half werk doen. En waar we samen dingen kunnen doen, met meer mensen, meer gaven, kan ook meer tot stand komen.

Zo hadden ook die mensen in Jeruzalem allemaal hun eigen gaven. Nehemia verstond de kunst die te ontdekken en ervan te profiteren. Daar kunnen we nog altijd veel van leren. Later in de bijbel komt dat terug en wordt dat uitgewerkt voor het ontdekken en gebruiken van gaven die de Here geeft. Lees maar wat Paulus erover schrijft: de Geest deelt gaven uit, aan de een deze en aan een andere weer die. De kunst is om ieder met eigen gaven samen te bouwen aan het ene project waar de Here
God de Architect en de uitvoerder van is: zijn gemeente, zijn rijk dat bezig is te komen. Fijn als je daarvoor je gaven mag inzetten. Fijn daarin elkaar aan te vullen en ieder op eigen plaats mee te bouwen. En zelf ingemetseld te worden als een klein steentje in het grote geheel. En dat vanuit en door de Here Christus. “Aan Hem”,zo Paulus,”ont¬leent het hele lichaam zijn samenhang en onder¬ling ver¬band”. Door de Geest die ons al meer aan Hem en aan elkaar ver¬bindt.

dia 6 3. Samen bouwen – om nooit te vergeten.

Toch nog een keer: waarom staat die onafzienbare lijst namen nou in de bijbel?
Namen van mensen die geen mens meer kent en die ons niets zeggen… Nou is dat laatste maar betrekkelijk. Want die namen hebben ons wèl iets te zeggen. Gód wil ons er iets mee zeg¬gen. Die namen staan, als een blijvend monument van Gods trouw. De Here wilde toen en wil ook nu werken met mensen van vlees en bloed. Bij Hem heeft iedereen een naam. Is niemand een nummer. Die mensen hebben hun eigen leven gehad. Hadden een gezin. Een bepaald beroep. Hadden hun eigenaardigheden. Waren soms koppig en onwillig. Zoals die mensen uit Tekoa die geen zin in het werk hadden en anderen de kastanjes uit het vuur lieten halen. Dat gebeurt ook. Dat de een het laat afweten zodat de ander een extra klus op zijn bordje krijgt. Uit de lijst blijkt dat
enkele namen twee keer voorkomen. Die deden een stuk muur meer. Dat allemaal maakt het verhaal heel concreet en levensecht. Je ziet ze sjouwen en zweten aan hun stuk muur en bij hun poort: ook die lui met hun fijne vingers en hun twee linkerhanden, en zelfs vrouwen en meisjes,samen bezig voor hun stad en voor hun en onze God.
Nou, en dat mag niet vergeten worden. Dat moet worden opge¬schreven, opdat zij die later leven, kunnen lezen over Gods gunstbewijzen, en de eeuwen door – niet in mensen roemen – maar de Heer prijzen. De Heer die zijn trouw betoont aan wie het van Hem verwachten, en willen leven voor en met Hem.

Gemeente, de Heer belooft ons dat Hij niet vergeten wat we uit dankbaarheid voor Hem gedaan hebben. Hij wil dat zelfs – niet omdat we daar recht op hebben maar omdat Hij zo goed is -belonen. Ik denk aan wat in Heb.6 staat: God is rechtvaardig.
Hij kan uw inspanning niet vergeten, noch de liefde die u voor zijn naam betoond hebt, noch de diensten die u aan uw mede¬christenen bewezen hebt en nog bewijst. En in Openb. 14 staat dat vertroostende midden in verdriet en verlies: zalig de doden die in de Here sterven; ze zullen rusten van hun moeiten en hun werken volgen hen na. De Here vergeet er niet een van.

Zo staan daar al die namen van die werkers en werksters aan de muren van Jeruzalem, als een eervolle vermelding voor al¬tijd. Hun namen blijven bewaard in de boekhouding van God. Zoals wij geloven mogen dat de Heer ons bij name kent, en dat
Hij zelfs de allerkleinste niet over het hoofd ziet. En niet vergeten zal wat wij gedaan hebben door geloof tot zijn eer.

Die namen staan er ook tot voorbeeld. Goed voorbeeld doet goed volgen, zegt het spreekwoord. En de bijbel roept ons op onze voorgangers niet te vergeten maar hun geloof na te vol¬gen. Zoals later in Hebr. 11 wie het leest bemoedigt wordt door de kracht van de Here door de zwakheid van mensen heen. U weet wel: door het geloof heeft Abraham dit en Mozes dat…Zo kunnen we ook zeggen: door het geloof durfde Nehemia naar de koning te gaan, door het geloof ging hij naar Jeruzalem en pakte hij de herbouw aan; door het geloof hebben al die mensen waarvan we hier de namen hebben,samen de muren weer opge¬bouwd.

Dat staat er als een bemoediging. Gewone mensen van vlees en bloed – als u en jij en ik – gebruikt de Heer om zijn plan uit te voeren en zijn stad te bouwen. Wat een won¬der! Maar het grootste wonder, daar leert Jezus ons in roemen: wees vooral blij omdat je naam opgeschreven is in de hemel. Dat is het toegangsbewijs voor de stad-in-aanbouw waar-heen de Heer met ons op weg is. Waarvan de poorten nooit meer dicht hoeven omdat er geen nacht meer zal zijn. Dat zal wat zijn. Het is de moeite waard daaraan mee te mogen bouwen!

amen

liturgie morgendienst

votum en groet
zingen: Ps. 97: 1,2,5
wet van de HEER
zingen: Ps. 97: 3,4
gebed
Schriftlezing: Nehemia 3: 1-32 dia 1
zingen: Ps. 69: 11
verkondiging
zingen: Lied 320: 2,3,4
gebed
collecte
zingen: NLB 969: 1,2,3,4
zegen
zingen: NLB 425

Psalm 77: 20: Is God spoorloos? (gezamenlijke dienst CGK-GKV)

Gemeente van onze Heer Jezus Christus
dia 1
We zijn allemaal wel eens aan het strand geweest, of gaan er naar toe binnenkort. Kinderen hebben er van alles te doen: kuilen graven, kastelen bouwen. Volwassenen kunnen ook van alles, zeker als je van water en strand houdt, en wat sportief bent.
Je gaat in de zee zwemmen. Of een fikse strand -wandeling maken. Dat is juist leuk als het niet zulk warm strandweer is en er niet veel mensen zijn. Met veel wind en hoge golven. Hoe dan ook, als je vlak langs het water loopt, op het natte harde zand, kun je precies zien waar je hebt gelopen. Naast voetafdrukken van andere mensen in het zand. Maar dan komt de vloed en het water spoelt erover heen.¬¬ Als je na een paar uur terug zou komen, als het weer eb is, kun je zoeken wat je wilt, maar je vindt van die voetstappen geen spoor meer terug.

Met dat in het achterhoofd zingen we: “God, uw pad was door de golven. Wateren hebben het bedolven en uw voe¬tspoor uitge¬wist”. We worden meegenomen naar een andere zee: de Sch¬elfzee of de Rietzee. U weet: daar waren de Israëlieten doorheen ge¬trokken terwijl aan beide kanten het water stilstond als een muur. Maar toen ze veilig aan de andere kant waren aangekomen, stortten die muren weer in en het water stroomde als altijd. Er was niks terug te vinden van al die voetstappen, en wie er niet bij waren geweest, ¬konden het maar moeilijk geloven….

Maar daar gaat het niet over in deze psalm. Niet over al die voetstappen en voetstapjes van de vaders en de moeders en de kinderen, en de pootafdrukken van al die koeien en scha¬pen. Nee, het gaat over de voe¬tstappen van God. God zelf ging met hen mee. Alleen maar: dat kon je niet zien – je zag alleen de wolk vooraan, en de priesters met de ark – en als je later bij die zee ging kijken, vond je niets terug van wat daar zo lang geleden was gebeurd. Je zag alleen maar golven. Asaf zin¬gt: “uw voetspoor was nergens te zie¬n”. Is God dan spoorloos…?

Veel mensen ervaren het zo als het over God gaat. Vro¬eger voe¬lden ze zich dicht bij God. Of: voelden ze dat God dichtbij hen was. Maar dat is al lang verleden tijd. Alsof God is geë¬migreerd zonder een adres achter te laten, en zonder nog con¬tact met je op te nemen. Je bent God kwijtgeraakt, en hoe je ook op zoek gaat: geen spoor meer. Of je hoort zondag op zon¬dag over God en wat Hij voor je doet en hoe Hij voor je zorgt, maar als je eerlijk bent, kom je Hem in je leven van elke dag nergens tegen. Wat je wel tegen komt, is een wereld die van toevalligheden aan elkaar hangt, waar mensen elkaar het leven zuur maken, en waar zoveel gebeurt dat je in de verste verte niet rijmen kunt met een God die alle dingen bestuurt en die dat dan ook nog doet als een God die liefde is. En je eigen leven? Nou, praat me er niet van! Als het puntje bij ‘t paal¬tje komt, moet je het toch zelf doen en zelf waarmaken, en komt het er maar op aan dat je zo goed mogelijk probeert je door moeiten heen te slaan, met steun van anderen. Kort en goed – of niet goed – geen spoor te vinden van God. Nergens!

We hebben psalm 77 gelezen en eruit gezongen. Het mooie van de psa¬lmen – trouwens, van heel de bijbel – is dat ze zo eerlijk en zo menselijk zijn. Je komt er eigenlijke alle gevoelens in tegen die een mens kan hebben. Soms loop je op de toppen, soms ziet je diep in de put. Soms lijkt God dichtbij, soms ver weg.

Is God spoorloos? vroeg ook Asaf zich af. Maar hij liep met die vraag niet weg van God, maar ging op zoek naar God. Wij willen met hem mee gaan, om God op het spoor te komen.
dia 2
Is God spoorloos? Ga maar zoeken, dan ontdek je:
1. hoe God zijn eigen sporen trekt;
2. hoe je God op het spoor kunt komen;
3. hoe God je op het spoor zet van Jezus;
4. hoe je in Gods voetspoor kunt gaan.

dia 3 1. God trekt zijn eigen sporen.

Gods weg is ‘in heiligheid’ staat in deze psalm (14). Dat wil zoiets zeggen als: God is heel anders dan wij. Hoger vooral dan wij. Machtig. Groots. De profeet Jesaja brengt dat zo onder woorden: “zoals de hemel hoger is dan de aarde, zijn mijn wegen hoger dan uw wegen, en gaan mijn gedachten ver uit boven die van u – zegt de HERE”. Vandaar Asaf’s belijdenis: wie is een god, groot als onze God?

Maar gemeente, dat staat niet in vers 1 van deze psalm, maar is vers 14. Niet als een uit het hoofd geleerd lesje, dat je even opzegt om jezelf en elkaar er weer bovenop te praten. Nee want de route die de Here met je gaat kan wel eens zo wezen dat je het gevoel hebt helemaal vast te lopen en hopeloos te verdwalen. Zo is psalm 77 een lied uit een hele diepe diepte: roepend om gehoor te vinden, om bij God gehoor te vinden, roep en smeek ik onverpoosd, maar mijn ziel blijft onge¬troost. Het doet pijn aan God te denken in plaats van dat je er blij van wordt en het weer ziet zitten, want je merkt niks van God en je krijgt geen antwoord van God. Je wordt alleen maar treurig als je denkt aan al die mooie geschiedenissen uit de bijbel, over wat God allemaal voor Israël deed en over de Here Jezus die wonderen deed en mensen beter maakte, want waarom doet God dan niks voor jou en waarom wordt jij dan niet beter: is God dan veranderd? ziet hij mij niet staan? vergeet Hij ons? Zoals Israëlieten er niet uit kwamen, in crisissituaties – denk b.v. maar aan die zwarte jaren van ballingschap – dat de HEER niet leek te luisteren en hen maar ziet verkommeren.

Maar let erop wat deze dichter doet. Niet weglopen bij God. Niet de bijbel dicht doen en het bidden maar staken. Zoals je verwachten zou, en zo heel vaak ziet gebeuren. Waar je zelf soms ook zomaar toe komt: het helpt toch niks, ik stop ermee. Nee, juist niet: net zo lang roepen tot God luistert, blijven kloppen op die deur, en des te meer luisteren naar wat God wel degelijk zegt, ook tegen u en jou, in de bijbel. Naar de kerk blijven gaan, en de broeders en zusters opzoeken. En vooral je niet opsluiten in je eigen kleine wereldje, met je verdriet en je teleurstellingen, je vragen en je pijn, je positieve of je negatieve ervaringen, maar oog hebben voor Gods grote plannen waar ook dat kleine leventje van mij een onderdeeltje van is. Kijk, en dan ga je ontdekken dat de Here niet veranderd is, en niet veranderlijk. Niet wispelturig en grillig, maar trouw.

Als Asaf terugdenkt aan wat God vroeger allemaal gedaan heeft en teruggrijpt op het wonderlijke ingrijpen van God in de loop van de dingen, dan springt er voor hem als Israëliet uit hoe de Here zijn volk eeuwen geleden uit Egypte heeft gehaald en
door de zee heen getrokken heeft in de richting van het land van de vrijheid met God. Toen God een begaanbare weg baande juist waar geen weg was. Israël zat in de tang: achter hen de oprukkende vijand – met vliegende vaandels en blinkende zwaar¬den, met wagens en paarden – en voor hen geen brug en geen veerpont, maar alleen water. Moeten ze dan alsnog dood of toch weer slaven worden? Waar is nou die God van de bevrijding?

Kijk, maar juist dan laat God zien wie Hij is: “de wateren weken en stonden gedwee, de vijand verzonk als een steen in de zee”…”Ik zing voor de Heer, Hij is Koning voorgoed en dwars door de vloed geleidt Hij de zijnen. Zijn goddelijk spoor gaat zelfs in de zee niet teloor”. Gods weg is in heiligheid. Kijk, en daaraan kan die dichter eeuwen later zich vastklampen met zijn vragen en bange twijfels: is God dan veranderd? is er een kink gekomen in de kabel van zijn verbond door de generaties heen? heeft de Here ons verstoten, is zijn hart gesloten? Van¬daag herkennen we toch ook die vragen: waar is God dan in onze godloze eeuw? waar was God in Auschwitz en is Hij in Syrië, in Irak, in al die vluchteingenkampen, waar is Hij op de werkvloer en in mijn leven- en als de dood toe¬slaat?

Zomaar willen wij God narekenen. Hem zelfs de weg die Hij zou moeten gaan met ons, voorrekenen en uittekenen. Maar dat zal niet gaan. Dan doe je eraan tekort dat Gods weg is in hei¬ligheid. Zou je missen die eerbiedige erkenning: wie is als onze God? Een God die zijn eigen sporen trekt – soms dwars door de golven heen en door diepe dalen heen, en ons geloof wil geven om Hem op het spoor te komen en in zijn voetspoor te gaan. Als je daar maar oog voor hebt/voor krijgt. Geloofsogen.

dia 4 2. Wie zoeken gaat,ontdekt hoe je God op het spoor kunt komen.

Vanzelf gaat dat niet. Voetstappen in het zand worden door dat zand, of door het wassende water overspoeld. Wat gebeurd was bij de Schelfzee, was een dag later al niet meer te zien en na te trekken. En dat God zijn voetstappen had gezet daar tussen die muren van water, dat God zijn volk in de weg van dat wonder veilig aan de overkant had gebracht, was enkel en alleen een zaak van geloof. Met het blote oog zag je er niets van. Zoals een mens Gods ingrijpen niet zo met de vinger kan aanwijzen dat iedereen als vanzelf zegt: natuurlijk was dat het werk van God. Nee, daar is geloof voor nodig. Daar moet de Here zelf je ogen voor openen. Dan ga Hem steeds meer zien.

De dichter van deze psalm had het er moeilijk en te kwaad mee. Want in de omstandigheden waarin hij en zijn volk toen zaten, was God om zo te zeggen spoorloos. Iemand schrijft: “Er lijkt helemaal geen verbindingslijn te lopen van de ver¬lossing toen bij de Schelfzee naar de situatie van het ogen¬blik. Alle sporen ervan zijn uitgewist.” Is God spoorloos?

Je kunt je vandaag datzelfde afvragen soms. Datzelfde be¬klemmende gevoel hebben. In een land waarin steeds meer sporen van Gods aanwezigheid – het lijkt wel heel bewust en systema¬tisch – worden weggepoetst en overspoeld door een vloedgolf van idealen en ideeën van mensen. Waar de God van David en de zoon van David weggehoond worden, en het spoor steeds meer wordt uitgewist van Gods gezalfde koning – Jezus de Christus. Als elke keer weer de dood naar het leven grijpt,ook van Gods kin¬deren. Als je lijkt te verdrinken in een zee van verwarring en verdriet en problemen. Als je ook in je eigen leven vaak maar zo weinig bespeurt van de kracht van blij en enthousiast ge¬loof. Als niet alleen het water van de doop allang is opge¬droogd maar ook het vuur van het eerste uur bijna opgebrand is. Als er maar weinig belangstelling lijkt te zijn – mis¬schien ook bij jezelf – voor de sporen die God heeft getrokken in de geschiedenis van de kerk en de wereld. En de God van zondag in de kerk spoorloos is maa¬ndag op het werk. Is het dan waar dat geloven in die God achterhaald is en niet meer slaat op de werkelijkheid van vandaag? Is God nog wel te vinden?

Maar, Asaf liep niet met zijn vragen bij God weg, maar bleef God opzoeken en met zijn vragen bestoken. We kunnen van hem leren hoe je – ook als alles ertegen lijkt te zijn, en God spoorloos lijkt – hoe je toch God op het spoor kunt komen. Hij
komt dan – we zagen dat al – uit bij zoveel dat God vroeger gedaan heeft. Dat laat een doorgaande lijn zien van machtige ingrepen om zijn plannen door te zetten en daarom zijn volk waarvoor Hij heeft gekozen, te redden en door de ellende en de gevaren heen te slepen. Zoals die ene keer dwars door de zee.

De ommekeer zit in deze psalm dan ook in dat bekende vs. 12: “ik zal de daden van de Here gedenken”. Dat is meer dan: aan feiten van vroeger terugdenken. Dat kan zo gebeuren dat het je niks doet: och, dat is zo lang geleden, wat heb ik daaraan?
Het kan ook heel pijnlijk zijn: als je vroeger vergelijkt met nu, en de vraag opkomt waarom dit je allemaal is overkomen. Gedenken is hier dat je uit wat God vroeger heeft gedaan, voor je eigen situatie troost en kracht haalt, en dat je er je God beter door leert kennen en ook jouzelf aan Hem toevertrouwt.

Het kan een levensvraag zijn, ook een angstige vraag: maar hoe kom ik God nog op het spoor,in deze wereld, in mijn leven? Deze psalm wijst ons de weg: naar waar God zijn sporen heeft gezet en de indruk die dat heeft gemaakt, bewaard is gebleven. Voor en na is dat voor ons de bijbel, dat indruk-wekkende boek dat spoorzoekers naar God de enige weg wijst die begaanbaar is: de weg door de golven en door de woestijn, achter Jezus aan, de weg van achter Hem je kruis dragen, samen onderweg. Paulus schrijft over dat Woord zo dichtbij: in je mond en in je hart…Kijk, en dan komt die God die zo ver weg lijkt, ook steeds dichterbij. Als een God met hart voor ons en een open oor, en ogen vol liefde. Als mijn Vader terwille van Jezus.

Ik zeg erbij: kijk dan ook maar terug in uw eigen leven, en kijk vooral ook terug en om je heen, in je eigen familie, en vraag het elkaar maar eens: vertel eens wat God voor u, voor jou, heeft gedaan, …toen u zo ziek was, en toen je zo vastgelopen was,toen jullie wonderlijk zijn gespaard, toen er dat grote verlies was, of juist toen het zo goed ging. Ja, en vraag God zelf maar of Hij je door zijn Heilige Geest en met zijn Woord op het goede spoor wil zetten. Op het spoor van Jezus Christus, door de golven heen naar het nieuwe land.

dia 5 3. Hoe God ons op het spoor zet van Jezus.

Zijn naam is al gevallen. Zijn naam vinden we nog niet in psalm 77 terug. En toch is de route die God met Israël ging, via en uit Egypte, en dwars door de zee, en door de woestijn richting Kanaän, een onmisbare etappe op de weg naar Jezus zijn Zoon aan het kruis.

Ik kan en moet het nog sterker zeggen. De Zoon van God ging zelf mee in de wolk en door de zee. Jesaja komt daar later op terug als Hij zegt dat God de Verlosser voor zijn volk werd: “in al hun nood was ook Hij in nood: zij werden gered door de engel van zijn tegenwoordigheid.” (Jes. 63: 9). En Paulus schrijft nog weer later dat toen bij de zee en in de woestijn Christus met hen meeging. Belijden we ook niet dat die gang door het water de doop al zichtbaar wordt: God die door het water heen – door de dood heen – zijn kind redt?

Gemeente, wie God op het spoor wil komen, kan niet om Jezus heen. Jezus is dè goede Herder die nog veel beter dan Mozes en dan David, zijn kudde voortleidt door huizenhoge golven heen, naar een veilig land. Let steeds weer op het spoor dat God getrokken heeft door de geschiedenis, en ook trekken wil in ons leven: het bloedspoor van de verzoening van al onze zonden, door Jezus Christus die ondergegaan is in de dood maar ook is opgestaan, voor ons uit. In zijn spoor vinden we God. Achter Hem aan komen we echt voorgoed Thu¬is.

Over Jezus Gods eigen Zoon zijn de vloedgolven van de straf en de boosheid van God over onze zonden heengespoeld: mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij verlaten. Psalm 77 brandde Hem op de lippen en in de ziel: roepend om gehoor te vinden, om bij God gehoor te vinden, maar mijn ziel blijft ongetroost. En dat om te verdienen die enige troost in leven en bij het sterven voor iedereen die in de gekruisigde en opgestane Heer gelooft: God, op wat u eens aan en door Jezus Christus wilde verrichten, wil ik mijn betrouwen stichten. Nee, de God van de uittocht en de doortocht is niet veranderd. Zie Golgotha! Kijk maar naar dat brood en pak het. Proef hoe lief God je heeft!

Lees zo uw bijbel. Kom zo in de kerk elke zondag. Vier zo avo¬ndmaal. Ga zo naar catechisatie en vereniging. Laat u op het spoor van Jezus zetten, op de weg van het leven voor wie hopeloos ontspoord waren. En ontdek steeds meer wie God wel is en wie God voor u wil zijn. Hoe langer je kijkt, hoe meer je van de Here God gaat ontdekken. Zijn sporen worden hoe langer hoe duidelijker herkenbaar. Onuitwisbaar. Zelfs de hoogste golven die over je heen kunnen slaan, spoelen die niet weg.

dia 6 4. Als je God zoekt, ontdek je ook hoe je in zijn spoor kunt gaan.

Je moet je willen laten leiden, als een schaap van de kudde, volgzaam en
gehoorzaam. Dat is: achter de Herder aan die de weg wijst en elke keer weer je op het goede heilzame spoor zet. Dat is ook: op het spoor van Gods goede geboden, op de route van de smalle weg van jezelf verloochen en je Herder volgen overal waar Hij met je heen gaat. Dan ga je op reis met je bijbel als spoorboekje. Dan vraag je ook om gewilligheid en volgzaamheid: Geef dat ik mijn voeten zet op de wegen van uw wet. Dan ontspoort je leven niet, maar kom je veilig aan.

amen

liturgie avonddienst zondag 3 juli 2016 – CGK en GKV

welkom
zingen: NLB 283: 1,2,5 – melodie ‘Rust mijn ziel uw God is koning

1. In de veelheid van geluiden
in het stormen van de tijd,
zoeken wij het zachte suizen
van het woord, dat ons verblijdt.

2. En van overal gekomen,
drinkend uit de ene bron,
bidden wij om nieuwe dromen,
richten wij ons naar de zon.

5. Die ons naam voor naam wilt noemen,
al uw liefde ons besteedt,
zingend zullen wij U roemen
en dit huis zingt met ons mee!

we worden stil voor God
votum en groet
zingen: Ps. 95: 1,2,3 LB
gebed
Schriftlezing: Psalm 77
zingen: Ps. 77: 1,2,3
verkondiging: Psalm 77: 20

Is God spoorloos? Ga maar zoeken, dan ontdek je:
1. hoe God zijn eigen sporen trekt;
2. hoe je God op het spoor kunt komen;
3. hoe God je op het spoor zet van Jezus;
4. hoe je in Gods voetspoor kunt gaan.

zingen: Ps. 77: 4,5,6
geloofsbelijdenis
zingen: Ps. 22: 11 Levensliederen

Het nieuws zal overal te horen zijn.
En wie de Heer is, weet straks groot en klein
en zelfs wie nu nog niet geboren zijn:
Hij houdt van daden.
Het is volbracht, de eer is aan de Vader
en aan de Zoon, door wie wij eeuwig leven,
en aan de Geest, die ons geloof wil geven
en in ons woont.

gebed
collecte
slotzang: Ps. 89: 1,6,7
zegen
amen: Ps. 89 laatste regel

Nehemia 2: 20: Bouwen in vertrouwen

Gemeente van Christus, broeders en zusters,jongens en meis¬jes,
dia 1
Je kunt er razend van worden! Heb je net iets moois gebouwd,van lego bijvoorbeeld, en in een onbewaakt ogenblik komt je kleine broertje en hij sloopt alles. Kun je weer van voren af aan beginnen. Of je hebt een mooie tekening gemaakt en er erg je best op gedaan, en voor je er erg in hebt heeft je zusje een viltstift te pakken en bederft heel die mooie tekening.

Zoiets, maar dan veel erger, was er aan de hand in Jeruzalem een paar duizend jaar geleden. Alleen wordt Nehemia er niet razend maar wel erg verdrietig van. De mensen die net terug waren uit Babel, waren met goede moed begonnen aan de wederop¬bouw. Maar het zat hun niet mee. Er waren tegenstanders die op alle manieren wilden voorkomen dat Jeruzalem weer opgebouwd zou worden. Ze bedreigden de nieuw ingekomenen en probeerden hen zo bang te maken dat ze zouden stoppen met hun werk. Ze maak¬ten hen ook zwart bij de koning en ¬zorgden ervoor dat die de bouw liet verbieden. Wat al was opgebouwd werd weer kapot gemaakt en er werden zelfs branden gesticht. Wat een puinhoop!
dia 2
Je kunt dat steeds weer meemaken dat werk, ook werk in en aan de kerk, stukgemaakt wordt. Dat wat je hebt opgebouwd, je weer bij de handen afbreekt. Dat het ook in de kerk en in het leven van gelovige mensen een puinhoop wordt. Door de zonde. Door onmacht. Door verkeerde invloeden van buitenaf en van binnenuit. En zomaar ga je twijfelen aan de goede afloop, stop je er maar mee, haken we af…..

We gaan ons verdiepen in het boek Nehemia. Een boek van puinruimen en bouwen. Van afbraak en toch weer opbou¬wen. Vanuit de bemoediging van onze tekst dat als de Heer bouwt, de bouwvakkers niet voor niets werken. Zijn stad wordt afgebouwd.

dia 3 Bouwen vol vertrouwen

1. in de verwachting van Gods hulp;
2. aan het werk in Gods dienst;
3. op de bres voor Gods stad.

dia 4 1. Bouwen vol vertrouwen – in de verwachting van Gods hulp.

Ons tekstvers is eigenlijk in eerste instantie bestemd voor de tegenstanders van het herbouwprojekt Jeruzalem-binnen-de-muren. Er staat dat Nehemia hen van antwoord diende. Waarin hij deed waartoe we in de bijbel allemaal aangespoord worden:”wees steeds bereid iedereen te antwoorden die rekenschap vraagt van de hoop die in u leeft”. Zo staat dat in 1 Petr.3 Het is Nehemia ten voeten uit. Het is hoop ik herkenbaar ook in uw en mijn leven. Dat we durven uit te komen voor wat we geloven en op te komen voor de Heer en voor wie van Hem zijn.Dat we het van onze God verwachten en daar ook open over zijn.

Is het u ook opgevallen in de eerste twee hoofdstukken van dit boek? Nehemia was een bestuurder. Een hoge ambtenaar. Hij was opgeklommen tot een van de hoogste rangen aan het Perzi¬sche hof. Te vergelij¬ken met Daniël en zijn vrienden. En met die andere schen¬ker, die van de Farao, bij Jozef in de gevan¬genis. Een vertrouweling van zijn koning. Later goeverneur van de provincie Juda. Een man die ook heel goed kon organiseren. In staat zijn mensen te motiveren en aan het werk te zetten.
Toch zegt Nehemia niet tegen die tegenstanders met hun afbrekende kritiek en hun schampere spot: wij fiksen deze klus wel, laat dat maar aan mij over. Zo van: we hebben de zaken goed op orde en we hebben de koning achter ons staan, we gaan ervoor en we staan ervoor. Zoals ook bij wat wij aan plannen maken en op poten zetten, ook in de kerk, de verleiding groot is succes te ver¬wachten van goede voorbe¬reiding en een doordachte aanpak, van gemotiveerde mensen en een goede organisatie, van het ene visiedocument na het andere, en veel praten daarover.
dia 5
Nou, reken maar dat het belangrijk is. De Heer wil dat alles ordelijk gebeurt, staat in de Bijbel. De gemeente zal opgebouwd worden als een goed op elkaar afgestemd geheel, met elke steen op de goede plaats. En God geeft voortrekkers om de gelovigen voor te gaan en toe te rusten tot hun dienstwerk. Ergens las ik dit: “Geloof en planning moeten samengaan. Als ijverige en gelovige christenen op een wanordelijke manier een activiteit beginnen die op zichzelf goed is, is het resultaat meestal een mislukking”. Wat dat betreft kunnen we van Nehemia en zijn aanpak nog heel wat leren. De man was gelovig én zakelijk, professioneel – zeg maar:de handen vouwen en dan uit de mouwen.
dia 6
Ja, maar wel in die volgorde. Dat blijkt al meteen. Hij is niet de ambtenaar die het wel even regelt. Of de projektont¬wikkelaar die er een heleboel geld tegen aan gooit zodat ze hem niks kunnen maken. Nee, zodra zijn broer met het slechte nieuws over de situatie van het thuisfront in Susa komt, gaat Nehemia op de knieën en smeekt hij de Heer om vergeving voor hem en zijn volk, en om hulp voor het projekt dat uitgevoerd moet worden. Telkens weer als het erop aan komt – zoals op dat spannende moment dat het hoge woord tegenover de koning eruit moet, lezen we dat Nehemia tot de Here bidt om moed en kracht. Hij beseft als geen ander: als de Heer zijn stad niet bouwt, tevergeefs zwoegen de bouwvakkers eraan, als de Here de plan¬nen niet zegent, komt er niks van terecht. Vandaar dat Nehemia een beroep doet op de God van IsraëL: het is toch uw werk en uw stad…?

Dat is de kracht achter dat gigantische werk, en dat ondanks zoveel tegenkrachten en tegenvallers: met de hulp van de God van de hemel – die alle macht heeft en alle dingen re-geert – zullen wij slagen. Als God helpt, komt het werk echt wel af.
Wie op die God vertrouwt – ook vandaag – die gaat voor goud!

dia 7 2. Bouwen vol vertrouwen – aan het werk in Gods dienst.

Bidden gaat bij Nehemia steeds voorop. We kunnen van hem leren en een voorbeeld aan hem nemen. Bidden we ook om hulp en wijsheid en zegen als we aan een klus beginnen, zelf, thuis en met het oog op ons werk, en natuurlijk ook in de kerk? En dat maar niet uit gewoonte – eerst even bidden en om een zegen vragen – maar diep uit ons hart? Omdat we beseffen dat we het zonder de Heer niet redden. Dat al ons plannen maken en ons vergaderen, ons organiseren en discussiëren, dan onvruchtbaar is. En ook omdat de ervaring leert dat de Heer op het gebed dingen kan doen die wij nooit voor mogelijk hadden gehouden. Omdat Hij steeds weer laat merken dat Hij zijn plannen doorzet. Dat Hij er voor zorgt dat tegen de verdrukking in geloof kan groeien en de kerk blijft bestaan en zijn rijk toch zeker komen gaat.

Het eerste dat Nehemia deed toen hij hoorde wat er allemaal in Jeruzalem aan de hand was, was bidden en vasten. Hij erken¬de dat heel het volk – ook hijzelf ver weg aan het Perzische hof- schuld had aan de puinhoop die van de stad en de tempel was overgebleven: wij hebben gezondigd,ook mijn familie en ik¬zelf. Bidden wij ook zo, als we b.v. bidden voor ons land en volk? Als we zien wat er fout gaat, b.v. in de omgang
met elkaar, in de houding t.o. vluchtelingen, in het omgaan met geld en bezit, in hoe wordt aangekeken tegen het begin en het eind van het leven, in zoveel huwelijken?

Maar Nehemia doet meer dan bidden alleen. Hij had ook kunnen zeggen: het is triest allemaal,maar ik kan er weinig aan doen, ik heb hier mijn werk en mijn toekomst. Zuchten met de handen gevou¬wen in de schoot: God moet het doen, je kunt er alleen maar voor bidden. Zonder kritisch te zijn op de eigen houding, zonder tegengeluid.
Nehemia is niet zo. Hij weet zich door de Heer geroepen. Is het niet de leiding van de Here dat hij deze baan juist nu heeft? Zo dicht bij de koning! Heeft hij zijn gaven niet juist gekregen om er de Here en zijn volk mee te dienen? Weer een les voor ons: let op de leiding van God in uw leven, leer de gaven ontdekken die u gekregen hebt, en doe er wat mee. Accepteer ook dat je ergens minder goed in bent of de omstandigheden zo zijn dat u op dit moment nee moet zeggen, niet uit gemakzucht maar omdat God nooit mensen overvraagt, en het er altijd om gaat de goede prioriteiten te leren stellen.
dia 8
Het was best erg riskant voor Nehemia. Hij moet niks minder doen dan de koning overhalen op een eerder genomen besluit terug te komen. De koning zelf had 5 jaar geleden de bouw laten stil leggen. Hoe durfde zo’n jood daar op terug te komen. Maar God gaf Nehemia de moed en opende de deur wagen¬wijd. Nehemia kon gaan met brieven van de koning en een mili¬tair escorte. Hij mocht ook materialen vorderen voor de her¬bouw van de muren van de stad. Hij werd zelfs aangesteld tot goeverneur, commissaris van de koning. Geen wonder dat Nehemia het had over ‘de goede hand van God’ die dit projekt zegende.

Geloof maar dat de Heer ook ons mee wil laten bouwen aan dat grote projekt dat Hij uitgedacht heeft: de stad van God, een nieuwe aarde. Met het oog daarop brengt de Heer mensen van alle hoeken en uit alle landen bij elkaar in een gemeente. Schakelt hij al die mensen in -u dus ook en jou en mij -om elkaar op te bouwen in het geloof en om samen te bouwen aan zijn kerk, heel concreet ook aan die samenwerkingsgemeente.
Maar niet alleen kerkwerk is meebouwen aan het rijk van de Here. Ook ons persoonlijk leven en wat in de gezinnen gebeurt, ook ons werken van elke dag en ons bezig zijn in ons dagelijks werk en in de politiek en de samenleving, het zal als het goed is in het kader staan van Gods plan om hier op aarde al iets te laten zien van zijn rijk dat komt. En als we merken dat het hier vaak nog maar stukwerk is – met veel gebreken en met veel dat ons bij de handen weer afbreekt – dan gaan we des te meer verlangen naar de dag dat het werk klaar is. Naar de stad die God ontworpen heeft en laat bouwen.En God is niet veranderd, hoe omstandigheden ook veranderen. We mogen geloven dat als de Heer achter ons staat en wij in trouw aan Hem met onze gaven aan de slag gaan, we merken dat ons bezig zijn niet voor niets is. Dat Gods werk slaagt: “al dreigt de vijand zich te wreken, en wat wij bouwden af te breken, Gods werk verduurt de eeuwigheid”. Volhouden maar!

dia 9 3. Bouwen vol vertrouwen – op de bres voor Gods stad.

Het ging bij dat bouwprojekt waaraan Nehemia leiding gaf vooral om de muren van Jeruzalem. In die tijd waren muren heel belangrijk. Ze gaven bescherming tegen vijandelijke aanvallers en nachtelijke inbrekers. Je kon tegenhouden wie je niet binnen wilde hebben. Als het goed is ging het samen: een huis dat gastvrij open staat – een wal die het kwaad kan keren. Dat dus Jeruzalem nog altijd een stad was zonder muren – of met muren met bressen erin, grote gaten waardoor iedereen zomaar in en uit kon lopen – was het zichtbare bewijs van een situatie van onveiligheid. Het bestaan van elke dag werd door allerlei gevaren bedreigd. Het volk van God werd in zijn bestaan en zijn voortbestaan bedreigd. Daarom was herbouw van de muren en weer aanbrengen van de poorten in feite opbouw van een nieuw bestaan, in vrede en in veiligheid. Het ging om de toekomst van de stad van God en het volk van God. En dus ook om onze toekomst die afhing van dat volk en van die stad toen.

Voor die stad van God stond Nehemia op de bres, en dat ook in zijn afwerende houding naar mensen daar omheen. We horen daar misschien onaangenaam van op, van die in onze oren harde afwijzing aan het slot van de tekst: “jullie hebben hier niks te zoeken en kunnen hier geen enkel recht laten gelden”.Met andere woorden: bemoei je met je eigen zaken, wij hebben niets met jullie te maken en jullie niets met ons. Weg wezen!
Om die afwijzende reactie te kunnen begrijpen moeten we nog iets meer van die tegenstanders zeggen. Het ging om mensen waarvan al lang duidelijk waren dat ze geen goede bedoelingen hadden. Dat was keer op keer gebleken. Ze wilden niet meewerken aan kerkbouw en bouw van de stad, ze wilden die van binnenuit ondermijnen.
dia 10
Wat waren dat dan voor mensen? Nou, de meesten hoorden bij de bevolkingsgroep die toen de ballingschap begon door eerst de koningen van Assur en later die van Babel vanuit andere gebieden van het rijk hier naar toe gedeporteerd waren. Ze brachten hun eigen goden mee maar ze wilden daarnaast ook de God van Israël dienen. Zo ontstond er een soort mix van joden¬dom en heidendom, nog versterkt door de vele gemengde huwelij-ken,tussen joden en mensen van de nieuw ingekomen medelan¬ders. In Jezus’ tijd is deze menggodsdienst terug te vinden bij de ons bekende Sama¬ri¬tanen. Een van de tegenstanders van Nehemia was Sanballat, die de hoogste baas was in Samaria en omgeving. De tweede naam die valt was Tobia, hier een ammonietische slaaf genoemd maar waarschijnlijk stadhouder van het gebied ten oosten van de jordaan. En dan was er nog de arabische sjeik Gesem in het zuiden. Van alle kanten dus tegenstand, van mensen die doodsbenauwd waren dat Juda weer een onafhankelijke staat zou worden waarin het met hun invloed gedaan zou zijn. Vandaar dat ze op allerlei manier proberen dat te voorkomen: door openlijke tegenwerking en zelfs geweld, door de koning tegen de joden op te zetten, en ook door te proberen in de weer op te bouwen stad Jeruzalem voet aan de grond te krijgen.
Dan gaan we ook iets begrijpen van de afwijzende reac¬tie van Nehemia en van zijn volksgenoten. Het ging hen erom dat Jeru¬zalem weer echt de stad van de Here zou zijn. Was de afschuwe¬lijke tijd van de ballingschap niet juist de straf van de Here op ontrouw aan zijn dienst en vermenging met heidense invloe¬den? Hadden ze niet alleen toekomst als ze ver zouden houden van een dienen van de Here op een eigenwillige manier?

Wat wij daar vandaag mee moeten? Niet er uit concluderen dat de kerk een bunker moet zijn, en dat we geen boodschap zouden hebben aan medemensen die met ons samen de Heer willen dienen, of samen met ons het goede willen zoeken voor ons land, opkomen tegen onrecht, hulp bieden aan vluchtelingen, of andere projecten. In Jer. 29 worden we juist opgeroepen te bidden voor de stad, daar de handen uit de mouwen te steken samen met anderen, en het goede te zoeken voor stad of dorp.

In onze tekst ligt wel de waarschuwing dat het altijd moet gaan om een samenwerking met als doel het goede. Ik denk nog eens aan die versregels: wij bouwen samen poorten, muren, een huis dat gastvrij open staat – een wal die het kwaad kan keren. Want de zonde en het onrecht hebben geen recht van bestaan. dia 11 Daarom zullen we waakzaam blijven. We zullen het kwaad weer¬staan en het kwaad geen voet tussen de deur geven,om te begin¬nen niet in ons eigen huis en hart, en in Gods kerk.In de stad van de Heer mag een zondige levenshouding geen wettige plaats krijgen. Wie kwaad wil en doet en andere ertoe aanzet, heeft geen toekomst. Zal straks voorgoed worden verge¬ten – er staat: ze hebben in de stad van God geen gedachtenis. Maar wie de Here liefhebben en dienen, hebben de belofte dat de Here ze een gedenkteken zal geven en een naam die blijft. We kijken er naar uit: naar de stad waar alle balling¬schap over is. En waar de muren naar alle kanten open staan.
dia 12 amen

liturgie morgendienst zondag 3 juli 2016

votum en groet
zingen: Ps. 124: 1,2,3
wet van de HEER
zingen: Ps. 26: 2,4
gebed
Schriftlezing: Nehemia 1 en 2
zingen: Ps. 102: 6,7,8
preek over Neh. 2: 20
zingen: Ps. 127: 1,2
gebed
collecte
zingen: Ps. 147: 1,4,5
zegen

Psalm 84: 5,6,13: Driemaal gefeliciteerd! (viering Heilig Avondmaal – gaande viering)

liturgie dienst van Schrift en tafel zondag 24 april 2016

votum en groet
zingen: Gz. 101: 1,3,5
wet van de Heer
Kyrie en Gloria: Gz. 106: 1a, 2m,3v, 4a
gebed
Schriftlezing: Psalm 84
zingen: Ps. 84: 2,3,6
verkondiging: Psalm 84: 5,6,13 Driemaal gefeliciteerd!
zingen: ZG 213: 1,2,3

1. Dit huis, een herberg onderweg
voor wie verdwaald in heg en steg
geen rust, geen ruimte meer kon vinden,
een toevluchtsoord in de woestijn
voor wie met olie en met wijn
pijnlijke wonden liet verbinden,
dit huis, waarin men smarten deelt,
weet hoe Gods liefde harten heelt.

2. Dit huis, waarin een gastheer is
wiens zachte juk geen last meer is,
dit huis is tot ons heil gegeven:
een herberg voor wie moe en mat
terzijde van het smalle pad
struikelt en langer niet wil leven –
plaats tegen de neerslachtigheid,
een pleister van barmhartigheid.

3. Dit huis, met liefde opgebouwd,
dit gastenhuis voor jong en oud,
ligt langs de weg als een oase;
hier kan men putten: nieuwe kracht,
hier is beschutting voor de nacht,
hier is het elke zondag Pasen!
Gezegend al wie binnengaat
en hier zijn lasten liggen laat.

voorbeden
collecte
Credo: Gz. 179b
avondmaalsformulier 3:
instelling
Christus gedenken
één zijn
verwachten
Sanctus: Lied 457: 1-4
gebed
opwekking en uitnodiging
Agnus Dei: Lied 188: 1,2
viering
danklied: Lied 444: 1,2,3
zegen
amen: NLB 416: 1-4 ‘Ga met God’
————————————————————————————————-
Gemeente van Christus, zussen en broers, jongeren en al wat ouderen,
dia 1
In Psalm 84 krijgen we driemaal een gelukwens mee, een felicitatie: gelukkig wie..
Oudere vertalingen geven het weer als ‘welzalig’, maar dat komt op hetzelfde neer.
En dat drie keer: gelukkig wie bij God mogen wonen; gelukkig wie hun toevlucht
bij God zoeken en hun leven op God afstemmen; gelukkig wie op God vertrouwt.

Drie keer is zeg maar wat afgeronds: ook in de Bijbel kom je vaak het getal drie
tegen, op het hoogst en diepst natuurlijk bij God zelf: Vader, Zoon, Heilige Geest.
En ook onder mensen, b.v. om waarheid te garanderen door drie getuigen – en
in het Nederlands is een bekend gezegde dat driemaal is scheepsrecht

We gaan er nog wat meer op in, om die drie gelukwensen wat meer in te kleuren en met elkaar te delen wat wij ermee kunnen, voor onze soms heftige en onzekere reis door dit leven, samen en onder Gods leiding, naar Gods stad: zijn Nieuw-Jeruzalem.

Driemaal gefeliciteerd: gelukkig wie…

dia 2 1. gelukkig wie bij God kind aan huis is
Er zit in Psalm 84 verlangen en ook iets van heimwee: verlangen naar wat komt, en heimwee naar wat achter je ligt en wat je mist, en je langer van had willen genieten.
Vergelijk het maar met vakantie: je kijkt uit naar je vakantie, je kunt niet wachten tot het zover is en je er eindelijk bent, en als die twee of drie weken om zijn – veel te kort! – en je weer in de auto of het vliegtuig zit, terug naar huis: jammer dat het er weer op zit en volgend jaar gaan we weer, maar dat duurt nog een jaar – eerst weer zo lang gewoon thuis en aan het werk en een lang schooljaar – misschien ben wel jaloers op die mensen die altijd wonen in dat prachtige land met dat mooie weer – was ik maar…

Zo gingen veel Israëlieten af en toe, of elk jaar, of sommigen drie keer per jaar, op reis naar Jeruzalem, de hoofdstad, waar de tempel stond, de plek waar God woonde.

Onderweg groeide het verlangen om daar te zijn: laat mij bij U zo thuis zijn, Heer. En terug naar huis was er heimwee, en jaloersheid naar wie mochten blijven: die mussen op het tempelplein met hun nesten onder de dakpannen, en die heen en weer schichtende zwaluwen met hun nesten hoog tegen het tempeldak – konden wij maar zo dichtbij komen, wij gewone Israëlieten die niet verder mogen komen dan de voorhof en die als het feest is afgelopen weer naar huis gaan, tot ziens, volgend jaar.

Ja en ook die priesters en die levieten die dag in dag uit, jaar in jaar uit, hier wonen en werken, hebben maar mazzel (geluk-een woord met joodse oorsprong): “Gelukkig wie wonen in uw huis, gedurig mogen zij U loven” – wat houd ook ik van uw huis!

Maar het ging om meer dan dat huis en die plek: “diep in mijn lijf is zo’n heimwee (=verlangen naar heim, naar huis), zo’n blijvende schreeuw om de levende God”. God die woonde onder zijn volk, waar die tempel en de ark daarin symbool voor stond, God die verzoening en vergeving gaf als mensen offerden voor hun zonden,
God die in Jezus een mens van vlees en bloed werd, en onder ons is komen wonen, God die we mogen ontmoeten aan de tafel van Jezus zijn Zoon, zelf de Gastheer, God die zelfs onze levens en onze gemeente wil maken tot tempels van de Heilige
Geest – zodat we niet elk jaar op reis hoeven en ook niet alleen op zondag in de kerk
God kunnen ontmoeten – maar we overal dichtbij God mogen zijn, dankzij Jezus. We mogen dag en nacht, zeven dagen per week, kind aan huis zijn bij God – kinderen van de Vader die meer waard zijn dan alle mussen en alle zwaluwen van de wereld.

‘Laat mij bij U zo thuis zijn, Heer’ – toen was dat thuis de tempel,Gods huis op aarde. Voor ons is God dichterbij, mogen we elke dag als kind bij Vader binnenlopen, omdat Jezus de scheidingswand afgebroken heeft en is gebeurd wat Jezus aangekondigd had: “In de tijd die nu al begonnen is, vereren de ware gelovigen God niet meer op één speciale plaats”…overal kun je dan tot God bidden in geest en in waarheid.
Overal dus en altijd, en niet alleen in de kerk: ook thuis, op je werk, in het ziekenhuis.
‘Laat mij bij U zo huis zijn, Heer’, dat geldt als het goed is ook in de kerk, in de gemeente, dat we daar Gods aanwezigheid ervaren, ons veilig voelen, thuis bij God en thuis bij elkaar, en dat ook wie af en toe of vaker, langs komen, zich welkom weten en zich thuis voelen, zodat ze iets mogen ervaren van Gods liefde, en ze weer of meer naar God gaan verlangen – en het voor hen voelt als iets van thuiskomen.
dia 3
In deze psalm zit iets dubbels, en dat dubbele is ook eigen aan de kerk van later: aan de ene kant is de kerk een huis, een veilige plek, om God en elkaar te ontmoeten en op adem te komen, aan de andere kant bestaat de kerk uit mensen die onderweg zijn, naar de toekomst, steeds veranderend met de tijd mee, als pelgrims onderweg. Ik las: “De kerkgemeenschap moet meer bieden dan een comfortabel, tijdelijk dak boven het hoofd. Die comfortzone moeten we als christen juist durven verlaten, in navolging van onze Heer” – van Hem staat in de Bijbel dat hij buiten de stad geleden heeft en gekruisigd is – en wij worden opgeroepen Hem op die weg te volgen,te delen in zijn smaad en lijden: want we hebben hier geen blijvende stad, we zijn onderweg.

Ja en wat een verschillende soorten mensen die samen Gods gemeente vormen. Ik las: “Zoekers zitten naast mensen die nooit twijfelen. En mensen die de dynamiek van de kerk als beangstigend ervaren (die moeite met veranderingen hebben en graag alles bij het oude laten, die vooral rust willen) zitten naast anderen die snakken naar ruimte en beweging. Kortom, een bonte stoet onderweg”. Ook: samen op weg? Eigenlijk zie je dat verschil al weerspiegeld in die vogels van Psalm 84: mussen die vooral honkvast zijn en hun kostje opscharrelen dicht langs de grond en standvogels zijn – die zomer en winter blijven – terwijl zwaluwen in de winter naar warmere streken trekken (meest in Afrika) en het jaar erna terugkomen, vaak naar dezelfde plek – zo verschillend zijn ook mensen: mensen die honkvast zijn, zelfs huismussen, gehecht aan wat bekend en vertrouwd is – en mensen die avontuurlijk zijn en in beweging. Maar allemaal mensen die – een bekende uitspraak van Augustinus – geschapen zijn gericht op God: “onrustig blijft ons hart totdat het rust vindt in U”. Kind aan huis bij God, vol verlangen naar zijn liefde, en dus erop uit om dé Weg = Jezus te volgen.

dia 4 2. gelukkig wie met God op weg gaat.
Dat lijkt op het eerste gezicht niet te kloppen want onze vertaling heeft het over mensen die in hun hart ‘de wegen naar God hebben’, die op reis zijn naar God
toe, en dat was voor die pelgrims toen de reis naar de tempel in Jeruzalem.
Ja maar, onderweg vertrouwden ze op Gods bescherming en hulp, voor wat best
een reis met gevaren en ontberingen was, door soms dorre hete dalen onder de brandende zon, met gevaar van wilde dieren en rovers, en je kon ziek worden…maar – staat er letterlijk – ze zochten hun kracht bij God: God, ons schild, bescherm ons!
Ze wisten zich veilig bij God: “Want God is een zon en een schild. Genade en glorie schenkt de HEER, zijn weldaden weigert Hij niet aan wie onbevangen op weg gaan”.
Dat is mooi gezegd: wie onbevangen op weg gaan, niet bang maar in vertrouwen.
Het zou mooi zijn als dat ook geldt voor ons christenen, en voor ons als gemeente.
Dat we beseffen dat wij God met ons op weg is, dat wij onderweg zijn achter Jezus aan, en dat er daarom niet krampachtig of bezorgd hoeven te zijn over wat er van ons moet worden, of de kerk wel blijft wat ze is, of er wel een kerk blijft in Nederland.
Dat is niet aan ons, al hebben we de opdracht trouw te zijn op de plek die God wijst,
het is uiteindelijk de zaak van de Heer zelf die belooft: Ik ben erbij en Ik ga mee, en
Ik zal ervoor zorgen dat de eindstreep wordt gehaald en de nieuwe wereld een feit wordt – de vraag is vooral, voor u en jou en mij: waar sta ik, hoe kan ik meekomen?
dia 5
Ja en ook: sta ik open voor wie onderweg even langskomen, even op adem willen
komen, misschien af en toe een gesprek aanknopen, of een keer aanhaken in een dienst of bij een activiteit, en dan weer verder reizen, zich niet hechten, misschien
ook niet precies dat geloof delen dat wij koesteren, maar wel richting God willen
zoeken of Hem willen leren kennen, of – vager nog – troost willen putten bij ons -
wat doen we om in het beeld te blijven als we zelf eerder huismussen zijn, met die ander die als een zwaluw langsscheert maar net zo hard ook weer wegfladdert.
Zijn zij welkom bij ons, zijn wij welkom bij elkaar, of zijn we vreemd aan elkaar.
Ik las op internet een aardig voorval, over mussen en zwaluwen: “Ieder jaar hebben wij zwaluwen.. Zij arriveren rond deze tijd; repareren het nest van vorig jaar en hebben dan weer een nest om eind van de zomer als gezin op te stappen. Nu zijn ze er weer. Ze zijn druk bezig hun nest weer op te knappën. Maar wat gebeurt nu sinds twee dagen? Twee mussen (mannetje en vrouwtje) die normaal onder de dakpannen een nestje hebben, blijven in de buurt van het zwaluwnest en zodra er een zwaluw aan komt zeilen, gaan ze in of rond het nest vliegen en jagen de zwaluwen weg”.
Ik weet niet of dat vaker gebeurt, maar het zet aan het denken: hoe doen wij dat?
Overgebracht op zoveel verschillen tussen mensen, ook mensen binnen de kerk:is er ruimte voor wie ook maar, hebben we oog voor wie niet tot eigen familie hoort of met een heel andere achtergrond en andere verwachtingen op ons pad komt, of vinden we dat eng, bedreigend?, geven we elkaar de ruimte of nemen we elkaar de maat?
Goed om steeds te bedenken dat mussen én zaluwen bij God thuis mogen zijn – aan ons om een thuis te zijn voor elkaar en voor wie een veilig heenkomen zoekt, troost
wil vinden; om als kerk te zijn een herberg onderweg, een oase in de woestijn, een plaats tegen neerslachtigheid en een pleister van barmhartigheid, voor jong en oud.

dia 6 3. Gelukkig wie op God vertrouwt
Onbevangen op reis gaan, dat vraagt van wie onderweg zijn inderdaad vertrouwen, Want je kunt van alles tegenkomen onderweg waar je niet meteen raad mee weet. Dat geldt het persoonlijke leven, maar ook als kerk midden in veel veranderingen. Van die pelgrimsreis staat in de psalm dat die soms gaat door een ‘dal van dorheid’. Letterlijk staat er: door een dal met baka-struiken, en vertaald is dat: ‘huil-bomen’. Vandaar dat het wel wordt weergegeven als ‘tranendal’ – en dat is het leven soms.
Maar als je juist dan naar boven kijkt, naar God, en vertrouwt op zijn liefde in Jezus, gaat gebeuren waar de psalm over zingt dat die tranen tot bronnen van levend water worden, dat God zelfs wat kwaad en moeilijk is kan laten meewerken tot iets goeds.
Je mag onderweg elkaar troosten en steunen: blij met wie blij zijn, ook samen huilen.
Samen je optrekken aan Gods liefde. Driemaal gefeliciteerd,en driemaal is compleet goed, drie is God zelf die naar ons toekomt en met ons meegaat! dia 7 amen