Ruth 1: Is er wel brood in Bethlehem?

liturgie morgendienst zondag 2 december 2012

votum (gezongen) en groet

zingen:      Gz. 47: 1,2,3 (tegenstem)

gebed

 

     bediening van de doop aan Isolde Chloe Veldman

doopsformulier

zingen (na doopvragen):

Gz. 124: 1a,2m,3v (R:allen)

zingen (na bediening van de doop):

Gz. 124: 4,5 (allen)

dankgebed

zingen:       Lied 335: 9

 

  bediening van het Woord

Schriftlezing:    Ruth 1

zingen:       Ps. 105: 5,8,19

verkondiging:   Ruth 1    ‘Is er wel brood in Bethlehem?’

zingen:       Ps. 144: 5,6

wet van de Heer

zingen:      Gz. 155: 4,5

gebed

collecte

zingen:      Gz. 47: 4,5,6 (tegenstem)

zegen

————————————————————————————————————————————–

 Beste David en Annemarie, kinderen, familie, andere gasten, u en jullie als samen Gods gemeente,

 

‘Ik vertrek’ -  dat is een TV programma over mensen die uit Nederland vertrekken, om ergens anders hun geluk te beproeven, omdat ze in eigen land zijn vastgelopen of het hier wel gezien hebben – ze kiezen ervoor ergens een camping te beginnen, een bedrijf over te nemen,een nieuw leven te leiden.

De één op de vlucht voor het keurslijf van de vaste baan of de vele regeltjes die ons kikkerlandje rijk is. De ander op zoek naar een rustiger leven en een altijd schijnende zon. (Aldus de website)

Soms hebben ze succes en blijven ze daar voor altijd,vaak lukt het moeilijk of niet en komen ze terug.

Daar weten jullie als gezin het een en ander van, Annemarie,van eerst weggaan en daarna teruggaan,

en daar zitten heel wat mooie maar ook moeilijke kanten aan en het blijft altijd een dubbel gevoel want je laat veel achter en vind je wel terug wat je dacht te missen… en je blijft heen- en weren…

 

‘Ik vertrek’ – zei zo’n drieduizend jaar geleden een man en vader tegen zijn vrouw, en hij nam die vrouw en hun twee nog jonge zoons mee, om te emigreren naar zo’n 150 km over de grens -

Voor ons besef is dat dichtbij huis maar toen was het meer dan een week lopen,  naar een waar wel een verwante taal gesproken werd maar een totaal andere cultuur en godsdienst gemeengoed was – qua afstand was het verhuizen naar Duitsland of België maar wat die cultuur en godsdienst betreft verder weg dan nu naar Canada of Australië – zoiets als naar Iran  of Saoedi-Arabië.

Moab was min of meer  vijandig gebied met een godsdienst waar zelfs kinderoffers gebracht werden.

 

Let wel:  de bijbel zegt van die emigratie geen woord kwaad, en dan moeten wij dat ook maar niet doen, en oppassen met veroordelingen als: wat deden ze in zo’n heidens land, weg uit de ware kerk.

Eerder kun je met die mensen te doen hebben want wat loopt het anders dan Elimelech en Noömi gedacht zullen hebben – later zegt zij bitter: “toen ik hier wegging had ik alles, maar de HEER heeft mij met lege handen laten terugkomen” –  een manier van zeggen die te denken geeft, met weinig

zelfreflectie en vooral zelfbeklag, en ook vertekening van de werkelijkheid want waarom waren ze ook al weer weggegaan – toch vanwege gebrek aan brood en toekomst – en was Ruth niet met haar meegekomen? – maar het is waar: in Moab had ze drie keer bij een graf gestaan, en dat is keihard!

Dus geen veroordeling van dat vertrek met zoveel woorden maar wel – las ik – veel gebroken dromen.

Na dat boek Rechters over een volk in nood zoomt Ruth 1 in op een gezin binnen dat volk, in nood.

Verarmd door mislukte of jaar na jaar weggeroofde oogsten, met elke dag de zorg om het dagelijks brood, werden ze economische vluchtelingen -zoals er in onze tijd wereldwijd vele miljoenen zijn….

 

Schrijnend dat in Bethlehem=broodhuis, voor kinderen van Vader in de hemel geen brood meer was!

Omdat de oogsten door droogte mislukte, of door roofzuchtige benden, het kwam allemaal voor….

In dit geval was het blijkbaar regionaal bepaald, want een paar honderd km. verder was wel brood.

Kun je het zien als een van die straffen waarmee God zijn volk in die Rechterstijd tot inkeer wilde brengen…misschien wel…in elk geval was het een van de rampen die Israël overkwam in die tijd.

Als er zelfs broodgebrek was in wat broodhuis heette – blijkbaar vruchtbaar gebied – dat is wel erg!

 

Namen worden tegenwoordig vaak gekozen omdat ouders ze mooi vinden, of om een van de ouders of een ander familielid te vernoemen,soms wordt de keus ook bepaald door wat een naam betekent.

Ik ben gewend als een kind gedoopt wordt, ook altijd even te kijken of een betekenis te vinden is.

Wat Chloe betreft blijkt dat niet zo moeilijk, het komt uit het Grieks en betekent: fris jong groen -

heel toepasselijk op een net geboren kind – Chloe was trouwens ook een naam voor de oogstgodin.

Hou het maar op iets als:  fris en fruitig – en geloof maar dat God ervoor zorgt dat je dochter zal opgroeien als een kind van Hem, en mag groeien in het geloof,  tot op de dag van Gods grote oogst.

Ja, en dan Isolde, dat is wat lastiger; even googelen levert maar liefst drie mogelijke betekenissen op

waarvan de eerste twee meteen aanspreken:  ‘mooi, knap’ – klopt helemaal natuurlijk!  – en ‘eerlijk’ -

daar hopen jullie en wij allemaal op natuurlijk, en daar gaan we ook vanuit dat ze zo zal zijn later -

en dan is er nog een mogelijke betekenis die wat spannender is: ‘van ijzer, heersend met vaste hand’-

er staat jullie nog wat te wachten als ze een dame zal blijken te zijn met haar op de tanden-wie weet!

 

Nou, de namen van dat gezin waarop Ruth 1 inzoomt, dragen alle vier een boodschap met zich mee.

Neem de naam van de vader: Elimelech= ‘mijn God is koning’;  een mooie belijdenis maar wat zag je daarvan, en waarom lukte het dan niet samen Gods volk te zijn, en als Gods volk het samen goed te hebben, weet u nog van vorige week:   ‘in die dagen was er geen koning, ieder deed wat in zijn eigen ogen goed was’  - blijkbaar lukte het niet met alleen God als koning, moest er een aardse koning bij..

Noömi, nog zo’n prachtnaam: de liefelijke, de charmante – maar er was weinig liefelijks aan haar leven en de tegenslagen en het verdriet  hadden van haar een verbitterde vrouw gemaakt die zcih slachtoffer voelde van de omstandigheden en geslagen door God: noem mij maar Mara=de bittere.

De namen van de twee jongens leken profetisch (of zijn het later gegeven typerende bijnamen?) : Machlon=de zwakke en Kiljon=de ziekelijke, in elk geval stierven ze al jong en zonder kinderen, nadat vader Elimelech al eerder overleden was – je zou zeggen: te erg om waar te zijn, dat verzin je niet.

Je kunt je Noömi voorstellen:  wat doe ik hier nog, zonder man, zonder zoons, zonder toekomst?

 

Tot zover is het een wel heel menselijk verhaal, van gebrek en moeite, van keuzes en risico’s…..

Zoals wij elke dag onze keuzes moeten maken en beslissingen nemen, al naar de omstandigheden.

Zoals je soms ingrijpende beslissingen neemt waarvan je de gevolgen niet kan overzien en je pas

veel later merkt wat die beslissingen hebben opgeleverd, of het goed uitgepakt heeft, of toch niet.

Maar als het goed is weten we daarachter God die het leven van mensen leidt, en die zo vaak langs wat voor ons omwegen lijken of foute keuzes die wij gemaakt hebben en waar we spijt van hebben,

in staat is ongedachte oplossingen mogelijk te maken en zelfs fout en kwaad  goed te laten uitkomen.

Dat is dan ook de verrassing van wat het boekje Ruth wil vertellen – zoals ik las: “De schrijver van Ruth weet dat de mens in z’n leven afhankelijk is van Jahwe. Maar het indirecte getuigenis dat hij daarvan geef, laat de volle aandacht vallen op wat mensen overwegen en doen, al kunnen zij de gevolgen van hun handelingen niet overzien” – nou, en daarmee komt dit verhaal  heel dicht bij onze werkelijkheid.

Vraag jezelf gewoon maar eens af  als je bijbel leest:  maar wat zou ik in zo’n geval gedaan hebben?

En verwonder je maar over de zo vaak verrassende afloop die God mogelijk maakt: toen, en nu ook.

 

Ineens gaat er toch een lichtstraaltje doorbreken en blijkbaar gaat Noömi ook weer een  lichtje op:

“toen Noömi hoorde, dat de HEER zich het lot van zijn volk had aangetrokken en dat het weer te eten had, maakte ze zich samen met haat twee schoondochters gereed om Moab te verlaten en terug te keren”  -´dat lichtstraaltje zie ik vooral in dat zinnetje dat de Heer naar zijn volk had omgekeken.

Typerend voor wie de HEER is, ook typerend voor wat steeds weer in de tijd van de Rechters gebeurde: de Heer straft zijn volk – met vijanden, met droogte, met honger – maar laat het niet los en blijft trouw aan zijn verbond:  “Hoe dikwijls moest Hij hen kastijden. Hij gaf hen in des vijands macht, maar telkens kwam Hij hen bevrijden, daar Hij aan zijn verbond gedacht”.    Lees en zing Psalm 106!

 

We krijgen niet de indruk dat dat lichtstraaltje van God nog erg doordrong bij Noömi – die onderweg en terug in Bethlehem vooral uitstraalde hoe erg ze eraan toe was, en hoe zielig en slachtoffer van wat in haar ogen God haar had aangedaan - “toen ik hier wegging had ik alles, maar de HEER heeft mijmet lege handen laten terugkomen, de HEER heeft zich tegen mij gekeerd en mij kwaad gedaan” – en  die ook nog er alles aan doet haar schoondochters terug te sturen met argumenten als dat het met haar toch niks meer zal worden en dat er voor die jonge vrouwen geen toekomst in Bethlehem zal zijn: waarom zou je met mij mee gaan, ik kan jullie niet meer aan de man helpen, mijn lot is te bitter, ga maar liever terug naar jullie volk en de god van jullie volk – een schrijver zegt terecht  dat hier een ‘uitgebluste gelovige’ spreekt, zonder werfkracht, waar je als buitenstaander niet blij van wordt en niet op af zou komen – goed om ook zelf eens met de ogen van buitenstaanders te kijken:

wat laten we zien van ons geloof: is dat het mooie en blije of vooral het moeilijke, lastige, strenge..

stralen we iets uit van het licht dat wij en onze kinderen een geweldige Vader en een geweldige

Redder hebben, en een bijbel vol troost en wijsheid – of stoten we af door kritiek, zorg, geklaag…?

 

Kijk, maar de verrassende lichtstraal in dit hoofdstuk komt niet bij Noömi maar bij God vandaan,

bij die God die naar zijn volk omkeek door het weer brood te geven en dus weer leven en toekomst, door Noömi een schoondochter mee te geven die ondanks die verbitterde en cynische schoonma trouw wilde blijven aan haar – “waar u heengaat, ga ik met u mee, waar u slaapt zal ik slapen – uw volk is mijn volk” – en die nog meer een zuster in de HEER werd:  “en uw God is mijn God!”  - dat moet wel een keus van haar hart zijn geweest, een geloofskeus, niet omdat ze in Noömi om het eens wat eigentijds te zeggen zo’n aanstekelijk christen had leren kennen, maar omdat ze de God van Noömi en van Israël had leren kennen als ook haar God, de God van het verbond waar ook zij bij wilde horen.

 

Helaas, zelfs dan komt er geen blijheid los bij Noömi, niet zoiets als: wat fijn, dat je voor God kiest, en dat je zoveel voor mij over hebt dat je je eigen familie en je land en volk en je goden achter je laat…..

er staat alleen dat ze het er niet meer over heeft – er staat: ze hield op tot haar te spreken – en terug in Bethlehem zijn het weer alleen maar klachten en zelfs: de HEER laat me met lege handen staan -

zeker, ze had drie graven achter moeten laten in Moab, maar Ruth was toch mee gekomen……het is schrijnend te lezen na al die bittere klachten en zelfs aanklachten aan Gods adres: “zo kwamen ze

samen terug uit Moab” – voor Ruth heeft dat het er niet makkelijker op gemaakt dat Noömi zo was,

terwijl het al moeilijk genoeg was in dat voor haar vreemde land met al die mensen die haar in het begin scheef aankeken en over haar en over Noömi praatten: is dat Noömi, wat is die oud geworden, en waar is Elimelech en waar zijn die twee zoons – en wie is die meid die met haar is meegekomen, heb je het al gehoord: ze schijnt een Moabietische te zijn, wat doet die hier, zo’n allochtoonse……

 

Maar als je heel precies vertaalt valt juist op Ruth alle licht – is haar komen de Lichtstraal van God.

In het licht van het vervolg heeft God al die kromme stokken van een hongersnood en van die emigratie naar dat heidense Moab en al dat verdriet haar en de remigratie naar Bethlehem willen gebruiken om de rechte slag te slaan van Ruth bij zijn volk te brengen en straks te maken tot stammoeder van het huis van David en voorouder naar de mens gesproken van Jezus die zich het brood kan noemen dat echt leven brengt:  zo zal God helemaal en voorgoed zich het lot van zijn volk, van zijn wereld aantrekken, door in Bethlehem brood te geven – Jezus als zelf het levende Brood.

Het einde van dit hoofdstuk klinkt hoopvol:  ‘het begin van de gersteoogst’ =  Brood in Bethlehem!

 

Doorgetrokken naar vandaag toe en naar de doop van jullie dochter toe: zo bewees en bewijst

onze God en Vader zich de God die nooit loslaat wat zijn hand begon in haar/jullie/ons leven.

Prachtig die beloften van onze goede God, gedaan aan Isolde, aan jullie, en aan ons allemaal.

Laat ons gebed zijn dat zij als ze groot is het Ruth zal nazeggen: jullie God is ook mijn God, en

jullie volk – jullie gemeente – daar wil ik ook bij horen – en laten we ook als gemeente uitstralen, naar elkaar toe, naar onze kinderen en jongeren toe, en naar de mensen om ons heen toe, dat er brood in zit om God te kennen als je Vader, dat we een God hebben die naar mensen omkijkt en voor ze zorgt.

 

Dan mag elk kind van God – klein en groot, oud en jong – fris en groen blijven, een mooi mens in Gods ogen en in eigen ogen en in die van de mensen, en eerlijk, recht door zee, mens uit één stuk;

om eens met vaste hand te regeren, samen met haar en onze Heer, als heel de oogst binnen is.

 

 amen 

 

 

 

Rechters 21: 25: Was er maar een koning…dan…

liturgie morgendienst

votum en groet

zingen:      Ps. 130: 1,3

wet van de HEER

zingen:      Ps. 130: 2,4

gebed

Schriftlezing:  Rechters 2

zingen:      Ps. 106: 16,18,22

verkondiging:  Rechters 21: 25

zingen:      Gz. 30: 1,2,3,7

gebed

collecte

slotzang:  Lied 125: 1,2,4

zegen

————————————————————————————————————————————

Gemeente van onze Heer Jezus Christus, broers en zussen, u , jij,

 

Vandaag is wat we wel noemen de laatste zondag van het ‘kerkelijk jaar’.

Wie daar meer over wil lezen, er is net een prachtig boek uit van de voorzitter van deputaten

eredienst en kerkmuziek van onze kerken, ds. Harrie de Hullu – een boek dat hij genoemd heeft

‘Tijd voor het geheim van Christus. Het liturgisch jaar in de gereformeerde kerkdienst’ - aanbevolen!

 In dat boek wordt verteld wat het kerkelijk jaar inhoudt, hoe het ontstaan is, en wat je ermee kunt,

ook als gereformeerde kerken die daar wat minder mee vertrouwd zijn en het weer gaan ontdekken.

 

Je kunt uit dat boek leren dat het kerkelijk jaar begint met vier adventszondagen, waarop we

ons voorbereiden op het kerstfeest, de viering van het komen van Gods Zoon in onze wereld.

 

Ook dit jaar willen wij er als gemeente invulling aan geven, zowel in de diensten als in de kinderclub,

en het thema is dit jaar het boek Ruth: elke zondag een volgend hoofdstuk:   Brood in Bethlehem.

 

Vanmorgen nemen we daar een voorschot op: om de tijd waarin Ruth zich afspeelde, in beeld te krijgen – lees het eerste vers van het boekje Ruth : “in de tijd dat de rechters het volk leidden”-

en te zien hoe wat verteld wordt in Ruth, eigenlijk al antwoord geeft op het probleem waarop het boek Rechters (Richteren in de vorige vertaling) uitloopt: “in die tijd was er geen koning in Israël”.

Met als toevoeging wat heel die tijd typeert:  “iedereen deed wat in zijn eigen ogen goed was”.

 

Meteen al maar even: dat is best herkenbaar, dat het ontbreken van goede leiding, centraal gezag,

heel vaak leidt tot chaos en ontwrichting, denk maar aan landen als Somalië, Afghanistan, Syrië – of – veel dichterbij – als een gezin uit elkaar ligt, als een bedrijf niet goed geleid wordt – ja maar, wat als er wél een strakke regie is zoals in China, als een dictator alle trouwtjes in handen heeft…wat dan?

 

Vanuit de tijd van de Rechters komt de verzuchting naar boven:  ”was er maar een koning….dan…”

We gaan nog wat beter naar die verzuchting luisteren, en we kijken vooruit naar hoe het verhaal

van Naomi en Boaz en Ruth heen werkt naar de oplossing die God al bezig is voor te bereiden:

het boek Ruth begint in de tijd van de Rechters en loopt uit op een bekende naam:  David.

 

Was er maar een koning…dan…

 

1. een verlangen uit de nood geboren

2. een verlangen waaraan God gaat voldoen

3. een verlangen dat de wereld nog niet uit is

 

 

1. een verlangen uit de nood geboren

 

   “In die tijd was er geen koning in Israël. Iedereen deed wat in zijn eigen ogen goed was”.

Zo eindigt het boek Rechters, maar het staat ook al drie keer eerder in de hoofdstukken 17-21.

‘In die tijd’, dat is de tijd na het wegvallen van Jozua en de mensen die samen met Jozua leiding hadden gegeven aan het volk Israël toen dat het land Kanaän was binnengekomen en de twaalf

stammen waren begonnen  de gebieden die aan hen waren toegewezen te veroveren op de

oorspronkelijke bewoners de Kanaänieten – en ze nog als dat ene volk de HEER bleven dienen.

Maar dan komt de volgende generatie – “die niet vertrouwd was met de HEER en wat Hij voor Israël had gedaan”  (2:11) – en zoals dat vaker gaat: het eerste vuur gaat eruit en alles wordt anders.

 

   “In die tijd was er geen koning in Israël. Iedereen deed wat in zijn eigen ogen goed was”.

In het hoofdstuk dat we hebben gelezen wordt verteld hoe de Israëlieten steeds meer zich

lieten beïnvloeden door de cultuur en de godsdienst van de Kanaänieten waar ze midden tussen

woonden, wat de proef op de som was, er staat dat de HEER “wilde zien of de Israëlieten zich

net als hun voorouders zouden houden aan de weg die Hij hun had gewezen, of niet“…helaas

bleek al gauw dat Jozua in zijn afscheidstoespraak gelijk had gekregen toen hij waarschuwde:

“Jullie zullen niet in staat zijn de HEER te dienen…en als jullie de HEER verlaten en andere

goden gaan dienen, zal Hij zich tegen jullie keren en jullie niet langer goed doen maar kwaad”

Nou, precies dat laat de tijd van de Rechters zien:  zonden tegen de goede geboden van God

met allerlei kwalijke gevolgen waarover dit boek vertelt, met ook veel schade aan de onderlinge verhoudingen en de onderlinge gemeenschap, zeg maar zonden tegen het eerste deel van de wet dat gaat over de relatie tot God en dan ook het tweede deel over hoe je als mensen met elkaar omgaat.

 

Daar doen met name die latere hoofdstukken – 17-21 – die waarschijnlijk zich juist in de eerste

periode van de Richterentijd afspelen – een onthullend boekje over open:  een zekere Micha die een eigen heiligdommetje opzette met een beeld erin en een leviet die hij had ingehuurd als huispriester;

daarna dat een gewapende bende vanuit de stam Dan het huis van Micha overviel en alles inclusief de levietische priester meeroofde en weer hun eigen tempeltje stichtte; onderweg overvielen die Danieten ook nog eens een stad, doodden de inwoners en staken daarna de hele stad in brand;

een ander voorval is een verkrachting van een jonge vrouw, en de wraak daarvoor tegen de stad

Gibea en de stam Benjamin, en daarna weer de roof van jonge meisjes om op die manier  het voortbestaan van dat uitgedunde Benjamin te verzekeren – kortom: ruzie, oorlog, en complete chaos.

 

Ik zei al even: het boek Rechters vertelt over de zonden van mensen maar ook over Gods trouw.

Nou die trouw komt daarin uit dat als de nood hoog is, de HEER mensen inzet om de vijanden te

bestrijden maar vooral om zijn volk weer bij Hem terug te brengen, denk aan leiders als Gideon,

Debora, Jefta, Simsom – ook mensen met hun zonden en gebreken maar toch instrumenten in de

handen van de HEER om redding te brengen en te voorkomen dat alles steeds verder kapot gaat.

Probleem is wel dat de meeste rechters leider van een of meer stammen zijn en niet van het hele volk en dat elke stam al te vaak een eigen weg gaat, los van de rest van het volk of er tegenin.

Ook daar slaat het op: iedereen deed wat in eigen ogen goed was – niet samen maar ieder voor zich.

Wat je ook trouwens tegenkomt in onze eigen vaderlandse geschiedenis, met eeuwenlang steden en provincies die gingen voor eigen zaak, totdat pas in 1813 Nederland een koning kreeg en 1 land werd.

 

In de tijd van de Rechters zie je af en toe al de wens opduiken om net als de volken om Israël heen een koning te hebben, een man met gezag die al die stammen weer tot een eenheid kon smeden,

kon zorgen voor orde en rust, en ook land en volk kon beschermen tegen indringers van buiten.

Zo wilden ze Gideon tot koning maken maar Gideon bedankte voor de eer: “ik zal uw heerser niet

zijn, en mijn zoon zal uw heerser niet zijn, want de HEER is uw heerser” - wat mooi en vroom klonk

maar helaas werd overschaduwd doordat Gideon goud van de mensen vroeg en daarmee een heilig voorwerp maakte dat de mensen als een soort afgod kwamen vereren – weer: je eigen weg gaan.

Zijn zoon Abimelech maakte het nog erger: hij doodde bijna al zijn broers en liet zich koning maken

maar het liep op een burgeroorlog uit en uiteindelijk kostte dat ook Abimelech het leven. 

Een afschrikwekkend voorbeeld van een leider die een dictator wordt in plaats van dienstbaar te zijn.

 

Het maakt allemaal de verzuchting sterker en  het verlanger intenser:  naar een koning, een goede

leider die niet erop uit is zichzelf te verrijken en zich te laten dienen, maar om zijn volk te dienen,

om het kwaad te stoppen en het goede te versterken, en om een verscheurd volk te verenigen.

Dat slotvers van Rechters is meer dan een trieste constatering, het is waar we deze dienst mee zijn begonnen: “Uit diepte van ellende roepen wij tot U, o Heer, tot U die alleen echt hulp kunt zenden!”

Dan mag er vertrouwen zijn en uitzicht: “Is Israël in nood, er zal – vast en zeker  -verlossing komen” – en daarom: “ blijf de HEER verwac hten; wacht sterker op de HEER dan wachters op de morgen”.

 

2. een verlangen waaraan God gaat voldoen.

 

De tijd van de Rechters is wel eens vergeleken met de Middeleeuwen in de geschiedenis van Europa.

Maar net als die Middeleeuwen was de tijd van de Rechters niet alleen maar donker en vol ellende.

Het is waar: het was een moeilijke chaotische tijd was, een teruggang na de tijd van Mozes en Jozua.

Maar het is te kort door de bocht om ernaar te kijken als alleen een spiraal naar beneden, vanuit de

idee van een hellend vlak waarin alles van kwaad tot steeds erger gaat, met heimwee naar vroeger.

Dat klopt niet want de bijbel vertelt  heel veel over zonde en straf in de tijd van de woestijn, en in de tijd van de Rechters waren ook steeds perioden van bekering tot de HEER, van redding en herstel.

Dat was niet maar een lijn naar beneden maar meer een kringloop: afval – straf – bekering – herstel.

Wat niet te danken is aan mensen die leren en het beter doen maar aan Gods geduld en zijn trouw.

 

Dat geduld en die trouw van de HEER kun je ook herkennen in wat over die Rechters verteld wordt.

Als je onze morele maatstaven op hun leven en hun doen en laten loslaat, valt er veel negatiefs over te zeggen, en zouden wij vast niet mannen als b.v. Gideon en Jefta en Simson als b.v. ouderlingen kiezen, want er zitten in hun levensverhaal nogal wat donkere passages, maar toch heeft de HEER

hen ingeschakeld om zijn volk te redden van buitenlandse vijanden en van binnenlandse chaos.

En in Heb. 11 staat ook van richters als Gideon en Barak, Simson en Jefta dat ze ‘door hun geloof’

koninkrijken hebben overwonnen, recht hebben gesproken en gedaan, en vijanden hebben verjaagd.

Ik las dat we moeten oppassen harder te oordelen dan God zelf, en moeten bedenken dat dit nog

het oude verbond is, waarin Gods volk nog onderweg is en als een kind opvoeding nodig heeft.

Dan is beter je te verbazen over Gods geduld dan vanuit de hoogte te oordelen over mensen alsof

wij zoveel wijzer en beter en geloviger zijn dan zij – Heb. 11 eindigt anders,meer hoopvol:  “al deze mensen hebben de belofte niet in vervulling zien gaan, omdat God voor ons iets beters had voorzien”

 

Ja en als je eerlijk ernaar kijkt, zie je zelfs meer een lijn naar boven, want de laatste leider in de rij

is Samuël, die Israël terugriep en terugbracht bij het dienen van de HEER volgens goede wetten -

en Samuël mocht namens de HEER de eerste koningen kiezen en zalven: Saul, en daarna David.

Dat kleurt in waar dit twee punt over gaat: God gaat aan dat verlangen naar een koning voldoen.

De boeken die naar Samuël zijn genoemd vertellen over Gods oplossing voor die nood en dat gemis

dat ze geen koning hadden om goede leiding te geven, en ieder deed wat in eigen ogen goed was.

Zodat dat refrein niet meer terugkomt in de boeken die na Rechters volgen: Samuël en Koningen.

Zodat gezongen kan worden:  U zelf hebt ons een koning naar uw wil, een schild van heil gegeven.

 

Maar dan weten we ook dat het niet meteen goed was en eerst met horten en stoten ging.

Op zich was dat verlangen naar een koning niet verkeerd, de wet van Mozes voorzag er al in.

Laten we even met elkaar kijken naar wat Mozes namens God moest zeggen in Deut. 17 -

Daarin vallen een paar dingen op als het gaat over vereisten voor een koning in Israël

1.   het moest iemand zijn uit het eigen volk, niet een buitenlander die andere goden zou

vereren en vreemde religies zou binnenhalen.

2.   hij mocht niet veel vrouwen hebben en niet schatten aan goud en zilver opstapelen

3.   hij moest zich in zijn beleid houden aan de wetten die God zijn volk gegeven had – met

als belangrijk motief: dan zal hij zich niet inbeelden dat hij meer is dan anderen en dat

hij in enig opzicht boven de wet staat – een koning moet niet heersen maar dienen,

komt daaruit naar voren – en we zien al de trekken van wat Jezus later ons leert over het

koninkrijk dat Hij preekt en zal brengen- het is ook leerzaam en voorbeeldig voor wie een

goede leider wil zijn, in zijn gezin, in de kerk, in een bedrijf, en zeker ook in de politiek.

 

Nou, we weten hoe dat is gegaan met de eerste koning die Israël heeft gekregen: Saul.

Goed begonnen, verzandde zijn regeren in steeds meer doen wat goed was in zijn eigen ogen

met steeds minder oog voor wat God goed vindt en wat goed is voor het land en de mensen.

Ik heb daarom ook als thema genomen: was er maar een koning….en dan…..ja wat dan….de

regering van Saul laat zien dat op zich een koning, een sterke leider, niet als vanzelf garantie is

voor succes, laat staan op zichzelf al een zegen is, en een bewijs is dat Gods zegen erin mee komt.

Er zijn ontelbaar veel bewijzen – ook uit de latere geschiedenis – en uit onze eigen tijd – dat macht

tot misbruik kan leiden en tot corruptie, en als de dictator weg is ontstaat vaak eerst nieuwe chaos,

wetteloosheid, onzekerheid, stammentwist, burgeroorlog – denk aan Arabische landen als Egypte en

Syrië, aan een land als Mexico waar drugsbendes elkaar en de bevolking terroriseren, maar ook in ons eigen land zie je dat veel mensen losgeraakt zijn van keuzes uit een vaste levensovertuiging

en dan achter elke keer weer andere voorgangers aanlopen op grond van wat die hun beloven, met al te vaak daarna weer de teleurstelling van gebroken beloften en onhaalbare verwachtingen – waar

de les achter wegkomt van die psalm: “vertrouw niet op mensen met macht, op een sterveling bij

wie geen redding is”  en die andere psalm: “beter te schuilen bij de HEER dan te vertrouwen op mannen met macht” - ook dat is een les van de tijd van de Rechters en daarna van de tijd van Saul.

 

Kijk, maar dan is het mooie van het verhaal van Ruth dat de komende zondagen onze aandacht vraagt dat daarin de rode draad is dat God langs een onverwachte en ongedachte weg al aan het antwoord werkt op dat verlangen: was er maar een goede koning die erop uit is om te dienen.

We weten dat David die koning is geworden, en dat hij weer de voorloper is van Jezus onze Koning.

Prachtig om met de schrijvers van Richteren en Ruth terug te kijken op dat mooie program van God.

 Om de wegwijzers van de HEER te volgen via Juda en Bethlehem naar Gods rijk van vrede.

 

 3. een verlangen dat de wereld nog niet uit is

 

Ik bedoel dat verlangen naar vrede, naar een wereld waarin onrecht, moord, geweld, haat, honger en dood, voorgoed verdwenen zijn: dat alle tyrannie verleden tijd zal zijn, en alle tranen opdrogen.

Eeuwenlang verlangden gelovige Israëlieten naar de grote goede koning in de lijn van David – meer en beter dan David zelfs want ook die man naar Gods hart kon geen blijvend vrederijk stichten, is

ook meer dan eens de weg kwijt geweest en de mist ingegaan – het gemis bleef knagen en het verlangen bleef leven: was er maar een koning die bevrijdend heil verwezenlijkt en bindend recht,

die uitmaakt wat goed en kwaad is, die blijvende vrede bewerkt en het kwaad voorgoed uitbant.

 

Wij mogen geloven dat die Koning gekomen is, op Gods tijd, Jezus als Koning op Davids troon.  

Van wie we Zacharias mogen nazingen: “reddende kracht..in het huis van David, zijn dienaar“.

Ja maar juist dat verdiept nog het verlangen en doet het gemis sterker voelen van de uiteindelijke overwinning en de definitieve oplossing van dat: kwam Hij maar bij terug, eens voor Goed, om alles

echt en helemaal en voor altijd goed te maken: laat komen Heer uw rijk, Messias, uw gezag.

 

Het is maar niet vier weken in december advent,  maar als het goed is elke dag, tot op dé Dag.

Want advent is verlangen dat de Koning komt om nooit meer weg te gaan, die koning bij de gratie

Gods die onrecht breekt en alle volken en alle mensen terecht brengt – zodat iedereen alleen nog maar doet wat goed is en blij maakt.  Koning Jezus, kom maar gauw, we wachten al zo lang!

 

                                                                                amen

 

 

 

1 Samuël 17: 45: David, een jongen met lef!

liturgie morgendienst  

votum en groet

zingen:               Ps. 108: 1,2,4

wet van de HEER

zingen:               Lied 365 (1,2)  ( LvdK)

gebed

Schriftlezing:    1 Sam. 17: 1-16 en 26-54

zingen:              Ps. 18: 8,10

verkondiging:   1 Sam. 17: 45

zingen:              Gz. 163: 1,2,3  (GK)

gebed

collecte

zingen:              Gz. 119: 1,2,5  (GK)

zegen

——————————————————————————————– ———————- ————–Gemeente van onze Heer Jezus Christus, broeders en zusters, jongens en meisjes,

 

Ben jij een held,  hebt u lef?
Als je dat aan mij vraagt: bent u een held, dan zeg ik eerlijk: niet echt, soms eerder een bange wezel.

In elk geval  voor bepaalde dingen die ik eng vindt: de tandarts, ziekte, wie sterker zijn dan ik ben..

terwijl ik van angsten van anderen weinig last heb: het verkeer, vreemde culturen, of spinnen……

het ligt dus nogal persoonlijk verschillend: wat de een doodeng vindt, is voor de andere peanuts.

 

We hebben ook zomaar een scheef beeld van wat echte helden zijn, van wat moed is, lef hebben .

Ik las een mooi stukje op internet dat ik in grote lijnen even doorgeef, het gaat zo.

“Wanneer is iemand een echte held? Wij denken bij een held vaak aan iemand die nooit bang is,

iemand die alles aandurft. Maar is dat wel zo? Als iemand nooit ergens bang voor is, is die persoon dan een held….of is zo iemand eigenlijk overmoedig en roekeloos?  Ik heb iemand wel eens het volgende horen zeggen:  ‘Een echte held is iemand die bang is, iemand die eigenlijk niet durft, maar ondanks de angst toch gaat”….”moed is een keuze om door te gaa, ondanks de angst, en soms dwars door de angst heen”….en dat “is een keuze, om door je angst heen te gaan.. dat kan!”

 

Kijk, en dan ga ik de bijbel lezen en kom ik veel mensen tegen die op die manier een held werden.

Mensen die eerlijk zijn over hun angst, hun niet durven, hun als een berg opzien tegen wat van ze

werd gevraagd:  Mozes die op zijn tachtigste naar de Farao moest: stuur toch een ander, Heer!

Gideon die de opdracht kreeg de vijand het land uit te jagen: ik durf niet, ik ben te jong;  David die

zo vaak in zijn psalmen zijn angst uitschreeuwde; zelfs Jezus van wie we lezen dat hij vlak voor zijn arrestatie en sterven doodsangsten heeft doorgemaakt en bad:  laat deze beker Mij voorbijgaan!

Maar de bijbel vertelt hoe ze toch moed vatten en deden wat ze zelf niet durfden en niet konden.

Zoals het refrein in Heb. 11: door het geloof hebben ze…..en dan volgt een lijst van heldendaden,

of liever: dan volgt wat de door de kracht van hun geloof toch hebben gedaan, ondanks hun angst.

 

Lef, weet u wat dat letterlijk betekent?  Lev=hart, hart voor God, voor de naaste, voor de wereld. 

 

 

David – een jongen met lef!

1.   als voorvechter – voor God

2.   als voorloper – van Jezus

3.   als voorbeeld – voor ons

 

1.   David – een jongen met lef!    -   als voorvechter – voor God

 

Het is weer eens oorlog.

Ik bedoel:  oorlog tussen Israël en de Filistijnen – niet te verwarren met de Palestijnen, al doet wat

je over die twee van toen soms wel wat denken aan de situatie in het Midden- Oosten van nu.

Al voor Saul als de eerste koning van Israël was aangesteld, waren er steeds grensconflicten….en

Saul en zijn zoon Jonathan hadden  al een paar keer oorlog met ze gevoerd en dapper gevochten.

In 14: 52 staat: “Tijdens de hele regering van Saul werd er fel tegen de Filistijnen gestreden“.

En elke keer wonnen de Israëlieten en moesten de Filistijnen het veld ruimen – datzelfde vers gaat verder:  “Daarom keek Saul steeds uit naar  heldhaftige en moedige mannen en nam die in dienst“.

 

Maar dan begin je te lezen in 1 Sam 17, en dan lijkt het allemaal anders: waar zijn die heldhaftige en moedige mannen gebleven, en wat is er met die stoere dappere koning Saul gebeurd, dat we moeten lezen in 17: 11 dat Saul en het leger van Israël verlamd van schrik staan, en verderop wordt verteld

dat ze zelfs angstig weghollen bij het zien van die superheld van de Filistijnen met zijn grote mond?

Nou, denk je, logisch, je zult maar zo’n kerel van bijna drie meter op je af zien komen, dan wil je

wel lopen……blijkbaar werkte dat nieuwe wapen dat de Filistijnen hadden ingezet perfect……de schrik sloeg al die soldaten van Israël in de benen: daar valt niet tegen te vechten, wegwezen!

 

Toch, gemeente, kan dat het niet wezen, want je kunt toch met een heel bewapend leger wel één zo’n vechtjas aan…als David er op z’n eentje, zonder pijl en boog, zonder zwaard, zonder harnas, in slaagt om die schreeuwende en vloekende oorlogsmachine te vloeren, waarom durfde niemand van die grote kerels, ook niet die oudere broers van David,en ook niet Saul met zijn oorlogservaring,

een eind te maken aan dat uitdagende gedrag van die Goliath – was David dan de enige met lef?

 

Weet u, er was wel degelijk iets heel ingrijpends veranderd in de loop van de jaren – en dat vind

ik terug in het vorige hoofdstuk, 1 Sam. 16: 13 en 14 – daar sta je op een keerpunt binnen Israël.

In vers 14 staat iets heel ergs over Saul en wel: “de Geest van de HEER had Saul verlaten” – en dat

was omdat Saul steeds meer zijn eigen weg ging en zijn eigen macht uit was, en niet langer op de

HEER wilde vertrouwen en niet meer luisterde naar wat de HEER bij monde van Samuël hem zei.

Dan kan het zover komen dat God je overlaat aan jezelf: je hebt Mij toch niet nodig, je kunt het

toch zelf zo goed en je weet het toch altijd beter, ga je gang maar, kijk hoever je komt zonder Mij.

Bij Saul is te zien wat er van komt: de moed zakt hem in de schoenen,  het gaat bergafwaarts, tot  een roemloze zelfdoding op het slagveld -  wat zo mooi begon, eindigt  in een trieste mislukking.

 

Ja maar, in het vers er vlak voor kun je hoop putten voor de toekomst: “van toen af (vanaf het moment dat David, toen nog de jongste thuis en een herdersjoch die nog voor geen meter meetelde,

in opdracht van God door Samuël tot koning werd gezalfd) was David doordrongen van de Geest van de HEER) – die Geest zorgde ervoor dat David een jongen was met lef = met hart voor de HEER.

Wat niemand snapte  toen David met eten van thuis zijn broers in het leger opzocht,  en toen hij, geconfronteerd met dat geschreeuw en getreiter van die reusachtige Goliat, hem te lijf wilde.

Zijn broers en andere soldaten namen hem totaal niet serieus: wat doe je hier eigenlijk, jij met altijd je neus vooraan, ga op de schapen passen – en Saul kon er ook niks mee:  jij hebt helemaal geen ervaring met vechten, tegen die doorgewinterde vechtersbaas maak jij toch  geen schijn van kans.

Ze hadden allemaal gelijk natuurlijk, zo’n joch van hoogstens 16/17 jaar, ongewapend en ongetraind,

tegen zo’n boom van een kerel met soldatenpak van zo’n 80 kilo en een speer waarvan alleen de punt al 10 kilo woog – Goliat bulderde van het lachen toen dat herdertje met zijn stokje en een paar steentjes op hem af kwam: wou jij vechten, jochie, nou kom maar op, ik maak gehakt van je….

 

Wat denk je, zou David niet bang zijn geweest, was hij echt zo’n stoere bink, of een waaghals?

In elk geval maakte hij zelf heel duidelijk wat hem dreef en waar hij zoveel lef vandaan haalde.

Wat hem stak was niet dat ze allemaal zo laf waren of dat die reus zijn land en leger vernederde, ook

dat,  maar vooral: “wat denkt die onbesneden Filistijn wel, dat hij de gelederen van de levende God durft te beschimpen”  en even later: “De HEER, die mij gered heeft uit de klauwen van leeuwen en beren, zal me ook redden uit de handen van deze Filistijn” – David kon het niet hebben dat zijn God werd beledigd en David wilde voor de eer van zijn God omkomen en vertrouwde op Gods hulp.

Dat was ook zijn antwoord op dat gebral van Goliat: ik daag jou uit in naam van de God van de

hemelse machten die jij hebt staan beschimpen, vandaag zal de HEER je aan mij uitleveren….ja

want de eer van de HEER staat op het spel en de HEER zal zelf voor zijn eer opkomen: “zodat de

hele wereld weet dat Israël een God heeft…en iedereen zal beseffen dat de HEER geen zwaard

 of lans nodig heeft om te overwinnen, want Hij is Degene die de uitslag van de strijd bepaalt“.

 

Kijk, dan ben je een held, dat is lef hebben:  juist als ik zwak ben, ben ik op zijn sterkst – heel veel later horen we Paulus dat zeggen, door de HEER geleerd: opdat niet ik maar God alle eer krijgt.

Dat is lef hebben: op God vertrouwen en in zijn kracht de strijd aangaan, het van Hem verwachten.

Zoals David ervan zong: “met U durf ik mij in de strijd te wagen, de legerbenden op de vlucht te jagen, met U ga ik door water en door vuur, en met mijn God spring ik over een muur“.   Ps. 18.

Dus niet: ik kan alles aan, kijk eens wat ik durf – maar: ik ben niet bang, ik verlaat mij op de HEER.

 

Dat vertrouwen van David werd niet beschaamd en wat niemand voor mogelijk hield, gebeurde.

We kennen allemaal het vervolg: hoe David de reus tegemoet rende en een gladde scherp geslepen steen wegslingerde zodat Goliat frontaal in het voorhoofd werd geraakt en met een harde dreun op

de grond viel, waarna David de gevreesde kampvechter met zijn eigen zwaard een kopje kleiner maakte – waarna de Filistijnen panisch van schrik de benen namen en Saul en zijn soldaten ineens

weer moed kregen en hen achterna gingen:  het werd alsnog een klinkende overwinning – met dank aan David – geen wonder dat Saul hem tot legeraanvoerder maakte en David volksheld nr. 1 werd.

 

Gemeente, maar het is niet goed gezegd natuurlijk dat deze overwinning aan David te danken was.

Dat wist hij zelf wel beter en daar kwam hij openlijk voor uit: de HEER voor wiens eer David het had

opgenomen en op wie hij had vertrouwd, had hem gered uit handen van die Filistijnse vechtersbaas en de HEER had zijn volk de overwinning bezorgd: Hij is de HEER, die hulp verschaft in nood, mijn vaste burcht, ik hoef niet bang te wezen (wat David ook best wel was), Hij beveiligt voor de dood.

Kijk en daarmee had David zijn visitekaartje afgegeven, niet als die grote oorlogsheld of als die

succesvolle generaal, maar als de man naar Gods hart, als gelovige geleid door de Geest van God.

Door het geloof – het kan ook van David worden gezegd – kun je bergen verzetten en zelfs de sterkste tegenkrachten aan – dan zal God door onze zwakheid en bangheid heen zijn kracht laten blijken.

Ik denk aan die belijdenis van Paulus – ook zo’n man met lef voor God – als hij schrijft over zoveel dat

tegen kan zijn en bang kan maken: tegenspoed, ellende, vervolging, honger of armoede, gevaar of het zwaard  – maar dan naar boven kijkt: wij zegevieren in dit alles glansrijk – wij zijn om zo te zeggen wereldkampioenen, superhelden – niet van onszelf, maar: dankzij Hem die ons heeft liefgehad”.

 

2.   David – een jongen met lef!     -   als voorloper – van Jezus

 

Het was al met al een genante en trieste vertoning geweest: een heel leger met aan het hoofd een ervaren koning die talloze overwinningen had behaald – en dan komt er een zo’n grote schreeuwer

en die daagt je uit en staat te tieren en te vloeken en ook nog je God te beledigen – en het blijft

oorverdovend stil en allemaal staan ze aan de grond genageld en rennen zelfs van angst weg – tot

die ene herdersjongen die langskomt en dat niet kan hebben en die in actie komt: hoe durft hij…

en dan bedoel ik niet David maar dan herhaal ik wat David over die Goliat zegt: hoe durft hij mijn

God zo te beledigen, en de spot te drijven met de legers van de levende God, en met Gods volk?

Zijn wij daar nog wel door geschokt en verontwaardigd over, als vandaag aan de dag in ons eigen land en soms waar ze wel bij zijn lelijke dingen over God gezegd worden, over de Here Jezus, over

ons geloof en over de bijbel, en als onder het mom van vrijheid van meningsuiting alles maar moet

worden kunnen gezegd, ook over christenen, over andere medemensen – hoe reageren we dan…

We moeten dan oppassen voor twee verkeerde reacties, twee uitersten: aan de ene kant dat we het maar allemaal laten voor wat het is, er misschien al zo aan gewend zijn dat het ons niet eens meer raakt – aan de andere kant dat we in dezelfde fout vervallen en op onze beurt gaan terugschelden,

de ene belediging beantwoorden met de andere, en doen waar de bijbel ons voor waarschuwt, dat

we kwaad met ander kwaad vergelden, of dat ze in de kramp schieten en onszelf gaan verdedigen

in plaats van eerlijk het gesprek aan te gaan en de ander laten nadenken en voelen waar hij of zij

mee bezig is – en dat we zoals Paulus schrijft vechten met eerlijke, met geestelijke wapens.

Kijk maar weer naar David die niks kon en wilde met die wapens die Saul hem wilde laten aantrekken en hanteren, en tegen die Filistijn zei: “jij daagt me uit met je zwaard en je lans en je kromzwaard,

ik daag jou uit in de naam van de HEER van de hemelse machten, die God… die jij hebt beschimpt“.

 

Daarmee zien we in hoe David erin staat, op God vertrouwt, en de vijand van de HEER bestrijdt,

al de trekken van zijn grote zoon Jezus, die kwam, zei Hij zelf, om het werk van satan af te breken.

Het gaat veel te ver om iemand als Goliat satanische trekjes toe te dichten – wat moet je dan als over Saul staat dat de Geest van de Heer van hem geweken was en dat een boze geest hem aanstuurde- maar we weten wel dat satan als de aartsvijand van God er alles aan deed het werk van God af te

breken en het volk van God schade te doen – en dat God dwars erdoor heen zijn plan wil doorzetten,

en daar wordt David bij ingeschakeld en eeuwen later Davids zoon die de zoon van God is: Jezus.

En zie je zeker bij Jezus wat  Paulus schrijft dat de strijd niet gaat tegen mensen van vlees en bloed maar tegen kwade machten die actief zijn en die erop uit zijn om Gods redding van de wereld onmogelijk en ongedaan te maken – Gods uiterste wapen is de inzet van zijn eigen enige Zoon.

 

Denk dan aan Jezus al meteen in het begin, als satan hem probeert te verleiden tot ontrouw aan zijn Vader en aan zijn opdracht, en hoe Jezus dan steeds dat ene wapen inzet: maar Vader heeft gezegd,

maar in de bijbel staat – en daar kan zijn tegenstajnder niet tegen op: hij moet de aftocht blazen -

het begin van wat al vlak na de zondeval beloofd is: er komt een nakomeling van de vrouw, van

Eva, die de slang, die oude verleider en kapotmaker, eens uiteindelijk de kop zal kosten – wat is

gebeurd aan het kruis toen de zoon van David satan overwon door te lijden en te sterven en zo

de diepste oorzaak van alle ellende, de zonde, heeft overwonnen: het is volbracht – ik lees in mijn bijbel: Hij heeft door zijn dood definitief afgerekend met de heerser over de dood, de duivel.

Wat op Pasen aan het licht kwam toen Hij uit de dood opstond en Hij overwon, die sterke Held.

Ja en dat juist door zwak te willen zijn, door te lijden, door de dood in te gaan – zijn weg is de weg

van kribbe via kruis door het graf heen -

 

3.   David – een jongen met lef!    -  als voorbeeld voor ons.

 

Ben jij een held,  hebt u lef?

Daarmee bedoel ik niet of je allerlei waagstukken aandurft, of dat u nergens bang voor bent.

De vraag is of u en jij en ik ervoor durven uitkomen dat we in God geloven en Jezus volgen.

En of we als christenen in ons land laten merken dat we iets geweldigs gekregen hebben en

met anderen willen delen, en dat zijn niet onze tradities of regels of ons gelijk, maar daar is

dat we een grote God hebben, die liefde is, en dat we Jezus kennen die de wereld wil redden.

Ik las een artikel over missionair gericht zijn, met als titel ‘Christenen mogen best wat meer lef’

hebben, en dan werd dat lef ook letterlijk bedoeld:  lev hebben= hart voor die ander hebben,

bidden voor je medemensen, het gesprek met de ander aangaan, die ander Gods liefde tonen.

 

Ja en als we uit die liefde leven en kracht putten uit wat onze Heer deed en doet voor ons, kan dat geloof bergen verzetten – Jezus zei dat en belooft dat – dan kan geloof onze angsten overwinnen.

David zei. ik kom met niks van mezelf, niet met eigen wapens, maar in de naam van God mijn HEER.

Maak je maar eigen wat we nu gaan zingen: “Ik bouw op U, mijn Schild en mijn Verlosser, niet eenzaam ga ik op de vijand aan; gelovend ga ik, eigen zwakheid voelend, en telkens meer moet ik uw kracht verstaan, toch rijst in mij een lied van overwinning, ik bouw op U en ik ga in Uw naam

Dankzij Hem die overwon, over wie we nu gaan zingen, als over de Held bij wie we veilig zijn.

 

                                                                                    amen