Zondag 15 Heid. Cat. : Lijden als roeping

middagdienst zondag 9 december 2012

 

votum en groet

zingen:          Gz. 91

gebed

Schriftlezing:  Marcus 8: 27-38

zingen:          Ps. 138: 4

Schriftlezing:  1 Pet. 2: 18-25 en 3: 8-9

zingen:          Ps. 147: 1,4  -    onder naspel kinderen naar de club

verkondiging:   zondag 15

zingen:          Lied 188 (1,2)  – voorspel – kinderen terug in de kerk

gebed

collecte

slotzang:       Lied 392 (1,3,4,5)

zegen

———————————————————————————————————————

 

Gemeente van Jezus de Christus, gekruisigd èn opgestaan, u en jullie,

 

‘Nu Christus voor ons geleden heeft, waarom moeten wij dan nog lijden?’.

Een uitlegger zegt terecht:  “Dat is de vraag die wij nog vaker stellen

dan vraag en antwoord 42 van de Catechismus:

nu Christus voor ons gestorven is, waarom moeten wij dan nog sterven?”.

Je zou de vraag ook anders kunnen stellen:

Wat is er door dat lijden en dat kruis van Jezus

nou eigenlijk veranderd in de wereld?

Moet je niet nuchter constateren: bij zoveel dat wel degelijk is veranderd

en steeds sneller aan het veranderen is, is de wereld er niks beter op geworden?

   Nog altijd voeren mensen oorlog,

worden elke dag nu hier en dan daar vreselijke misdaden gepleegd

en gruwelijke wreedheden begaan, tot op het voetbalveld toe…,

lijden mensen pijn door slopende ziekten of ernstige verwondingen,

breken relaties stuk door onmacht of onwil,

is er haat en nijd tussen mensen en groepen mensen

(helaas tot in de beste families,

en ook tussen gelovige mensen en in christelijke gezinnen),

en slaat vroeg of laat de dood onverbiddelijk en onherroepelijk toe.

Wat verandert het lijden van Christus aan dat en zoveel meer lijden?

 

Als we de bijbel lezen – zoals we gedaan hebben vanmiddag – lijkt het beeld er

zelfs nog somberder op te worden: achter Christus aan wordt het eerder moeilijker.

Jezus zei:  ”wie mij wil volgen, moet zichzelf vergeten,zijn kruis dragen en mijn weg gaan”.

Dat kan zelfs zover gaan dat je er je leven bij inschiet. Net zoals je Heer.

Petrus – die dat eerst ver van zich af schreeuwde: gebeurt niet, geen sprake van! -

schrijft jaren later – door zijn Heer, geleerd – aan mensen die juist door hun geloof lijden te verduren kregen: lijden is uw roeping… Christus zelf heeft voor u geleden en u daarmee een voorbeeld nagelaten.  Volg dus zijn voetspoor.

Nou, en dan wordt wel degelijk alles anders. Nu al, en eens voorgoed!

 

Lijden als roeping

1. van Christus die voor ons geleden heeft

2. voor ons die nog moeten lijden achter Christus aan.

 

1. Lijden als roeping van Christus: Christus die voor ons geleden heeft.

 

  Christus heeft heel de tijd van zijn leven op aarde (maar vooral aan het eind)…geleden.

Dat is kras gezegd in zondag 15. Begrijp het niet verkeerd.

Alsof Jezus altijd alleen maar pijn had en verdriet en narigheid.

Alsof er helemaal geen mooie dingen waren. Thuis in Nazaret.

Later toen Jezus met zijn leerlingen het land doortrok.

Jezus heeft ook plezier gehad thuis. Heeft gespeeld. Heeft gelachen.

Kon genieten van wat God zijn Vader mensen geeft.

Waardeerde een goede maaltijd en een lekker glas wijn.

Toch: heel zijn leven op aarde stond in het teken van zijn lijden.

 

Het beroemde schilderij van Holman Hunt geeft er op zijn manier uitbeelding aan:

het kruis dat al in de timmermanswerkplaats in Nazaret zijn schaduw voorop werpt..

De hamer en de spijkers die als het ware al klaar liggen……

Als zondag 15 zegt: heel zijn leven heeft Christus geleden….

dan is dat maar niet een constateren achteraf.

Het was het doel van zijn leven. Zijn roeping.

Een opdracht die Hij uit eigen vrije wil gehoorzaam heeft uitgevoerd.

Zo moeten we begrijpen wat Jezus van te voren vertelde aan zijn leerlingen:

de zoon van de mens – Gods zoon die zoon van Adam werd – moet veel lijden,

en verworpen worden, en gedood worden….en dan ook opstaan.

Dat is geen ‘het moet nou eenmaal’, er is geen ontkomen aan…..

Jezus had er best vandoor kunnen gaan, de grens over, ver weg….

Maar Hij wist van zijn roeping: Ik ben juist gekomen om Vaders wil te doen…

 

Wij hebben het vaak moeilijk met het lijden in de wereld.

We stellen ongeduldige en zelfs kritische vragen: waarom dit, waarom dat?

We kunnen wat we zelf soms moeten doormaken, niet plaatsen, niet accepteren.

En we zeggen misschien wel zuchtend of mokkend: waaraan heb ik dat verdiend?

Maar als het erop aan komt, houdt geen mens dat vol.

We moeten vaak lijden onder de gevolgen van eigen foute keuzes

of door wat mensen andere mensen aandoen – terwijl weer anderen wegkijken…

en  terug tot het begin: op de bodem aller vragen ligt onze gezamenlijke zondeschuld.

 

Kijk, maar van die Ene alleen, van Christus, geldt het wel:

Hij heeft onschuldig geleden, hij is onschuldig veroordeeld en ter dood gebracht…

Als er Een zou zijn die het niet had verdiend te lijden en te sterven…was dat Jezus.

Hij heeft juist omdat Hij rekening hield met God, leed verdragen.

Hij kreeg slaag en erger, terwijl Hij alleen maar goed had gedaan.

Van Hem staat als een paal boven water: geen zonde gehad of gedaan….

De wereldlijke rechter stelde dan ook officieel vast:

hij is onschuldig, hij heeft niets gedaan waar de doodstraf op staat…

en alle beschuldigingen tegen hem bleef niet één overeind…..

ja, behalve die ene dan: Hij beweert dat Hij de Zoon van God is…

maar dat is geen misdaad maar juist hart van het evangelie:

God geeft een Middelaar, echt God èn echt mens, mens zonder zonde…

Jezus heeft – herinnert een ooggetuige als Petrus zich nog haarscherp -

zelfs zijn beulen en rechters alleen maar goed behandeld

en zelfs hun ergste kwaad niet met kwaad beantwoord:

Hij schold niet terug toen ze Hem uitscholden,

Hij uittte geen dreigementen toen ze Hem gemeen en hard behandelden…

Nee, Hij legde zijn zaak en zijn leven in handen van de hoogste Rechter: God

Ja, en Hij boog zich gewillig onder de uitspraak van die wel rechtvaardige Rechter

ook en juist toen die Hem veroordeelde tot de dood aan het kruis.

 

Antwoord 38 brengt het kort zo bij elkaar:

Christus is onschuldig onder de wereldlijke rechter veroordeeld.

Dat was onrechtvaardig. Gemeen. Een juridische moord.

Maar achter de onrechtvaardige rechter Pilatus stond de hoogste Rechter die strikt rechtvaardig vonnist -en die zijn eigen Zoon

veroordeelde en liet kruisigen met op zijn nek onze zonden!

Petrus legt er de nadruk op dat Jezus vrijwillig onze schuld op zich genomen heeft:

Hij heeft zelf onze zonden in zijn lichaam op het hout gebracht…..

 

Gaat het u, jou, niet door merg en been?!

daarom die geselslagen, die doornenkroon, die spijkers, die spot, die pijn, die doodsnood!

Wat klaagt een mens in het leven, laten we maar jammeren en ons schamen over onze zonden:

ja, ik kost Hem die slagen, die smarten en die hoon,

ik doe dat kleed Hem dragen, dat riet, die doornenkroon…

Laten we vooral blij verwonderd en diep dankbaar onze Heiland bedanken voor zijn lijden:

o Lam van God, onschuldig, geslacht aan ‘t kruis der schande,

te allen tijde geduldig, bereid ten offerande, Gij hebt mijn schuld gedragen…

Gedragen….Petrus ,maakt het heel beeldend: op de kruispaal gehesen en vastgespijkerd.

Ergens anders staat: het handschrift van onze zonden,

de nota die we nooit konden afbetalen..

heeft Hij aan het kruis genageld…

en die nota  zo afbetaald tegen de hoge prijs van zijn leven.

 

Hier klopt het hart van ons christelijk geloof:

- ik besef dat ik Gods toorn verdien:

  mijn zonde maakt God zo boos dat zijn Zoon erom heeft gestraft aan het kruis!

- des te groter het wonder dat genade heet:

  God vergeeft al mijn zonden om het lijden en sterven van zijn Zoon!

- en wat een ruimte en vrijheid schept dat ineens:

 ik kan weer God gaan liefhebben en dienen uit dankbaarheid en die anderen om mij heen ook!

We beginnen zelfs werkelijk op onze Heer te lijken:

bereid Hem te volgen ten koste van onszelf….

om juist zo een hele wereld te winnen!

 

2. Lijden als roeping voor ons: ons die nog moeten lijden achter Christus aan.

 

Nu Christus voor ons geleden heeft, waarom moeten wij dan nog lijden?’

Die vraag van het begin staat nog overeind, komt des te meer op ons af.

Het lijkt of we geen stap verder zijn gekomen na dat eerste punt.

‘Wat is er door het lijden en dat kruis van Jezus nou eigenlijk veranderd in de wereld’,

vroegen we ons af in de inleiding – en je bent geneigd te zeggen: helemaal niets….

Gelukkig is dat toch niet waar. Juist het tegendeel.

Het is waar dat lijden en verdriet de wereld nog niet uit zijn.

Dat ook mensen die geloven dik in de problemen kunnen zitten.

Dat geloof geen medicijn tegen ziekte is en dat alle mensen moeten sterven.

Dat je zelfs door te geloven het extra voor je kiezen kunt krijgen.

Petrus heeft het daar juist in zijn brief over: lijden juist omdat je het goede doet…

dat is zuur en dat doet pijn: waar heb ik dat aan verdiend? is dat mijn straf?

 

Maar wat een enorme stap vooruit als je dan mag geloven: nee, gelukkig niet! geen straf!!

als je echt berouw hebt van je zonden
en je gelooft dat ze om Jezus wil zijn vergeven,

is de angel weg uit lijden dat je overkomt en is sterven niet meer je verdiende loon!

Er is wel degelijk iets grondig veranderd nu Jezus voor ons geleden heeft:

als je goed doet en dan toch of juist dan te lijden krijgt – sta je bij God in de gunst!

Dat klinkt natuurlijk heel raar.

Dat staat haaks op hoe wij het beleven:

als God van je houdt en je graag mag,

waarom laat Hij je dan pijn lijden en verdriet meemaken,

waarom blijven die problemen dan, en waarom ga  je dood?

 

Op dat soort vragen bestaan geen afdoende antwoorden.

Wel is de bijbel er goudeerlijk over:

reken in het spoor van Jezus maar niet op een gemakkelijke vakantiereis

maar eerder op een survival waarbij het afzien geblazen is en inleveren.

Begin je eraan, dan weet je het van te voren en kun je nog annuleren:

als iemand achter Mij aan wil, moet hij zichzelf wegcijferen en zijn kruis opnemen.

 

Dat zegt allereerst alles over Jezus zelf die vooroploopt:

Een koning met boeien om, je kijkt tegen een bebloede rug aan…..

je bent niet in de sfeer van macht en praal maar van nederigheid en dienen…

en de vraag is of je je thuisvoelt in zo’n gezelschap……is dan nou mijn Koning?

Jezus zegt van te voren: Mij volgen is je kruis op je nemen

en jezelf verlooochenen en Mij als je Heiland belijden.

Je Heiland belijden: dat is er voor uitkomen dat je zo’n Heer hebt,

je niet schamen voor een Koning die knecht wilde zijn om jou te dienen,

en je er dan ook niet voor schamen elkaar en anderen te dienen,

jezelf willen wegcijferen omdat je Heer en je medemens het zwaarste weegt..

je laten uitmaken voor alles wat mooi en lelijk is zonder terug te schelden,

als je slecht behandeld wordt, niet met gelijke munt terugbetalen,

niet altijd erop uit er zelf goed af te komen maar voorrang aan die ander….

 

Iedereen die denkt: dat doe ik wel even, dat lukt me wel…

houdt zichzelf voor de gek en raakt gefrustreerd: het wordt niks.

Maar iedereen die meteen zal zegt: dat gaat niet, dat lukt toch niet…

onderschat de geweldige kracht van het kruis van Jezus.

Die maar niet zegt: doe maar na, wat Ik je heb voorgedaan….

maar die zijn kracht ertegenaan zet: Ik ga voorop en trek je mee.

 

In vs. 24 van 1 Pet.2 staat dat we vrij worden van de zonden -

letterlijk: er komt afstand tussen ons en de zondemacht.

Je kunt losraken van je egoisme, je drift, je eigenwijsheid, je jaloersheid…

er komt werkelijk een genezingsproces op gang – het kruis maakt beter!

Nee, niet een beter leven een makkelijker leven betekent, eerder het omgekeerde.

 

Petrus zegt ook van u en mij iets merkwaardigs: lijden is je roeping.

Nee, niet dat je de ellende naar je toe hoeft te trekken.

Dat je zou moeten verlangen naar verdrietige dingen en grote problemen.

Het is en blijft lijden – niemand wil graag met een kruis op de nek lopen.

Zo lang de Heer nog niet terug is zal dat lijden er zijn.

 

Dan kun je blijven vragen naar het waarom – zonder het echte antwoord.

Veel belangrijker is: wat doe je met wat je moet meemaken, hoe ga je er mee om?

Kijk – zegt Petrus dan – neem een voorbeeld aan Jezus. Ga in zijn spoor.

Ik denk dat niet voor niets juist dan de herder met zijn schapen in beeld komt:  

Jezus die zijn leven gaf voor zijn schapen en dwalende schapen tot kudde maakt.

Verdwaalde schapen – en zijn we dat niet allemaal -

worden door de goede herder opgezocht en teruggebracht in de warme stal.

Hij brengt ze samen – zingen we – heelt hun wonden.

Hoezeer nu nog hun harten, hun levens zijn geschonden.

 

Ja, laten we een voorbeeld nemen aan onze Heer en  Herder….

ook en allereerst in hoe we omgaan met elkaar:

tot een zegen, om zo echt en voorgoed gezegend te zijn.

 

Laten we erom vragen, vanmiddag en steeds weer:

   o Lam van God, onschuldig,

   gefolterd en geslagen,

   leer ons, als Gij geduldig

   ons kruis U na te dragen

   en help ons overwinnen.

   Geef ons uw vrede, o Jezus!

 

                                                                       amen

 

 

 

Zondag 12 Heid. Cat.: Ben ik echt een christen?

liturgie morgendienst zondag 4 november 2012

 

votum en groet

zingen:         Gz. 143: 1,2

wet van de HEER

zingen:         Ps. 119: 30,40

gebed

Schriftlezing:  Johannes 15

zingen:         Ps. 80: 5,8,10

preek over zondag 12

zingen:         Lied 78 (1-4)

gebed

collecte

slotzang:      Lied 319: 1,4,5

zegen

amen:          Lied 456: 3

————————————————————————————————————————

DIA 1

Gemeente van onze Heer Jezus Christus – u en jullie die christenen genoemd willen worden…

 

Om te beginnen is het goed even te kijken naar   DIA 2   Hand. 11: 26, waar we lezen:

“Het was in Antiochië dat de leerlingen voor het eerst christenen werden genoemd”.

De leerlingen – hier zijn niet bedoeld de twaalf eerste leerlingen van Jezus maar al die andere mensen die in de school van Jezus zich door Hem willen laten leren.

Zij werden in Antiochië voor het eerst christenen genoemd, staat in Hand.11:26.

Let er wel op: zo noemden ze niet zichzelf, maar buitenstaanders gaven hun die naam.

Het is niet zo belangrijk of ik mezelf een echte of zelfs een goede christen vindt, maar of ik als een christen voor anderen herkenbaar ben. Dat hangt af van de vraag: wil ik werkelijk me laten leren door Hem die de Christus is- Gods gezalfde – Jezus? Is Hij in mij herkenbaar?

 

Toen in het begin wist iedereen wat je bedoelde als je het over christenen had.

Ze vielen op hun gedrag: door hun praten, door hun doen en laten – een heel verschil met vroeger en met hun omgeving. Je pikte ze er zo uit: o, jij bent zeker ook christen.

Paulus zegt ergens: jullie zijn heel anders dan vroeger en dan jullie omgeving omdat jullie Christus hebben leren kennen. Dat is niet een opdracht maar dat is een constatering.

Dat anders-zijn was echt niet zo makkelijk – toen zeker niet – je kon rekenen op veel onbegrip, spot, haat zelfs – en meer dan eens erger….: het kon zelfs je leven kosten…

 

Helaas zijn in de loop van de tijd woorden als christen, christelijk, christendom, uitgesleten begrippen en nietszeggende etiketten geworden….. of staan ze voor heerszucht of vechtlust…….

Veel mensen en groepen en organisaties noemen zich op een of andere manier christen, maar wat beslist is wat daar in de praktijk van te merken is, hoe dat handen en voeten krijgt, wat de omgeving daarvan te zien krijgt….of dat juist vaak dat etiket christen een lading krijgt die ermee in strijd is.

 

En dan moet ik maar niet  naar anderen kijken maar mezelf afvragen: hoe ben ik christen?

 

DIA  3    Ben ik een echt een christen?

 

1.  als echt christen ben ik aan Christus gehecht;

2.  als echt christen wil ik voor Christus uitkomen;

3.  als echt christen mag ik op Christus rekenen.

 

DIA 4       1. als echt christen ben ik aan Christus gehecht – als een rank aan de wijnstok

 

Daar is het natuurlijk allemaal mee begonnen.

Dat de volgelingen van Jezus ‘christenen’ zijn gaan heten, is niet uit de lucht komen vallen.

Dat is zo gekomen omdat ze bij Jezus hoorden en Hem erkenden en wilden volgen als de Christus, de Gezalfde – die woorden van leven heeft, die je Redder is, en ook je Koning.

Antw. 32 zegt het zo: “een christen is door het geloof een lid van Christus“. Aan Hem gehecht.

Niet van Hem los te denken. Niet los verkrijgbaar. Zoals een arm of een been met je lichaam is vergroeid en los van dat lichaam dood is, niks kan, waardeloos wordt.

Een bekend beeld: Christus het hoofd, wij zijn lichaam en ieder voor zich ledematen, allemaal verschillend, met eigen gaven en een eigen taak maar één in Christus. En je komt pas echt tot je recht met die gaven en in die taak als je de kracht daarvoor haalt uit die Christus., als je maar niet iets over Hem weet of van Hem gelooft of over Hem kan praten en zingen maar jezelf met alles

wat je bent en hebt aan Hem toevertrouwt, en dan ook je leven wilt leven zoals Hij heeft geleefd.

 

Eigenlijk gaat het in Johannes 15 over datzelfde, alleen met een ander beeld, dat van de wijnstok. God wordt de grote Wijnbouwer genoemd en Jezus noemt zichzelf de echte Wijnstok. “Als een hemelse stek in de aarde geplant door de Vader”, zegt een uitlegger heel mooi. Bedoeld om naar alle kanten uit te lopen en wereldwijd zich te vertakken en veel vruchten op te leveren voor God. Eeuwenlang was het de taak van Gods eigen volk Israël geweest in de wereld. We zongen:  ”uw wijnstok uit Egypteland hebt Gij in dit gebied geplant”….maar de opbrengst viel God bitter tegen ….de druiven waren zuur….de ranken werden verdorde takken in het vuur.

Maar toen zorgde God zelf voor die unieke nieuwe stek: de Zoon die Hij bemint, zijn eigen Kind.

En God zal er voor zorgen dat aan die wijnstok levenskrachtige ranken komen die wel vruchten opleveren.

 

Jezus zegt het tegen zijn leerlingen: “Ik ben de wijnstok en jullie zijn de ranken“.

Allereerst gaat dat op voor de aanstaande apostelen. Zo meteen ging Jezus terug naar zijn Vader. Maar Hij laat dan zijn leerlingen op aarde niet los en niet aan hun lot over. Dan zou hun geloof gauw wegsterven en zou de opdracht om in heel de wereld mensen te werven om ook discipel van Jezus te worden, niks terecht komen. Daarom is het van levensbelang als een rank gehecht te blijven aan de wijnstok Christus en te leven uit en door Hem.

Christus waarschuwt van te voren: zonder Mij kunnen jullie niks doen. Denk maar aan een tak die door de storm is losgerukt van de boom of is weggesnoeid – zo’n tak mist de noodzakelijke sappen, wordt dor, en gaat dood. Je kunt er niks meer mee, hoogstens opstoken in de open haard of meegeven met het tuinafval. Een levenskrachtige rank aan de wijnstok levert druiven op, een rank los van de wijnstok blijft onvruchtbaar.

DIA 5

Nou, en dat blijft zo. Daar komt het ook voor ons op aan. We mogen door het geloof – gewerkt door de Heilige Geest -ons verbonden weten met de Here Christus in de hemel, als ranken aan de wijnstok. Dus is christen-zijn veel meer dan er een bepaalde mening op nahouden of bepaalde leerstellingen hooghouden.  Je kunt heel rechtzinnig zijn en de bijbel voor waar aannemen van kaft tot kaft – en toch zo dood zijn als een pier. Je kunt ook het zoeken in allerlei activiteiten en acties voor mens en samenleving – maar los van een hartelijke band met Christus in de hemel,  lever je met al je drukte geen blijvende vruchten op voor God.

 

Iemand schrijft mooi: “goddelijke liefde is het levenssap dat via de wijnstok naar de ranken stroomt”. Dat zegt de Here Christus zelf overduidelijk in vs. 9: zoals de Vader mij liefheeft, heb Ik jullie lief. Toen Jezus zijn werk op aarde begon, wees de Vader Hem regelrecht uit de hemel aan: dit is mijn lieve Zoon aan wie Ik mijn hart heb verpand. En Johannes noemt Jezus aan het begin van zijn evangelie: de enige Zoon, zelf God, die rust aan het hart van de Vader. Intiemer kan niet. Ik en de Vader zijn één, zegt Jezus zelf, één in God-zijn, één vooral in liefde. Die liefde wil Christus nu delen met ons – met zijn christenen: zoals de Vader van Mij houdt, houdt Ik van jullie – net zo en net zo veel. Die liefde mag wederzijds worden en blijven:blijf in Mij zoals Ik in jullie. Anders gezegd: de band wordt al sterker naarmate Hij en wij elkaar beter leren kennen en steeds intensiever met elkaar omgaan. Je raakt al meer aan Christus gehecht. Je kunt niet meer zonder Hem.

 

Natuurlijk gaat dat niet vanzelf.Zoals het als je verkering hebt niet vanzelf gaat. Zoals wanneer je getrouwd bent, je samen aan je huwelijk moet blijven bouwen. Nou, zo is dat ook met die relatie tussen Christus en zijn christenen. In vs. 7 zegt de Heer: als jullie in Mij blijven en mijn woorden in u blijven. Liefde is niet een of ander vaag gevoel. Zeggen dat je veel van Jezus houdt en mooie versjes over Hem zingen – betekent nog niet dat je echt met alle vezels van je leven aan Hem vast zit, en dat je echt je hart en je leven aan Hem hebt gegeven. De Here Jezus liet juist merken dat Hij van zijn Vader hield door in alles te doen wat zijn Vader van Hem wilde: Ik ben niet gekomen om mijn eigen zin te doen maar de wil van de Vader. Als echt de Here Christus alles voor ons is, zullen we willen leven van zijn genade en ook op Hem willen lijken in het doen van wat de Here van ons vraagt, ook als dat betekent een vechten tegen onszelf, tegen de zonde.

 

In het beeld van de wijnstok: er moet worden gesnoeid, zonden moeten weggesneden, wat verkeerd is moet bijgeschaafd. Soms snijdt dat er diep in, doet dat pijn, moet je er zelf diep onder door. Maar het is de Here er juist om begonnen dat we groeien en vrucht opleveren – en niet als een dorre rank afsterven en eindigen in het grote vuur van de laatste dag. Geloof maar dat de Here veel van ons houdt! En er alles aan doet dat er vruchten rijpen in ons leven met het oog op de definitieve oogst en het grote feest. Volgende week krijgen we weer een voorproefje van de uitbundige blijdschap die Christus wil delen met al zijn christenen: als Hij met ons de wijn nieuw zal drinken in de koninkrijkszaal. Ga je mee, naar dat feest?!

 

DIA 6         2. als echt christen wil ik voor Christus uitkomen – als vrucht aan de wijnstok

 

Johannes 15 heeft iets teers en intiems. Liefde is wel en terecht de rode draad genoemd door dit hoofdstuk heen. Mensen worden binnengenodigd om in het liefdesverkeer tussen de Vader en zijn Zoon te delen: zoals de Vader mij liefheeft, zo heb ik jullie lief. Dat slaat allereerst op de eerste discipelen van Jezus die zichzelf zijn vrienden mogen weten. Een vriendschap waarvoor Jezus tot het uiterste gaat: je kunt niet meer van je vrienden houden dan door je leven voor hen op het spel te zetten. Jezus heeft dat gedaan: Hij gaf zijn leven tot in de dood, om zijn vrienden te redden. Om vijanden van God weer tot vrienden te maken; om verloren zoons en dochters thuis te laten komen.

 

Dat geldt ook voor ons. Dat had Jezus ook voor u en voor jou en voor mij over. Wij mogen ook ingeënt worden in die wijnstok Christus; vrienden en vriendinnen van Hem zijn;als kinderen van God aangenomen.  En nog altijd groeit die wijnstok door. Worden de ranken langer. Komen er vruchten.Is de volle oogst niet  binnengehaald. Blijft de grote Wijngaardenier aan het snoeien en aan het krenten tot de druiven rijp zijn:  snoeien om te groeien en te bloeien..en vruchten op te leveren.

DIA 7

Let nog even op dat beeld van die ranken waaraan vruchten moeten komen. Als Jezus dat de eerste keer zegt, heeft Hij het over de aanstaande apostelen. Die zijn de ranken, de uitlopers op aarde vanuit hun Heer in de hemel, bedoeld om vruchten te dragen. Vruchten vooral in mensen die door hun preken ook in de Here gaan geloven. Lees vers 16: Ik heb jullie uitgekozen en aangewezen opdat jullie zouden heengaan – erop uit zouden trekken de wijde wereld in – en vrucht dragen en uw vrucht zou blijven. Wat dat laatste betreft – blijvende vrucht – mag u dat ook op uzelf, op de gelovigen die er tot op vandaag zijn. Een uitlegger zegt dat ons geloof nog altijd vrucht is op de prediking van de apostelen: nog altijd levert hun werk een grote oogst op; en bij de laatste oogst zal de Vader alle vruchten verzamelen. Trek het ook maar door op onszelf: geloofsgroei en vruchten van je geloof is niet maar dat je rust hebt in je hart, dat je blij bent dat je zonden zijn vergeven en dat je straks in de hemel mag komen – nee, je bent pas echt vruchtbaar voor de Here en zijn dienst als jouw leven uitnodigend is naar Christus toe en naar zijn kerk – als door mijn woorden en mijn levenswandel anderen geïnteresseerd raken-en als God het wil geven, mensen gaan geloven voor Christus worden gewonnen. Want een echte christen komt uit voor Christus zijn Heer.

 

Vaak is dat versmald tot: er wat van durven zeggen als er wordt gevloekt – of: met je buren praten over je geloof – en breder: aan zending en evangelisatie doen, of aan de weg timmeren in christelijke organisaties en activiteiten.

Het is er allemaal onderdeel van, maar ook dan geldt weer: het stelt niks voor zonder die levende liefdesband aan Christus. Christus zelf van wie zondag 12 zegt dat Hij als onze hoogste Profeet en Leraar ons “de verborgen raad en wil van God over onze verlossing volkomen heeft geopenbaard”.

Wie kan ons beter het geheim van Vaders liefde onthullen dan de eigen Zoon van de Vader?

In  vs.15 staat: “vrienden noem ik jullie, want Ik heb alles wat Ik van de Vader heb gehoord, aan jullie bekend gemaakt”.  Dan denken we aan zoveel woorden van Jezus – door zijn eerste vrienden doorgegeven en opgeschreven – maar ook aan zijn wonderen en zijn genezingen – en vooral aan het grote offer van zijn liefde aan het kruis.        DIA 8  (een echte christen durft te dienen)

 

Als profeet de naam van mijn Heer belijden – als aanstekelijk christen – dat is vooral dat ze in wat ze uit mijn mond horen en van mijn leven zien, de liefde van die Heer proeven – dat ik me niet schaam maar er vrolijk van wordt en trots op ben dat ik bij zo’n Heer mag horen – en dat ook wil laten zien.

Vergeet nooit dat erbij staat: als priester – dat is: vanuit liefde tot de ander en bereid mezelf op te offeren en de ander voor te laten gaan, bereid om niet mezelf te laten gelden of mijn mening op

te dringen maar om te dienen en als mijn Heer zelfs mijn leven in te zetten tot zegen van de ander.

En als er al iets van een koning bij is, dan niet om mijzelf te pushen of mijn haan koning te laten kraaien maar door te vechten allereerst tegen mijn eigen zonden en onhebbelijkheden, zoals

Jezus koning wilde zijn: Ik ben gekomen niet om mij te laten dienen maar om jullie te dienen.

Echt christen ben ik als ik op Christus wil en durf te lijken – wie durft zich nu al christen noemen?

 

DIA 9         3. als echt  christen mag ik op Christus rekenen – Hij is mijn leven

 

Zonder Mij kun je niks doen, zegt de Heiland. En ook: wie in Mij blijft, die draagt veel vrucht. Je komt er wel achter dat een christen los van Christus het niet redt. Je komt droog te staan in je geloof. Je wordt dor en doods als kerk, hoe recht misschien ook in de leer. Je kunt het ook nooit volhouden tegen zoveel weerstand en vijandigheid tegen Christus en het evangelie – allereerst van binnenuit.

 

Jezus had veel vijanden. Het liep voor Hem uit op gevangenschap en op het kruis. Vooraf geeft de Heer zijn vrienden en ook ons de waarschuwing: de leerling kan hetzelfde verwachten als zijn leermeester. Je moet maar niet op applaus en sympathie rekenen, eerder op afwijzing; gesloten harten, harde woorden en erger misschien. Op Christus willen lijden is ook met Hem durven lijden.

Ja, als we ook maar altijd beseffen dat we ook onbedoeld of ontactisch weerstand kunnen oproepen.

Petrus getuigt vast ook van zelfkennis als hij lijden om het evangelie onderscheidt van lijden dat je over jezelf heen haalt door bemoeizucht of als een onruststoker of door een verkeerd gedrag – er

is meer dan genoeg te vechten tegen wat in onszelf nog scheef en onvolgroeid is – al te vaak heeft

de ander – ook de buitenstaander een scherper oog dan ikzelf voor wat nog onchristelijk bij me is.

Dan past ons niet een opgeheven vinger of een slachtofferhouding maar berouw en verandering.

Gelukkig dat we het niet hoeven volhouden op eigen kracht. Dat we mogen rekenen op Christus.

Op de kracht van zijn Geest, de Trooster,de Helper die ons nooit in de steek laat.  En die ons altijd

en onvermoeibaar wil helpen om echte christenen te worden!   Daar werk ik aan en bid ik om!

          DIA 10                                                  amen

Zondag 11 Heid. Cat. : Wie is Jezus?

liturgie middagdienst zondag 23 september 2012

 

votum en groet

zingen:           Ps. 75: 1

gebed

Schriftlezing:   Exodus 33: 12-23

zingen:           Ps. 90: 5,7

Schriftlezing:   Joh. 1: 14-18 en 14: 1-9

zingen:           Ps. 103: 5

verkondiging:  zondag 11

zingen:           Gz. 145: 1,3,4

geloofsbelijdenis

zingen:           Gz. 107: 1

gebed

collecte

zingen:        Lied 444 (1,2,3)

zegen

————————————————————————————————————————

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,  broeders en zusters,  jongens en meisjes,

 

Het gaat vanmiddag over de vraag ‘wie is Jezus?’

Maar daarachter ligt een misschien nog wel lastiger vraag: wie en waar is God?

God van wie meer dan eens in de bijbel wordt gezegd dat mensen Hem niet kunnen zien.

Dat is ook zo en dat maakt geloven niet makkelijker, en zeker niet een relatie hebben met God.

Toch feliciteert de Here Jezus ons: gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven….hoe zo, gelukkig?

Ja maar, Jezus zegt er wel iets bij:  als je God wil vinden, Hem wil ontmoeten, moet je bij Mij zijn.

We hebben het van Hem gehoord: niemand komt tot de Vader dan door mij. En: wie Mij ziet, ziet God de Vader. Dat was zijn antwoord toen een van zijn leerlingen – Filippus – verzuchtte: Heer,

laat ons de Vader zien…je zou het zelf gezegd kunnen hebben, ik snap dat zo goed van Filippus.l

 

Wie zou dat niet willen: God met eigen ogen zien, de Heer persoonlijk ontmoeten?

We hebben dat indrukwekkende verhaal gelezen van Mozes die de Here erom smeekte: mag ik U alstublieft even echt zien, één keertje maar? Mozes die toch meer dan iemand anders dichtbij God mocht komen: de Here ging met Mozes en om en praatte met Mozes als vrienden onder elkaar.

De glans van God straalde van Mozes af elke keer als hij na een ontmoeting met de Here weer buiten en onder de mensen kwam. Zelfs zó dat de andere mensen er niet tegen konden. Ze sloegen hun handen voor de ogen of deden een doek voor hun gezicht.  – vandaag zeggen we: ze zetten hun zonnebril op- om niet verblind te worden door de glans van de hemel.

 

Toch was dat blijkbaar in Mozes’ beleving niet genoeg.

Het smaakte naar meer: laat mij toch uw majesteit zien!     

Je kunt nog zo intensief met elkaar chatten, of uren aan de telefoon hangen, over en weer e-mailen of sms’jes sturen, het blijft toch altijd contact-op-afstand – het haalt het niet bij echt bij elkaar zijn. Zeker als je van elkaar houdt, als je verkering hebt of getrouwd bent.

Je wilt niets liever dan heel dicht bij elkaar zijn.

Als je dan ver van elkaar bent – of erger: uit elkaar bent gegroeid – dan is dat pijn, verdriet, gemis..

 

Nou, God heeft de mens gemaakt met de bedoeling dat die mens God die hen gemaakt had, zou kennen zoals Hij is – Hem van harte zou liefhebben -en met Hem in de eeuwige heerlijkheid zou leven – (zondag 3).   Daar is door de zonde een heleboel tussen gekomen – de zonde maakt dat de mens ver van God is weggegroeid en dat in ons leven en in onze wereld alles eigenlijk is scheefgegroeid en onherstelbaar stuk is; dat God heel ver weg is voor ons besef – als er al een God is – als Hij bestaat.

Daar komt die vaak kwellende vraag vandaan: wie is God, en  waar is God?

Met daarachter de vraag: wie ben ik zelf, en waar ben ik zelf, wat ben ik ver van huis geraakt, en hoe kom ik ooit weer thuis.   Zondag 5 verwoordde die vraag zo: hoe kan God mij weer in genade aannemen, hoe kan de kloof tussen God en mij worden overbrugd….?  Nou, daarvoor moet ik en moet iedereen bij Jezus zijn. Die zei:  Ik ben de Weg, de brug over de kloof: wie Mij heeft gezien, heeft de Vader gezien, wie Mij volgt, komt thuis, in dat Vaderhuis waar ruimte genoeg is…..

 

Dat en veel meer heeft God voor ons vastgelegd en ons aangereikt in die naam van zijn Zoon: Jezus….

 

Wie is Jezus?

1. in Jezus komt God dichtbij

2. door Jezus komt het goed tussen God en mij

3. achter Jezus aan kom ik voorgoed thuis bij God.

 

 1. wie is Jezus?  in Jezus komt God dichtbij,

 

Laat mij toch uw majesteit zien – vroeg Mozes. Heer, toon ons de Vader – zei Filippus. Herkenbaar?

Een uitlegger zegt: “het verlangen om Jezus eindelijk eens in levenden lijve te zien, overvalt u toch ook wel eens?”. We denken vast wel eens: wat zouden we makkelijker kunnen geloven, als Jezus nog bij ons was.  Dat dat niet zo is, blijkt op heel veel bladzijden van de bijbel, maar toch: waar bent u Heer, laat u zien…!

 

Die vraag van Mozes was heel goed te begrijpen. Eerder was er dat verschrikkelijke geweest met het gouden kalf. De Israëlieten die al die jaren in Egypte vertrouwd waren geraakt met een godsdienst waarin godenbeelden een centrale rol speelden, moesten ineens op stap met een God die zei: je kunt en je mag Mij niet afbeelden, je moet me op mijn woord geloven, Ik wil ook niet net zo gediend worden als andere volken hun goden dienen. Toch was er wel wat te zien in de woestijn: overdag een wolk, ‘s nachts vuur.  En via Mozes gaf God leiding aan de operatie. Met Mozes sprak God als met zijn vriend. Maar toen Mozes de berg op was om Gods wetten in ontvangst te nemen, en  week na week maar wegbleef, kroop het bloed maar het niet kon gaan: Mozes, maak God voor ons zichtbaar, we willen een God bij wie we ons iets kunnen voorstellen, een God aan wie we houvast hebben. Gevolg: toch een beeld, een god onder  handbereik…..wat een omgekeerde wereld: de mens naar Gods beeld gemaakt, maakt zich een god naar eigen beeld, probeert de hoge God naar beneden te halen en die God voor eigen karretje te spannen…..

 

En Mozes, die bij God had gepleit en geworsteld en zijn eigen ziel en zaligheid op het spel had gezet ten bate van dat hardnekkige volk – Here spaar uw volk en als het niet anders kan, straf mij maar –

en die mocht merken dat de Here zijn gebeden verhoorde en ervan af zag dat hele volk te vernietigen – die zelfs gedaan kreeg dat de Here in eigen persoon toch weer mee wilde door de woestijn naar Kanaän, ook Mozes verlangde hartstochtelijk naar meer. Zoals je je beste vriend zo graag wil zien en in de ogen kijken.. HEER , laat me toch nog meer van Uzelf zien.  Mozes wilde niets liever dan nog intiemer met God omgaan.

 

Op het eerste gezicht kreeg hij van de Here nul op het rekest: nee, Mozes dat gaat niet, ook jij ben maar een mens en geen mens kan Mij recht in het gezicht kijken en dat overleven.

Paulus schrijft later dat God een ontoegankelijk licht bewoont -geen mens heeft ooit God gezien, geen mens kan God zien.

Denk maar  aan de  zon: wie met het blote oog in de zon kijkt, raakt verblind.

Wie te dicht bij de zon zou komen, verschroeit, smelt weg.

Laat staan als je God nadert: die een verterend vuur is.

Toch laat God zich wel degelijk aan Mozes en ons zien.

Eigenlijk geeft God juist meer dan Mozes vroeg.

Niet alleen dat Mozes toch een glimp van de hemelse glorie mag opvangen, maar vooral dat de Here zegt: Ik zal mijn naam aan je laten horen. In alle eerbied gezegd: de Here geeft zijn visitekaartje aan ons mensen af. Je kunt als mens de hoge heilige God niet recht in het gezicht kijken, nee, maar nog mooier: de Here laat zich in het hart kijken. In vs. 19 staat eigenlijk niet zoals in onze vertaling: Ik zal mijn luister aan U doen voorbijgaan – God in zijn verheven majesteit – maar: Ik zal aan u voorbijgaan in mijn goedheid.  Waar de naam Here – JHWH – zo indrukwekkend vol van is: de God die een al genade is – als Ik mijn genade toon en jullie je zonden vergeef, dan doe Ik dat ook echt en helemaal – als Ik mij ontferm, mijn armen om je heensla, dan is dat echt gemeend en dan laat Ik je nooit vallen en dan kun je helemaal op Mij rekenen…. Is het niet ontroerend? Hoe dichtbij die hoge en ongenaakbare God bij mensen wil zijn en betrokken is op uw en jouw leven? Je hoeft Hem niet naar je toe te halen, Hij komt zelf naar jou toe. Hij is er – voor ons..

 

Eeuwen later gaat die betrokkenheid van God op een unieke manier leven: in de persoon van Jezus.

Tegen Mozes zei de Here nog: mijn gezicht zien, dat kan niet, dat is dodelijk voor een mens.

Maar als Jezus wordt geboren als mens onder de mensen, krijgt in Hem God een menselijk gezicht. Krijgt die liefde en die genade van de Here handen en voeten.           

Wordt die Naam zo heilig én zo goed, mens van vlees en bloed.

Juist daarom die naam Jezus: de HEER, Jahwe, redt.

In die naam geeft God het geheim van zijn liefde prijs.

In Jezus wordt het waar als nooit daarvoor: God-met-ons, God-dichtbij ons – Immanuël.

Niemand heeft ooit God gezien – lees ik weer in het evangelie – maar de eniggeboren Zoon – Jezus doet ons de Vader kennen.

Filippus vraagt naar de bekende weg: toon ons de Vader – heb je Mij dan nog niet gezien?

Kijk naar Jezus: je kijkt God recht in het hart!

 

2. wie is Jezus?  door Jezus komt het goed tussen God en mij.

 

  Het gaat niet zomaar – het is een groot wonder – dat God zo dichtbij u en mij wil komen – dat God met die Israëlieten van toen en met ons vandaag te maken wil hebben.

Dat God zijn naam prijsgeeft, en zo ons in het hart laat kijken.

Daar was heel veel voor nodig. Daar heeft God zelfs letterlijk alles voor over gehad.

 

In de inleiding stipten we het even aan: de kloof tussen God en mens is onze eigen schuld.

In het begin was het anders. God ging vertrouwelijk om met de mensen.

Adam en Eva waren blij als God ze opzocht…met ze praatte…ze van alles vertelde….

en als zij van hun kant God konden vertellen hoe goed en fijn ze het hadden, samen, en met God.

Tot op die zwarte dag dat alles anders was, en ze voor God wegkropen.

 

Vanaf dat moment was er de onoverbrugbare kloof: geen mens kan God zien, en blijven leven.

Je leest dat meer dan eens in de bijbel: uw zonden zijn het die scheiding maken tussen God en ons. De Here zei het tegen Mozes na die zonde met het gouden kalf: als Ik maar één ogenblik in uw midden zou optrekken, zou Ik u vernietigen. Je houdt het niet uit zo dichtbij de Heilige.

 

Toch beloofde de Here Mozes: goed, Ik ga toch weer met jullie mee. Toch liet God zijn hart spreken.

Maar dat was niet vanzelfsprekend. Eerder had God iets heel ergs gezegd.

Het staat in Ex. 32: 7: Mozes,  jouw (!) volk heeft het allemaal verknoeid. God zei zelfs: Ik zet er een punt achter, Ik ga wel verder met jou, Mozes, en de rest gaat eraan. Niemand kan zeggen dat dat onrechtvaardig was van de Here, al te hard.   We doen er beter aan ons hoofd te buigen en te erkennen: het is ook ons kwaad dat vraagt om zo’n straf.

Wat doen we elke keer weer dingen waar God verdrietig om is en zich boos over maakt. Die de relatie met God onder spanning zetten en zelfs opbreken. Waardoor we verknoeien wat God zo mooi maakte.

Ja, maar toch mocht het weer worden: jullie zijn ondanks alles mijn volk, en Ik blijf jullie God.

Toch wil God zijn naam aan ons verbinden – denk maar aan uw en aan jouw doop.

Je mag dan datzelfde erin horen als Mozes te horen kreeg: Ik ben genadig aan wie Ik genadig ben, en Ik ontferm mij over wie Ik Mij ontferm. Daar zit zeker in dat God dat niet verplicht is: Hij kiest er zelf voor, Hij kiest voor u en voor jou en voor mij. Vooral spreekt eruit dat God er helemaal voor gaat en er alles voor over heeft: als Ik dan genade bewijs, dan ook geen half werk maar voor de volle 100%.

Wat dat betekende, is wel duidelijk geworden toen God in zijn zoon Jezus maar niet alleen naar ons toe kwam en naast ons ging staan, maar zelf mens van vlees en bloed werd, en slaaf, en zelfs ging tot aan en in de dood. Dat vooral spreekt uit die naam Jezus = Hij (Jahwe die mens werd) zal zijn volk verlossen van hun zonden – en alleen daarom is het in Jezus helemaal en door Jezus alleen: God-met-ons/ Immanuël – God die met ons meegaat.

 

Kijk, en vandaar ook dat absolute: Ik ben dè Weg, dè Waarheid, hèt Leven – alleen door Jezus is het weer goed gekomen tussen God en mens.  En alleen als je in Jezus gelooft, kan het goed komen tussen God en jou. Want niemand anders dan Hij kon het puin ruimen op de weg van God naar ons en van ons naar God. Jezus en Hij alleen heeft de schuld uit de weg geruimd. Heeft in onze plaats de verdiende straf ondergaan. Heeft zo de weg weer vrij gemaakt voor u en voor jou en voor mij, om weer bij God te komen. Wat Mozes niet kon, heeft Hij gedaan: zijn naam geschrapt in Gods boek – en mij ingeschreven.  Dat visitekaartje van God – Ik ben genadig, een God die zich ontfermt – het is met bloed ondertekend!

 

3. Wie is Jezus? achter Jezus aan kom ik voorgoed thuis bij God.

 

  Hoe komen we ooit thuis, in het beloofde land?  Het was Mozes’ grote zorg toen de Here zo boos was op het volk. Mozes draaide er eerst wat om heen; hij durfde het haast niet te vragen toen de HEER al zo ver was teruggekomen op zijn vonnis van net na de zonde: Ik zal heel dit volk in één klap vernietigen. Die straf was dan wel van de baan,maar wat moest er van hen worden als hun God niet verder wilde meegaan.

De HEER had gezegd: Ik stuur wel een engel – maar, zegt een uitlegger: die engel ken Ik niet zoals Ik u ken, die is een vreemde voor ons, maar U,de Here, kennen we wel, in U hebben we alle vertrouwen.

De HEER die precies weet wat ons bezighoudt, is Mozes voor: of moet Ik zelf met jullie meegaan?

o ja, alstublieft, want als U niet meegaat, blijven we liever hier, dan zien we het helemaal niet zitten. Dat mogen we ons wel eigen maken, bij onze plannen en ons doen en laten: als de HEER niet met ons is….we blijven nergens. We halen zeker niet die toekomst die ons is beloofd: dat we God zullen zien, face to face zeggen we dan, van aangezicht tot aangezicht.

 

Naar die geweldige ontmoeting is de Here Jezus met ons op weg: Ik ga naar het huis van Vader om je plaatsje alvast klaar te maken….loop zo lang maar achter Mij aan.

 

Wie is Jezus?

Jezus is God die naar ons toegekomen is – die zich in liefdevol neerbuigt over mijn leven – om het te redden – die zegt: ga maar met Mij mee, dan breng Ik je wel thuis!

Thuis bij mijn Vader die jouw Vader wil zijn!

 

                                                               amen

Zondag 13 Heid. Cat.: Kind aan huis bij Vader dankzij Vaders Zoon

votum en groet

zingen:      Ps. 133 (1,2,3)

gebed

Schriftlezing:  Marc. 3: 20-35 en 6: 1-6

zingen:      Lied 135: 2

Schriftlezing:  Joh. 1: 9-14

zingen:      Lied 135: 3 – onder naspel gaan de kinderen naar de club

verkondiging:  zondag 13

zingen:      Gz. 45 (1,2) – onder voorspel komen kinderen binnen

geloofsbelijdenis

zingen:      Gz. 165

gebed

collecte

slotzang:     Ps. 8: 3,4,6

zegen

——————————————————————————————————————————–

Gemeente van de Heer Jezus Christus, zijn broers en zussen en broers en zussen van elkaar……….

 

Bent u niet wel eens een beetje jaloers? Ik bedoel: op Jezus’ bloedeigen familie?   Je zult maar de broer van Jezus zijn, of zijn zus! Met Hem zijn opgegroeid. Met Hem hebben gespeeld.

Zei Elisabeth niet tegen Maria: “Jij bent de meest gezegende onder de vrouwen. Waaraan heb ik het te danken dat de moeder van mijn Heer naar mij toe komt?

Ergens onderweg riep een vrouw uit het publiek – diep onder de indruk van het spreken van Jezus spontaan: “gelukkig de schoot die u heeft gedragen en de borst die u heeft gevoed!”.

Jezus zal je kind maar wezen! Om jaloers op te worden, als je familie van die beroemde man bent….

 

Verkijk u er maar niet op. De levensweg van Jezus die een lijdensweg werd, is ook voor de eigen familie een martelgang geweest. Jezus’ moeder heeft er al te vaak geen zicht op gehad en het heeft haar – zeker onder de schaduw en aan de voet van het kruis – pijn en verdriet gekost. De oude Simeon heeft gelijk gekregen: door uw ziel zal een zwaard gaan. De broers van Jezus hadden hun eigen strijd. De bijbel windt er geen doekjes om: “zij geloofden niet in Hem”. Ze konden met Jezus’ loopbaan niet uit de voeten: het zal je broer maar wezen! Soms dachten ze, en zeiden ze: die is gek…..ja, echt!!

 

We hebben net gehoord over dat merkwaardige voorval tijdens Jezus’ preektournee.

Het lijkt erop of de familie bij de deur wordt weggestuurd: wie zijn mijn echte moeder en broers?

Is dat om hen terug te pakken omdat ze Jezus wilden meenemen als doorgedraaid, overspannen?

Of zit er wat anders achter bij onze Heer: wat wil Hij zijn familie en wat wil Hij ons ermee leren?

Ja, en hoe zullen Maria en de broers en zussen gereageerd hebben? Verdrietig? Boos? Geërgerd?

Daarover bewaart de bijbel stilzwijgen. Daar gaat het dus blijkbaar niet om.

 

Waar het wel om gaat?

Nou, om u en om jou en om mij, om die mensen om Jezus heen en achter Hem aan, toen en nu.

Die niet jaloers hoeven te zijn op Maria en op Jezus’ bloedeigen broers en zussen.

Nee, want om Jezus heen mogen we allemaal familie van Hem worden en zoons en dochters van Jezus’ Vader, dankzij de Zoon die zich er niet voor schaamt ons zijn broeders en zusters te noemen. Kinderen aan huis bij Vader dankzij Vaders Zoon.

 

Kind aan huis bij Vader dankzij Vaders Zoon:

1. die Zoon is kind aan huis bij Vader;

2. die Zoon maakt ons tot Vaders kinderen.

 


1. Jezus is als de Zoon kind aan huis bij Vader.

 

Jezus is er weer. In zijn eigen huis in Kapernaüm. En het huis is stampvol. Vol met mensen die naar Hem zijn komen luisteren. Ineens gaat het van mond tot mond: Jezus’ familie staat voor de deur! Ze kennen hen wel: moeder Maria, de broers Jacobus, Judas, Jozef, Simon. U vindt die namen in Matt. 13:55. Het is een van de trekjes uit het evangelie die Jezus ons uittekenen als echt een mens, die uit een bepaald gezin komt en familie heeft. Geboren, zongen we, tussen alle mensen in, in het menselijk gezin. En dus ook: geboren in dit heel bepaalde menselijke gezin, van Jozef en Maria. Die zich ook niet heeft geschaamd voor het gezin waar hij uit kwam en bij hoorde. Jezus wilde bekend staan als zoon van – en zelf ook- de timmerman van Nazareth.  Al was Jozef niet zijn echte vader, we lezen van de jongen Jezus dat Hij zijn ouders(!) onderdanig was. Nog aan het kruis bekommerde de oudste zoon zich om zijn moeder en ver­trouwde Hij haar toe aan de zorgen van zijn lievelingsdiscipel: Johannes, daar staat je moeder.  Zo krijgt heel concreet handen en voeten wat we in Joh.1 lezen: “het Woord is mens gewor­den” – de Zoon van God werd een mens van vlees en bloed – en heeft bij ons gewoond.  In die stal van Bethlehem. In dat huisje met die werkplaats in dat gehucht Nazareth. In die eigen gehuurde woning in Kapernaüm.  Een mens – deze Mensenzoon – die onze broer werd.

 

Maar wat moeten we dan met dit verhaal?  Neemt Jezus daar toch niet afstand van zijn eigen familie? Scheept Hij hen af? Is Hij misschien boven aardse familie­banden uitgegroeid? Of heeft Hij aan de familie geen boodschap nu ze toch niet willen geloven? Schaamt Hij zich misschien voor ze?

Nou moet u goed lezen wat er staat. Dan merken we dat de Heer hier niet met zijn moeder en zijn broers in gesprek is, maar met de mensen die naar Hem zitten te luisteren. Hij jaagt niet zijn eigen familie weg, maar zegt juist tegen anderen dat zij net zo goed zijn familie mogen zijn. De familie van Jezus wordt niet kleiner, maar juist heel veel groter! Een onafzienbare menigte, staat in Openb. 7

 

Zeker in de tijd van Jezus waren familiebanden erg belangrijk.  De mensen in dat huis hadden kunnen verwachten dat Jezus hen naar huis zou sturen omdat vandaag de familie vóórging.  Je kunt het toch niet maken dat je geen ruimte en geen tijd hebt voor je moeder en je broers en zussen.

We kunnen ons daar wel iets bij voorstellen. Als we jarig zijn kijken we eerst wanneer de familie komt.  Als we een grote familie hebben, nodigen we vrienden en kennissen een andere keer uit. Eerst de familie! Moeten die bezoekers bij Jezus thuis nu niet beleefd plaats maken voor zijn familie? Zal Jezus niet zeggen: kom morgen maar terug, Ik heb toch al veel te weinig tijd voor de familie…?

 

Maar Jezus stuurt niemand weg.  Hij zegt tegen die mensen om Hem heen: jullie zijn ook mijn familie,als jullie doen wat mijn Vader in de hemel wil. En wat Vader wil is dat iedereen luistert naar zijn eigen Zoon. Denk aan die stem uit de hemel toen Jezus door Johannes gedoopt werd: deze is mijn eigen lieve Zoon, en jullie moeten allemaal goed naar Hem luisteren. En zelf benadrukte de Here Jezus elke keer maar weer: Ik en de Vader zijn één. Ik kom van de Vader – uit hoge hemel daalde Ik neer – om hier op aarde de wil van mijn Vader te doen.

 

Kijk zo naar dit gebeuren:  hier staat de unieke Zoon van de Vader voor ons die blijkbaar het recht heeft te beslissen wie bij Vaders gezin mogen horen. Met een breed en beslissend handgebaar wijst Hij naar zijn leerlingen: kijk, daar zitten mijn broers. In Matt. 12:50 staat het iets anders- meer direct: “ieder die de wil van mijn Vader in de hemel doet”. Hij zegt niet ‘onze’ Vader. Nee want hier spreekt de Zoon die een unieke band met de Vader heeft. Die is – zondag 13 -de eeuwige natuurlijke Zoon van God. En daarom -zondag 13 verbindt dat prachtig aan elkaar- die tegelijk is ons aller Heer. De Zoon van de Vader is de Heer van het huis van Vader. Hij heeft van de Vader het voor het zeggen gekregen in zijn huis en rijk.

 

Johannes zet zijn evangelie daarmee in: die Jezus van Nazareth – mens in dienstbaarheid -

is de eeuwige Zoon van God – die heeft meegewerkt toen alles werd geschapen. En – zegt

Johannes erbij – in het leven en werken van Jezus hebben we oog in oog gestaan met de glorievan die werkelijke, unieke Zoon van God. Denk aan zijn wonderen en genezingen. Aan zijn macht over wind en golven. Aan zijn overwinningen op de duivel en zijn demo­nen. Aan zijn goddelijke kracht waarmee Hij de straf droeg die wij verdienden, en de zonden van zoveel miljoenen en miljarden op zich heeft genomen. Aan de opstandings­kracht die sterker was dan de dood, zodat Hij de sleutels heeft van dood en dodenrijk.

 

Zondag 13 lijkt een wat jaloerse vraag te stellen: Jezus de enige Zoon van God? Maar wij dan? Zijn wij dan niet Gods kinderen? Maar voor jaloersheid is geen reden.Wel voor diepe dankbaarheid. Want juist omdat Jezus die unieke Zoon is – God én mens -kunnen weggelopen kinderen weer thuiskomen. Mogen u en jij en ik Gods kinderen zijn!

 

2. Jezus die als Zoon kind aan huis is bij Vader, maakt ons tot Vaders kinderen.

 


  We zagen dat de Here Jezus niet zijn moeder en zijn broers wegstuurt maar juist veel anderen binnenhaalt in de familie: iedereen die doet wat mijn hemelse Vader wil – en dat is: gelovig naar Mij als de unieke Zoon luistert – mag ook mijn broer en mijn zus zijn.  Zoals moeder Maria zich gelovig geschikt had naar Vaders wil:  ”de Heer wil ik dienen, laat met mij gebeuren wat u hebt gezegd”

Als Maria zo haar plaats weet, kan ze de geschiedenis ingaan als  ’de moeder van de Heer’.

Elisabeth had gelijk: “gelukkig is zij die geloofd heeft dat de woorden van de Heer in vervulling zullen gaan”.

 

Op het eerste horen is het een vreemde vraag die Jezus stelt: “wie zijn mijn moeder en wie mijn broers?”. Wie Jezus’ moeder was, wist iedereen in de omgeving. Ze kenden zijn broers en zijn zussen. Jezus’ moeder, dat is Maria die met Jozef is getrouwd (geweest). En de broers van Jezus zijn die mannen die net als hij zonen zijn van de timmerman van Nazareth, van Jozef.

Zoals elk gezin werd ook dit gezin bepaald en benoemd naar de vader van het gezin.

 

Precies: daar hebt u Jezus’ geheim. Want Jezus verwijst hier heel nadrukkelijk naar zijn Vader, maar dan naar die Vader die in de hemel is, en die in werkelijkheid Jezus’ Vader is. Nou, en daarom wordt de vraag of je familie van Jezus bent, niet bepaald door een bloed­band die je verbindt met vader Jozef. Dat kan ook niet, want Jezus is zelf geboren “niet op natuurlijke wijze, uit lichamelijk verlangen of uit de wil van een man, maar uit God“,  Joh.1:13. Jozef werd pas ingeschakeld toen Maria al in verwachting was. De engel had gezegd: het heilige dat verwekt is – door de Heilige Geest – zal Zoon van God heten. En wie nu door het geloof een volgeling van deze Zoon wordt, mag God zijn Vader gaan noemen. Dan mag je tegen de hemelse Vader van Jezus zeggen: “onze Vader in de hemel”,  “Abba, mijn lieve Vader”.

 

Dat is een onbegrijpelijk wonder. We kunnen het niet snappen én we hebben het niet verdiend.

Als zondag 13 vraagt  “maar wij zijn toch ook Gods kinderen?”  is het antwoord volmondig ja.

Maar meteen wordt heel duidelijk dat daar niks vanzelfsprekends aan is. ‘Uit genade’ zijn we als kinderen van God aangenomen, geadopteerd, en dat om Christus, die daarvoor betaalde met zijn eigen leven. Want wij hadden onze kinderrechten verspeeld zoals die weggelopen, verloren zoon, uit dat bekende verhaal. Die alleen maar kon zeggen: ik ben het niet waard nog langer uw zoon te heten. Maar die door zijn Vader met open armen werd binnengehaald. Uit genade. Terwille van Christus! Daar heeft bloed voor gevloeid. Zeg maar: voor uw plek in de kerk en in Gods gezin, betaalde de Zoon met zijn leven!

We hebben gelezen dat dat alleen kan als God zelf ingrijpt. Johannes schrijft dat de Here Jezus allen die Hem aangenomen hebben – iedereen die in Hem gelooft en alleen wie gelooft -het recht heeft een kind van God te worden. Wie de wil doet van zijn hemelse Vader. Maar dat doet geen mens uit zichzelf. Geloven is niemand aangeboren. Geloof erf je niet van je ouders, ook al wil God vader en moeder wel gebruiken om geloof in de Here en dienst aan de Here voor te leven. Je bent geen kind van God puur door geboorte of omdat je familie van huis uit christelijk is, of omdat je gedoopt bent.

Nee, er is ‘weder-geboorte’ voor nodig. Een verlossend ingrijpen van bovenaf, van God uit. Een totaal nieuw begin en een heel ander leven. Danzij die Zoon die – zondag 13 – ons met zijn kostbaar bloed heeft vrijgekocht van onze zonden en ons gered heeft. Die onze Broeder èn onze Heer is geworden.

 

Kijk, en wie echt naar Hem luistert, gaat al meer op Hem lijken. Dan mag je nu al weer iets laten zien in je leven van die heerlijkheid, die glans, die bij een kind van God hoort. Zoals ps. 8 zingt van de mens die op God lijkt en Gods glorie weerspiegelt:  bijna goddelijk verheven! Zodat het in uw en jouw leven te zien wordt: hoe heerlijk is uw naam op aarde!

 

Dus hoeven we helemaal niet jaloers te zijn op die moeder en die broers en zussen van Jezus.

Jezus zegt dat als we naar zijn onderwijs luisteren en de wil van Vader in de hemel doen, we net zo goed zijn broeder en zuster mogen zijn. Dat we kinderen zijn van zijn hemelse Vader. Dat was ook de weg die zijn aardse familie moest volgen. Zij en wij staan daarin naast elkaar. De aardse familie heeft geen streepje voor en wie van buiten komen worden niet achtergesteld als het erom gaat wie bij Gods gezin horen en bij Hem mogen wonen.

 

Jezus liet dat soms moeder Maria voelen als die even vergeet dat haar zoon ook haar Heer is. Dan is er even die afstand:  beste mevrouw, wat heb ik met u te maken? Ook Maria moet haar plaats kennen. Gelukkig heeft ze die gevonden. Als Jezus naar de hemel is en de gemeente in gebed wacht op de Heilige Geest, lezen we in Hand.1 dat de apostelen bijeen zijn, en ook enige vrouwen, en Maria, de moeder van Jezus. Jezus’ moeder wordt vooral zuster in de Heer. Meteen er achteraan lezen we dan: en met zijn (Jezus’) broers. Nog een groot wonder, want Jezus’ bloedeigen broers geloofden eerst niet in Hem, vertelt de bijbel.

 

 

Het werd wel heel schrijnend werkelijkheid: Hij kwam tot het zijne, en de zijnen – tot in eigen familie toe zelfs – hebben Hem niet aangenomen. Naar de wrange regel: een profeet is niet geëerd in zijn eigen stad en bij zijn eigen familie. Voor veel anderen was het een excuus: in Jezus geloven als de beloofde Redder? maar we kennen toch zijn vader en zijn moeder, zijn broers en zussen. Hij zou door God gezonden zijn?- Hij komt uit Nazareth!

 

Misschien zeiden ze ook wel: zijn eigen familie gelooft niet eens in Hem!  Ook dat hoorde bij Jezus’ lijdensweg: verlaten door zijn eigen leerlingen, ook door zijn bloedeigen broers en zussen, en tenslotte zelfs door zijn hemelse Vader. En dat allemaal terwille van ons – en ook voor die eigen broers en zusters, en voor moeder Maria – opdat zij en wij nooit meer door God verlaten zouden worden, maar door Hem geadopteerd tot zijn kinderen en erfgena­men. Heb. 2 zegt dat God de Vader veel van zijn kinderen de hemelse glorie wilde binnen­brengen en dat daarvoor nodig was dat Jezus zijn eigen Zoon voor ons heeft geleden. Vandaag vierden we dat: de Zoon maakt ons tot zonen en dochters van zijn Vader, en zo tot zijn broers en zussen. Het avondmaal is de gezinsmaaltijd van Vader met u en jou en mij. Als je familie van elkaar bent geworden omdat God de Vader van ons allemaal is, dan is die band niet stuk te krijgen, zelfs niet door de dood. Want niets kan ons scheiden van Vaders liefde, door Jezus Christus onze Heer.

 

Helaas maken we als broers en zussen, als broertjes en zusjes – en ook als broeders en zusters – soms ruzie met elkaar. Dat komt. zeggen we dan, zelfs in de beste families voor. Dat is pijnlijk en triest als het blijvende verwijdering brengt en er geen bereidheid is het bespreekbaar te krijgen en aan oplossingen te werken. Het kan vormend zijn en leerzaam, als maar de liefde die de Vader werkt door zijn Geest en met zijn Woord, ons aan elkaar blijft binden, als we bereid zijn de minste te zijn en te werken aan herstel. En we samen ons het eigendom weten van Hem die ons kocht en onze Heer is.

 

                          amen