Zondag 50 Heid. Cat. Als kinderen van Vader in de hemel mogen we bidden en werken met een vérziende blik

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

    Wij mensen hebben maar een beperkt blikveld. Al zijn onze ogen nog zo goed, we kunnen maar een beperkte afstand over ­zien. Hoe verder weg, hoe vager het allemaal wordt. Op een gegeven moment laten onze ogen ons in de steek. Wat achter de horizon ligt, onttrekt zich aan onze blikken.

Al heel lang geleden heeft de mens hulpmiddelen uitgevonden om aan onze nieuwsgie­righeid tegemoet te komen. Verrekijkers halen wat ver weg is heel dichtbij.Er zijn zelfs sterke kijkers – telescopen noemen we ze – om onmete­lijk verre sterren en planeten naar ons toe te halen. Zo krij­gen kort-zichtige mensen een ver-ziende blik. Voor onze ver­baasde ogen gaan nieuwe werelden open. Onze horizon wordt op een ongekende manier verruimd.

Ik moest daaraan denken bij het nadenken over de vierde bede, vanuit Lucas 12 en zondag 50. Is niet Gods Woord ook zo’n verrekij­ker, zo’n telescoop? Moderner gezegd: een eye-opener.

Van huis uit zijn we allemaal kortzich­tige mensen, die niet verder kijken dat dit leven kort of lang is. We maken ons heel druk om vandaag en om morgen: wat zullen we eten en drinken,wat moeten onze kinderen voor kleren hebben voor de winter,hoe krijgen we ons huis op orde,wat voor oplei­ding moet ik kiezen, houd ik mijn baan wel of vind ik weer een baan, hoe gaat het met dat ziekteproces…? Elke dag is er wel weer wat dat ons bezighoudt en zorg geeft. En als we niet uitkijken, kijken we niet verder dan dat.Staren we ons zomaar blind op de mogelijkheden en de moeilijk­heden van hier beneden: hoe blijven we gezond of worden we beter, hoe houden we het hoofd boven water, hoe bezorgen we onze kinderen een goed toekomst? En ook: hoe zorgen we samen voor een veiliger samen­leving en een schoner milieu, hoe zorgen we ervoor dat er ook na ons nog bossen zijn en planten en dieren, hoe kunnen we onze kinderen een wereld nalaten die nog leefbaar is?

Allemaal belangrijke dingen. God veroordeelt dat niet, integendeel. Het is zelfs zijn opdracht: de aarde bewerken en beheren, zorgen voor morgen. Maar wat God nu doet, is onze blik verruimen. Zodat we verder kijken dan vandaag en morgen, en hoger kijken dan de aarde waarop we wonen en werken. Zo gaan we bidden en werken, met een weids vergezicht. We horen Gods boodschap zo:

Als kinderen van Vader in de hemel mogen we bidden en werken met een vérziende blik:

1.vol verwachting kijken we uit naar het Koninkrijk van onze Vader;

2. vol vertrouwen kijken we op naar onze Vader die Koning is.

1. vol verwachting uitkijken naar het Koninkrijk van onze Vader.

Als de Here Jezus het in Lucas 12 heeft over ‘zorgen voor morgen’, dan is er een concrete aanleiding voor zijn onder­wijs. Er was namelijk een man, zomaar iemand uit het publiek, met een vraag. Z’n broer en hij zaten met een erfeniskwestie en ze kwamen er niet uit. Blijkbaar voelde de man zich door zijn broer benadeeld. Kon Jezus nou niet tussenbeide komen en hem gelijk geven? Kon Hij niet die broer zover krijgen dat hij de erfenis met hem wilde delen? Zorgen dat eerlijk gedeeld werd en niemand zich benadeeld hoefde te voelen? Ja, en ook dat ze gewoon als broers met elkaar om konden gaan, zonder jaloersheid en wrok.

Je zou zeggen: verstandig om er een onpartijdige, wijze, buitenstaander bij te halen. Eervol ook: blijkbaar verwachtte de man veel van de wijsheid en het overwicht van Jezus. Maar de Heer wijst dat verzoek resoluut van de hand. Daar is Hij niet voor: ben Ik soms rechter of notaris?

Kijk, en aan dat incident knoopt de Here dan meteen een stukje onderwijs vast. Het is zo menselijk je over dit soort dingen geweldig druk te maken. Hebzucht is een kwaad dat altijd op de loer ligt. Een mens wordt zomaar totaal in beslag genomen door het streven naar een betere positie en een hoger inkomen en meer bezit en zekerheid voor morgen. Dat zag de Here ook opdoemen achter de vraag van de man die hem die erfeniskwestie voorleg­de. Daartegen wilde Jezus zijn hoorders – en ons -waarschu­wen.

Waarom eigenlijk? Wat is de boodschap voor ons?  O, zegt u misschien meteen: dat is toch wel duidelijk?  De Heer wil ons leren dat God voor ons zorgt, en dat we daarom niet bezorgd hoeven te zijn.  Lees maar vers 30: jullie Vader weet wel wat je nodig hebt. Nou, dat is helemaal waar. Punt 2 van de preek zal daar over gaan: Vader die elke dag voor ons zorgt. Toch is dat in dit bijbelgedeelte niet het eerste en niet het belangrijkste. Als er niet meer was, bleven we kortzichtig bezig. Zo van: als God maar zorgt voor eten en drinken, kle­ding en een huis, een baan, voldoende inkomen; een goed en rustig leven hier en nu. Het zou een armzalig gebed zijn als die vierde bede altijd onze eerste bede zou zijn. En dan ook nog op mezelf gericht: geef mij dit en dat.

Nee, boven alles wil de Here ons iets anders duidelijk maken. Dit n.l. dat ons zorgen en ons werken én ons bidden niet eerst en alleen gericht moet zijn op die aardse-belangen-voor-de-korte-termijn. Waarom is hebzucht zo gevaarlijk? Waarom is materialisme zo dom? Lees maar het slot van vers 15: “want iemands leven hangt niet af van van zijn bezittingen, zelfs niet wanneer hij die in overvloed heeft”. Met een voorbeeld wordt dan schrijnend duidelijk gemaakt: dat verhaal van die schatrijke maar oliedomme man. Hij had z’n schaapjes op het droge en prachtige plannen voor de toekomst. Zoveel appeltjes voor de dorst dat hij niet meer hoefde te werken en nu eens goed de bloemetjes buiten zou gaan zetten. Hij ging rentenieren en het er goed van nemen. Alleen, met één ding had hij geen rekening gehouden: met het feit dat elke dag hier op aarde wel eens de laatste zou kunnen zijn. Dat werd hem fataal. Hij kreeg niet eens de kans zijn mooie plannen te verwezenlijken. Hij haalde zijn pensioen niet eens: dezelfde nacht nog een hartinfarct, en alles wat ineens uit, en anderen gingen met zijn geld en zijn spullen aan de haal – en maken misschien wel ruzie om wat jij hebt nagelaten. Ja, zo gaat dat, zegt Jezus, als je voor jezelf hier op aarde schatten hebt vergaard, maar als je niet rijk bent geweest in God. Dat wil zeggen: als je in de hemel geen kapitaal hebt klaarliggen. Waar heb je dan voor gewerkt en geleefd? Anderen profiteren van jouw inspanningen. Zelf sta je naakt aan de dijk. Want je kunt niets meenemen naar de andere kant!

Kijk, en zo komt de Here tot zijn waarschuwing: daarom, omdat het je net zo zal vergaan, als je alleen voor jezelf en voor hier beneden hebt gewerkt en geleefd, zonder in alles op God gericht te zijn geweest,daarom is dit de les: maak je niet alleen maar druk om eten en drinken, om leven of overle­ven, om ‘hoe zal het morgen gaan’ en ‘halen we overmorgen wel’.  Kijk maar eens naar de lelies en naar de raven, die zich niet druk maken en toch elke dag kunnen leven uit Gods handen!

Niet dat er geen zorgen zijn en wij zorgeloos kunnen zijn.  De Heer weet wel en wij ervaren het ook dat wij geen vogels zijn en geen bloemen. Wij moeten wél zaaien en maaien, naar school gaan en naar kantoor, de weg op of naaien voor de kinderen, zorgen voor het dagelijks brood; en het is slim een buffer te hebben voor tegenvallers, en te denken aan je pensioen.

Jezus zegt ook maar niet alleen: maak je maar geen zorgen, want Vader zorgt voor je. Dat is wel zo – gelukkig wel – maar er is meer! We hebben onze hoop niet alleen voor dit leven op Vader gebouwd. Dan zouden we nog maar arme stakkerds zijn. De Here wil onze blik verruimen.  We moeten veel verder leren kijken dan naar de opbrengst van vandaag en de zorgen voor morgen, brood op de plank en een beter milieu. De Heer  zegt: er is meer nodig voor je leven dan voedsel, en je li­chaam redt het niet als het maar goed aangekleed wordt, en de wereld blijft niet leefbaar als de ozonlaag maar intact bli­jft, en je redt het niet tegen de stormen die komen door steeds hogere dijken.

Wat zijn wij toch beperkt en hoe machteloos zijn we toch als het erom gaat ons aardse bestaan veilig te stellen. Niet één el kunnen we toevoegen aan onze lengte. Laat staan dat we ons leven ook maar met een dag of een uur kunnen verlengen. Hoe knap of hoe rijk we misschien ook zijn, ons leven hebben we niet in onze hand. Denk maar aan die geslaagde ondernemer: hij haalde morgen niet eens. Zijn leven hoorde niet tot z’n bezit.

Maar wat hebben ze dan vooral nodig, ons leven, ons lichaam? U zult het begrepen hebben: het antwoord staat in vs.31. We zullen vooral gericht zijn op het Koninkrijk van de Vader. Dat maakt de dingen van alle dag niet onbelangrijk: alsof het alleen maar zou gaan om ons zieleheil, om het werk in de kerk nu en het komen in de hemel straks. Dat is hiermee niet bedoeld. Wel dat God iets veel beters met ons voor heeft  dan een redelijk geslaagd en prettig leven hier en nu. Eigen­lijk zijn we een stuk armer dan de vogels en de bloemen die zonder al dat gezwoeg en geslaaf rechtstreeks door God worden gevoed. Sinds de zondeval werkt de vloek van God door in deze wereld. Vandaar dat we ons in het zweet werken, of onder stress leven, dat er het gevecht is tegen alle mogelijke dorens en distels en dat er zoveel ons bij de handen afbreekt, dat we denken alles in de grip te moeten houden.

Ja, maar als kinderen van onze hemelse Vader wacht ons een nieuwe wereld waar heel dat nare slavenbestaan heeft afgedaan. Er komt een tijd dat eten en drinken overbodig zijn om in leven te blijven, dat er geen gezondheidszorg en geen strijd tegen milieubederf meer nodig zijn,dat niemand meer aan fitnesstraining hoeft te doen. Dan zijn we vrij als vogels in de lucht, en we zullen mooier bloeien dan de prachtigste bloemen. Uw Heer zegt: richt je maar op die toekomst, op dat komende Rijk van je Vader. We zijn geen arme sloebers, geen hopeloze tobbers, vol angst hoe we zullen overleven. Hoe zouden we? Hoor maar: “Wees niet bang, kleine kudde, want jullie Vader heeft jullie (nu al!) het Koninkrijk willen schenken”. Zijn we niet Gods kinderen en erfge­namen, die de toekomst hebben? In het licht van die stralende toekomst verbleekt veel van wat nu het een en het al lijkt te zijn. Verschrompelen veel van onze zorgen. En ook: blijkt veel goud dat nu blinkt, klatergoud te zijn.

Maar dan is wel de klemmende vraag: waar is je hart vol van, wat zijn jullie idealen? Waar leef je voor? De Heer zegt:  waar je schat is, daar zal ook je hart zijn. Dat is de vraag: ben je vooral gericht op schatten hier beneden, die je zomaar weer kwijt kunt raken? Of ben je gericht op dat kapitaal dat boven is, die schat die nooit op raakt, en die een eeuwigheid meegaat? Ja, en hoe bidden we? Kortzichtig? Of met verziende geloofs­ogen?

De Heer Jezus leert ons hoe we zullen bidden: geef ons – ook vandaag – ons dagelijks brood. Dat is: Vader, wilt U me geven wat ik voor m’n lichaam nodig heb, voor m’n leven hier en voor m’n werk, voor m’n gezin… Ja, maar dat alles boven alles met het oog op Uw naam, Uw rijk, Uw wil. Opdat ik die taak die U me geeft aan kan als burger van het hemelse konink­rijk dat straks voorgoed op aarde zal komen. Geef dat ik elke dag, bidden en werkend, op weg blijf naar die grote toekomst!

    2. vol vertrouwen kijken we op naar onze Vader die Koning is.

 We denken terug aan zondag 46: van Vaders almacht zullen we alles verwachten wat we voor lichaam en ziel nodig hebben. Onze Vader is in de hemel, Hij beschikt over goddelijke krach­ten. De Here Jezus heeft in het gedeelte dat we gelezen heb­ben, laten zien hoe rijk we zijn als we uit het geloof leven. Dan ben je nu al erfgenaam van alle dingen: de Vader wil ons zijn Koninkrijk geven. Dat is Vaders ‘welbehagen’, zijn onverdiende gunst en liefde. Op dat onvoor­stelbare bezit, op dat koninkrijk, zullen we ons nu richten. We zagen in punt 1 dat dan veel van wat ons nu in beslag neemt en opjaagt, heel wat betrekkelijker wordt. Het waar­schuwt ons ook – zoals antw. 125 doet – dat zonder Gods zegen al onze zorgen en inspanningen waardeloos zijn. Dat dan zelfs de gaven die God je geeft, niet helpen. Ik denk weer aan die ‘rijke dwaas’: zijn succes-op-kort-termijn was nog geen zegen-voor-de-lange-termijn. Zegen, dat is blij­vende waarde voor Gods koninkrijk. Het is dat als alles je hier ontvalt, je opgenomen wordt in het eeuwig Thuis.

Maar wie zo (met alle gebrek en tegenslag en zelfs armoe misschien), wie zo rijk is in God, die mag er ook op vertrouwen dat Vader nu al voor hem zorgt. In vers 31 staat dat als we zoeken naar het koninkrijk van de Vader, al die andere dingen ons erbij gegeven worden. Die andere dingen: eten, drinken, kleren, een dak boven ons hoofd, medi­sche verzorging, zorg voor de oude dag, en noem alles maar op. Ze zijn niet het belangrijkste. Er staat: Vader geeft het je als een extraatje, als een toegift. Zeg maar: als middelen om des te beter voor Vader bezig te kunnen zijn. Om des te meer op weg te kunnen blijven naar de grote dag van Jezus Christus.

Die dingen van vandaag en morgen zijn wél nodig. Er staat: “jullie Vader weet dat je ze nodig hebt”.Daar is Hij Vader voor. Kijk, maar omdat we kinderen van die Vader zijn, kunnen we vol vertrouwen leven. Mogen we Hem vragen om wat we elke dag nodig hebben. We weten: Hij laat ons niet verkommeren. Dat kan niet: we zijn toch erfgenamen van Zijn schepping? We zijn toch koningen en koninginnen-in-spe? Dan zijn weer de raven en de lelies een les voor ons. De vogels worden door God gevoed. De bloemen worden door de Schepper schitterend aangekleed. En dat zonder te werken op het land en te investeren voor de toe­komst. Zonder dat er een hele kledingindustrie voor nodig is en allerlei cosmetica. Zonder dat er een naaimachine aan te pas komt, en dat er een heleboel geld mee gemoeid is. We zingen ervan: “Al wat er in uw grote schepping leeft, wacht, Heer, op U, tot Gij hun voedsel geeft”. In die psalm (104) wordt dat gezegd over de dieren: wilde ezels die hun dorst lessen en leeuwen die God om eten vragen, ooievaars en steen­bokken, kleine en grote vissen. En Jezus wijst ons op de schrokkerige raven en de lelies met hun felle kleuren. Met als boodschap: zal diezelfde God en Vader dan niet voor u zorgen?  Is de mens niet meer dan een dier? Zijn zijn kinderen Vader niet meer waard dan bloemetjes en grassprietjes?

Het heeft alles te maken met dat koninkrijk dat ons deel mag zijn. Bloemen en grassprieten verdorren en ze worden op een grote hoop als oud vuil verbrand. Maar de kinderen van God, die gaan een eeuwigheid mee. Dan kun je toch vast en zeker zijn van Vaders zorg? We vragen het Hem: Wilt u ons verzorgen, elke dag, met wat we hier op aarde nog altijd nodig hebben om te kunnen leven en ons werk te kunnen doen in uw dienst. En we hoeven er niet aan te twijfelen dat Vader luistert, en zorgt.

Dat betekent niet dat we overvloed krijgen, veel luxe. Ook niet dat de oogsten van christenen altijd lukken, en dat langdurige droogte en overvloedige regen hun akkers overslaat. Dat al je zorgen verdwijnen en al je problemen worden opge­lost, als je maar genoeg bidt en genoeg geloof hebt . Eerder heeft de catechismus het gehad over regen en droogte, vrucht­bare én onvruchtbare jaren, gezondheid én ziekte, rijkdom én armoede, als iets dat een gelovige allemaal uit Gods Vader­hand komt. En daarom – ging zondag 10 verder – zullen we in tegen­spoed geduldig zijn, en in voorspoed dankbaar, en mogen we vertrouwen hebben voor de toekomst. Want:niets kan ons schei­den van de liefde van onze trouwe God en Vader. Dan kan het gebeuren dat Vader het anders doet dan wij willen en vragen.

Dat Hij ons kort houdt en klein. Opdat we des te meer onze afhankelijkheid voelen van Hem als de Oorsprong van al het goede. Opdat we dichter bij Hem leven, en eten uit zijn hand. Opdat we ons concentreren op dat waar het echt om gaat. We moeten het leren geloven: “Die wolken, lucht en winden, wijst spoor en loop en baan, zal ook wel wegen vinden waarlangs uw voet kan gaan”. Alle dingen moeten meewerken tot ons heil.

Kijk, en dan hoeven we niet als de ongelovigen, de mensen van de wereld, krampachtig te zorgen voor morgen, alsof het allemaal van ons afhangt. Dan hoeven we ook niet doodsbenauwd te zijn voor overmorgen, en voor een 21e eeuw: zou er dan nog wel leven zijn op de planeet aarde? Zeker, de schep­ping is in nood, en het leven zal ons een zorg zijn, en we zijn verantwoordelijk voor onszelf en ons gezin. Maar wie in dat alles en boven dat alles uit op God gericht is, hoeft niet in paniek te raken. Die weet: de wereld is niet onze wereld, maar het maaksel van Gods handen. Zeker, dan gaan de bloemen nog dood en de bomen, dan kunnen aardappels en bieten wegrotten in de grond, dan kan ziekte een sterk lichaam slo­pen, en dan kunnen er harde klappen vallen. Maar zelfs temid­den van dat alles is er de zorg van Vader die er bij is en die zich niet onbetuigd laat,  en die leven schept uit de dood zelfs. Die kracht en moed geeft om er niet onderdoor te gaan.

   Als wij maar helemaal op Vader vertrouwen, elke dag. Dan kunnen we onbekommerd bij de dag leven, als de vogels en de bloemen die zelfs de meeste grauwe straat opfleuren. Dan mogen we bidden en werken met een verziende blik, want boven is Vader, en op Hem kan ik ook morgen weer rekenen.

Dat maakt ons niet zorgeloos, maar wel onbezorgd, want:

“Hij die met heerlijkheden  de leliën bekleedt, 

 zal ook zijn kinderen kleden Hij kent ons lief en leed.

 Geen schepsel wordt vergeten,  Hij houdt het al in stand,

 die vogels geeft te eten,  Hij voedt ons uit zijn hand”      

 Ja,  maar ook, en zelfs:

 Al zal geen wijnstok dragen, geen vijgeboom zijn vrucht,

al ligt het veld te klagen onder een lege lucht,

God doet zijn hand toch open, zijn lof krijgt stem in mij”

 °Die lof gaan we nu zingen , met Lied 448,   samen

                                                               amen

 

 

liturgie middagdienst

 votum en groet

zingen:                Ps. 104: 1,4,8

gebed

Schriftlezing:      Lucas 12: 13-34

zingen:                Gz. 38: 1,2,3

verkondiging:    zondag 50 Heid. Cat.

zingen:                Lied 448 (1-4)

geloofsbelijdenis

zingen:                Gz. 144: 7

gebed

collecte

Genesis 9: 16 en Lucas 1: 45: Iris Elisabeth- God doet wat Hij belooft! (doopdienst)

liturgie morgendienst zondag 23 december 2012

 

schoollied:    Lied 124: 1

votum en groet

zingen:         Opwekking 462

gebed

        bediening van de doop

zingen:         Opwekking 518

doopsformulier 3

zingen na jawoord:  dooplied Sela

(Judith Komen met piano)

zingen na doopPs. 105: 5

oproep aan de gemeente

dankgebed

bediening van het Woord

Schriftlezing:  Gen. 8: 20- 9: 1 en 9: 11-17 ;  Lucas 1: 39-45

zingen:          Ps. 89: 1

verkondiging:  Gen. 9: 16 en Lucas 1: 45

zingen:         Opwekking 599

wet van de HEER

zingen:         Opwekking 488

gebed

collecte

zingen:          Gz. 141: 1,2

zegen

amen:            Gz. 141: 3

——————————————————————————————————————————————

 

Beste Peter en Pauline, jullie ouders en familie en vrienden, gemeente van onze Heer Jezus Christus,

 

Jullie, wij,  zijn er nog!  De aarde bestaat nog, met alles erop en eraan. En Iris is gedoopt deze morgen.

Niet dat ik daaraan getwijfeld heb, ik heb dit opgeschreven nog vóór deze zondag en vóór vrijdag de 21e.

Die vrijdag waarop volgens sommige mensen de aarde had moeten vergaan, volgens een oude kalender.

Eerder heb ik in een preek daarbij stil gestaan en leerden we uit de bijbel dat alleen God de tijden bepaalt.

En net nog hoorden we die belofte van ook al duizenden jaren geleden: “Zolang de aarde bestaat, zal er

een tijd zijn om te zaaien en een tijd om te oogsten, zal er koude zijn en hitte, zomer en winter, dag en

nacht” – je mag er aan toevoegen:  een tijd om te trouwen en kinderen te krijgen, een tijd om je kind te

laten dopen en tijd om dat kind groter te zien worden, een tijd om…”- nooit komt daar een einde te aan”. Bedoeld is: dat gaat door zolang God het wil, al die jaren en eeuwen dat God deze aarde laat voortbestaan.

 

En dat na die grote ramp die heel de toen bestaande leefwereld had leeg geveegd en schoon gespoeld.

En dat nadat God had gezegd dat elk mens vanaf zijn jeugd ook slechte dingen in zijn genen meeneemt.

Dat is er zelfs met geen zondvloed uit weg te spoelen;  het kan dus alleen genade zijn, onvoorwaardelijke

liefde dat God zelfs als wij ontrouw zijn trouw blijft en dat Hij wat Hij belooft, ook zal doen, voor u en jou.

 

Kijk, en dat hebben jullie zo prachtig vastgelegd in de namen die jullie dochter meekrijgt:  Iris Elisabeth.

Namen die een evangelie in zichzelf zijn, en die ik daarom maar gewoon als thema boven de preek zet.

 

               Iris Elisabeth

1. God doet wat Hij ons belooft!

2. Wat doen wij met wat God ons belooft?

 

1  God doet wat Hij ons belooft!

 

Dat kun je heel mooi als boodschap halen uit die eerste naam, tegelijk de roepnaam: Iris.

De eerste betekenis van die naam – kijk maar op de handout – is namelijk:  regenboog.

Er is later bijgeloof bijgekomen als zou de regenboog een soort godin zijn die als een boodschapster verbinding zou leggen tussen de goden en de mensen – wie in God gelooft als de Schepper weet dat de regenboog gewoon

een geschapen werkelijkheid is – wetenschappelijk verklaarbaar – :  breking van het licht als het regent en de zon schijnt – maar door God gemaakt tot teken van zijn verbond van trouw met zijn aarde en wie daarop leven.

Ja en maar niet alleen een teken voor ons maar een teken voor God zelf dat Hij onder alle omstandigheden aan ons denkt en voor ons zorgt en zijn beloften niet vergeet maar zal doen wat Hij belooft: “Als Ik de boog in de wolken zie verschijnen, zal Ik denken aan het eeuwigdurende verbond tussen God en al wat op aarde leeft”.

Dus niet maar dat wij als we de regenboog zien aan God moeten denken maar dat God dan aan ons denkt ,en

ons niet uit het oog verliest;  zoals net nog beloofd aan Iris en aan jullie en aan ons allemaal: “De doop in de

naam van de Vader is een teken en zegel dat God de Vader voor eeuwig zijn genadeverbond met ons sluit.

Hij laat daarmee weten dat Hij ons als zijn kinderen en erfgenamen aanneemt en zich voor ons inzet”.

 

Zie maar die regenboog als teken van dat verbond en die trouw van onze God over ons leven heen en van de

wieg tot het graf, en denk eraan juist als het wel eens moeilijk is of er donkere wolken zich samentrekken,

want de regenboog is er juist als er wolken komen, als het noodweer is, maar de zon erdoor heen schijnt.

Kijk ook naar de vorm, als een koepel over ons leven – in dat psalmvers hebben we erover gezongen:  “Uw goedertierenheid (=trouw, liefde) rijst op en gaat zich welven als een altijd veilig huis, vast als de wereld zelve”.

We hoorden ook dat: “de doop is een vast teken dat het verbond dat God met ons gesloten heeft, eeuwig is“.

 

Ja en dat is echt helemaal aan de trouw en de liefde en de genade van God te danken, en dat gaat des te meer spreken als we  teruggaan naar wat aan dat teken van de regenboog vooraf is gegaan: die alles verwoestende

watermassa waardoor heel veel mensen en dieren waren omgekomen, als straf voor hun slechte daden – en

als het water is gezakt en de aarden drooggevallen en God een nieuw begin maakt met Noach en zijn gezin,

kan dat alleen omdat God niet loslaat waaraan Hij is begonnen, en ook alleen door offers voor de zonden

van ook die mensen die gespaard zijn gebleven – God zei dat de mens vanaf zijn jeugd tot kwaad geneigd is.

 

Alleen daarom gaat het leven door en blijft de opdracht met een belofte van de Schepper dat het door kan gaan zolang de aarde blijft bestaan: “wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde” – en juist daarom ook dat wat God belooft eeuwig mee kan mee kan: een eeuwigdurend verbond  met een teken voor alle generaties.

Dat is niet omdat mensen het wel redden met elkaar maar omdat God deze aarde met ons mensen wil redden.

Vandaar dat de doop herinnert aan wat lang geleden gebeurde, we hebben het nog nog weer gehoord en het is een oeroude tekst van de kerk – dat God lang geleden de wereld met de zondvloed heeft gestraft maar Noach en zijn gezin heeft gered – niet omdat zij dat hadden verdiend maar “in uw grote barmhartigheid” -  nou, de doop wil ook zeggen dat we van de verdrinkingsdood gered zijn doordat Jezus zijn leven voor ons gaf – zijn bloed doet wat lang geleden dat water deed: het kwaad wegspoelen, en daarna een nieuw begin geven.

 

Geweldig dat je dankzij Jezus al meteen nieuw mag beginnen, als je net geboren bent, nog voor je bewust

kwaad kunt doen:  ook van Iris geldt dat ze in Christus voor God geldt als heilig, schoon, mooi, zijn kind.

Want – hoorden we en zagen we – “de doop in de naam van de Zoon is een teken en zegel dat de Heer Jezus

al onze zonden afwast op grond van zijn lijden en sterven. We mogen - als Noach en zijn gezin vanuit de ark

op een nieuwe aarde – we mogen met Hem (Jezus)  opstaan in een nieuw leven, bevrijd van zonde en schuld”.

 

Kijk, en dat allemaal mag meeklinken in die naam Iris, en wordt zichtbaar in die boog over ons leven heen.

In de verzen die we erover gelezen hebben wordt God niet moe om het te herhalen en het ons in te prenten:

Ik sluit met jullie – Noach, zijn vrouw, zijn zoons – en met je nakomelingen, een verbond, en Ik beloof jullie

leven op die nieuwe aarde, samen met de dieren, de planten, de bomen – en de regenboog is het teken.

 

Dat teken is moedgevend en kan jullie vertrouwen geven voor jullie toekomst samen, en voor jullie Iris.

In dat gebed van zoëven staan ook pittige dingen als moeiten die er kunnen komen, zeg maar: wolken – en over dat er een dag komt dat ook zij – we hopen met jullie dat die dag heel erg lang wegblijft – dit leven zal moeten verlaten – en in het dankgebed ging het ook over vechten tegen het kwaad, de zonde, het rijk van de duivel.

Maar jullie worden niet aan jezelf overgelaten en Iris hoeft niet alleen ertegen aan – jullie en zij ook hebben

een sterke Beschermer en Wachter, nog mooier: een Vader die sterker is en beter zorgt dan jullie dat kunnen.

Die Vader heeft belooft dat Hij voor Iris en voor jullie en ons allemaal zal zorgen – en Hij doet wat Hij belooft.

 

Vertrouw op Hem, verwacht het van Hem, doe een beroep op Hem – dan zul je merken dat hoe het ook gaat je leven opbloeit – en dat jullie Iris ook die betekenis van haar naam zal laten stralen:  een prachtige bloem voor God en mensen, veelkleurig, liefdevol, door God gezegend en zo voor velen om haar heen een zegen.

 

2. Wat doen wij met wat God ons belooft?

Een verbond wordt gesloten tussen twee – in dit geval: God aan de ene kant en Noach met de mensen die na Hem komen – en ook de rest van de schepping – aan de andere kant – liefde kan niet van één kant komen.

Zo is het wel begonnen trouwens – kijk maar aan hoe dat ging bij die mensen net na die grote watersnood.

Het is God die van zijn kant het initiatief nam: hierbij sluit Ik een verbond met jullie en je nakomelingen.

Zo was het later ook bij Abraham teon God zei: “Ik wil met jou een verbond aangaan” – en met je nageslacht.

En zo is het nog steeds , dat is zo prachtig zichtbaar als in de kerk een baby gedoopt wordt, zoals we hoorden:

Gods belofte en opdracht waren – en zijn- ook bedoeld voor de kinderen“; God staat in ons leven aan het begin.

 

Ja maar, als dat verbond er dan is, neemt God zijn partners wel volkomen serieus en Hij betrekt ons erbij – dat is net ook gezegd, toen het ging over toewijding, liefhebben, opvoeding, onderwijzen, groeien in het geloof -

een mooie en verantwoordelijke taak voor jullie als ouders, en later het toegroeien naar een keus voor Iris.

We hebben erom gebeden in deze dienst – en ik weet zeker dat jullie dat voor haar en jullie zelf blijven doen,

in jullie eigen woorden, vanuit jullie overtuigde keus voor de Heer, en jullie drive om je aan Hem te wijden.

Ja en we hebben als gemeente ook een verantwoordelijkheid voor jullie, voor Iris, voor elkaar: om jullie als

ouders en elkaar te steunen door voorbede en voorbeeld, en mee te helpen aan die groei in geloof en liefde.

 

Nou, en daar is de tweede naam van jullie dochter een prachtige bevestiging van en ondersteuning bij.

Er zitten twee kanten aan, als blijkt als je naar de betekenis zoekt – ik heb het doorgegeven op de liturgie.

Het gemeenschappelijke is dat het begrip een eed zweren erin zit – en dat kan van God uit: dat Gods belofte zo sterk zijn dat ze de kracht hebben van een eed: ‘God heeft gezworen, God is mijn eed’ – voluit betrouwbaar dus.

Maar het kan ook van de kant van de mens komen:  ‘God is Degene bij wie ik zweer’ – ik bouw, Heer, op U.

Geweldig als je – vandaag weer – vanuit je hart en dankbaar voor wat God je geeft – je jawoord aan Hem geeft,

met de kracht van een eed, want God was er zelf getuige van, en wij als familie en vrienden en gemeente ook.

In de bijbel komt de naam Elisabeth één keer voor, en juist in verband met Gods eeuwenoude verbond vol beloften, beloften van redding, van nieuw leven, voor die Elisabet en haar man, en voor Gods volk en wereld.

Elisabet was al oud en haar man ook, ze hadden ondanks sterk verlangen en veel bidden, geen kinderen.

En dan krijgen ze het bericht dat het wonder toch gaat gebeuren: jullie zullen alsnog een zoon krijgen, het is zo ongelooflijk nieuws dat Zacharias die dat bericht krijgt het niet kan geloven: hoe kan ik weten dat dit waar is,

dit kan toch niet – hij is letterlijk stomverbaasd, en moet er totdat het zover is, het zwijgen toe doen.

Maar als zijn vrouw Elisabet inmiddels vijf maanden in verwachting is, krijgen ze onverwacht bezoek van Maria, die het nog ongelooflijker bericht gekregen heeft dat zij de moeder van Gods Zoon Jezus zal worden -
Dat grote nieuws brengt Elisabet tot haar uitroep: “Gelukkig is zij die geloofd heeft dat de woorden van de Heer

in vervulling zullen gaan” – wat iets zegt over Elisabet zelf en hier vooral ook een gelukwens voor Maria is -

en het zwijgen van Zacharias is welsprekend; hij is met stomheid geslagen door wat een mens niet kan geloven.

Gelukkig maar dat ook hem de ogen open gingen en hij daarna stem kreeg om te zingen van Gods trouw.

 

Wat doen wij – jullie, u, ik – met wat God belooft – elke dag – vandaag weer – het oppakken en verwerken,

en er dan ook in ons leven van elke dag op vertrouwen en mee leven – en het doorgeven aan onze kinderen?

Geldt van ons dat we geloven dat wat God wat Hij  belooft ook waar wil en zal maken, vertrouwen we Hem onze kinderen, ons leven, onze toekomst en hun toekomst toe – en maakt ons dat gelukkig, en ook rustig?

Beseffen dat we veilig zijn onder die boog van Gods trouw, wat er ook gebeurt en hoe het ook zal gaan.

Ja, sterker nog – ik vind het wel een sterke tekst en een mooie doordenker:  Gods zon door je tranen heen

geeft een regenboog in je hart – komt die derde betekenis van iris ook nog aan bod: de iris van je oog…

als je door je tranen heen de zon van Gods genade blijft zien – straalt door alles heen zijn liefde van je af.

 

Die woorden van de Heer die in vervulling zouden gaan – zoals die Elisabet van lang geleden via Maria van God zelf had doorgekregen – die woorden gingen over dat eeuwige verbond dat in en door Maria’s zoon Jezus – Gods Zoon die mens werd en net als Iris en wij allemaal als baby werd geboren – vervulling kreeg, ook voor

onze redding en onze toekomst, ook om jullie Iris Elisabet – te verzekeren van een leven met uitzicht en onder hoge bescherming: onze onze en haar Heer en Redder, en door Hem als kind van zijn en haar hemelse Vader.

Geve de Heer dat zij echt mag zijn een  Iris – fris en bloeiend, gezegend en tot zegen – en een echte Elisabet:

God is het bij wie ik zweer, op wie ik mijn vertrouwen wil stellen en mijn leven wil bouwen – in wie ik geloof!

We gaan eindigen en zingen, van de trouw van onze Schepper en Redder, die was, en er voor je is, en die zal blijven, die nog voordat je bestond, al je naam kende – Peter, Pauline, Iris – of hoe je ook maar heet – die elke moment van ons kende en elke traan telde, die zijn Zoon gaf omdat Hij van ons houdt,   en die wacht totdat u,  jij,  zij, komt!

                                                                               amen