Lucas 17: 32: Denk aan de vrouw van Lot!

Gemeente van onze Heer Jezus Christus, broeders en zusters

We zien bijna elke dag hartverscheurende beelden langskomen over mensen die op de vlucht zijn:  voor de dreiging van oorlog of aanslagen, of voor bosbranden, overstroming, of een vulkaan.

De overeenkomst is dat ze meestal met alleen de kleren die ze aanhebben en misschien nog de allerbasaalste bezittingen maar net het vege lijf hebben kunnen redden; en dat als je aarzelt of teruggaat omdat je nog meer mee wilt nemen waar je aan gehecht bent, dat je dood kan zijn.

Ook dichterbij zulke situaties in te denken: als je huis in brand staat of de dijken doorbreken en er geen tijd te verliezen is: je gaat niet je huis weer in voor spullen, het is rennen voor je leven!

Nou, dat is ook de boodschap van Jezus met het oog op Gods koninkrijk en de dag dat Hij verschijnt: zorg dat je er bij bent en dat je niet vooral bezig bent met vasthouden wat je hebt en mee te nemen wat je niet missen kunt.

Jezus zegt: “wie op die dag op het dak van zijn huis is moet niet naar beneden gaan om zijn bezittingen te halen, en wie op het land is moet niet naar huis terug willen gaan” – daar heb je de tijd niet meer voor en bovendien is leven meer dan bezit;  denk maar weer aan die vluchtelingen en aan dat brandende huis: “wie probeert zijn leven veilig te stellen zal het verliezen” – je wordt door dat vuur of die vulkaan of die vijanden gepakt en je bent je leven en je spullen erbij kwijt -“maar wie het verliest – het durft los te laten en achter te laten - “zal het – hét leven – behouden”.

En het kan zomaar gebeuren, als niemand er op rekent, en alles gewoon zijn gang gaat net als elke dag: de een gaat naar de winkel, de ander zit in de auto op weg naar een klant, je gaat uit met vrienden, weer een ander is bezig voor school, we zitten samen in de kerk, of er is net een trouwerij aan de gang, en dan ineens is er crisis=oordeel – en sta je voor de keus aan welke kant je wilt staan.

Wat Jezus erover zegt is een duidelijke streep door de rekening van mensen die doen alsof ze de dag van de Heer kunnen berekenen of al aan zien komen, b.v. omdat het in de wereld steeds gevaarlijker en steeds gewelddadiger  wordt, of omdat het slecht gaat met het geloof en de kerk in onze westerse wereld of omdat er zoveel aardbevingen voorkomen en oorlogen worden gevoerd..

Maar pas ook op beslissende keuzes van je eigen leven weg te schuiven naar een verre toekomst.  Alsof het er niet elke dag op aan komt dat je leeft als volgeling van Jezus, en.. elke dag kan je laatste zijn..misschien juist wel een heel gewone dag, als de zon schijnt en er geen vuiltje aan de lucht is.

Jezus zei ook: het koninkrijk van God ligt binnen jullie bereik, staat tussen jullie in: Ik ben er nu al, en dus moet je dat rijk van God niet van je afschuiven naar een verre toekomst en doen alsof het jouw tijd wel duren zal, nee: elke dag sta je voor keuzes, hier en nu vallen de beslissingen. En dan komt het erop aan waar je staat en hoe je voorbereid bent, en is er geen tijd te verliezen.

Zoals bij een ramp, of als je iets geweldigs niet wil missen: dan ga niet eerst je spullen ophalen en als je onderweg bent ga je niet eerst terug naar huis want dan mis je de boot en als je op tijd omkeert kom je terecht in het kamp van de verliezers: het leven dat je dacht te redden, eindigt vruchteloos.

Jezus geeft er de waarschuwing bij – en dan komt het wel heel dichtbij – dat ieder moet kiezen, en wat kan leiden tot verschillende keuzes en een pijnlijke scheiding; de een gaat mee, de ander blijft achter: man en vrouw, twee beste vriendinnen,  goede collega’s, twee leden van dezelfde kerk. Dat is niet een kwestie van willekeur maar dan komt er uit wat er in zat, wat je deed of juist niet.

Heel treffend juist dan dat Jezus teruggrijpt naar lang geleden:  denk eens aan die vrouw van Lot. Die achterbleef terwijl haar man en dochters werden gered: ze keek om en werd een zuil van zout.

Voor  Lot en zijn familie kwam het als een donderslag bij heldere hemel: ineens twee onbekende mannen aan de deur met het  alarmerende bericht dat de stad waar ze een huis hadden en een gezin en ze een leven hadden opgebouwd,door een enorme ramp getroffen zou worden en met de grond gelijk gemaakt zou worden, en er niets anders op zat dan rennen voor hun leven:  vlug, ga hier weg, kijk zelfs niet meer om, anders gaan jullie er aan, samen met al die andere mensen in deze stad en de steden in de buurt, want de HEER gaat deze stad verwoesten vanwege alle slechtheid die gebeurt.

U weet denk ik wel wat hieraan vooraf ging, en wat het boek Genesis ons erover vertelt. Lot was een neef van Abra(ha)m. Samen met zijn oom en tante was hij naar Kanaän gegaan. Toen er problemen kwamen over te weinig weidegrond voor de groeiende kudden, liet Abram zijn neef kiezen waar hij wilde wonen en waar hij zijn kudden wilde laten grazen, en Lot koos toen voor de vruchtbare grond in de Jordanvallei, vlak bij steden als Sodom en Gomorra.

Later kocht Lot een huis  en ging hij in de stad wonen: een gegoede burger maar tegelijk altijd nog vreemdeling, wat ze hem voor de voeten gooien als hij de twee gasten niet wil uitleveren om ze te laten misbruiken: “dat woont hier als vreemdeling en wil ons de wet voorschrijven” (Gen. 19: 9)

We lezen verderop in de bijbel dat Lot niet meedeed met de slechtheid van Sodom en er onder geleden heeft. Petrus schrijft over “Lot, die rechtvaardig was en zwaar leed onder de losbandige levenswandel van die wettelozen…..  Deze rechtvaardige woonde te midden van hen, en dag in dag uit werd zijn rechtschapen ziel gekweld wanneer hij hoorde en zag hoe ze zich aan God noch gebod stoorden”.

Maar toch hadden Lot en zijn vrouw zich in Sodom gesetteld, was daar hun leven, dachten ze er niet over om te verhuizen, en hun dochters hadden verkering gekregen met mannen uit Sodom . Zo gaat dat vaak en wat een invloed heeft dat zomaar. Je ademt een klimaat van slechtheid in en krijgt er een tik van mee. Zomaar een grote tik.  Hoe kan anders Lot zijn dochters aanbieden aan de mannen van de stad om het in zijn ogen nog ergere te voorkomen van het misbruik van zijn gasten. En eenmaalgered kwam het tot incest van de dochters met hun vader nadat ze hem eerst dronken hadden  gevoerd. Je wordt er niet blij van als je allemaal leest en je indenkt.

Je kunt alleen maar blij worden van zoveel geduld en liefde van God dat hij trouw blijft zelfs als mensen ontrouw zijn en verkeerde keuzes maken – weer Petrus het vers erna: “de Heer blijkt vromen uit de beproeving te kunnen redden” . Het is maar wat je vromen noemt. God is echt een God van liefde en veel genade. Ja, en er zit ook een waarschuwing in, lees 1 Petrus 4: 18: “Als zij die rechtvaardig leven al ternauwernood gered kunnen worden, hoe moet het dan gaan met hen die zondigen doordat ze God niet gehoorzamen?”  . Het ging ook met Lot zoals ergens staat: ‘een brandhout uit het vuur gerukt’ (Zacharia 3: 2)

Eerder had God Abraham verteld wat zou gebeuren met Sodom en Abraham had om genade gesmeekt, voor Lot en zijn gezin, maar ook voor de stad als geheel, in de hoop dat er nog mensen waren die zich van de kwade praktijken distancieerden:   Heer, u laat toch niet de goeden onder de kwaden lijden, stel dat er vijftig goedwillende mensen zijn, wilt u dan om hen de stad sparen – en Abraham heeft de moed nog verder af te tellen: 45, 40, 30, 20, 10 – en elke keer belooft de Heer de stad dan niet te verwoesten – wat een genade, wat een geduld. Wat gaat God ver in zijn liefde.

Maar helaas, het blijken er zelfs geen tien te zijn,  zelfs de aanstaande schoonzoons laten zich niet waarschuwen en denken er niet aan de stad te verlaten – er staat: ze namen Lot niet serieus. Het zal bij vier mensen blijven die gered gaan worden : het echtpaar Lot en de twee dochters.

Dan begint de tijd te dringen en de boodschappers van God dringen erop aan haast te maken. Weer gaat God nog een stap met hen mee: ze mogen naar Soar, een stadje in de buurt. Omdat Lot bang is dat het niet meer lukt veilig aan de andere kant van de bergen te komen voordat de hel losbreekt. En zo worden de inwoners van Soar gespaard omdat God Lot en zijn gezin koste wat kost redden wil

Met zoveel woorden zeggen de twee engelen zelfs dat het oordeel zal worden uitgesteld totdat Lot en zijn gezin veilig in Soar zijn aangekomen – zo wordt Abrahams gebed toch verhoord en zal God niet de goeden  laten lijden met de slechten -  en profiteren de mensen van Soar mee van Gods genade.

Ja maar wat heeft het een moeite gekost om ze hun huis en de stad uit te krijgen, er staat: “toen Lot aarzelde, grepen de mannen hem en zijn vrouw en zijn twee dochters bij de hand, en ze trokken hen mee de stad uit” – omdat de HEER hen wilde sparen.  Maar wilden zij eigenlijk wel gered worden?

 In een van zijn liedjes over bijbelse figuren laat Stef Bos Lot aan het woord in zijn aarzeling

Ik sta op de grens                                       En als ik nu omkijk

Van vroeger en later                                   Ben ik verloren

Voor mij een ruimte                                    Maar iets houdt me tegen
Die ik nog niet ken                                      Om verder te gaan
Achter mij alles                                           Als ik nu omkijk
Wat ik achter moet laten                             Dan blijf ik voor altijd
Ik sta hier met niets meer                           Gevangen in alles
Dan alleen wie ik ben                                Wat niet meer bestaat

Lot aarzelde, zijn dochters ook, maar ze lieten zich lostrekken en werden gered – mevrouw Lot niet.

Laten wij Lot en zijn vrouw maar niet hard vallen, laat staan veroordelen, want ga maar eens in hun schoenen staan: wat zou u doen, en jij als je alles wat je hebt voorgoed moet achterlaten, loslaten? Er zijn voorbeelden genoeg dat mensen als het vuur steeds heter onder hun voeten wordt of het water hen aan de lippen staat, het vertrek zo lang mogelijk uitstellen of zelfs weigeren weg te gaan zodat er politie ze moet dwingen, want o hun huis, hun spulletje, de huisdieren, zoveel dat je lief is en dat je toch niet zomaar kunt achterlaten en wie weet valt het nog mee en kan het vuur op tijd worden geblust of komt het water net niet tot aan jouw huis;je zult maar alles kwijt zijn wat je met zoveel zorg bij elkaar hebt gewerkt of gespaard, waar je zo aan gehecht bent, wat je niet wilt missen.

Wat dan de doorslag geeft is of je de ernst van de situatie inziet of onderschat: als je weet dat het echt een kwestie is van leven of dood, dan vergeet je alles en wil je wel rennen, wil je wel gered worden; maar als je denkt dat het zo’n vaart niet lopen zal, dat de ellende jouw deur wel zal voorbijgaan, dan neem je de dreiging niet serieus met alle gevaren van dien – het heeft veel mensen het leven gekost, noem het eigenwijs of naïef, oordelen over anderen is een oordeel over jezelf.

We zongen dat wie zijn ziel= zijn zelf opgebouwde en gekoesterde leventje – niet prijsgeeft maar vasthoudt tot het eind, wie zijn bestaan niet kruisigt, gaat voorgoed verloren – je leven loopt stuk en dood.  Angstaanjagend, dat beeld van die gieren!

Dat is ook het lot geworden van de vrouw van Lot, of liever: het gevolg van haar dralen en treuzelen zodat het onheil haar ingehaald heeft en ze niet zoals haar man en dochters op het nippertje werd gered, er staat dat ze toch omkeek en werd tot een zuil van zout – Lot liet zich redden maar zij niet.

En weer, denk er niet te makkelijk over. Veroordeel niet, Jezus doet het ook niet maar Hij spreekt zijn  leerlingen toen en ons vandaag aan om ervan te leren, en wat haar overkwam ter harte te nemen.

Nog altijd staat in dat ruige landschap in de buurt van de Dode Zee een  stuk rots dat op een vrouw lijkt en daarom ‘de vrouw van Lot’heet, een bekende toeristische trekpleister voor Israël – gangers.

Natuurlijk is het niet echt Lots vrouw maar wel een waarschuwing, een soort monument, en op die manier maakt dat stuk rots zichtbaar wat de Heer Jezus zei tegen zijn leerlingen en dus ook tegen ons als we van Hem willen leren: denk aan de vrouw van Lot, en neem ter harte wat haar overkomen is.

Maar wat is er nou gebeurd met die vrouw van Lot en waarom was dat omkijken nou zo fataal?

Daar zijn verschillende theorieën op losgelaten. Zo staat in mijn Studiebijbel: “Sommigen denken dat het dode lichaam van Lots vrouw, die ter plekke dodelijk werd getroffen (of stikte door de dampen die uit de grond opstegen), snel werd bedekt met een dikke zoutlaag”.  Een andere interessant theorie herinnert aan een eerder gebeuren waarover verteld wordt in Genesis 14, de strijd van een aantal koninkjes uit die streek tegen elkaar. In vers 10 lezen we: “het Siddimdal nu was vol asfaltputten; de koningen van Sodom en Gomorra vluchtten en vielen daarin, en de overgeblevenen vluchtten naar het bergland”. De vrouw van Lot zou dan doordat ze steeds omkeek in een van die putten zijn gevallen waar ze niet meer uit kon komen.

Maar wat er precies gebeurd is is niet meer te achterhalen, het gaat om dat omkijken en stilstaan. Nou, het is meer geweest dan al hollend even over je schouder kijken wat bezig was te gaan gebeuren; ze heeft waarschijnlijk getreuzeld, is steeds blijven staan en achterop gekomen, en dat omdat ze niet los kon komen van het mooie leventje dat ze tot dan toe had en de spullen in haar huis in Sodom – en omdat ze er niet aan wilde dat het echt allemaal vernietigd zou worden.  Zeg maar: ze bleef stilstaan in plaats van de vaart erin te houden, en toen verstarde/versteende ze

Iemand schrijft: “Woede, angst vertwijfeling, zich verlaten en alleen voelen – al deze emoties zullen wel door haar heen zijn gegaan en dan gebeurt het bijna automatisch – ze kijkt achterom, verlangend naar wat zij heeft gehad. en wat zij ziet laat haar verstarren, het verleden houdt haar gevangen, ze is niet meer in staat om nog een stap verder te gaan. Weg toekomst. Weg leven. Ze is een dode pier. Een zuil van zout”…..en dezelfde schrijfster trekt de lijn door en benoemt het als een maar al te menselijke reactie van angst voor het nieuwe en onbekende, om dan het verleden te  idealiseren.

Jezus zegt dat als je Hem wilt volgen je niet moet blijven stilstaan of achterom kijken:  “Wie de hand aan de ploeg slaat en achterom blijft kijken, is niet geschikt voor het koninkrijk van God.”

Dat zet ons als het goed is aan het denken, niet maar over de toekomst maar over het hier en nu. Want het kan ook ons gebeuren dat we zo gehecht zijn aan wat we nu hebben, koesteren, willen vasthouden, ten koste van veel of alles: ons huis, onze spullen, onze voorrechten en vermeende rechten, maar ook mensen als familie en vrienden, en wat we als kerk opgebouwd hebben en zien als iets dat je niet op kunt geven.  En als dat dan wegvalt of verandert, hoeft het niet meer zo, worden we zuur of verbitterd . We zijn niet meer vooruit te branden, we groeien niet meer, we verstenen.

Terwijl de Heer in de bijbel ons in beweging zet: we hebben hier geen blijvende stad, we zijn op weg. En we steeds weer wakker geschud worden: wees waakzaam en goed voorbereid, om je Heer te ontmoeten en de doorbraak van zijn rijk mee te maken: die wereld waar recht gedaan wordt en vrede blijvend is.  Het is werkelijk  waar:  wie zijn leven wil en durft verliezen, zal het – hét Leven – behouden, winnen!

Kijk dus niet achterom en om je heen – krampachtig, bezorgd, angstig, hebberig – maar kijk vooruit! Dat is de keus waarvoor Jezus stelt, en een vraag om mee te nemen deze week verder door: durf ik loslaten, desnoods verliezen, wat me in de weg zit om op weg te gaan achter Jezus aan?

Jezus die zegt: waar je schat is, zal je hart zijn;  dus de vraag voor u en jou en mij:  wat is mijn schat?

Dat beslist over wat je doet als de Heer komt en je roept -het kan elke dag zijn-:  Ik ben er, ga je mee?   Sta je dan klaar, of wil je dan nog wel eerst dit of moet dan nog eerst dat – wil je wel gered worden?

De vraag: wil ik mee – met mijn Heer, naar zijn rijk – of blijf ik liever achter in mijn eigen koninkrijkjes?

De Heer wacht op uw, en jouw, en mijn antwoord.                

                                                                               amen                             

                                                                                                           

liturgie morgendienst

votum en groet

zingen:   Gz. 141: 1,2

wet van God

zingen:   Ps. 97: 3,5

gebed

Schriftlezing:  Gen. 19: 15-29

zingen:  Ps. 11 (1,2,3)

Schriftlezing:  Luc. 17: 28-37

zingen:  Lied 252: 3,4

verkondiging:  Lucas 17: 32

zingen:  Lied 300: 1,4,6

gebed

collecte

zingen:  Gz. 141: 3

zegen

Psalm 116a: Heb ik God lief?

 

 

Gemeente van Christus, broeders en zusters,jongens en meisjes,

Houd je nog van me? Dat wordt elke dag heel wat keren ge­vraag­d, in allerlei relaties. Vaak omdat je graag nog eens horen wil: natuurlijk houd ik veel van je. Maar er kan soms ook zomaar een spoor van twijfel in doorklinken: je zegt dat nou wel, maar is het ook zo?

Dat kan te maken hebben met hoe de ander zich gedraagt: als je van me houdt,waarom doe je dan zo? waarom merk ik er dan zo weinig van? meen je het wel?

Kinderen kunnen het een beetje bang vragen als vader of moeder erg boos zijn geweest -en je het er naar hebt gemaakt! – maar u houdt toch nog wel van me?Een man kan aan zijn vrouw twijfelen, of een vrouw aan haar man: houd je echt nog van me?   Het kan zomaar gebeuren, las ik ergens, dat een relatie tussen mensen voorspelbaar wordt. Een platgetreden paadje. Een kwestie van sleur. Alles gaat zo zijn gangetje, maar het vuur is er uit. Er is niets verrassends meer. Je hebt elkaar niet zoveel meer te zeggen.

Ik zeg niets nieuws als ik dat doortrek naar ons geestelijk leven en ons kerkelijk leven. Ook daar kan zo maar gewenning en sleur insluipen. Denk aan ons bijbellezen en ons bidden. Aan hoe we de kerkdien­sten ervaren. Aan ons zingen. Aan je werk als ouderling of diaken, dominee.

In de bijbel komen we soms het verwijt tegen dat ‘de eerste liefde’ verlaten is.  Dat wat eerst oplaaide als een vuur op een laag pitje is gekomen. Paulus waarschuwt ons: doof de Geest – het vuur van de Geest –  niet uit.  Dat kan zomaar gebeuren

Vanavond vraagt de HEER u en jou en mij : houd je nog van Mij?

Het is goed de vraag van tijd tot tijd aan jezelf en aan elkaar te stellen: heb ik, heb jij God echt lief?

Op die vraag kunnen we pas goed een antwoord geven als we zicht hebben gekregen op wat dat inhoudt en waar dat dan uit zal blijken, dat we de HEER liefhebben.  Daarover gaat het vanavond, aan de hand van die bekende en graag gezongen psalm 116: God heb ik lief, want die getrouwe Heer..­.Een van de eerste psalmen die je als kind op school leert. Is het ook een psalm die met ons meegaat het leven door, die typerend is voor hoe we leven:

God heb ik lief…boven al­les…en dus heb ik ook mijn naaste lief…? Is dat de grond­toon van uw en jouw en mijn leven?  En is dat te merken, vandaag en ook morgen…

Heb ik God lief?   Dat blijkt uit:

1. hoe ik met Hem omga;

2. wat ik van Hem verwacht;

3. of ik voor Hem leef;

4. dat ik samen met anderen Hem loof.

 

1. Heb ik God lief? De eerste vraag: hoe ga ik met God om?

   Eigenlijk moet je zo’n psalm niet even vluchtig doorlezen. Wil je zo’n lied je eigen maken en de betekenis en vooral de troost eruit halen voor je eigen leven, dan moet je als het ware in de huid van de dichter kruipen, met hem meedenken, en vooral ook met hem meezingen, en dat samen bewust doen.

Steeds meer proef je dan de geweldige spanning en vooral de verwondering en de blijheid er doorheen trillen. God heb ik lief…ja wat een wonder!…je zult ook maar zo’n God hebben! Een relatie met deze God was voor de dichter veel, zelfs alles waard.

Hoe is dat met u/jou/mij?

God heb ik lief….maar dat staat er strikt genomen niet: ik heb de HEER lief. En u weet: dat is de naam van God die ervan spreekt dat Hij met mensen die dat totaal niet verdiend heb­ben, van zijn kant een relatie legt, en daar ook voor staat. HEER- op z’n hebreeuws Jahwe – dat is God die trouw is. Die niet opgeeft wat Hij heeft met ons. Die ons nooit laat vallen.

Nou, dat had die dichter aan den lijve ondervonden. Door heel dit lied heen horen we zijn ‘want’ en zijn ‘daaroms’. Zoiets als: niet ik heb eerst God, maar God heeft eerst mij liefge­had, en dat laten merken ook. Als de God die oog en oor voor mensen heeft, en vooral hart voor me heeft. Die te hulp komt.

Waarmee maar gezegd wil zijn dat de grote liefde eerst van Gods kant is gekomen. Als ik het heel kort zeg, is het hier: ik heb de HEER lief, want Hij heeft me het leven gered. Wie zou hem of haar niet dankbaar zijn aan wie je je leven te danken hebt? Omdat die je uit het water heeft gehaald of gered vanaf een zinkend schip of uit een brandend huis? Laat staan dat die ander dat heeft gedaan met gevaar voor eigen leven. Er zelfs eigen leven bij ingeschoten heeft? Zoveel ben ik hem waard. Nou, zoveel is het leven van zijn kinderen Vader waard!

De psalm is vol van die liefde van de Vader voor wie zich zijn kinderen mogen weten. Een liefde die zichtbaar wordt in liefdevolle aandacht, in daadwerkelijke hulp, in bevrijding. Daarin is God tot het uiterste gegaan toen Hij zijn Zoon in deze onveilige en vaak zo kapotte wereld stuurde, en toen Jezus nog veel dieper eronder door ging dan ooit een mens er onderdoor moet gaan. Zo diep dat zijn Vader naar hem niet meer luisterde, en Hij echt ervaren moest de banden van de dood en de angsten van de hel, die Hem alle troost deden missen. En Hij het uitschreeuwde: mijn God, mijn God! Waarom? Waarom laat U mij in de steek? Luistert U niet meer? Zit uw hart op slot?

Geweldig, die  God wil nou ook onze Vader zijn. Om Jezus’ wil steekt Hij zijn handen naar ons uit en zegt Hij tegen ons: zoveel houd ik nou van jou, dat Ik dat allemaal ook voor jou overhad. En omdat je me zoveel waard ben, wil Ik naar je luisteren en voor je zorgen en je redden..De Here zegt: Ik ben toch je Vader; jij bent toch mijn kind?

Maar hoe weten we dat zo zeker? We ervaren dat vaak helemaal niet zo sterk. Als mensen vandaag zeggen dat ze in hun dage­lijkse leven God niet ervaren, en het voor hen zelfs de vraag is of er wel een God bestaat, ligt dat altijd zo ver van ons af? Hoe kun je nou van God houden als je Vader, als God zo ver weg van je is?

Ja maar, ligt dat niet aan onszelf? Aan ons die zelf van huis zijn weggelopen zoals die verloren  zoon uit dat verhaal? Is niet vooral het probleem dat wij ons afstandelijk opstellen en God bij ons weg houden?  Dat we het vooral eerst zelf willen oplossen voordat we God en mensen te hulp roepen?

We kunnen van de dichter van deze psalm leren dat we niet op een afstand moeten blijven toekijken of God wat doet en hoe hij het doet, maar dat we naar de HEER toe moeten gaan, en Hem te hulp roepen. De liefde die om te beginnen van die ene kant gekomen is – van Gods kant – wil beantwoord worden, en gevoed. We moeten er ook de tijd voor nemen: leren luisteren, ons laten aanspreken en aansporen, en daar ook elkaar bij helpen. Net zoals in een huwelijk kan ook hier de liefde niet van één kant komen. En moet liefde ook gevoed en beleefd worden. De HEER wil ons er bij helpen, door zijn Geest. Laten wij ons helpen? En willen we ook elkaar er bij helpen, jong en oud? Willen we echt groeien?

2. Heb ik God lief? Vervolgens: wat verwacht ik van de HEER?

Scherper nog: verwacht ik eigenlijk nog wel wat van God? Of heb ik zo het gevoel dat geloven in God toch niks helpt en me niks oplevert? En probeer ik mezelf er zo goed mogelijk door­heen te slaan? Of heb ik en zoek ik allerlei andere ijzers in het vuur?

Psalm 116 is een lied vanuit de diepte. Wat er precies met de dichter aan de hand geweest is, blijft wat in het vage. Er is wel gezegd: met opzet, en gelukkig maar. Zo kan deze psalm troost geven aan mensen in alle tijden en onder allerlei heel verschillende omstandigheden. Dan hebben wij er ook nog wat aan!

Wat wel overduidelijk is, dat is dat deze dichter heel veel van de Here verwacht. Alles eigenlijk. Redding uit de nood. Leven uit de dood. Diep in de put schreeuwde hij in doodsnood tot de Here. Angstig en benauwd riep hij de HEER te hulp: ach HEER, red mijn leven. Van mensen had hij niks te verwachten. Hoe vaak wordt je niet in je medemensen teleurgesteld. Maar de HEER stelt je nooit teleur. Zoals die dichter ervaren had. En iedereen die gelovig naar de Here vlucht, mag ervaren: de HEER waakt over wie zichzelf niet redden kan en geen helper heeft.

In de psalm ontmoeten we een God van wie je veel verwachten mag. Een God met hart voor wie er beroerd en hopeloos aan toe zijn. Een God die oren heeft naar het geroep en het gebed van zijn kinderen ver van huis of diep in de put. Een God die oog heeft voor waar het bij ons aan schort of waar wij mee zitten. Een God die er ook wat aan wil doen. Medelijdend niet alleen, maar machtig om te bevrijden, en weer op de been te hel­pen. Die kan redden uit de nood en zelfs van de dood. En die dat zo vaak heeft gedaan en ook steeds weer wil doen. Ook voor u/jou!

 

Misschien twijfelt u daar nou juist aan. Is jouw ervaring zo anders. Zijn de klachten u uit het hart gegrepen: waarom doet God er nou niks aan? HEER, waarom slaapt U? Gaat het bij u zo als bij de dichter van die andere psalm (77): roepend om bij God gehoor te vinden, roep en smeek ik onverpoosd, maar mijn ziel blijft ongetroost..? Ik wil daar niks van af doen. Zelfs de psalmen, de bijbel zelf, geven stem aan die gevoelens. U mag het uitschreeuwen: Here, waar bent U nou? Here, laat toch wat van U horen en van U merken! HEER,u vergeet mij toch niet?

Zo roepen, bidden, worstelen, het is er een uiting van dat u nog veel verwacht van de HEER. Anders roep je zo niet. Het kan zijn dat de Here  geduld vraagt. Niet meteen aan onze wensen tege­moet komt. Het heel anders doet dan wij in onze gedachten hadden. Een wending geeft aan je leven die je pas veel later gaat begrijpen. Ons hard aanpakt, juist om ons weer op zijn spoor te krijgen. Me teleren dat ik zelf geen stap kan zet­ten. Je met beide benen op de grond van het geloof te zetten.

Wat verwacht ik van God? Wat mag ik van Jezus verwachten?Nou, in elk geval liefdevolle aandacht, zorg, betrokkenheid. Als je echt van God houdt, dan krijg je daar ook steeds meer oog voor en oren naar. Dan voel je die liefde van de Here overal om je heen. Dan ga je in de kleine en grote dingen van je leven zijn zorg en zijn leiding ondervinden. Dan groei je steeds meer naar Hem toe, ook en juist als het erom gaan spannen en alles zoveel tegenzit en je bij de handen afbreekt. Je kunt nog maar één kant op: Heer, waar nou heen? naar U alleen! U zult me niet – nooit – verstoten. U bent m’n Vader!

Heb ik God lief? Vertrouw ik Vader m’n leven toe, helemaal? Of durf ik die stap niet aan: me overgeven aan zijn genade? Daar valt de beslissing. Die doorwerkt in wat ik ben en doe.

3. Heb ik God lief? Als derde: leef ik echt met en voor God?

Heb ik God lief? Het hangt er van af of ik echt ervoor kiesm’n leven aan de Here te wijden. Of Hij me zo alles is, dat ik niet meer zonder Hem kan. Of ik -  staat in het avondmaals­formulier – uit dankbaarheid met heel mijn leven God de Here wil dienen en voor Hem wil leven, oprecht en van harte.

Psalm 116 is een psalm waar de dankbaarheid van af straalt. De dichter kan zijn blijdschap en dankbaarheid niet op voor zoveel dat de Here voor hem heeft gedaan: z’n leven gered! Hoor maar: hoe zal ik de Here teruggeven voor al het goede aan mij besteed? Liefde blijft niet in woorden steken. Liefde wil handen en voeten krijgen in wat je zegt en hoe je doet. Zo is het toch ook in een huwelijk, als je vrienden bent, of in het omgaan met elkaar als ouders en kinderen. Je kunt honderd keer zeggen: ik hou zoveel van je – maar als je er niks van laat merken….dan kan die ander terecht zeggen: laat dan dan maar eens zien. Woorden alleen zijn zomaar goedkoop. Zeggen niks..

De Israëliet maakte concreet dat hij van God hield door naar de tempel te gaan en de Here offers te brengen. Door feest te vieren onder de ogen van de Here die in de tempel wilde wonen.

Deze psalm heeft het over geloften en lofoffers. De dichter bedankte openlijk de Here – iedereen moest het horen en mocht samen met hem de Here bedanken en de Here lof en eer geven.

Ja maar, dat moest dan wel doorwerken in heel je leven. De Here zei ook vaak genoeg dat gehoorzaamheid voor Hem meer waard was dan een hele massa offers. En de Here Jezus heeft het meer dan eens gezegd: God liefhebben is zijn geboden doen.

Als je van iemand houdt, zul je alles doen om het hem of haar naar de zin te maken. Je houdt als je van elkaar houdt, reke­ning met elkaar. Hoe langer je met elkaar omgaat, hoe beter je weet wat de ander fijn vindt en waar die ander een hekel aan heeft. En dan ga je niet meer dwars door alles heen je eigen gang en doe je niet altijd je eigen zin, maar je hebt er plezier je de ander een plezier te doen. Je leeft niet alleen maar voor jezelf en op jezelf,maar je hebt alles over voor hem of haar van wie je zoveel houdt. Je groeit naar elkaar toe.

Dat proeven we ook in psalm 116. De dichter noemt zich: uw knecht.Gods dienstwillige dienaar. Ook: de zoon van uw dienst­maagd. Het zat blijkbaar in de familie: God de eerste plaats. Dat had de man van thuis uit meegekregen. Van moeder geleerd. De Here had zijn leven gered – nou was de Here zijn lust en zijn leven. Buiten de Here om heb je toch ook geen leven?

Heb ik God lief? Het ja of nee tekent zich af in waar ons hart naar uitgaat en hoe ons leven eruit ziet. Vanmiddag komt dat nog wat uitvoeriger aan de orde als we voor de keus komen te staan of we God liefhebben of eigenlijk toch meer de wereld zonder God. Kiezen moeten we, want je kunt geen twee heren dienen en niet van twee walletjes heten: een beetje van God houden maar ook een beetje of een beetje veel van dat waar God niet in past of een afkeer van heeft. Het is de Een of het ander. Dat kan best veel pijn doen. Offers vragen.  Jezus heeft het als het over geloven gaat en dienen van Hem over strijden, jezelf verloo­che­nen, een kruis achter Hem aan dragen. En dat artikel zet tegenover elkaar: dat God bepaalde dingen die ik graag doe niet leuk vindt, terwijl voor een mens het leven pas echt leuk is als God er niet in voorkomt”. Zo misvormd zijn we door de zonde.

Kijk,en dat gaat veranderen als je echt van God gaat hou­den. Dan wordt Hij nummer één in m’n leven. En dus is niet beslis­send wat gewoon in mijzelf opkomt en doe en laat ik ook niet van alles en nog wat om er maar bij te horen – nee, want ik hoor er al bij. Bij God namelijk, en bij wie van God zijn. En dat is me zoveel waard dat ik dat niet op het spel wil zetten.Dat je God niet meer kwijt wilt. Dat je voor Hem wilt leven.

Heb ik God zo lief? Heb je dat voor Hem over? Heel je leven? Wilt u er alles aan doen om bij God in de buurt te blijven? We komen er steeds weer achter: als het van mezelf moet komen, dan wordt het niks. Komt er niks van terecht. Maar we bidden erom: neem mijn leven, laat het Heer, toegewijd zijn aan uw eer; neem mijn handen, maak ze sterk, trouw en vaardig tot uw werk; en ook: neem mijn stem, opdat mijn lied – U hulde biedt.

4. Heb ik God lief-kort en tot slot: loof ik-samen met ande­ren -Hem?

Geloven doe je niet alleen maar samen. God liefhebben uit zich er ook in                                                                                                                                                                                    dat we samen zingen, bidden, en elkaar helpen God te loven.

Liefde leert loven. Hier al. En straks zonder wanklank.

amen

 

 

liturgie avonddienst CGK-GKV 

 

welkom

zingen:        Gz. 426: 1,5 LB

we worden stil voor God

votum en groet

zingen:        Ps. 116: 1,3,7,10  GK

gebed

Schriftlezing: Psalm 116

zingen:        Ps. 18: 1

tekst:  Psalm 116: 1a

zingen:        Gz. 473: 1,2,3,5,10

gebed

collecte

geloofsbelijdenis

zingen:        Opwekking 366 (1,2,3)

zegen

amen:          Gz. 456: 3 

 

Zondag 52 Heid. Cat.: Vader, breng ons veilig thuis, in uw rijk!

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Reizen brengt de nodige gevaren met zich mee.

Kortgeleden nog weer dat vreselijke ongeluk in Zeeland, in dichte mist: twee doden, veel gewonden. Die ramp met MH 17 is niet zomaar weg uit ons geheugen: bijna driehonderd doden in één klap.   Misschien hebt u zelf meegemaakt dat het net goed afliep – of u hebt iemand verloren in het verkeer. Het spreekt niet vanzelf dat je ‘s morgens gezond de deur uit gaat en ‘s avonds gezond erin komt.

Er lijkt een nieuwe dreiging te zijn die angst zaait, b.v. onder treinreizigers: angst voor aanslagen van extreme moslims nu Nederland gaat meedoen tegen IS in Irak en Syrië: wat hangt ons boven het hoofd en zodra je zo iemand ziet op een station met een lang gewaad en een baard: wat wil hij? Met als gevolg dat je met wantrouwen gaat reageren op iedereen die er anders uit ziet, en de angst een samenleving in de greep krijgt want wie kan je nog vertrouwen, en waar ben je nog veilig?

Toch hoeven we daarvan niet in paniek te raken. Niet verlamd van angst in de stoel te blijven en geen stap te verzetten uit angst dat je wat ergs zou kunnen overkomen. Als je gelooft in de Heer en vertrouwt op zijn bescherming, mag je het David in de psalm nazeggen: mijn hart is gerust, o God.

We mogen weten van Gods engelen die ons op handen dragen, als het moet door de dood heen. We bidden om die bescherming voor we de deur uitgaan, en danken God als we veilig thuis komen.

Houd dat voorbeeld nog even vast, van dat reizen, van de ene plaats naar de andere, met gevaar van onderweg iets krijgen en zelfs nooit aankomen op de plaats van bestemming. Eigenlijk is dat een treffend beeld voor het hele leven, voor de reis naar de eeuwige rust waar we voorgoed thuis zullen zijn: het rijk van God dat uit de hemel op aarde komen zal, de vrede die voorgoed hier wonen zal.

Je kan zeggen dat die reis pas echt gevaarlijk is en alllerlei risico’s met zich meebrengt. Er zijn maar niet alleen allerlei gevaarlijke situaties onderweg, maar er zijn ook mensen die andere mensen iets aandoen, en er zijn kwade machten aan het werk die verstorend en bedreigend zijn, er op uit om de vrede te verstoren en wat goed is ongedaan te maken.  De bijbel personifieert dat kwaad en waarschuwt ons voor  ’de Boze’, Gods tegenstander. Over wie Paulus schrijft dat hij het kwaad zelf is,  tegenbeeld en tegenstander van God die de Goede is, God die liefde is, en vrede wil.

Vandaar dat het niet zo’n tegenstelling is als het lijkt, tussen de vertaling van de zesde bede in NBG-51: ‘verlos ons van de boze’, en in NBV: uit de greep van het kwaad – want het kwaad is een macht die niet te onderschatten is, ongrijpbaar, taai, meedogenloos. Een  vijand die ons te sterk is en te slim.  Alleen kunnen we niet tegen hem op. Laten we ons zomaar inpakken. Gaan we voor we het in de gaten hebben onderuit.

Daarom roepen we om hulp:

   Vader, breng ons veilig thuis, in uw rijk!   want:

1.  er staat veel op het spel;

2.  anders halen we het niet;

3.  dan komt het zeker goed.

 

1. We bidden of Vader ons veilig thuis wil brengen, in zijn rijk, want er staat veel op het spel.

 Wat dan eigenlijk? Waarom is die levensreis zo riskant en is zo belangrijk dat je veilig reist? Ik hoop dat je probeert verder te denken dan aan hoe het met jezelf gaat: als ik straks maar in de hemel kom, met wie me lief zijn, als wij maar een plek op de nieuwe aarde krijgen.  Als daar alles om draait voor ons, zijn we toch weer verkeerd bezig. Kortzichtig. Egoistisch. Op de mens gericht.

Als we nadenken over dat gebed dat de Here Jezus ons heeft geleerd, moeten we altijd weer bij het begin beginnen. Weet u het nog? Hoe het begint? Zo: onze Vader in de hemel, geef dat heel ons leven en ook dat van de andere mensen gericht is op uw eer; wilt U ervoor zorgen dat uw rijk gauw komt en dat wij nu al ons als gehoorzame onderdanen van de grote Koning gedra­gen; en geef daarom dat wij en alle mensen doen wat U wilt…zodat nu al die nieuwe wereld begint doordat we het goede zoeken voor elkaar en voor alle mensen, zodat er recht is en we gaan voor vrede.

Kijk, en dat allemaal staat op het spel onderweg! Er is een gemene vijand die nou juist niet wil dat mensen God de belangrijkste plaats geven in hun leven en dat het goed leven is samen op aarde. Hij wil maar één ding, en dat is voorkomen dat God straks het voor het zeg­gen heeft in deze wereld en dat zijn rol voorgoed uitgespeeld is. Hij blijft proberen mensen te verleiden God de rug toe te keren en hun eigen zin te doen, en zo hem de duivel te dienen. Als dat lukt en God een koning is zonder onderdanen en zonder land, dan heeft hij de slag gewonnen en is de wereld voor hem.  Dan wint het kwade van het goede. Dan blijft er onrust en onvrede, haat, oorlog, en blijft de dood sterk.  En je ziet wat er van komt als mensen gedreven door eigen belangen of idealen de ander niet zien staan of alleen maar zien als tegenstander die uit de weg moet, en als het moet over lijken gaan.

Kijk , dat stond lang geleden ook al op het spel toen het kleine Israël keer op keer werd bedreigd in zijn bestaan en toen een koning als David de ene na de andere vijand moest bevechten die zijn land en zijn volk aanviel. De psalm die we gelezen hebben, staat tegen die achtergrond. Het is eigenlijk een heel merkwaardige psalm. Niet origineel, zou je geneigd zijn te denken. Stukken uit twee andere psalmen zijn tot een nieuw lied aan elkaar geplakt. U kunt dat met één oogopslag in uw bijbeltje zien. Vers 2-6 is bijna letterlijk psalm 57: 8-12 en de verzen 7 tot 14 zijn herhaling van psalm 60: 7-14.

Die twee andere psalmen komen alle twee uit een periode waarin het moeilijk was voor David en voor Israël. Lees maar even met me mee eerst de inzet van psalm 57: van David…toen hij voor Saul in de spelonk vluchtte. Dat wordt verteld in 1 Sam.24. Saul zat David achterna, en David kroop weg tussen de rotsen en even later kwam Saul ook in die spelonk maar David spaarde zijn leven. Tegen de duivelse verzoeking in het recht in eigen hand te nemen, bleef David geduldig gehoorzaam op de smalle weg van God naar de troon: in de schaduw van uw vleugels zal ik schuilen, totdat het onheil voorbij is. En David kwam niet bedrogen uit: ze groeven een kuil voor mij, maar vielen er zelf in, mijn hart is gerust, o God. Jaren later was het weer raak, nu van een heel andere kant. Ps. 60 begint ermee: David die tegen de Arameeërs moest vechten, en toen geconfronteerd werd met een tweede front: Edom viel in het zuiden binnen…Een benarde situatie: het land beeft en scheurt, het rijk wan­kelt. God stelt op de proef. “HEER, help ons, bescherm ons, vecht voor ons!”.

Wat op het spel stond was maar niet een landje en een volkje en zeker niet de troon van ene David. In werkelijkheid was het niet een strijd tegen een Saul, of tegen volken als Aram en Moab, Edom of de Filistijnen. Daarachter woedde de eeuwenoude strijd tussen God en wie van God zijn aan de ene kant, en aan de andere kant de duivel met zijn handlangers. David mocht geen koning worden, en toen hij het toch geworden was, moest dat rijk van David eraan. Want Davids grote Zoon mocht niet op de aarde komen en dat rijk van God mocht er nooit komen. ­Nou, en die strijd wordt er alleen maar feller op als Jezus als de grote Zoon van David toch op de troon is gekomen en vanuit de hemel bezig is om dat rijk van God voorgoed te laten komen op aarde. Als Hij bezig is onderdanen voor dat rijk bij elkaar te brengen, en ook u en jou en mij wil meenemen op weg daarheen. De bijbel waarschuwt ons: de duivel gaat rond als een brullen­de leeuw, zoekend wie hij kan verslinden. En het gevaarlijke is dat hij vaak onzichtbaar opereert, zich anders en mooier  voordoet, gebruik maakt van aardige vriendelijke mensen, en heel aannemelijke en aantrekkelijke ideeën, en ook misbruik maakt van situaties waarin we het moeilijk hebben en waar we geen raad mee weten. Terwijl we dan ook nog zelf van huis uit mensen zijn die vatbaar zijn voor de verleidelijke methoden van satan: ons eigen vlees, ons eigen boze hart, valt ons aan van binnen uit. Levensgevaarlijk! Onderschat de gevaren maar niet. En er staat wat op het spel! Niets minder dan uw leven, je toekomst als kind van God, en de eer van God in m’n leven. Wie zou niet hulp zoeken? Het Hogerop zoeken? Vader, help me!

 

 2. Bidden of Vader ons veilig thuis wil brengen, in zijn rijk dat op weg is te komen, is nodiger dan wat dan ook. Want als we dat niet doen, als God niet helpen zou, halen we het niet.

  David had het aan den lijve ondervonden – toen Saul hem achterna zat, en ook later toen hij als koningen steeds weer vijanden op zijn rijk af zag komen – dat hij aangewezen was op de hulp van zijn God. Ook hij en Israël waren zo zwak in zichzelf dat ze geen ogenblik tegen de overmachtige vijanden konden standhouden. Deze psalm is een beroep op de hemelse Opperbevelheb­ber: geeft U ons de overwinning. Here, sta ons bij en trek met onze legers uit, anders zullen we onherroepelijk verliezen. Zo bidden denk ik onze geloofsgenoten die bedreigd worden, in Irak, Syrië, Nigeria, ook tot God.

Die beroemde koning David die toch echt wel wat in zijn mars had als het om vechten ging, en die kon beschikken over een ervaren vechtgeneraal en over goed gemotiveerde en door de wol geverfde soldaten, gaat niet prat op zijn eigen successen en vertrouwt niet op zijn sterke leger maar David weet zich klein en helemaal van zijn God afhankelijk: wie zal mij met m’n leger brengen tot in het hol van de leeuw, in die ontoegankelijke vestingsteden die ze in Edom gebouwd hebben? Zoals het vandaag aan de dag president Obama en andere leiders in het Westen en het Midden-Oosten bezig houdt: hoe kunnen we IS zo raken dat hun opmars gestuit wordt en dat vreselijke kwaad gestopt wordt – en hoe kunnen we voorkomen dat het kwaad van terrorisme overslaat naar onze landen?

 Ja, maar als je met de wijsheid van de bijbel erover doordenkt, neem ter harte wat Paulus schreef: “Onze strijd is niet gericht tegen mensen maar tegen hemelse vorsten, de heersers en de machthebbers van de duisternis, tegen de kwade geesten in de hemelsferen“, dat staat in Efeziërs 6.

Daarom is die strijd achter de schermen, en is een ideologie die veel aanhang heeft, of wat in de hoofden en harten van mensen omgaat, niet met bombardementen en arrestaties te winnen. Er is meer nodig dan hard aanpakken: je verdiepen in wat de ander beweegt, het gesprek aangaan.

En moeten wij ook niet denken dat als we maar veilig binnen onze eigen comfortzone blijven en daar uit weghouden wat ons geloof kan bedreigen, en als we maar onze kinderen, jullie jongeren, ertoe brengen om niet buiten de geijkte paadjes te gaan, dat we dan het wel redden met elkaar – want de gevaren zitten allereerst in onze eigen hoofden en harten – ons eigen vlees, zegt zondag 52.

Veel dichterbij dus dan de bedreiging van de kant van de Islam of van een terreuraanslag – en ook veel ongrijpbaarder, en geraffineerder – laten we maar vaak bidden: bekeer ons/mijn felle hart. En laten we ons laten vullen met Gods Geest, en ons laten leiden door de liefde van Christus.

Nou, David wist waar hij het zoeken moest. Bij Wie: bent U dat niet, o God, zult U niet met onze legers erop uit trekken? Zoals U zoals vaak gedaan hebt? En dan komt het echt goed. Even, ja even leek het verkeerd te gaan. Dreigde de ne­derlaag: alsof de HEER ze had verstoten en ze in de steek liet. Maar als je de HEER goed kent en het echt van Hem verwacht, dan zul je merken dat je met Hem niet bedrogen uit komt: als God vóór je is – en dat is Hij, voor iedereen die in Jezus als Redder en Heer gelooft en volgzaam achter Hem aan blijft gaat  – nou dan kan op den duur niets je van Hem en uit zijn rijk wegtrekken, dan kan niets je afpakken wat je krijgt van Hem: zijn liefde en zijn bescherming.

 

O, vanzelf gaat dat niet. David moest wel vechten, met zijn soldaten onder leidingvan Joab. Wij hebben te vechten, lees bij Paulus, tegen die onzichtbare verraderlijke tegenkrachten achter de schermen van ons leven en zelfs in ons eigen hart. En het gaat er hard aan toe. Een strijd op leven en dood, met de nodige tegenslagen en nederlagen. Vandaar dat gebed, niet om ons van het front weg te halen, veilig in een bunker, met een boekje in een veilig stil hoekje, maar juist een gebed om vechtlust en stootkracht: “wil ons toch staande houden en sterken met uw Geest-kracht, zodat we in de geestelijke strijd niet het onderspit delven maar altijd krachtig tegenstand bie­den, totdat wij uiteindelijk de overwinning behalen”. Wij, niet in eigen kracht, maar door Gods kracht in ons en dwars door onze zwakheden en gebreken in. Wij – instrumenten van God op weg naar zijn rijk, net als vroeger David en Joab en zoveel meer. Zoals David bad in die psalm: “opdat uw geliefden ten strijde toegerust zijn”. Klaar voor de strijd, voorzien van de nodige wapens: een zwaard, een harnas, een helm,  pijlen. U weet dat Paulus later dat beeld toepast op de gelovige in zijn strijd tegen de duivel en alles wat zijn geloof kan ondermij­nen. God reikt de wapens aan: zijn woorden die ijzersterk zijn en vlijmscherp, het geloof dat al die pijlen van de boze kan afweren, het gebed als de hotline met het hoofdkwartier boven, en ook dat je niet als soldaten ieder je eigen oor­logje uitvecht, maar schouder aan schouder aan het geloofs­front staat, als dat ene leger van de hemelse Generaal.

   Het komt er dus op aan dat we de strijd niet schuwen maar die gelovig voeren, en dat samen met alle gelovigen, van nu en van vroeger. Dat we niet denken al op onze lauweren te kunnen rusten, maar de ogen open hebben en de bijbel onder handbereik en vooral in contact blijven met het hoofdkwartier van waar onze opdrachten komen. En dat we Kracht van boven blijven vra­gen: bied Gij ons hulp, want met menselijke hulp redden we het niet. Het grootste gevaar dat ons vandaag bedreigt is dat van lauwheid en verslapping: dat we het wel geloven omdat we niet meer echt en concreet gelóven. Dat we het wel goed vinden zo, omdat we het toch zo goed hebben. Dan komt het niet goed. Dan moeten we ons snel bekeren, voor het te laat is. Maar als we in Gods kracht op pad blijven, komen we vast en zeker thui­s.

3. Als we blijven bidden of Vader ons veilig thuis wil bren­gen, komt het zeker goed.

David zingt uitbundig van de hulp die de HEER gegeven heeft – in psalm 57 en psalm 60, en hij komt er later nog eens op terug, in psalm 108. In deze psalm laat hij weg de noodkreten in heel concrete nood. Die is nu dankzij de Here achter de rug. Maar de strijd gaat door, en elke keer zijn er weer andere vijanden, maar met daarachter die eeuwenoude taaie vijand die er al is sinds het paradijs  Waar deze psalm vooral van zingt, is van het vertrouwen dat de overwinning de Here en die bij Hem horen, niet kan ontgaan. Want de God van Israël – die zijn volk een eigen land gegeven had en het had verdeeld onder de stammen – die God beschikt over heel de wereld. Hij claimt Moab, Hij zet de voet op Edom, Hij haalt triomfantelijk de overwinning binnen over het land van de Filistijnen, waar Israël zo veel last van gehad heeft.  Iets van die zeggenschap van God over de wereld liet Hij zien door David de overwinning te geven over dit soort volken. Het was nog maar het begin. Nu Jezus Christus, de grote Zoon van David, op de troon van David zit en alle macht in de hemel en op de aarde heeft, en nu het evangelie van het rijk de wereld doorgaat, nu zie je er al meer van: een volk dan bijeen gebracht wordt uit alle volken, gedreven door Gods liefde en vol van Gods Heilige Geest.

Het mag ons moed geven, midden in zoveel gevaren dat je met je geloof loopt, bij alle twijfel aan de toekomst van de kerk en van Gods wereld, als in heel veel landen christenen en andere minderheden zwaar te lijden hebben en mensen andere mensen afschuwelijke dingen aandoen, terwijl in onze westerse wereld alles lijkt te draaien om geld en behoud of vergroting van eigen welvaart, en het er ook in de kerk soms om kan spannen, en nog dichterbij: we het zelf zovaak laten afweten en we gaan voor eigen succes of eigen gelijk in plaats van voor dat rijk van God en voor wie net als wij Gods mensen zijn en dus onze broers en zussen, of als we ons zorgen maken over onze eigen kinderen. Als we bang kunnen worden voor wat mensen ons zouden kunnen aandoen.

Maak dan je eigen wat David ons voorzingt: “mijn hart is gerust, o God”. En blijf zingen: Ik zal u loven, o Here, onder de volken. Dat vertrouwen maakt ster­k. Daar kan de vijand nooit tegen op. We mogen ons sterken in onze Heer en Heiland. Zoals Paulus ertoe aanspoort: “Zoek uw kracht in de Heer”.

Twee teksten om mee te nemen deze week door: “Mijn hart is gerust, o God”, en: “zoek uw kracht in de Heer” – vraag jezelf af: waar ben ik bang voor, bezorgd over, en hoe ga ik daar in geloof mee om?

We mogen geloven dat onze God onze Koning is die alles in zijn macht heeft. En dat het echt de goede kant op gaat: Gods heerlijkheid over de hele aarde. Dat kan niet anders meer, dankzij Jezus Christus die de strijd al gewonnen heeft, en ons de overwinning wil geven. Daar kunt u gerust op zijn. Daar mag u rustig met mij amen op zeggen!

                                               amen

 

 

 

 

liturgie morgendienst

 

votum en groet

zingen:      Ps. 57: 1,5,6

wet

zingen:      Gz. 154 (1a, 2m, 3v, 4a)

gebed

Schriftlezing: Psalm 108 en Efeziërs 6: 10-20

zingen:       Ps. 108: 1,4

preek over zondag 52

zingen:       Ps. 60: 2,5

gebed        

collecte

slotzang:    Gz. 163 (1,2,3)

zegen

Zondag 45 Heid. Cat.: Vertrouwelijk omgaan met God

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

  “Lees je bijbel, bid elke dag, dat je groeien mag”.    Een liedje dat zelfs de kleinsten in de kerk al kennen.  Misschien wel erg simpel zo’n liedje, maar hoe wáár is dat!

Dat is vertrouwelijk met God als je Vader om­gaan: elke dag in je bijbel lezen en elke dag bidden. Eerst de Heer aan het woord laten, in de bijbel en in je hart. Als we Hem beter willen leren kennen en steeds meer van Hem gaan houden, begint het met luisteren.

En hoe beter we luisteren, des te beter we ook kunnen bid­den. We gaan om zo te zeggen terug praten. We geven ant­woord. We gaan ook weer vragen stellen. Met God bespreken wat ons bezig houdt, wat ons dwars zit, waar we niet uit komen.  Geloof maar dat Vader dan luistert en rea­geert. Dat we contact heb­ben. De Heer helpt ons de ant­woorden op te vangen die Hij geeft in de bijbel en ook in wat gebeurt in ons leven.  Dan ervaren we het ook:  dat we groei­en, dat we verder komen in ons geloven en in ons chris­ten-zijn, ja en ook dat we anders en beter omgaan met elkaar en andere mensen om ons heen.

Het klinkt allemaal heel mooi, maar is het ook de werkelijk­heid van ons eigen leven?Onderzoeken wijzen uit dat veel christelijke jongeren het moeilijk vinden zelf bijbel te lezen en dat elke dag bidden ook lastig is. En dat geldt niet alleen jongeren maar ook veel volwassenen. We moeten allemaal ons steeds afvragen: hoe doen wij dat, wat komt er bij mij van terecht?

Met m’n vader praat ik niet meer, zegt een jongere. Dat kan zo zijn voor een poos: als je helemaal niet kunt opschieten met je vader of je moeder, dat je niet meer echt praat, elkaar ne­geert, of alleen maar ruzie maakt. Maar dan groei je zomaar uit el­kaar, en verslapt de band. Zo is dat ook als je niet met Vader in de hemel praat. Vind je het dan gek als het je niks zegt als het over Vader gaat, in de kerk, of op catechisatie? Dat God steeds verder van je af komt te staan? ­Dat je je afvraagt of Hij wel bestaat?

Maar is het ook niet iets vreemds: praten tegen Iemand die je nog nooit hebt gezien en die ook nooit wat terug zegt? Wie kan me bewijzen dat God bestaat? En krijgen we niet op veel van onze vragen nooit antwoord? Is bidden eigen­lijk niet praten in jezelf, en tegen beter weten in aannemen dat aan de andere kant ie­mand luistert? Is bidden niet hoog­stens nog zoiets als een stilte­-centrum, iets van bezinning, in een jachtige wereld? Ja, en als God alles al weet, waarom moet Ik toch nog bidden?

  Midden in een wereld vol spanning en aanvechting is eeuwen geleden psalm 25 ontstaan. Een psalm over ver­trouwe­lijk met God  omgaan. Een gebedsles. Meer nog: een les in echt leven!

Vertrouwelijk omgaan met God.

1. open-hartigheid;

2. luister-bereidheid;

3. geloofs-zekerheid.

1. open-hartigheid.

Dat is het eerste dat opvalt in deze psalm: open-hartigheid. U kunt zien dat ik midden in dat woord een verbindingsstreepje heb gezet: open-hartigheid. Ik heb dat gedaan om te laten zien dat er een dubbele bodem zit in dat woord.

Openhartig is de dichter van deze psalm zeker. Hij laat bij tijden het achter­ste van zijn tong zien. Hij stort zijn hart uit voor zijn God. Zoals we zongen: “‘k Hef mijn ziel in vast vertrouwen tot U op”.

Dan komt er heel wat los. Bijvoorbeeld over misstappen van vroeger die hem nog altijd dwars zitten. Ze worden eer­lijk opgebiecht. David maakt er ook geen geheim van hoe hij zich voelt.

Kort gezegd: hij is er belabberd aan toe. Niet zozeer lichamelijk, al knaagt het ook aan je gezondheid als je je geestelijk niet fit voelt en je er nachten niet van kan sla­pen. Maar David komt er open­lijk voor uit hoe eenzaam hij zich voelt. Hij schreeuwt het uit: “ik ben alleen en ellendig, mijn hart is vol angst”. Hij smeekt de HEER  hem te helpen:  Hem zijn zonden te vergeven. Hem de weg te wijzen. Hem niet ­te verge­ten.

Daarin geeft David ons een voorbeeld hoe je met de HEER mag omgaan.  Het is eigen aan kinderen dat ze hun Vader in vertrouwen nemen en alles met Hem bespreken. Van Hem alles te vragen wat we voor lichaam en ziel nodig hebben, zo brengt zondag 45 het onder woorden. Dan durf je je kwetsbaar op te stellen. Je durft erkennen dat je zondaar bent. Dat je schul­dig staat tegenover de HEER. Dat je vergeving nodig hebt.  Dat je geen dag zonder je Vader kunt.

De catechismus bepaalt ons daar nog eens indringend bij, voor we nadenken over wat bidden is en voordat we gaan bidden: “we zullen onze nood en ellende grondig kennen, om ons voor het aangezicht van zijn majesteit te verootmoedigen”. Als dat besef van onze kleinheid en onze schuld gaat ontbreken, dan verschralen ook onze gebeden. Waarom zou je nog vragen om vergeving, als je je niet echt schuldig voelt? Waarom zou je bidden om alles wat je elke nodig hebt, als je wel voor jezelf kunt zorgen? Waarom zou je God bedanken, als je niet erkent dat je alles van Hem gekregen hebt? Waarom zou je de HEER loven, als Hij in je dagelijkse leven geen rol van betekenis meer speelt? Waarom zou je con­tact zoeken met iemand van wie je niet weet of Hij er wel is? Met wie je geen band voelt?

Kijk, en daarom maakte ik die opmerking over die open-har­tigheid met dat streepje ertussen. Ik bedoel daarmee dat zo vertrouwelijk met de Here omgaan en openhartig tegen Hem zijn, voortkomt uit een hart dat voor de Here open staat. Tegenover elkaar zijn we pas echt open, als we elkaar door en door vertrouwen. Dan pas geven we ons bloot. Durven we te vertellen wat echt in ons omgaat. Dan kan er heel wat los komen, ook aan moeilijks en verdrietigs, aan twijfels, aan nare dingen van vroeger. Er zijn heel wat drem­pels te nemen, voordat we zover komen. Zo vaak sluiten we ons af,uit angst of schaamte. Wil­len we een schijn ophouden. Zijn we bang de ander te verlie­zen. Of denken we: als ik dat aan haar vertel, weet morgen heel de gemeente het. Je voelt je niet veilig bij die ander.

Kortom: o­penhartigheid vraagt om open-hartigheid. Om echt vertrouwen. Ervaren we dan, bij elkaar?

Nou, zo is dat ook in onze omgang met God. Die bloeit pas echt op als we Hem volkomen vertrouwen. Zoals David daar­over vertelt: mijn God, op u vertrouw ik. Op u vestig ik mijn hoop, elke dag. Van U verwacht ik het. Zoals echte vrien­den op elkaar aan kun­nen. En als het goed is in de kerk er openheid en vertrouwen is, als broers en zussen onder elkaar. Je kunt alles aan elkaar kwijt, zonder dat je bang hoeft te zijn onderuit gehaald te worden of over de tong te gaan.  Je durft je kwetsbaar op te stellen, omdat je erop aan kunt niet gekwetst en bezeerd te worden. Je geeft elkaar ruimte om echt jezelf te zijn.

Bij Vader in de hemel mogen we komen zoals we zijn.  Hij stelt niet teleur. Hij pakt ons niet terug als we Hem iets hebben toevertrouwd. Hij komt niet terug op wat vergeven is. Hij blijft niet kwaad. Het hart van de Heer staat wijd voor ons open. David heeft het er al over, dat de Here met wie Hem zoeken en dienen, vertrou­welijk wil omgaan. Dan vertelt Hij ons wie Hij voor ons wil zijn. Dan mogen we zijn goedheid en zijn liefde proeven, tot op het diepst en het hoogst als Hij zijn eigen Zoon overgeeft voor onze zonden. Dan gaan we ervaren dat God er er wel dege­lijk is, voor ons!

In de inleiding stipten we wat vragen en problemen aan die leven rond geloofsbeleving en dus ook ten aanzien van bidden. Zoals die kwellende vraag of er eigenlijk wel een God is, en of je wel wat van Hem merkt. Of bidden niet is een kreet in een lege ruimte, of het rondzoemen van onze eigen stem. En waarom komt er geen antwoord van de andere kant? Waarom gaat het toch vaak anders dan we hebben gevraagd?

Ja maar, horen we dan dat hart van uw God niet meer kloppen? Zijn we het zicht kwijt ge­raakt op Jezus? Leven we met onze rug naar dat kruis toe, waaraan Hij heeft gehan­gen voor ons? Waar het stikdonker is geworden vanwege die werkelijke Gods­ver­duis­tering? Waar Hij door God is verlaten, opdat wij nooit meer door God verlaten zouden wor­den?

Ja,maar dan wordt het ook stil aan de andere kant, want Gods vertrou­welijke omgang is met wie Hem vrezen.  Dat wil zeggen:  voor wie zich o­penstel­len voor de genade van de Here.  Klein willen zijn voor de Here.  Als zon­daars komen met lege handen.Dan blijven  we niet staan met lege handen. Dan vult Vader ze. Met gulle hand.

2. luister-bereidheid.

Liefde kan niet van één kant komen, zegt het spreekwoord.

Het geldt van elk contact tussen mensen. Wil het echt wat voorstellen, dan zal het geven en ontvangen zijn. Als u pro­beert een contact of een vriendschap op gang te houden, maar het moet altijd van u komen, en er komt nooit eens iets spon­taans terug van de andere kant, dan houdt niemand dat vol. En er ontstaat ook nooit een echt contact tussen mensen, als de een alleen maar praat en praat, meestal over z’n eigen inte­resses en belevenissen en stokpaardjes, zonder dat ge­luisterd wordt naar wat jou bezighoudt en wat jij vertellen wilt.

Nou, daar moeten we ook maar aan denken als je gaat over ons omgaan  met de Here, en ook over ons spreken met Hem in ons gebed.

Er wordt veel geklaagd over een gebrek aan Godservaring en geloofsbeleving. Over dat God zich verbergt. Over dat we wel kunnen bidden, maar dat er toch niks verandert. Over dat we zo weinig merken van God in ons leven en in deze wereld. Over dat we de God over wie we op zondag horen en over wie we in de kerk zingen, niet meer tegenkomen op maandag en op zaterdag.

Daar zitten veel, ook veel moeilijke kanten aan. Er zou veel over te zeggen zijn. Zeker over de invloed van de tijd waarin we leven. Over de manier waarop de wereld er uit is gaan zien.

Maar vanmiddag wil ik een andere invalshoek kiezen. En dat is die waarbij we bij onszelf beginnen en onszelf in de spie­gel bekijken.Waarbij we ons afvragen of we de Here wel kén­nen. Of we niet te veel praten, en te weinig luisteren. Of ons bidden niet vaak is dat we een lijstje wensen en klach­ten bij de Here neerleggen, maar zonder dat we eerst goed ­hebben ge­luisterd. Ook zonder oog voor de liefde die om te beginnen wel van die ene kant is gekomen, van Gods kant. En dat voor mensen die Hem niet zochten en die Hem zelfs in de steek hadden gelaten. Of niet ons hart dicht zit voor die liefde.

Maar David zingt midden in zijn angst en zijn eenzaam­heid toch geen klaagzang. Hij houdt geen zwaarwichtige be­schouwingen over de afwezigheid van God of zelfs het al of niet bestaan van God. Hij balt helemaal niet zijn vuist naar de hemel. Hij beklaagt niet zichzelf, en klaagt God niet aan. Wat David doet is zijn oor te luisteren leggen bij Gods beloften. En ook: Hij wil de weg gaan die God hem aanwijst.

Ook dat hoort bij openheid naar God toe. Dan leg je je oor te luisteren bij Gods beloften. Dan ga je almeer de Here kennen als je God en Vader. Deze psalm is er vol van. Van de zeker­heid dat de Here ons zijn wegen bekend maakt. Juist door een intensieve omgang met de bijbel gaan we zien waar de Here met ons naar toe wil. Niet dat we op een briefje krijgen wat we van stap tot stap moeten doen. Welke keuzes we moeten maken. Hoe onze beslissingen uitpakken. Maar hoe meer we de weg leren ontdekken die de Here met zijn kinderen wil gaan, des te meer ontdekken we ook waar we op moeten letten bij onze afwe­gingen en onze beslissingen, en welke kant de Here uit wijst. We gaan aanvoelen wat goed en wat verkeerd is. Hoe we de Here God het beste kunnen dienen, en ook wat ons geloof in gevaar brengt.

We gaan ook ontdekken waar onze sterke kanten zitten en waar onze zwakke punten liggen. Wat Gods bedoeling met ons is. Juist daarvoor is ook het gebed nodig. David leert ons dat ook. Hij vraagt wel een paar keer:  “HEER, maak mij uw wegen bekend, leer mij uw paden; leid mij in uw waarheid en leer mij“. Ja, en dan komt er antwoord. Want de HEER onderwijst zondaars aangaande de weg (vs.8). Weer die nederigheid. We zijn zondaars. Letter­lijk: mensen die hun doel missen. Die de plank elke keer mis ­slaan en zomaar van de weg afraken. Maar dat hoeft niet, als je naar de Here leert luistert. Dan wijst de Here je de weg. Dan verdwaal ik niet, maar kom ik waar God me hebben wil.

Nou, en om zo de Here te leren kennen en zijn weg te leren gaan, is de bijbel ons meegegeven, als een reisgids voor onderweg. Zoals de catechismus ons hier naar de bijbel verwijst: “we zullen de enige ware God, die zich in zijn Woord aan ons geopenbaard heeft, van harte aanroepen om alles wat Hij ons geboden heeft te bidden” . Als we bid­den, vragen we voor alles om de hulp en de leiding van Gods Geest, die ons de weg wijst en helpen wil die weg ook te bewandelen.

Dus is een eerste vereiste voor vertrouwelijk met de Here omgaan, dat we eerbiedig en aandachtig luisteren. Dat is meer dan zo af en toe of elke dag een stukje lezen. Ook is veel feitenkennis, hoe belangrijk ook, nog niet de garantie dat we ook echt God leren kennen en ons in vertrouwen aan Hem overge­ven. Het zal erom gaan dat we zo met de bijbel omgaan dat we Vader erin ontmoeten. Dat we erachter komen wat Hij ons, in onze tijd en onze omstandigheden, te zeggen heeft. Dat we horen hoe HIj  van hart tot ons spreekt, en dat wij almeer ons hart en ons leven aan onze God en Vader geven. Dat we ook openstaan voor wat God ons duidelijk wil maken via mensen, vanuit de natuur, door ervaringen die we opdoen.  Daarvoor is het gebed: HEER, leert U mij die weg van U. En heb je elkaar.

U merkt hoe het samen op gaat: lees je bijbel, bid elke dag. Ik raad u aan dat te blijven doen. Ik hoop dat jij echt pro­beert eraan te beginnen, of je best doet het weer op te pakken als het is gaan versloffen. ­Het is zo vreselijk belangrijk, of je nu thuis bent of al de deur uit bent, op kamers. Juist als je jong bent, ben je kwetsbaar. Vatbaar voor gedachten en een levensstijl die je van God aftrekt. Je neemt het zo maar over: wat helpt bidden nou, en God luistert toch niet, ja: is er eigenlijk wel een God, en wat oet ik nog met die bij­bel?  Het blijft echt nodig: lees je bijbel, bid elke dag, zodat je blijft groeien…

3. geloofs-zekerheid.

Ik leg eerst de nadruk op dat eerste: gelóófs-zekerheid.

Een christen is nooit zeker van zichzelf. Alsof je de stoere onverzettelijke held zou zijn die nooit twijfelt en alles aan kan. We weten wel beter. En anders komen we er nog wel achter.  Altijd weer komt het aan op geloven. Ook als het over ons bidden gaat.Het is waar dat we God nooit gezien hebben, en dat we niet een telefoonlijn naar boven hebben, waar aan de andere kant de hoorn wordt opgenomen en we antwoord krijgen. In Hebr. 11 staat dat “wie tot God komt, moet geloven dat Hij bestaat en een beloner is voor wie Hem ernstig zoeken”. Maar als je dan als David steeds maar weer de HEER opzoekt en bij Hem schuilt, kom je er achter hoe werkelijk God be­staat en hoe zeker het is: Hij laat geen bidder staan. Ook dat ga je erva­ren door de omgang met Gods als je Vader en met zijn Woord.

Dat is de geloofs-zékerheid die je mag hebben omdat God die belooft en aan ons wil geven. Niet als een stuk leer uit een boekje. Niet omdat dat nou eenmaal in de catechismus staat dat we er zeker van zijn dat God ons gebed verhoren wil. Trouwens, de catechismus weet ook wel dat wij niet zo stevig in onze schoe­nen staan. Vandaar dat er bij staat dat we alleen zekerheid ontlenen aan de persoon en het werk van Jezus Christus. Dat geeft vertrouwen dat de Here in de hemel naar ons omkijkt en naar ons luistert. ­Niet dat het dan altijd gaat volgens het draaiboek dat ik in mijn hoofd heb. Niet dat mijn verlang­lijstjes worden inge­wil­ligd en al mijn vragen worden beant­woord en al mijn zorgen worden wegge­nomen. Wel dat ik mag rekenen op Gods hulp en op zijn Geest. Zoals Hij dat eens tegen zijn knecht Paulus zei, toen zijn gebed – zeggen wij dan – niet werd verhoord: mijn, mijn genade heb je, en daar heb je genoeg aan.

Als we ootmoedig en vol vertrouwen Vader op zijn woord geloven en Vader ook aan zijn woord houden, dan zullen we ervaren dat Vader altijd woord houdt. Dan gaat de hemel voor ons open.

Jezus zegt: wie zoekt vindt, en wie klopt, voor hem gaat de deur open. Maar dan moet ik wel kloppen!

                                                 amen

 

 

 

 

 

 

 

liturgie middagdienst

 

votum en groet

zingen:       Ps. 123 (1,2)

gebed

Schriftlezing:    Psalm 25

zingen:      Ps. 25: 1,4,7

verkondiging:  zondag 45

zingen:      Gz. 174 (1,2,3)

geloofsbelijdenis (Nicea)

zingen:      Ps. 117

gebed       

collecte

slotzang:   Lied 95: 1,2,3

zegen

Zondag 50 Heid. Cat. Als kinderen van Vader in de hemel mogen we bidden en werken met een vérziende blik

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

    Wij mensen hebben maar een beperkt blikveld. Al zijn onze ogen nog zo goed, we kunnen maar een beperkte afstand over ­zien. Hoe verder weg, hoe vager het allemaal wordt. Op een gegeven moment laten onze ogen ons in de steek. Wat achter de horizon ligt, onttrekt zich aan onze blikken.

Al heel lang geleden heeft de mens hulpmiddelen uitgevonden om aan onze nieuwsgie­righeid tegemoet te komen. Verrekijkers halen wat ver weg is heel dichtbij.Er zijn zelfs sterke kijkers – telescopen noemen we ze – om onmete­lijk verre sterren en planeten naar ons toe te halen. Zo krij­gen kort-zichtige mensen een ver-ziende blik. Voor onze ver­baasde ogen gaan nieuwe werelden open. Onze horizon wordt op een ongekende manier verruimd.

Ik moest daaraan denken bij het nadenken over de vierde bede, vanuit Lucas 12 en zondag 50. Is niet Gods Woord ook zo’n verrekij­ker, zo’n telescoop? Moderner gezegd: een eye-opener.

Van huis uit zijn we allemaal kortzich­tige mensen, die niet verder kijken dat dit leven kort of lang is. We maken ons heel druk om vandaag en om morgen: wat zullen we eten en drinken,wat moeten onze kinderen voor kleren hebben voor de winter,hoe krijgen we ons huis op orde,wat voor oplei­ding moet ik kiezen, houd ik mijn baan wel of vind ik weer een baan, hoe gaat het met dat ziekteproces…? Elke dag is er wel weer wat dat ons bezighoudt en zorg geeft. En als we niet uitkijken, kijken we niet verder dan dat.Staren we ons zomaar blind op de mogelijkheden en de moeilijk­heden van hier beneden: hoe blijven we gezond of worden we beter, hoe houden we het hoofd boven water, hoe bezorgen we onze kinderen een goed toekomst? En ook: hoe zorgen we samen voor een veiliger samen­leving en een schoner milieu, hoe zorgen we ervoor dat er ook na ons nog bossen zijn en planten en dieren, hoe kunnen we onze kinderen een wereld nalaten die nog leefbaar is?

Allemaal belangrijke dingen. God veroordeelt dat niet, integendeel. Het is zelfs zijn opdracht: de aarde bewerken en beheren, zorgen voor morgen. Maar wat God nu doet, is onze blik verruimen. Zodat we verder kijken dan vandaag en morgen, en hoger kijken dan de aarde waarop we wonen en werken. Zo gaan we bidden en werken, met een weids vergezicht. We horen Gods boodschap zo:

Als kinderen van Vader in de hemel mogen we bidden en werken met een vérziende blik:

1.vol verwachting kijken we uit naar het Koninkrijk van onze Vader;

2. vol vertrouwen kijken we op naar onze Vader die Koning is.

1. vol verwachting uitkijken naar het Koninkrijk van onze Vader.

Als de Here Jezus het in Lucas 12 heeft over ‘zorgen voor morgen’, dan is er een concrete aanleiding voor zijn onder­wijs. Er was namelijk een man, zomaar iemand uit het publiek, met een vraag. Z’n broer en hij zaten met een erfeniskwestie en ze kwamen er niet uit. Blijkbaar voelde de man zich door zijn broer benadeeld. Kon Jezus nou niet tussenbeide komen en hem gelijk geven? Kon Hij niet die broer zover krijgen dat hij de erfenis met hem wilde delen? Zorgen dat eerlijk gedeeld werd en niemand zich benadeeld hoefde te voelen? Ja, en ook dat ze gewoon als broers met elkaar om konden gaan, zonder jaloersheid en wrok.

Je zou zeggen: verstandig om er een onpartijdige, wijze, buitenstaander bij te halen. Eervol ook: blijkbaar verwachtte de man veel van de wijsheid en het overwicht van Jezus. Maar de Heer wijst dat verzoek resoluut van de hand. Daar is Hij niet voor: ben Ik soms rechter of notaris?

Kijk, en aan dat incident knoopt de Here dan meteen een stukje onderwijs vast. Het is zo menselijk je over dit soort dingen geweldig druk te maken. Hebzucht is een kwaad dat altijd op de loer ligt. Een mens wordt zomaar totaal in beslag genomen door het streven naar een betere positie en een hoger inkomen en meer bezit en zekerheid voor morgen. Dat zag de Here ook opdoemen achter de vraag van de man die hem die erfeniskwestie voorleg­de. Daartegen wilde Jezus zijn hoorders – en ons -waarschu­wen.

Waarom eigenlijk? Wat is de boodschap voor ons?  O, zegt u misschien meteen: dat is toch wel duidelijk?  De Heer wil ons leren dat God voor ons zorgt, en dat we daarom niet bezorgd hoeven te zijn.  Lees maar vers 30: jullie Vader weet wel wat je nodig hebt. Nou, dat is helemaal waar. Punt 2 van de preek zal daar over gaan: Vader die elke dag voor ons zorgt. Toch is dat in dit bijbelgedeelte niet het eerste en niet het belangrijkste. Als er niet meer was, bleven we kortzichtig bezig. Zo van: als God maar zorgt voor eten en drinken, kle­ding en een huis, een baan, voldoende inkomen; een goed en rustig leven hier en nu. Het zou een armzalig gebed zijn als die vierde bede altijd onze eerste bede zou zijn. En dan ook nog op mezelf gericht: geef mij dit en dat.

Nee, boven alles wil de Here ons iets anders duidelijk maken. Dit n.l. dat ons zorgen en ons werken én ons bidden niet eerst en alleen gericht moet zijn op die aardse-belangen-voor-de-korte-termijn. Waarom is hebzucht zo gevaarlijk? Waarom is materialisme zo dom? Lees maar het slot van vers 15: “want iemands leven hangt niet af van van zijn bezittingen, zelfs niet wanneer hij die in overvloed heeft”. Met een voorbeeld wordt dan schrijnend duidelijk gemaakt: dat verhaal van die schatrijke maar oliedomme man. Hij had z’n schaapjes op het droge en prachtige plannen voor de toekomst. Zoveel appeltjes voor de dorst dat hij niet meer hoefde te werken en nu eens goed de bloemetjes buiten zou gaan zetten. Hij ging rentenieren en het er goed van nemen. Alleen, met één ding had hij geen rekening gehouden: met het feit dat elke dag hier op aarde wel eens de laatste zou kunnen zijn. Dat werd hem fataal. Hij kreeg niet eens de kans zijn mooie plannen te verwezenlijken. Hij haalde zijn pensioen niet eens: dezelfde nacht nog een hartinfarct, en alles wat ineens uit, en anderen gingen met zijn geld en zijn spullen aan de haal – en maken misschien wel ruzie om wat jij hebt nagelaten. Ja, zo gaat dat, zegt Jezus, als je voor jezelf hier op aarde schatten hebt vergaard, maar als je niet rijk bent geweest in God. Dat wil zeggen: als je in de hemel geen kapitaal hebt klaarliggen. Waar heb je dan voor gewerkt en geleefd? Anderen profiteren van jouw inspanningen. Zelf sta je naakt aan de dijk. Want je kunt niets meenemen naar de andere kant!

Kijk, en zo komt de Here tot zijn waarschuwing: daarom, omdat het je net zo zal vergaan, als je alleen voor jezelf en voor hier beneden hebt gewerkt en geleefd, zonder in alles op God gericht te zijn geweest,daarom is dit de les: maak je niet alleen maar druk om eten en drinken, om leven of overle­ven, om ‘hoe zal het morgen gaan’ en ‘halen we overmorgen wel’.  Kijk maar eens naar de lelies en naar de raven, die zich niet druk maken en toch elke dag kunnen leven uit Gods handen!

Niet dat er geen zorgen zijn en wij zorgeloos kunnen zijn.  De Heer weet wel en wij ervaren het ook dat wij geen vogels zijn en geen bloemen. Wij moeten wél zaaien en maaien, naar school gaan en naar kantoor, de weg op of naaien voor de kinderen, zorgen voor het dagelijks brood; en het is slim een buffer te hebben voor tegenvallers, en te denken aan je pensioen.

Jezus zegt ook maar niet alleen: maak je maar geen zorgen, want Vader zorgt voor je. Dat is wel zo – gelukkig wel – maar er is meer! We hebben onze hoop niet alleen voor dit leven op Vader gebouwd. Dan zouden we nog maar arme stakkerds zijn. De Here wil onze blik verruimen.  We moeten veel verder leren kijken dan naar de opbrengst van vandaag en de zorgen voor morgen, brood op de plank en een beter milieu. De Heer  zegt: er is meer nodig voor je leven dan voedsel, en je li­chaam redt het niet als het maar goed aangekleed wordt, en de wereld blijft niet leefbaar als de ozonlaag maar intact bli­jft, en je redt het niet tegen de stormen die komen door steeds hogere dijken.

Wat zijn wij toch beperkt en hoe machteloos zijn we toch als het erom gaat ons aardse bestaan veilig te stellen. Niet één el kunnen we toevoegen aan onze lengte. Laat staan dat we ons leven ook maar met een dag of een uur kunnen verlengen. Hoe knap of hoe rijk we misschien ook zijn, ons leven hebben we niet in onze hand. Denk maar aan die geslaagde ondernemer: hij haalde morgen niet eens. Zijn leven hoorde niet tot z’n bezit.

Maar wat hebben ze dan vooral nodig, ons leven, ons lichaam? U zult het begrepen hebben: het antwoord staat in vs.31. We zullen vooral gericht zijn op het Koninkrijk van de Vader. Dat maakt de dingen van alle dag niet onbelangrijk: alsof het alleen maar zou gaan om ons zieleheil, om het werk in de kerk nu en het komen in de hemel straks. Dat is hiermee niet bedoeld. Wel dat God iets veel beters met ons voor heeft  dan een redelijk geslaagd en prettig leven hier en nu. Eigen­lijk zijn we een stuk armer dan de vogels en de bloemen die zonder al dat gezwoeg en geslaaf rechtstreeks door God worden gevoed. Sinds de zondeval werkt de vloek van God door in deze wereld. Vandaar dat we ons in het zweet werken, of onder stress leven, dat er het gevecht is tegen alle mogelijke dorens en distels en dat er zoveel ons bij de handen afbreekt, dat we denken alles in de grip te moeten houden.

Ja, maar als kinderen van onze hemelse Vader wacht ons een nieuwe wereld waar heel dat nare slavenbestaan heeft afgedaan. Er komt een tijd dat eten en drinken overbodig zijn om in leven te blijven, dat er geen gezondheidszorg en geen strijd tegen milieubederf meer nodig zijn,dat niemand meer aan fitnesstraining hoeft te doen. Dan zijn we vrij als vogels in de lucht, en we zullen mooier bloeien dan de prachtigste bloemen. Uw Heer zegt: richt je maar op die toekomst, op dat komende Rijk van je Vader. We zijn geen arme sloebers, geen hopeloze tobbers, vol angst hoe we zullen overleven. Hoe zouden we? Hoor maar: “Wees niet bang, kleine kudde, want jullie Vader heeft jullie (nu al!) het Koninkrijk willen schenken”. Zijn we niet Gods kinderen en erfge­namen, die de toekomst hebben? In het licht van die stralende toekomst verbleekt veel van wat nu het een en het al lijkt te zijn. Verschrompelen veel van onze zorgen. En ook: blijkt veel goud dat nu blinkt, klatergoud te zijn.

Maar dan is wel de klemmende vraag: waar is je hart vol van, wat zijn jullie idealen? Waar leef je voor? De Heer zegt:  waar je schat is, daar zal ook je hart zijn. Dat is de vraag: ben je vooral gericht op schatten hier beneden, die je zomaar weer kwijt kunt raken? Of ben je gericht op dat kapitaal dat boven is, die schat die nooit op raakt, en die een eeuwigheid meegaat? Ja, en hoe bidden we? Kortzichtig? Of met verziende geloofs­ogen?

De Heer Jezus leert ons hoe we zullen bidden: geef ons – ook vandaag – ons dagelijks brood. Dat is: Vader, wilt U me geven wat ik voor m’n lichaam nodig heb, voor m’n leven hier en voor m’n werk, voor m’n gezin… Ja, maar dat alles boven alles met het oog op Uw naam, Uw rijk, Uw wil. Opdat ik die taak die U me geeft aan kan als burger van het hemelse konink­rijk dat straks voorgoed op aarde zal komen. Geef dat ik elke dag, bidden en werkend, op weg blijf naar die grote toekomst!

    2. vol vertrouwen kijken we op naar onze Vader die Koning is.

 We denken terug aan zondag 46: van Vaders almacht zullen we alles verwachten wat we voor lichaam en ziel nodig hebben. Onze Vader is in de hemel, Hij beschikt over goddelijke krach­ten. De Here Jezus heeft in het gedeelte dat we gelezen heb­ben, laten zien hoe rijk we zijn als we uit het geloof leven. Dan ben je nu al erfgenaam van alle dingen: de Vader wil ons zijn Koninkrijk geven. Dat is Vaders ‘welbehagen’, zijn onverdiende gunst en liefde. Op dat onvoor­stelbare bezit, op dat koninkrijk, zullen we ons nu richten. We zagen in punt 1 dat dan veel van wat ons nu in beslag neemt en opjaagt, heel wat betrekkelijker wordt. Het waar­schuwt ons ook – zoals antw. 125 doet – dat zonder Gods zegen al onze zorgen en inspanningen waardeloos zijn. Dat dan zelfs de gaven die God je geeft, niet helpen. Ik denk weer aan die ‘rijke dwaas’: zijn succes-op-kort-termijn was nog geen zegen-voor-de-lange-termijn. Zegen, dat is blij­vende waarde voor Gods koninkrijk. Het is dat als alles je hier ontvalt, je opgenomen wordt in het eeuwig Thuis.

Maar wie zo (met alle gebrek en tegenslag en zelfs armoe misschien), wie zo rijk is in God, die mag er ook op vertrouwen dat Vader nu al voor hem zorgt. In vers 31 staat dat als we zoeken naar het koninkrijk van de Vader, al die andere dingen ons erbij gegeven worden. Die andere dingen: eten, drinken, kleren, een dak boven ons hoofd, medi­sche verzorging, zorg voor de oude dag, en noem alles maar op. Ze zijn niet het belangrijkste. Er staat: Vader geeft het je als een extraatje, als een toegift. Zeg maar: als middelen om des te beter voor Vader bezig te kunnen zijn. Om des te meer op weg te kunnen blijven naar de grote dag van Jezus Christus.

Die dingen van vandaag en morgen zijn wél nodig. Er staat: “jullie Vader weet dat je ze nodig hebt”.Daar is Hij Vader voor. Kijk, maar omdat we kinderen van die Vader zijn, kunnen we vol vertrouwen leven. Mogen we Hem vragen om wat we elke dag nodig hebben. We weten: Hij laat ons niet verkommeren. Dat kan niet: we zijn toch erfgenamen van Zijn schepping? We zijn toch koningen en koninginnen-in-spe? Dan zijn weer de raven en de lelies een les voor ons. De vogels worden door God gevoed. De bloemen worden door de Schepper schitterend aangekleed. En dat zonder te werken op het land en te investeren voor de toe­komst. Zonder dat er een hele kledingindustrie voor nodig is en allerlei cosmetica. Zonder dat er een naaimachine aan te pas komt, en dat er een heleboel geld mee gemoeid is. We zingen ervan: “Al wat er in uw grote schepping leeft, wacht, Heer, op U, tot Gij hun voedsel geeft”. In die psalm (104) wordt dat gezegd over de dieren: wilde ezels die hun dorst lessen en leeuwen die God om eten vragen, ooievaars en steen­bokken, kleine en grote vissen. En Jezus wijst ons op de schrokkerige raven en de lelies met hun felle kleuren. Met als boodschap: zal diezelfde God en Vader dan niet voor u zorgen?  Is de mens niet meer dan een dier? Zijn zijn kinderen Vader niet meer waard dan bloemetjes en grassprietjes?

Het heeft alles te maken met dat koninkrijk dat ons deel mag zijn. Bloemen en grassprieten verdorren en ze worden op een grote hoop als oud vuil verbrand. Maar de kinderen van God, die gaan een eeuwigheid mee. Dan kun je toch vast en zeker zijn van Vaders zorg? We vragen het Hem: Wilt u ons verzorgen, elke dag, met wat we hier op aarde nog altijd nodig hebben om te kunnen leven en ons werk te kunnen doen in uw dienst. En we hoeven er niet aan te twijfelen dat Vader luistert, en zorgt.

Dat betekent niet dat we overvloed krijgen, veel luxe. Ook niet dat de oogsten van christenen altijd lukken, en dat langdurige droogte en overvloedige regen hun akkers overslaat. Dat al je zorgen verdwijnen en al je problemen worden opge­lost, als je maar genoeg bidt en genoeg geloof hebt . Eerder heeft de catechismus het gehad over regen en droogte, vrucht­bare én onvruchtbare jaren, gezondheid én ziekte, rijkdom én armoede, als iets dat een gelovige allemaal uit Gods Vader­hand komt. En daarom – ging zondag 10 verder – zullen we in tegen­spoed geduldig zijn, en in voorspoed dankbaar, en mogen we vertrouwen hebben voor de toekomst. Want:niets kan ons schei­den van de liefde van onze trouwe God en Vader. Dan kan het gebeuren dat Vader het anders doet dan wij willen en vragen.

Dat Hij ons kort houdt en klein. Opdat we des te meer onze afhankelijkheid voelen van Hem als de Oorsprong van al het goede. Opdat we dichter bij Hem leven, en eten uit zijn hand. Opdat we ons concentreren op dat waar het echt om gaat. We moeten het leren geloven: “Die wolken, lucht en winden, wijst spoor en loop en baan, zal ook wel wegen vinden waarlangs uw voet kan gaan”. Alle dingen moeten meewerken tot ons heil.

Kijk, en dan hoeven we niet als de ongelovigen, de mensen van de wereld, krampachtig te zorgen voor morgen, alsof het allemaal van ons afhangt. Dan hoeven we ook niet doodsbenauwd te zijn voor overmorgen, en voor een 21e eeuw: zou er dan nog wel leven zijn op de planeet aarde? Zeker, de schep­ping is in nood, en het leven zal ons een zorg zijn, en we zijn verantwoordelijk voor onszelf en ons gezin. Maar wie in dat alles en boven dat alles uit op God gericht is, hoeft niet in paniek te raken. Die weet: de wereld is niet onze wereld, maar het maaksel van Gods handen. Zeker, dan gaan de bloemen nog dood en de bomen, dan kunnen aardappels en bieten wegrotten in de grond, dan kan ziekte een sterk lichaam slo­pen, en dan kunnen er harde klappen vallen. Maar zelfs temid­den van dat alles is er de zorg van Vader die er bij is en die zich niet onbetuigd laat,  en die leven schept uit de dood zelfs. Die kracht en moed geeft om er niet onderdoor te gaan.

   Als wij maar helemaal op Vader vertrouwen, elke dag. Dan kunnen we onbekommerd bij de dag leven, als de vogels en de bloemen die zelfs de meeste grauwe straat opfleuren. Dan mogen we bidden en werken met een verziende blik, want boven is Vader, en op Hem kan ik ook morgen weer rekenen.

Dat maakt ons niet zorgeloos, maar wel onbezorgd, want:

“Hij die met heerlijkheden  de leliën bekleedt, 

 zal ook zijn kinderen kleden Hij kent ons lief en leed.

 Geen schepsel wordt vergeten,  Hij houdt het al in stand,

 die vogels geeft te eten,  Hij voedt ons uit zijn hand”      

 Ja,  maar ook, en zelfs:

 Al zal geen wijnstok dragen, geen vijgeboom zijn vrucht,

al ligt het veld te klagen onder een lege lucht,

God doet zijn hand toch open, zijn lof krijgt stem in mij”

 °Die lof gaan we nu zingen , met Lied 448,   samen

                                                               amen

 

 

liturgie middagdienst

 votum en groet

zingen:                Ps. 104: 1,4,8

gebed

Schriftlezing:      Lucas 12: 13-34

zingen:                Gz. 38: 1,2,3

verkondiging:    zondag 50 Heid. Cat.

zingen:                Lied 448 (1-4)

geloofsbelijdenis

zingen:                Gz. 144: 7

gebed

collecte