Lucas 7: 1-10: Ben jij de moeite waard (jeugdthemadienst CGK en GKV)

Ben jij de moeite waard?  heb ik als thema gekozen voor vanmiddag.

Misschien is dat voor jou geen vraag:  je zit heel goed in je vel, en je zit er goed tussen.

Of het is juist een confronterende vraag die veel oproept: pijn, verdriet, teleurstelling.

Er zijn heel veel  jongeren die met zichzelf overhoop liggen, die vinden dat ze er niet goed of niet goed genoeg uitzien, die het lastig vinden zich op hun plek te voelen in gezelschap – ook in de kerk – zich op hun plek te voelen, die zichzelf sociaal onhandig voelen, die steeds weer waardering en bevestiging van anderen  nodig hebben om zich weer wat goed te voelen – en bij de eerste de beste kritische opmerking weer hevig aan zichzelf twijfelen

De media – zoals de TV en de sociale media – werken er behoorlijk aan mee om dat tot een probleem te maken want je krijgt allerlei ideaalbeelden langs van topmodellen die veel slanker en mooier zijn dan jij, van sporters die superfit zijn, en van een geweldig leven met genoeg geld te besteden en feesten te vieren, en met ontelbaar veel volgers op twitter en likes op facebook – en daar kan jij natuurlijk nooit aan tippen, hoe gezond je ook eet en hoe veel je ook sport, en hoe hard je ook traint:  ben ik wel de moeite waard, waarom lukt mij dat niet, en wie ziet nou wat in mij, en misschien ook: wat kan ik doen om ook zo te worden?

Ja maar, heb je wel door dat op die manier een schijnwereld wordt geschapen alsof het leven alleen maar bestaat uit succes en mooi-zijn, geld uit kunnen geven, geluk in de liefde –  terwijl daarachter veel leegheid en narigheid zit die mensen proberen te overschreeuwen? Een schijnwereld waarin geen donkere kanten zijn die er natuurlijk in het gewone leven wel zijn: dat dingen mislukken, dat je fout kiest, dingen doet die verkeerd uitpakken, dat je ziek kunt worden, dat relaties ook stuk kunnen lopen, dat je niet alles kunt wat  je zou willen.

Ja, en ook dat je diep van binnen wel weet dat je niet zo flink en zo stoer bent als je probeert over te komen, dat je vaak een grote mond hebt, dat je anderen pijn doet, en dat jezelf tegenvalt, dat je bang bent om echt jezelf te zijn uit angst afgewezen of gekwetst te worden.

Zoals ik een uitspraak tegenkwam van iemand die een boek heeft geschreven dat gaat over dat we in een onvolmaakte wereld leven: “wij mensen hebben onszelf aangeleerd om onze kwetsbaarheid te overschreeuwen of te onderdrukken; we doen zoveel moeite om sterk en krachtig over te komen, dat we overstuur raken als we met kwetsbaarheid geconfronteerd worden; en………..dat we krampachtig de barsten in ons bestaan proberen te verhullen”.

Gelukkig is er een vaste waarde die elk mens mag hebben, als door God geschapen en door Hem aanvaard, geliefd en kostbaar – denk aan dat liedje: we zijn allemaal parels in zijn hand.

Ja, en het geweldige is dat je tegenover God je niet beter en mooier en flinker hoeft voor te doen dan je bent, dat lukt niet eens, want God die je zelf gemaakt heeft kent je door en door, beter dan wij elkaar kennen, en zelfs nog beter dan jij en u en ik onszelf ooit kennen.

En daar zijn we in Gods ogen niet minder om; bij Hem mag ik zijn wie ik ben, hoor een lied: “zoals ik ben, met al mijn strijd, mijn angsten en onzekerheid, mijn maskers en mijn ijdelheid, o Lam van God, ik kom; zoals ik ben, ontvangt Gij mij, reinigt, vergeeft, omarmt Gij mij, vervult, verlicht, verwarmt Gij mij, o Lam van God, ik kom” – en dat Lam van God is Jezus.

In het verhaal van vanmiddag ontmoeten we een man die zichzelf niet de moeite waard vond dat Jezus naar hem toe zou komen, terwijl anderen hem juist erg hoog hadden – juist daarom vond Jezus hem zo waardevol dat hij hem – een buitenkerkelijke nota bene – tot voorbeeld stelt voor mensen in de kerk: zo’n groot geloof heb ik in Israël niet gevonden!

Het valt meteen op dat de man niet zelf op Jezus afstapt maar zijn netwerk inschakelt: een paar Joodse leiders bij wie hij sympathie had omdat hij het Joodse volk respecteerde en goed gezind was en zelfs – misschien financieel of door menskracht – had  meegeholpen bij het bouwen van hun synagoge;  – vandaar dat die Joodse leiders graag bij Jezus een goed woordje voor deze man deden ook al was hij een heiden en in dienst van de bezetter: hij verdient het dat u hem helpt want het is een aardige man die ons goed geholpen heeft.

Verrassend sympathiek op het eerste horen maar het verraadt wel een manier van kijken naar elkaar en beoordelen van elkaar die ook ons zomaar parten kan spelen: dat we aan de buitenkant blijven steken, en elkaars waarde afmeten aan wat in onze ogen goed gedrag is: trouw elke zondag op je plekje in de kerk, ruim en op tijd je VVB betalen en aan goede doelen geven, je actief inzetten binnen de kerk en voor de samenleving, en nog zo wat.

Wat vaker een rol speelt bij de kijk die we op mensen hebben: hoe kijken ze naar mij en wat kan ik met hem of haar – en als dat tegenvalt, zijn we zomaar er gauw klaar mee. Jezus had er in zijn toespraak hier vlak voor net wat over gezegd: “Stel dat je alleen van je vrienden houdt. Verdien je dan een beloning van God? Nee, want ook slechte mensen houden van hun vrienden. En stel dat je alleen goed bent voor de mensen die goed zijn voor jou. Verdien je dan een beloning? Nee, want slechte mensen doen hetzelfde”.

Dat is een belangrijke en ook wel pijnlijke les voor ons, want hoe kijken we naar elkaar en hoe kijken we naar mensen die geen christen zijn, naar b.v. moslims, naar mensen die anders zijn dan wij en zich anders gedragen dan wij gewend zijn en goed vinden, is er in onze kerk ook plek voor wie van buiten komen, die geen familie en vrienden in de kerk hebben? En:  krijgt iemand pas waarde voor ons als hij of zij zich aan ons wil aanpassen, of zijn we bereid om in te schikken en gastvrij te zijn en vriendelijk,  juist voor anders is dan wij zijn?

Dan is bijzonder dat die officier zich niet sterk maakt met wat hij allemaal heeft gedaan voor het Joodse volk of zich laat voorstaan op zijn rang als officier waardoor hij toch wel rechten kan claimen op Jezus’ hulp, zodat hij die man uit Nazaret kan commanderen – niets ervan.

O ja, hij staat echt wel zijn mannetje, en hij is geen watje, hoor maar: “Mijn soldaten moeten doen wat ik zeg” – en dat doen zij ook: “Als ik tegen een soldaat zeg: ‘je moet gaan’, dat gaat hij. En als ik zeg: je moet komen, dan komt hij. En als ik tegen mijn knecht zeg. ‘doe dit’, dat doet hij het.”  Echt een militair: discipline, bevel is bevel, je moet weten wat je plek is.

Dat is precies wat deze officier beseft, hij kent zijn plaats: “ik moet zelf ook doen wat mijn generaal zegt”….en wat nou zo bijzonder is: zijn plek is onder Jezus, Die ziet hij als zijn Meerdere: “Heer, u hoeft helemaal niet naar mijn huis te komen, want ik ben dat niet waard”. En dat komt hij niet zelf vertellen, hij stuurt een paar vrienden naar Jezus toe om Hem te laten weten dat Hij niet al die moeite hoeft te doen om naar zijn huis te komen.

Terwijl hij zijn soldaten en slaven kan sturen waar hij wil, Jezus niet, want Jezus is zijn Heer! En daarom vertrouwde hij erop dat Jezus aan één woord genoeg had om zelfs op afstand zijn zieke slaaf beter te maken: “u hoeft alleen maar te zeggen dan mijn slaaf beter moet worden. Dan zal dat ook gebeuren”.   Over zoveel vertrouwen is zelfs de Heer verbaasd!

Toch nog iets, want het is toch wel opvallend dat de Heer Jezus zich over deze officier verbaast en zegt dat Hij zo’n groot geloof, zo’n sterk vertrouwen, niet gevonden had in Israël. Terwijl al heel veel mensen van Israël naar Hem toe gekomen waren om hulp en genezing. Dan vraag je je af wat het bijzondere was van het geloofsvertrouwen van deze officier.

Ik denk dat het te maken heeft met de houding van deze man tegenover Jezus: Heer, doe geen moeite voor mij, ik ben dat niet waard, ik Romein, ik klein zondig mens… Terwijl binnen de kerk van toen veel mensen, de leiders voorop, zich op hun eigen status beriepen als toch God uitverkoren volk, en die leiders in dit verhaal het ook die Romein wel waard vonden dat Jezus hem ter wille was, om wat hij had gedaan voor het Joodse volk en voor hun synagoge – maar stel je voor als het zou gaan om iemand die ze zagen als tegenstander, als vijand – was hij het dan in hun ogen ook waard geweest?

Wat deze – zeg maar – buitenkerkelijke – meer dan zij door had, was dat niemand recht heeft op Gods liefde of de redding door de Heer Jezus om zijn afkomst of status, om wat hij ervan terecht brengt of om hoe hij eruit ziet, om hoeveel we misschien weten van de bijbel en doen voor God, en ook niet om hoe mensen naar ons kijken en van ons vinden, maar omdat God van ons houdt, omdat we bij God, wie we ook zijn of niet zijn, kostbaar zijn. Ergens in de catechismus staat dat God ons bidden wil verhoren, “al zijn wij dat niet waard”.

We weten niet wat er allemaal in die officier omging toen hij Jezus om hulp wilde vragen. Je kunt je voorstellen dat hij zich als niet-jood de mindere voelde, een buitenstaander. En als geharde militair had hij vast ook dingen gedaan waarover hij zich schuldig voelde, had hij misschien wel bloed aan zijn handen, bij handhaven van de orde van het Romeinse rijk.. Zoals elk mens dingen heeft waarover hij zich later schaamt of schuldig kan voelen – en dan is niet de oplossing om dat maar weg te stoppen of goed te praten, het te overschreeuwen, maar juist om moeilijke dingen of verkeerde beslissingen of fout gedrag eerlijk onder ogen te zien en het bespreekbaar te maken: met jezelf, God, met mensen om je heen; als hopelijk een begin van heling, als leermomenten, en om weer op je plek gezet te worden: wie ben jij?

Dat besef maakt nederig en bescheiden, naar God toe en ook in de omgang met elkaar. Je voelt je niet meer of beter dan een ander, en je hoeft ook je minder te voelen dan hem of haar, maar we proberen als als allemaal zwakke mensen naast elkaar te staan,e en voor God. Iemand schrijft dat God juist mensen met barsten liefheeft en dat door die barsten heen Gods  licht bij je kan binnenkomen- een psalm zegt dat God dichtbij gebroken mensen wil zijn, dat de HEER geneest – heelt – wie gebroken zijn van hart – en dan is genezing veel meer dan dat je na een ziekte beter wordt – ook dat kan God en wil hij vaak doen – maar het is veel meer: het is zijn redding van een beschadigd bestaan en vergeving van zonde en schuld.

Nou, dat hebben die Romeinse officier en heeft zijn slaaf mogen ervaren: “toen de vrienden van de officier terugkwamen, was de slaaf weer gezond”. Echt geloof stelt nooit teleur! Ik las ergens: “ook in de kerk komen we zo’n groot geloof niet vaak tegen, zo’n groot geloof dat kennelijk alles met nederigheid te maken heeft”. En de kerkvader Augustinus zei in een preek- zo’n 1600 jaar geleden – dat toen die officier zei dat hij het niet waard was dat Jezus naar zijn huis kwam, bewees “dat hij het juist wel waard was om Christus te ontvangen; niet in zijn huis maar in zijn hart. Hij zou dat toch nooit zeggen met zo’n geloof en zo nederig, als hij Christus niet in zijn hart droeg?”.

Ben jij de moeite waard?

Nou, voor God wel in elk geval, zo dat zijn eigen Zoon Jezus ook voor jou naar de aarde is gestuurd, dat Hij mens is geworden en jong is geweest, dat Hij ervaren heeft wat het is om niet in tel te zijn, afgewezen te worden, eenzaam te zijn, zelfs door zijn eigen Vader verlaten, om jou en u en mij weer bij God te brengen, geliefd en kostbaar als zijn kind.

Daar hoef je niet stoer voor te zijn, of er flitsend voor uit te zien, of vroom voor te zijn. Je mag zijn wie je bent, met je mooie kanten en met je minder mooie, moeilijke kanten. Je mag komen met waar je mee zit, wat je lastig vindt aan jezelf of irritant aan anderen. Voor God is niemand te slecht, of te dom, te lelijk of te onzeker, en God wil ook wat er zit aan schuld, aan falen, aan missers, je vergeven, en je maken zoals Hij je heeft bedoeld.

Voor God ben jij de moeite waard – en ik, en u – zo dat Hij in ons huis wil wonen, in ons hart, en ons leven, dat Hij elke dag naar ons wil luisteren en voor ons wil zorgen – en dan is de afstand geen probleem: God is maar één gebed ver, God kan als Hij wil ons genezen en ons leven leiden en beschermen;  vertrouw maar op Hem, zoek Hem maar op, bestorm Hem maar met je vragen, en geloof het maar: niets is onmogelijk, voor wie echt gelooft in Hem.                                                             

                                                                    amen

 

liturgie jeugdthemadienst

welkom

zingen:             Opwekking 464  ’Wees stil voor het aangezicht van God’

stil gebed

votum en groet (Sela)

zingen:             Psalm  65: 1,2,3 (Levensliederen)

gebed

bijbellezing:  Lucas 7: 1-10   BGT

zingen:            Opwekking 599  ‘Nog voordat je bestond’

preek ‘Ben jij de moeite waard?

zingen:            Gezang 408    (1-6)     (LB)    ‘Nu laat ons God de Here’

gebed

collecte,     met zingen Opwekking 136  ‘Abba Vader, U alleen’

apostolische geloofsbelijdenis

zingen:            Opwekking 770   ‘Hoe wonderlijk mooi is uw enige naam’

zegen

amen

Opwekking 746    ‘De God van de vrede geeft jou zijn zegen’

Jesaja 11: 1-10 : Vrede op aarde (2e adventszondag)

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

‘Hoogmoed komt voor de val’. Een bekend Nederlands spreekwoord dat zoals meer spreekwoorden, aan de bijbel ontleend is.  Het staat in Spr. 16: 18: “Hooghartigheid gaat vooraf aan ellende, hoogmoed komt voor de val”.

Eigenlijk begint alle ellende met hoogmoed, met boven eigen macht grijpen, en naar macht grijpen die je niet toekomt en die je niet aan kunt, denk aan de oerzonde uit het verloren paradijs dat de mens zich liet wijsmaken als God te kunnen zijn en zijn eigen koninkrijk op aarde te kunnen bouwen, met alle gevolgen ervan; en wat is er geworden van die toren tot in de hemel wat Babel werd, dat is verwarring, uiteengaan…want eendracht maakt macht leidt vroeg of laat tot ik ben meer dan jij.

Bijzonder hoe het in eigen ogen heel gewone meisje Maria hoog opgeeft van Gods plan met haar leven: “Hij heeft oog gehad voor mij, zijn minste dienares…grote dingen heeft de Machtige voor mij gedaan…Hij toont zijn macht en de kracht van zijn arm en drijft uiteen wie zich verheven wanen, heersers stoot Hij van hun troon, en wie gering is geeft Hij aanzien” ; dat is onze God ten voeten uit!

Nou, neem dat mee in je achterhoofd als we teruggaan in de tijd, de tijd van Jesaja en onze tekst. Zoals we vorige week al zagen was het een dramatisch slechte tijd voor die twee kleine staatjes waarin het eens zo eervolle Israël van David en Salomo uiteen was gevallen: het noordelijke rijk met Samaria als hoofdstad was al in handen van de grootmacht Assyrië gevallen en ook Juda onder koning Achaz had harde klappen gekregen: een aantal grenssteden waren al veroverd en in het begin van de regering van Achaz’ zoon Hizkia waren de legers van Assyrië tot vlak voor de poorten van Jeruzalem gekomen.

Lees maar Jes. 10. 32: “vandaag nog houden ze halt bij Nob - en Nob was een voorstadje van Jeruzalem. Nog een paar kilometer en dan zijn ze er : “ze ballen de vuist tegen de Sion, tegen de heuvel van Jeruzalem” .  Later in Jesaja (hoofdstuk 36) wordt daar  meer over verteld: over de grote mond van de Assyrische generaal Sanherib die voor de muur van Jeruzalem de mensen in de stad kon beschreeuwen en hen uitdaagde om niet op de HEER te vertrouwen maar zich aan Assyrië over te geven: “Laat Hizkia u geen valse hoop geven met zijn bewering dat de HEER u zal redden. Hebben de goden van andere volken hun land dan gered uit de handen van de koning van Assyrië?….. Als geen enkele god in staat is gebleken zijn land uit mijn handen te redden, hoe zou dan de HEER Jeruzalem kunnen redden?”.

 Het was de dwaasheid van de bijl die een grote mond heeft tegen de houthakker of de zaag die op eigen houtje acteert, tegen de timmerman in, een stok die wie hem vasthoudt wil optillen…

Dat is ze duur komen te staan: “God, de HEER van de hemelse machten, houwt met geweld hun takken af, de hoogste bomen worden omgehakt, de statigste bomen komen ten val, met een bijl kapt hij de struiken weg”. Ze blijven nergens en zijn vergeten, al die woudreuzen, of ze nou Assyrië heten, of Babel, het wereldrijk Rome, of later Nazi-Duitsland, of de Sovjet-Unie—-weg!

Elke keer weer komt die hoogmoed voor de val, omdat God het niet neemt als mensen – hoe machtig ze ook denken te zijn en hoeveel te voor elkaar hebben gekregen – als mensen Hem zou uitdagen. Terwijl de HEER maar niet de god is van die twee kleine landjes, of van een groep christenen, maar de Koning van heel de wereld die alle dingen regeert en van wie wij zingen dat de HEER de plannen van de volken kan laten mislukken maar dat zijn plan doorgaat, en eeuwigheidswaarde heeft.

Dat heeft ook zo’n machtsblok als Assyrië aan den lijve ondervonden toen het zijn eigen plan trok. Eerst konden ze ver komen en hebben we Israël van de kaart geveegd en Juda bedreigd – en dat niet op eigen initiatief maar, zonder dat te beseffen en te erkennen, als strafinstrument van de HEER om zijn eigen volk een les te leren – als gesel en als stok om dat hoogmoedige volk te slaan.

Met daarachter zoals altijd Gods bedoeling om niet mensen de dood en de vernieling in te jagen maar om ze tot inkeer te brengen en te werken aan een nieuw begin, zoals die andere profeet namens de HEER schreef aan ballingen in het verre Babel: “Ik heb jullie geluk voor ogen, niet jullie ongeluk, ik zal je een hoopvolle toekomst geven” (Jeremia 29). Gods trouw is altijd sterker dan onze ontrouw.

Dat moet u erin horen als de HEER het heeft over ‘de stronk van Isai’: het huis van David was als een boom die omgehakt en kaalgeplukt was- en van wie weggevoerd waren en nog zouden worden zou niet meer dan een rest terugkomen – en ook al bleef Jeruzalem op het nippertje gespaard en was er nog steeds een afstammeling van David koning, wat voor toekomst hadden ze nog met elkaar – in dat provinciestadje Jeruzalem met een koning die niks voorstelde in de grote wereld: een omgehakte boom tussen allemaal hoge woudreuzen: Assyrië, later Babel, dan Perzië.. En wat heb je in 2014 in te brengen als christenen, in een wereld waarin het draait om macht en geld, status, invloed op massamedia en sociale media, en brutalen de hele wereld willen winnen?

Het lijkt ontmoedigend en hopeloos als van een ooit zo fiere groeizame boom een stomp overblijft. Het laatste vers van Jesaja 6 kondigt het al aan als de waarschuwing klinkt dat in Israël eerst en in Juda en Jeruzalem daarna steden en huizen verlaten zullen zijn en er geen mens meer wonen zal: “zoals een eik of een terebint wordt geveld voor een vuur, er blijft slechts een stronk over” (6:13) .

Maar let op,dan staat er geen punt maar een komma, en daarachter: “het zaad in die stronk is heilig”. Dat is wel heel verrassend, en hoopvol want zaad is toch nog nieuw leven, toch weer toekomst. Het mag een kleine rest zijn die overblijft, meer niet, maar door Gods trouw  komt er een doorstart. Dat is te danken aan de genade en de trouw van God, voor zijn volk Israël en het huis van David.

Die worden wel teruggesnoeid tot op de wortel – en dan valt de naam Isai, dat is: terug naar Start. Naar dat onooglijke begin toen Samuël een herderjoch dat niet meetelde tot koning zalfde. En de nieuwe start wordt een timmermanswerkplaats in het verachte Nazaret en een jong meisje dat nog niet getrouwd was en geen status had, ze zong er zelf van: “Ik geef alle eer aan God, Hij is mijn redder, Hij koos mij uit, een heel gewoon meisje….God heeft zijn kracht laten zien” (Luc. 1: 46 e.v.).

Het is de kracht van nieuw leven uit wat dood en hopeloos leek:  “zoals uit een oude, omgehakte boom een kleine, nieuwe tak kan groeien, zo komt uit de oude familie van David een nieuwe koning”.

  Ja, en wat voor een koning! Heel anders dan Achaz zich gedroeg, groter dan zijn zoon Hizkia, en ook meer dan voorvader David. Wat van David gezegd kon worden – dat de Geest van de HEER hem bezielde en richting gaf, zo zal dat nog veel uitbundiger en blijvender gelden van de hier beloofde nieuwe koning: “de Geest van de HEER zal op Hem rusten” – later schrijft Johannes over Jezus: “God schenkt de Geest in overvloed”. Iemand schrijft. “wat in het klein, met veel gebrek, bij David aanwezig was, dat heeft deze Zoon van David in het groot en volmaakt”. Deze koning is echt gezalfde, met de Heilige Geest – echt Messias.

Hij doet maar niet alleen goede dingen, in Gods ogen, en voor de mensen, Hij is goed, eerlijk, trouw. Is er als het ware in gekleed:  Hij draagt gerechtigheid en trouw als een gordel, als een riem die zijn kleren bij elkaar houdt en af maakt, en die zijn koninklijke uitstraling bepaalt, typeert wie hij is.

 Niks van hoogmoed dus, geen machtsmisbruik, geen zucht naar status en rijkdom, maar dienst. Denk weer aan Jezus: Ik ben niet gekomen om gediend te worden, maar om u, jou, te dienen. En zijn leerlingen op hun nummer zette toen die zich druk maakten om hun positie: “Jullie weten hoe het gaat in de de wereld. Koningen heersen over hun volk. En mensen met macht spelen de baas over anderen. Maar zo mag het bij jullie niet gaan. Als je de belangrijkste wil zijn, moet je de anderen dienen. Als je de voornaamste wil zijn, moet de anderen dienen zoals een slaaf doet” (Matt.20: 25-27) Wat Jezus voordeed door als een slaaf de voeten van zijn leerlingen te wassen: “Ik ben jullie Heer en meester, en toch heb ik jullie voeten gewassen…Dat moeten jullie ook voor elkaar doen”  (Joh. 13)

Als je zo Jezus hebt leren kennen, Hem hebt horen spreken en Hem bezig hebt gezien, krijgt wat Jesaja vanuit de verte zag een gezicht, en handen en voeten – het gezicht van Jezus, en zijn handen en voeten – en hoe waar is het geworden in zijn leven: “een scheut van zijn wortels komt tot bloei”.

Wat je bij David in de knop ziet, maar wat later in de knop gebroken lijkt, komt tot bloei in Jezus – en:  krijgt vertakkingen en nieuwe uitlopers als mensen aan deze Jezus verbonden zijn en als zijn Geest in u en jou gaat wonen, en er een gemeente komt van nu al burgers van Gods nieuwe wereld.

Kijk, en daarom moeten we profetieën als die van Jesaja niet meteen doordromen tot de jongste dag. Die neiging hebben we gauw, zeker als het gaat over vrede op aarde, waarover Jesaja het hier heeft en waarover eeuwen later de engelen zongen in de nacht dat Jezus werd geboren – en als Jesaja een paradijse wereld schildert van een wolf vreedzaam – met een d – naast een lammetje, en kalf en een leeuw die samen lopen te grazen in de wei, en een baby zomaar onbeschermd bij een slang;  een wereld waarin niemand kwaad doet en onheil sticht, waarin geen aanslagen meer worden gepleegd en geen mens meer een ander mens neersteekt, een wereld waarin alle mensen de HEER kennen en eren als hun God, waar de vrede niet meer verstoord wordt en waar niemand meer onrecht pleegt.

Dan zeggen we en ervaren we dat wat we ook proberen, zoiets hier en nu een illusie is, en we zeggen ook dat mensen geen nieuwe wereld  kunnen maken, en dat alleen God dat  kan doen en zal doen. Het is allemaal helemaal waar, en de bijbel wil ons met dat uitzicht hoop geven en bemoedigen.

   Ja maar, wat God ook wil is ons opschudden en ons aansporen om nu al, in onze eigen tijd en ieder op eigen plek, en met eigen mogelijkheden en verantwoordelijkheid, burger van zijn rijk te zijn. Veel van wat Jesaja en andere profeten beschrijven en aankondigen, slaat op wat in onze wereld gebeurt en mogelijk wordt – er staat ook in deze hoofdstukken vaak bij: ‘dan’, en ‘op die dag’ – b.v. dat ballingen terugkomen, en dat verwoeste steden weer opgebouwd worden – het is gebeurd!

Ja, en Jezus heeft al laten zien hoe het rijk van zijn Vader eruit ziet, en dat als je Hem volgt, er al een nieuwe wereld voor je opengaat en dat God mensen kan en wil veranderen – het zijn ook beelden uit deze wereld over eerlijke rechtspraak en afstoppen van kwaad en uit zijn op vrede. Iemand merkt op:  “Als we die vrede helemaal naar de nieuwe wereld verleggen, dan maken we het onszelf uiteindelijk alleen maar gemakkelijk…Maar Christus brengt het koninkrijk van God vandaag”.

Kijk, en dan worden die mooie dingen die worden gezegd van hoe die nieuwe grote koning zal zijn en hoe hij optreedt, niet alleen maar mooie toekomstdromen, maar zetten ze ons aan het werk. Want als we echt koning Jezus willen volgen en op Hem willen lijken, verandert dat onze houding en onze manier van doen en laten en praten, zeker in de kerk als toch de plek waar de burgers van het nieuwe rijk bij elkaar komen en worden geïnstrueerd, en waar de Geest van God wil wonen.

En als dan van die koning mooie dingen worden als dat hij niet oordeelt – laat staan veroordeelt – op grond van uiterlijke schijn, op het eerste gezicht;  dat hij  niet afgaat op geruchten, dat  hij opkomt voor de zwakken en arme mensen goed behandelt, en dat hij altijd eerlijk is en trouw, op vrede uit is, dan heeft dat als het goed is een goede invloed op ons, dan zal dat de kerk en van daar uit de wereld, veranderen; dan gaat daar een invloed ten goede van uit – zoals het evangelie van Jezus en van zijn apostelen er vol van zijn – en het echt waar kan worden nu al: vrede op aarde, vrede in onze dagen.

Het is waar, dan is er nog veel krom en slecht en donker – kunnen wij geen paradijs terugbrengen. Maar uit die afgehakte boom – ten dode opgeschreven vanwege zonde en onwil en onmacht – is wel degelijk nieuw leven tevoorschijn gekomen, zoals dat mosterdzaadje in die gelijkenis van Jezus uitgroeide tot een geweldige struik waarin vogels van allerlei pluimage hun nest kunnen bouwen.

 Het beeld van Jezus die uit allerlei volken en met heel verschillende mensen zijn volk verzamelt. Jesaja tekent datzelfde met een ander beeld: die telg van Isai, die grote zoon van David, die het verzamelpunt wordt voor alle volken, en onder de vlag van zijn rijk heel de wereld bijeenbrengt – wat nog steeds aan de gang is sinds met Pinksteren het evangelie wereldwijd ging en de kerk wereldkerk werd – op weg naar die ontelbare menigte van alle volken en talen en culturen…..

Ja, en dat sprookjesachtige dan van een soort nieuw paradijs waar niet de leeuw de koe opeet maar ze samen stro eten, waar een kind speelt met een slang, en nergens meer gevaar loert? Ik denk: beelden voor een wereld waarin het goed is te leven, met elkaar, en samen met God.

Wat het precies zegt over de nieuwe aarde, en of er daar ook dieren zijn, wie zal het zeggen? Helemaal letterlijk doortrekken naar dan is lastig – want dan zouden op de nieuwe aarde ook baby’s geboren worden en spelende kinderen – en moeten dieren ook eten – waar komt het stro vandaan?

Ik denk dat het vooral beelden zijn voor een wereld zonder kwaad of gevaar, terreur, oorlog, dood. Waar mensen niet meer als wolven zijn voor elkaar, en we elkaar echt in liefde dienen en steunen.

Zou het dan niet mooi zijn – en een opdracht voor wie Gods Geest gekregen hebben – als we nu al daar iets van zouden laten zien – aan de Heer – en aan elkaar – en aan de wereld om ons heen?

In Galaten 5 spoort de apostel zijn lezers van toen en nu om elkaar te dienen in liefde – met de waarschuwing erbij:  maar als u elkaar bijt en opvreet, pas op dat u niet door elkaar verslonden wordt”, of:   blijf niet als wilde dieren met elkaar vechten, dat wordt uiteindelijk jullie dood!. Het tegendeel van dat mooie beeld van dieren en mensen die vreedzaam met elkaar omgaan.

  Vrede op aarde – door de profeet aangekondigd, door de engelen afgekondigd, die vrede is Jezus. Daarom is het advgentsevangelie dat er  vrede op aarde is, nu al – als je verbonden weet met Jezus en gedreven door zijn Geest – en op Gods tijd eens en voor altijd.

                                                                             amen

 

 

liturgie morgendienst 2e adventszondag

votum en groet

zingen:       Ps. 33: 1,4

Gods leefregels Leviticus 19

zingen:       Ps. 33: 2,8

gebe

Schriftlezing:  Jesaja 10: 5-34

zingen:        Ps. 75: 1,3,4,6

Schriftlezing:  Jesaja 11: 1-10

zingen:       Lied 132 (1,2,3)

verkondiging over Jesaja 11: 1-10    In blijde verwachting:  Vrede op aarde

zingen:       Gezang 47: 1v, 2v,3a, 4m,5m,6a

gebed

collecte

zingen:       Ps. 72: 1,4

zegen

amen:         Ps. 72: 10

Psalm 22: 11: Samen in Gods Vaderhand (bediening van de doop aan Hanna Dineke Wimmenhove)

Beste Egbert en Josien, familie, vrienden, andere gasten, gemeente van onze Heer Jezus Christus,

“Jouw handjes in onze handen, samen in Gods Vaderhand”.

Dat staat op het kaartje waarmee jullie de geboorte van jullie dochter Hanna Dineke bekend gemaakt hebben. Heel mooi om zo bij elkaar te brengen dat Hanna van jullie zorg en liefde afhankelijk is en dat jullie graag die zorg en liefde aan haar willen geven, maar ook dat jullie zelf,  samen met haar en met Lydia,  je afhankelijk weten van de zorg en de liefde van Vader in de hemel: veilig in zijn Vaderhand.

Helpende handen, die zijn er gelukkig overal om je heen, zeker ook bij een zwangerschap en rond een bevalling. Mensen worden erbij ingeschakeld als God nieuw leven schept en ter wereld laat komen: een man en een vrouw die vader en moeder mogen worden, een verloskundige of een arts. En als het kind er eenmaal is, staan er ook behulpzame mensen om heen: een zuster, de huisarts, en natuurlijk familie en vrienden. Wat blijft: de drukke baan van vader en moeder zijn voor je kind wordt met een tweede nog drukker, naast het dagelijks werk buiten de deur en een verhuizing voor de deur, en ook nog sociale verplichtingen en werk in de kerk : best veel taken, en een belangrijke verantwoordelijkheid.  Je komt soms handen – en tijd – en rust -  te kort.

Ja, maar voorop blijft staan: ontvangen uit Gods hand en veilig in zijn Vaderhand. Want God trekt zijn hand niet terug als het kind er eenmaal is. Nee, dan legt God zijn hand op dat kleine hoofdje en Hij zegt: jij bent en jij blijft van Mij, Hanna, mijn kind. Ik wil ook jouw Vader zijn. Ik wil voor je zorgen en Ik beloof je dat Ik je helpen zal om Mij te leren kennen en lief te hebben, en te leven als mijn kind.

Nou, dat is wat de doop uitbeeldt en waar de doop jullie en ons allemaal van wil verzekeren. Wat jullie bij het groter worden ook Hanna mogen vertellen en mogen voorleven: wat fijn dat wij – en jij ook – een Vader in de hemel hebben! Je mag haar vertellen van die Vader en van de Here Jezus. Je mag ze leren bidden en zingen. En ook haar voorhouden hoe Vader graag wil dat zijn kinderen zich gedragen.  Weer: een hele taak en een belangrijke verantwoordelijkheid, in een wereld met zoveel gevaren, en  snelle veranderingen en elke keer weer nieuwe keuzes, in een wereld die vaak op een doolhof lijkt.

Wat een houvast geeft dan onze tekst! Die tekst gaat wel niet over de doop, maar wel over wat die doop wil laten zien. Wat God met die doop wil zeggen: ook jij – en wij – samen in Gods Vaderhand.

     Samen in Gods Vaderhand

1. daar heb je houvast aan in je leven;

2. daar mag je Vader aan houden;

3. daar heeft de Heer  Jezus voor betaald;

4. daar leert de Heilige Geest ons op vertrouwen.

 1. Houvast in het leven, want samen in Gods Vaderhand

  Midden in deze aangrijpende psalm, vol bittere klachten en noodkreten diep uit de put, maar ook vol diepe dankbaarheid, grijpt David ineens naar het begin van zijn leven terug. Over de verzen erom heen moeten we straks ook nog wel iets zeggen, maar nu eerst maar eens even heel gewoon naar die verzen 10 en 11 kijken. Die verrassen ons eigenlijk, zomaar zo’n heel open en intiem­ tafereeltje, en dat uit de mond van koning David. Er is niks van preutsheid, niks om je voor te schamen. In een paar woorden zie je het voor je. Sta je bij het kraambed van de vrouw van Isaï – haar naam kennen we niet eens – en maken we de bevalling mee. Nee, geen details daarover, wel het belangrijkste. David zingt ervan: “U hebt  mij uit de buik van mijn moeder gehaald, mij aan haar borsten toevertrouwd.”  Zoals dat gaat als een kindje geboren wordt – gehaald is – en lekker tegen moeder aan wordt gelegd, en bij mama ligt en bij mama drink­t en het nergens beter heeft dan juist daar.

Kijk, en David bedankt de Here daar voor, na zoveel jaren nog: Heer, dat heb ik aan U te danken, zoals elke baby: U hebt mij uit het lichaam van mijn moeder gehaald en veilig tegen haar borst gelegd. Wie anders dan de Heer  geeft het leven en de levensadem – en het eerste gehuil – en alle dingen? Dat is nog altijd zo, hoe de bevalling ook gaat en wie er ook bij helpt. Uiteindelijk is het de Heer die nieuw leven geeft en dat leven spaart en beschermt: “toen ik geboren werd, vingen uw handen mij op” – en we mogen erop vertrouwen dat God niemand uit zijn handen laat vallen.

  Eeuwen geleden heeft Calvijn bij zijn uitleg van deze tekst al opgemerkt dat je bij elke geboorte in aanbidding voor God zou moeten wegzinken. Want, zegt hij, “wat kan er niet in de weg komen, dat honderden malen de vrucht in haar omgeving zou vergaan, voordat de tijd van de geboorte daar is”. Dat weten jullie uit eigen ervaring: dat het ook moeilijk kan zijn of mis kan gaan, dat het begin van de zwangerschap niet zonder zorgen was, en dat het een wonder is dat Hanna er is, gezond en vitaal. Veel reden om God te danken als alles goed gaat. Het spreekt niet vanzelf. Het is niet verdiend. Daarspreekt haar naam ook van: Hanna= genade, de Heer is genadig!  Het is een groot wonder: Heer, u hebt het leven aan haar geschonken!  En Heer, laat haar dan nu niet alleen!

Dat geeft houvast.  Want de Heer trekt zijn hand niet terug als een mens eenmaal ter wereld is gekomen en laat zijn kind niet vallen. David zingt van de blijvende betrokkenheid en zorg van God:   “toen ik geboren werd, vingen uw handen mij op” , en: “al voor mijn geboorte was u mijn God”.

Dat heeft David in zijn veelbewogen leven ervaren. Dat mag elk kind, elk mens van God,  ervaren. Wat kun je beter doen dan je kinderen toevertrouwen aan de zorgen van de Heer..? Dan zijn ze, samen met ons, veilig en beschermd, wat er ook gebeurt.

Wat een houvast: vanaf de geboorte wil de Heer onze God zijn, en die van onze kinderen! Dat geeft moed en rust, ook in deze tijd: God is er toch bij?!

 

 2. Je mag er Vader aan houden: trek uw handen niet van ons af.

De verzen van onze tekst stonden niet op een geboortekaartje. Ze staan in een psalm die vol staat met klachten en bol staat van de meest barre ellende. De psalm begint met de bitterste klacht die uit de mond van een gelovige kan komen: “mijn God, mijn God waarom hebt U me alleen gelaten?”.

Wij denken dan natuur­lijk meteen aan  Jezus aan het kruis, die juist deze schreeuw uit de diepte naar God toegeslingerd heeft toen hij drie uur lang in het pikdonker van de hel gehangen had, toen zelfs zijn eigen Vader geen antwoord meer gaf en Hem niet te hulp kwam, en de angst van de hel Hem alle tro­ost deed missen: mijn God, mijn God, waarom laat U mij toch zo in de steek?

Maar die schreeuw van psalm 22 is eerst gegrepen uit het eigen leven van David. Die er bij tijden zo diep onderdoor moest, dat het wel leek of God hem in de steek liet en zijn handen van hem had afgetrokken:  ”Mijn God, al schreeuwend vul ik al mijn dagen.U antwoordt niet, en ook in lange nachten krijg ik geen rust, geen antwoord op mijn klachten. Hoort u mij niet?”.

Er leek niks van te kloppen, van al die mooie verhalen van vroeger: over die voorouders die op God vertrouwd hadden en die wonderlijk gered waren. Ja, zij wel, maar ik niet: voor mij heeft God geen aandacht. Ik ben niet meer dan een worm waar ze overheen lopen zonder het te merken. Die vijanden die me in de grond boren met hun gemene spot: kom eens op met je geloof, waar is die God van jou nou, waarom helpt die je niet…. U was mijn God voordat ik werd geboren.Houd u niet stil, mijn leven wordt verduisterd.Ik ben zo bang, en niemand helpt of luistert! Hoor mijn gegil”.

Dat kan je gebeuren, ook en juist als gelovig kind van God. Wat kan er niet gebeuren waardoor je wereld lijkt in te stor­ten en je door elkaar gerammeld wordt en er niks lijkt over te blijven van al die mooie beloften van God in de bijbel en bij je doop.  Je kunt bidden wat je wil, maar het helpt niet en er verandert niks. Je kunt je niks voorstellen bij een Vader in de hemel en je kunt niks met al die mooie woo­rden over God die voor je zor­gt, en die alle dingen ten goede doet meewerken. Voor mij? Kom nou toch! Laat maar eens zien dan!

Dan kunnen vragen opkomen, vragen naar het waarom. Waarom geen genezing en waarom dan toch die moeder en oma weggehaald bij jullie, nog voor ze haar kleindochter heeft mogen zien en in de armen heeft mogen nemen? Mooi dat die tweede naam -Dineke -de herinnering aan moeder en oma Wimmenhove levend en in ere houdt -in het geloof dat zij leeft bij haar God.

Gemeente, als David dan ineens weer naar dat begin van zijn leven teruggaat, dan is dat toch niet om te zeggen: nou, daar is mooi niks van terecht gekomen. Zo van: het zou wat, al vanaf de geboorte mijn God….die God heeft het er lelijk bij laten zitten. Nee, het is juist een terugvallen op de eerste zekerheid van zijn leven, en meteen de laatste die overblijft: maar Heer, U geeft toch niet op waar U in m’n leven mee bent begonnen? Het is zeg maar de vaste grond van Gods beloften en van Gods verbond waar David op terugvalt, en waar Hij in zijn grote nood de Here aan herinnert: Heer, u bent toch mijn God? Ondanks alles blijft het – zelfs als David zich van zijn God verlaten voelt- mijn God, mijn God! Heer dat bent U toch nog, en ik ben toch uw knecht, de man naar uw hart, uw kind?

  Jullie, en ik, en ook Hanna als ze groter wordt, mogen onszelf en elkaar – èn de Heer – herinneren aan wat bij onze doop beloofd is en zichtbaar gemaakt: een eeuwige band die God heeft gelegd met ons: jij bent van Mij, en dat bli­jft zo, wat er ook gebeurt, en juist als het erom spannen gaat en als het stormen gaat. Je mag erop terugvallen en erop teruggrijpen als alles onder je voeten wegzakt. Je mag erop ple­iten, voor je­zelf, voor je kind, ook voor dat kind dat het spoor bijster is, of dat maar niet zijn of haar hart aan God durft geven. Het niet met de Here alleen durft wagen.  In onze belijdenis staat zo mooi: “de doop is niet alleen van waa­rde voor ons wanneer wij hem ontvangen en het water op ons is, maar gedu­rende heel ons leven”. Gods liefde en trouw drogen nooit op! God geeft niet op!

3. De Heer  Jezus heeft ervoor betaald dat mensen in Vaders handen geborgen zijn.

 We hebben dat weer gezien en gehoord vanmiddag:  “de doop in de naam van de Zoon is een teken en zegel dat de Heer Jezus al onze zonden afwast op grond van zijn lijden en sterven“.

Onze tekst staat in die psalm die – meer dan David zelf besefte – afstak in de diepte van een lijden waar dat van David nog maar kinderspel bij was. Waar David zich door zijn God verlaten voelde, daar werd vele eeuwen later zijn grote Zoon werkelijk door zijn eigen Vader verlaten, in onze plaats, om ons voorgoed bij zijn Vader terug te brengen. Zodat Vader zegt: jij bent van Mij, Hanna, want ook jouw kwaad is weggewassen, in Christus’ zuiver bloed. En dat biedt veiligheid en geeft hoop.

Maar dan komt het er wel op aan dat te geloven. Je leven en dat van je kinderen veilig te weten bij Vader, door dat grote offer van zijn Zoon. Daar vooral zullen we onze kinderen over vertellen. Dat vooral geeft vaste grond onder onze voeten, als je alles onder je voelt wegzakken en zoveel zekerheden hier op aarde drijfzand blijken.Niet lang geleden hebben we daar samen van gezongen : “ik heb de vaste grond gevonden, waarin mijn anker eeuwig hecht: de dood van Christus voor de zonden”.  Deze doop legt die grond weer bloot. Deze doop stelt ons allemaal weer de vraag: hebt u, heb jij, die vaste grond gevonden? Is dat je enige houvast, van de wieg tot aan het graf? Dan hoef je niet bang te zijn voor het leven, én niet voor de dood. Leg maar gewoon je hand in die van je Heer!

4. De Heilige Geest leert ons erop vertrouwen dat we samen in Gods Vaderhand veilig zijn.

David had het niet van zichzelf: dat hij zelfs onder de meest barre omstandigheden het toch vasthield: mijn God.  Dat kon Hij alleen en dat zei Hij alleen, geleid door Gods Geest.

Je kunt je kind niet het geloof in God en vertrouwen op Jezus meegeven, laat staan het  haar opdringen. Je kunt het zelf niet vasthouden als het van jezelf moet komen. Wat kunnen er een twijfels opduiken. Wat een strijd kan het geven er houvast aan te krijgen en te houden: maar toch ben ik Gods kind. Wat lastig om het je eigen te maken zodat het echt wat van jezelf wordt, een keus van je hart.

Maar we hebben gebeden vanmiddag om de Heilige Geest en zijn werk:  “Leid haar altijd door uw Geest. Laat haar volgens uw woord worden opgevoed en in Christus tot geestelijke groei komen”.

Maar dat bidden we als het goed is ook voor onszelf en voor elkaar: of de Heilige Geest die nieuwe geboorte wil bewerken, dat nieuwe hart en dat nieuwe leven, en die zekerheid: ik ben Gods kind! Dat is het grootste wonder: een zwak mens die gaat schuilen aan Gods hart, veilig in Jezus’ armen.

Waar je veiliger bent dan bij je eigen moeder en je eigen vader!

                                                                   amen 

 liturgie middagdienst zondag 23 november 2014  (doopsbediening)

zingen:       Gz. 171: 1,3 

votum en groet

zingen:       Ps. 95: 1,3

gebed

doopformulier  3

zingen:      Gz. 161: 1

geloofsbelijdenis

zingen:      Gz. 161: 4

zingen na ja:   dooplied Sela

doopgebed

zingen na doop:  Ps. 103: 5

dankgebed

Schriftlezing:  Psalm 22: 1-12 en 28-31

zingen:     Ps. 22: 4,11,14

verkondiging:  Psalm 22: 11

zingen:     Gz. 163

gebed

collecte

zingen:     Gz. 165

zegen

amen:      Opw. 710

Matteüs 5: 3: Van harte gefeliciteerd! Nationale Bijbelzondag 2014 – met nagesprek

liturgie morgendienst zondag 26 oktober 2014

votum en groet

zingen:      Ps. 147: 1,4

wet van God

zingen:      Ps. 35: 1,13

gebed

Schriftlezing:  Matt. 4: 23- 5:16

zingen:      Gz. 38 (1-4)

verkondiging: Matt. 5: 3   ‘Van harte gefeliciteerd!’

zingen:      Lied 21: 3,5,7

gebed

collecte

zingen:      Ps. 84: 3,6

zegen

—————————————————————————————————————————-

Gemeente van onze Heer Jezus Christus, als het goed is allemaal leerlingen van meester Jezus,

dia 1

Van harte gefeliciteerd!

Dat zijn we gewend te zeggen bij allerlei gelegenheden: een verjaardag, als mensen een kind gekregen hebben, zoveel jaar getrouwd zijn, bij slagen voor een examen:  gefeliciteerd!

Je zegt het niet natuurlijk bij teleurstellingen, of ziekte, of tegen de familie op een begrafenis. Soms vergist iemand zich lelijk en zegt ‘gefeliciteerd’ als hij bedoelt: ‘gecondoleerd’ – pijnlijk!

Feliciteren doe je met wat goed is en mooi, als je  samen met mensen ergens blij over bent.

Van harte gefeliciteerd! Eigenlijk is dat wat de Heer Jezus als eerste zegt in de toespraak die we de bergrede noemen. Maar het klinkt heel anders dan zoals wij elkaar feliciteren met iets dat we te vieren hebben. dia 2 Hier worden mensen gefeliciteerd die arm zijn, die verdriet hebben, die onrecht lijden en om hulp schreeuwen, die worden vervolgd om wie ze zijn en om wat ze geloven – en dan, als klap op de vuurpijl, worden de mensen om Jezus heen persoonlijk ermee gefeliciteerd :     “Gelukkig zijn jullie …wanneer ze je omwille van mij uitschelden, vervolgen en van allerlei kwaad betichten. Verheug je en juich”.   Om het met de BGT te zeggen:  ”Als dat gebeurt, moet je blij zijn en vrolijk”.

  Wat de Heer zegt en bedoelt, heeft dus een andere lading en bedoeling dan als wij feliciteren. Wij wensen geluk wie succes hebben, wie het voor de wind gaat, gezond is, sterk, en in tel. Iemand schrijft: “Niemand zou mensen die vreselijke dingen meemaken gelukkig prijzen. Maar in deze serie uitspraken worden de zaken op de kop gezet. Niet wie op het eerste gezicht gelukkig lijkt, is werkelijk gelukkig. Maar juist mensen van wie je in eerste instantie denkt ‘die zijn er slecht aan toe’. Dat kan omdat deze uitspraken uitgaan van de waarden van Gods nieuwe wereld. Om het ‘echte geluk’ te zien moet men verder kijken dan het alledaagse leven en de waarden van deze wereld”. Zeg maar: bij Jezus kom je in een andere wereld; Jezus zet de ons bekende wereld op de kop.

Dat klopt ook wel want wat Jezus aan het doen was, lezen we vlak voor die zaligsprekingen. Al in 4: 23: “Hij verkondigde het goede nieuws van het koninkrijk” = het hemelse rijk van God. Om het te zeggen met de BGT: “Hij vertelde het goede nieuws over Gods nieuwe wereld”. 

Ja, en Jezus demonstreerde ook hoe het er in die nieuwe wereld aan toe gaat, hoe het is als alles voorgoed nieuw wordt: “Hij maakte alle mensen beter die ziek waren of pijn hadden”. dia 3

Geen wonder dat de mensen massaal achter Hem aan kwamen, dat ze hun zieke en hun gehandicapte familieleden en vrienden meenamen, en dat het nieuws over alles wat Jezus zei en deed als een lopend vuurtje het hele land doorging: zorg dat je er bij bent, bij die Jezus! Dat is ook wel een felicitatie waard:  van harte gefeliciteerd als je deze Jezus mag leren kennen, als ze van Hem genezing verwacht, als je al iets mag ervaren van die nieuwe wereld.

Precies op dat moment gaat Jezus er eens goed voor zitten en neemt Hij er de tijd voor om- zo begint de vertelling over die toespraak op de berg – “uitleg te geven over de nieuwe wereld “.

Dat was – staat er bij – met het oog op al die mensen die achter Hem aan kwamen: “toen Hij de mensenmassa zag, ging Hij de berg op. Daar ging Hij zitten met zijn leerlingen om zich heen”.

En dan lijkt het een terugtrekken in kleine kring: “Jezus begon zijn leerlingen uitleg te geven.” dia 4   Toch is de bedoeling niet dat wat Jezus gaat zeggen alleen bestemd is voor de ingewijden, voor de kleine kring van de uitgekozen discipelen – alle mensen en ook wij eeuwen later mogen meeluisteren, worden aangesproken, en worden gefeliciteerd: de bedoeling is dat zij toen en ook wij vandaag leerling van Jezus zijn, om zo de weg te vinden, achter Jezus aan, naar het echte geluk.

Geluk dat dieper gaat en langer meegaat dan als je weer een paar gezonde ogen of benen hebt. Geluk dat je ook kan ervaren als je ziek blijft of gehandicapt, als je verdriet of pijn te dragen krijgt. Daarom is de vertaling van de BGT precies de spijker op de kop: “het echte geluk is voor…..” en dan komt er zou je kunnen zeggen een profielschets van de echte leerling, van de echte christen.

Natuurlijk is de bedoeling niet van Jezus dat het fijn is als je verdriet hebt, dat je moet verlangen naar lijden en vervolging, dat je niet blij mag zijn als het goed met je gaat, als je gezond bent…..

Alleen maar:  als het niet meer is dan dat, blijft het aan de oppervlakte en is het broos en maar voor een tijd; en – schrijft een uitlegger – “in ieder mensenhart ligt heimwee naar een geluk dat verder weg ligt” – zeg maar: veel mensen voelen ergens en hopen ook dat er meer is, meer dan huisje-boompje-beestje – meer dan een goed betaalde baan, een mooi huis, geld, reizen.. en hoeveel mensen zijn er niet die alles hebben wat hun hart begeert en toch niet echt gelukkig zijn, zelfs diep ongelukkig, eenzaam, met de ene verbroken relatie na de andere, met onvrede in hun hart, niet tevreden met het leven dat ze leiden, en als ineens ziekte komt en de dood toeslaat, wat koop je dan voor al dat korte-termijn-succes en wat blijft er over van wat je hebt?

Andersom: wat heb je voor perspectief als het allemaal tegenzit en veel bij de handen afbreekt, als je voor een dubbeltje geboren nooit een kwartje wordt, als je altijd in de hoek lijkt te zitten waar de klappen vallen, of als je om hoe je denkt en wie je bent achtergesteld wordt, gepest, vervolgd zelfs – komt er dan nooit een tijd dat de rollen worden omgedraaid, dat onrecht echt bestraft wordt en de dingen worden rechtgezet, dat tranen gedroogd en honger gestild wordt?

Kijk, en dan komt het allemaal ineens heel dichtbij, die felicitatie en dat er echt geluk bestaat. We leren van Jezus dat er een andere werkelijkheid is, dat God zorgt voor een nieuwe wereld. In die gelukwensen wordt die nieuwe wereld, dat rijk waar God het voor het zeggen heeft, in het tweede deel van de spreuk uitgetekend: daar zal God troosten wie treuren, wie er nu doorheen zitten of met gemis tobben of met pijn moeten leven, en ook wie verdriet hebben over zoveel dat in hun leven of in de wereld kapot is; daar wordt liefde echt beantwoord, en gaat een wereld open voor wie nu helemaal vastgelopen zijn; daar zal God belonen wie nu zich hebben ingezet voor anderen en die daar veel voor moesten opgeven; daar duurt eerlijk echt het langst – eeuwig zelfs; daar is lijden voorbij, daar worden tranen voorgoed gedroogd -    dia 5   – en alles is voor altijd nieuw en goed.

Dat is de beslissende omkeer die God belooft en die Jezus komt bewerken op aarde – echt de wereld op de kop en zo een wereld die weer wordt zoals God bedoeld als Schepper en Heer.

Gemeente, en dat is niet alleen maar iets voor een verre toekomst: stil maar, wacht maar, alles wordt ooit een keer nieuw en weer goed – dat is wel zo, maar het begint hier en nu al. Sterker nog, als Jezus komt is het al begonnen met die nieuwe wereld, luister maar naar wat Hij allemaal zegt, de mensen toen en ons vandaag leert over die nieuwe wereld, en kijk naar wat Hij allemaal al laat zien en laat ervaren – en naar het voorbeeld dat Hij geeft.

Daarom is het te beperkt en te arm om die beloften van Jezus te verschuiven naar een verre toekomst: nu is het allemaal beroerd, gelukkig komt er een nieuwe aarde. Want nu al wil God belonen en laten ervaren dat het werkt als je het van Hem verwacht en daarom je nederig opstelt en uit bent op vrede, als je recht-door-zee bent en vriendelijk naar mensen om je heen.

Niet dat de hele wereld dan meteen verandert maar je wordt er zelf anders van en beter door, en kleine stapjes in de goede richting kunnen al zoveel verschil maken; zoals Jezus zelf gezegd heeft: “jullie kunnen de nieuwe wereld nu al binnengaan, als jullie de juiste keuze maken” (Luc.17:21- BGT) Dat is wat de bijbel bekering noemt: als dat goede nieuws mensen verandert, en ze nieuw maakt.

Nou, en daarover gaan die zaligsprekingen, die felicitaties ook, over hoe je nu al deel kan krijgen aan dat nieuwe leven, voor wie dat echte geluk dat Jezus mogelijk maakt, bestemd is,  en hoe je leven eruit gaat zien als Jezus het voor het zeggen krijgt: geluk voor jezelf en ook voor anderen.

Terecht zijn die gelukwensen wegwijzers genoemd naar het leven met God in zijn nieuwe wereld. “Al deze omschrijvingen geven aan in welke richting wij nu moeten leven“, schrijft een uitlegger.

En dat niet als voorwaarden waaraan we moeten voldoen of prestaties die we moeten leveren, maar als uitstraling van een leven waarin Jezus je Heer en dus ook je voorbeeld is, waarin Gods liefde nu al je leven anders maakt en rijker, zelfs als je nog midden in de ellende zit, als je nog de druk ervaart van een omgeving waarin het anders toegaat, en je het heel moeilijk kan hebben.

Ja, want dat echte geluk waar het hierover gaat, kun je juist niet zelf pakken of veilig stellen. Je wordt niet gefeliciteerd omdat je het hebt gemaakt in je leven of omdat je vroom genoeg bent, maar juist als je het alleen niet redt en je dat beseft en erkent, als je jezelf kwetsbaar durft op te stellen, als je niet op je strepen staat maar jezelf klein maakt tegenover God en dan ook de minste wil zijn in de omgang met mensen om je heen: thuis, op het werk, in de kerk.

Dat is door heel het onderwijs van leermeester Jezus de rode draad en Hij gaat erin voorop: “Ik ben bij jullie gekomen als een dienaar”  (Luc. 22: 27), en:  “Ik ben jullie Heer en jullie meester, en toch heb ik jullie voeten gewassen.  Daarom moeten jullie ook elkaars voeten wassen….Wat ik voor jullie gedaan heb, dat moeten jullie ook voor elkaar doen… Als je dat begrijpt en je daaraan houdt, zul je het echte geluk leren kennen” (Joh. 13).        dia 6

Precies dat is de inzet in die eerste felicitatie, vroeger vertaald als: “zalig de armen van geest”. Wat niet slaat op mensen met weinig geld of met weinig verstand of met weinig geloof, maar op mensen die niet groot van zichzelf denken maar weten dat ze het zonder God niet redden. In de NBV is het vertaald met ‘nederig van hart’, de BGT heeft: “mensen die weten dat ze God nodig hebben”, en dat goed geschoten – letterlijk staat er een woord dat bedelaar betekent. dia 7 Jezus wil die mensen die achter Hem aan kwamen voor brood en om genezing duidelijk maken dat echt geluk alleen te krijgen is als je het niet zoekt bij jezelf of verwacht van mensen om je heen of van optimale omstandigheden om je heen, maar als je erom vraagt aan God, als je als een bedelaar je lege handen uitsteekt naar God zodat die kan geven wat je nodig hebt.

En dat bepaalt dan verder heel je houding: hoe je omgaat met tegenslag en verdriet: geduldig en vol vertrouwen; en hoe je omgaat met je naasten: vriendelijk, eerlijk, tegen onrecht en uit op vrede.

Want als je niet zelf je geluk hoeft te bevechten hoef je ook niet jezelf neer te zetten of voor je eigen positie te vechten, maar kun je het in Gods handen leggen en ook anderen geluk gunnen. Als je weet dat je alleen maar met lege handen bij God kunt komen, wordt je ook naar anderen toe nederig, bescheiden, bereid om de minste te zijn, in het besef dat heel je leven genade is.

Want het geheim van dat andere, goede leven, van die nieuwe wereld, is dat ik loskom van mezelf, bevrijd wordt van de stress van dit moet ik en dat wil ik en daar heb ik toch recht op -dat ik leer loslaten en van genade te leven – en dat ik juist zo weer mezelf mag zijn, van dwang gered, vrij.

Kijk, en langs die weg, vanuit die houding, begint die nieuwe wereld nu al werkelijkheid te worden. Ingekleurd in steeds dat tweede deel van die spreuk: voor hen – zulke mensen – is Gods nieuwe wereld, en dan ga je ervaren dat er troost is als je verdriet hebt, mag je tegen de vaak harde werkelijkheid in blijven hopen en blijven geloven dat niet de brutalen de  halve wereld zullen hebben maar dat zachtmoedigen een hele, nieuwe wereld te winnen en te verwachten hebben, dat het niet voor niets is – al lijkt dat vaak wel zo -als je gaat voor recht en tegen onrecht, dat eerlijk zijn toch echt langer meegaat dan schijn en leugen, en dat je door vrede na te streven laat merken dat je echt kind van God bent en lijkt op Jezus…en dat mensen dat zelfs nu al gaan merken: die is echt anders…

Heel concreet kan het en gebeurt het: zout zijn dat smaak geeft en bederf weert, en een lichtje zijn in het duister zodat de mensen als ze bij u en jou en mij al iets zien van het goede leven, en ze – huns ondanks misschien en met veel mitsen en maren nog – de hemelse Vader eer geven.

dia 8

Dan blijven we niet dromen over een wereld die ooit komen zal, maar denken we samen na over hoe we nu al iets van dat rijk kunnen laten zien in ons eigen leven en samen als gemeente, en durven we stappen te zetten naar God toe en die ander toe, gaan we zoals Jezus het zei niet alleen maar praten over de Heer en zingen voor Hem, maar doen wat Hij wil en wat goed is.

Neem het mee als vraag voor het nagesprek en voor deze week:  herken ik mezelf als ik die zaligsprekingen lees?      Wat kan ik en wat doe ik met wat onze Heer ook ons leren wil?  Genoeg stof om over na te denken en over door te praten, én mee bezig te blijven, ons leven lang.

                                                  amen

 Gesprekspunten

*  Is het voor u/jou moeilijk om de woorden van Jezus in de Bergrede op te volgen?  B.v. om ‘nederig van hart’ te zijn?

* Is het een kwestie van bepaalde karaktereigenschappen hebben, bij het opvolgen van de Bergrede, of kun je die eigenschappen zoals zachtmoedigheid met vallen en opstaan ontwikkelen?

* Zijn er ook situaties denkbaar waarbij je niets kunt met de Bergrede? B.v. dat woorden te kort schieten, zoals bij grote rampen of als iemand verschrikkelijk benauwd is en niemand er raad mee weet?

* Zaken die voor het oog positief lijken kunnen minpunten worden en minpunten kunnen iets goeds opleveren. Herken je dat? Goed om dergelijke ervaringen te delen?

* Vaak lijkt eerlijkheid niet beloond te worden. Misschien wordt je zelfs ontslagen als je misstanden aan de kaak stelt. Hoe moet je daarmee omgaan in het licht van de Bergrede  (zie b.v. 5: 8)

 

Zondag 1 Heid. Cat.: Is je leven verankerd in Jezus Christus?

Gemeente, broeders en zusters, jongens en meisjes,

Als je er goed over nadenkt, is het natuurlijk een vreemd beeld:  een schip, met een anker dat niet neergelaten is in het water om vast te haken in de zeebodem, maar dat naar boven is opgegooid tot ergens hoog boven en achter de wolken.   (Heb. 6: 19-20a)

Maar wat is bedoeld, begrijpen we wel: zoals een schip vast haakt in de bodem door dat anker,geeft het geloof houvast aan onze Heer Jezus die voor ons bij God in de hemel is.

Misschien maakt een ander beeld dat nog wat duidelijker.

U weet vast wel hoe een echte bergbeklimmer steile gevaarlijke stukken onderweg naar de top bedwingt: een stevig touw naar boven gooien met een haak die houvast krijgt in de rots, zodat je langs dat touw naar boven kan klimmen, of anderen je omhoog kunnen trekken.

  En nu zou ik de vraag waarmee de catechismus meteen met de deur bij u en jou in huis valt,  zo kunnen vertalen: hebt u al vaste grond gevonden – en jij – waarin je leven veilig is verankerd?

Kun je  dat de catechismus nazeggen: het kan in mijn leven stormen – misschien is dat nu wel zo -en ik word zo verschrikkelijk door elkaar geschud, zelfs zo dat alle grond onder m’n voeten wegzakt, maar ik vertrouw erop dat ik toch geen schipbreuk lijdt maar veilig in de haven aankom.

Niet omdat ik zo zeker ben van mezelf en zo sterk in mijn schoenen sta,  maar door  dat anker.  Of liever: door die stevige bodem onder mijn leven:  de vaste grond van Gods beloften en verbond, vastgemaakt in en door het bloed dat Jezus voor me stortte,vastgemaakt aan die troon boven waar Hij alles regeert, en Hij ook mijn leven leidt, en de wereld om me heen en wat mij overkomen kan.  Geloof ik  dat ik mijn bestemming kan bereiken – de veilige haven, de top die ligt te wachten als ik met alles wat ik ben en heb, vastgemaakt ben aan Hem die vooropgaat en die al binnen is,die de top al gehaald heeft?

In Heb. 6 heet Hij – Jezus – onze Voorloper. Je zou met dat beeld van dat schip op zee Jezus met een sleepboot kunnen vergelijken: Hij neemt me op sleeptouw en trekt me de haven in. Of je denkt aan de Gids die vooroploopt en als eerste de bergtop bereikt: als je maar aan Hem vastzit, trekt Hij je veilig naar boven. Als je maar dat touw niet loslaat. Als je maar niet de ankerketting doorzaagt of laat glippen.

Dus is de vraag die op u en jou en mij afkomt vanmorgen en steeds weer:

 Is je leven verankerd in Jezus Christus?

1. dan heb je echt houvast;

2. dan houdt Hij je vast;

3. houd je vast aan Hem.

 1.Is je leven verankerd in Jezus Christus? dan hebt je echt houvast.

  Een schip op zee. Onderweg van de ene haven naar de andere. De zon schijnt. De zee is rustig, net een groot meer. Maar een paar uur later kan het ineens verschrikkelijk gaan stormen. Huizenhoge golven. Het schip op een neer en heen en weer geslingerd. Wie erop zitten draait de maag om en om… En soms draait het op een schipbreuk uit.  Slaat zo’n schip op de klippen of raakt het vast op een zandbank. Zinkt het zelfs.

 Meer dan eens is het leven van een mens vergeleken met zo’n schip op zee. Het kan er rustig aan toe gaan. Alles gaat zo z’n gangetje en kabbelt rustig door. De zon schijnt. Maar vaak genoeg stormt het in je leven. Wordt je door wat met jezelf gebeurt of met mensen van wie je veel houdt,door elkaar gerammeld. Stort je vertrouwde wereldje in. Loop je vast en kun je niet voor- en niet achteruit. Raak je aan het tobben en aan het twijfelen, zo zelfs dat je met je geloof op de klippen kunt slaan. Dat mijn geloof schipbreuk lijdt en ik steeds die­per wegzak in een oceaan van levensvragen, twijfels, ongeloof.  En we weten allemaal dat het een keer sterven wordt..en wat dan?

Met het oog op dat allemaal is de eerste vraag die op ons afgevuurd wordt in de catechismus meteen raak, recht op de man of de vrouw af: wat is nou uw, jouw houvast bij zoveel onzekerheid, onrust, twijfels  in tijden van ziekte, midden in verdriet en zorgen, maar ook als het leven je toelacht en alles lijkt te lukken, en als je een keer moet sterven? Wat houd je op de been als veel tegenzit en je in de put zit? En wat houd je over, als je op een kwade dag alles moet loslaten en niks meenemen kunt? Wat voor hoop is er nog, als je hier bent opgegeven?

Elk mens zoekt zekerheid. Probeert zin aan zijn leven te geven. Zoekt houvast aan dit of dat. Maar vroeg of laat blijkt dat niet te lukken. Vallen zekerheden weg. Blijken mensen van wie je veel verwacht had, tegen te vallen of weg te vallen. En niets houdt die onvermijdelijk dood tegen en dat donkere graf. Iemand schrijft: “eens komt aan alle troost die het tijdelijk leven biedt een eind”. Wie niets meer had, staat met lege han­den. Je gaat zoals je kwam, en je kunt niets meenemen.

Ik denk weer aan dat schip, gebeukt door de golven, op en neer en heen en weer geslingerd. Dan heeft het geen zin om het anker vast te maken aan dat schip zelf.  Je moet – op plaatsen waar dat kan – het anker laten zakken in de zeebodem, om er voor te zorgen dat het schip niet stuurloos wegdrijft of op een rots of een zandbank slaat.

Nou, dat is precies waar het in zondag 1 over gaat – wat de kern is van het christelijk geloof. Zeg het maar zo: je zekerheid buiten je zelf zoeken, je leven verankeren in een rotsbodem die eeuwig houvast geeft.  Dat is de troost van het evangelie: dat ik niet van mezelf ben, niet aan mezelf overgelaten als mens, maar dat ik met heel m’n hebben en houden, en onder alle omstandigheden, het eigendom van de Heer  Jezus ben. Dat ik onlosmakelijk aan Hem verbonden ben, zoals dat schip stevig aan de ketting ligt zodat het niet op de klippen kan lopen en niet in de storm zal vergaan.

Het is belangrijk dat vast te houden. Ook gelovige mensen zijn niet zo zeker van zichzelf, ook al kunnen we misschien zelfverzekerd overkomen, recht in de leer, misschien met veel Bijbelkennis. We moeten ook maar niet op onze eigen gevoelens afgaan, of eigen emoties drijven, want dan zakken we zomaar weg;  zoals Petrus toen die toen Hij Jezus in het oog hield over de golven kon lopen maar meteen wegzakte toen hij op die hevige storm lette en die woeste donkere golven zag. Je zakt net als Petrus onherroepelijk weg en gelukkig is er dan die hand van Jezus die je vasthoudt.

Ja, houvast is er alleen als ons leven is vastgemaakt aan Hem die zijn leven voor ons opgeofferd heeft en ons zo tot zijn bezit gemaakt. Dat veelzeggende beeld tekent Heb.6:  hoop die houvast geeft, als een anker dat vastgemaakt is aan Hem die vandaag in de hemel is, als de Hogepriester die met zijn eigen leven voor onze schuld en zonden heeft betaald, en die nu voor ons bidt en voor ons opkomt, en niet rust voor wij zijn waar Hij al is.

Kunt u het nazeggen? Is dat ook jouw houvast? Zoals we ervan hebben gezongen:   “Ik heb de vaste grond gevonden, waarin mijn anker eeuwig hech­t:   de dood van Christus voor de zonden, van eeuwigheid als grond gelegd. Die grond zal onverwrikt bestaan, als aarde en hemel ondergaan”.

Dat vraagt wel geloof. Verderop in Heb. lees ik dat het geloof het bewijs is van dingen die je niet (nu nog niet) ziet. Als de kapitein het anker uitgooit, verdwijnt dat ding in zee, en je ziet het niet meer, maar je weet dat ergens in de diepte dat anker zich vasthecht in de bodem. Geloven is je anker vasthechten hoog boven je, ver achter de wolken die zo vaak boven je leven hangen. Het is je leven vastmaken in Jezus die je niet kunt zien maar die we in de hemel weten, en die vandaar uit ons vasthoudt en op sleeptouw neemt, op weg naar de veilige haven.

Dat geloof geeft houvast. Die hoop doet leven. Denk maar vaak terug aan je doop, als Gods eigendomsbewijs: hij, zij, is van Mij! Nou, wat kan me dan nog gebeuren….?!

2. Als je leven verankerd is in Jezus Christus, houdt Hij je vast.

  Zo’n schip voor anker, daar kan toch nog best heel wat mee gebeuren. Als het stormt, merk je daar echt wel van als je aan boord bent. De golven beuken tegen het schip, slaan over het dek, en het schip gaat op en neer en heen en weer. Het kan beangstigend zijn, en je kunt er flink zeeziek van worden.

Zo is dat ook in het leven van gelovige mensen.  Als je bij God hoort en bij Jezus, heb je niet de belofte dat je een makkelijk en pre­ttig leventje  zult hebben. Dat het een plezierreisje wordt.

Daar kunnen we allemaal wel voorbeelden van opnoemen. Levensverhalen zijn soms schrijnende en hartverscheurende ver­halen, en er zitten vaak diepe vragen aan vast over waarom nou dit en waarom niet dat, en we begrijpen niet dat het zo moest gaan. Het beukt soms zo tegen ons geloof in God aan dat zomaar dat geloof kapotbreekt en je niet weet of je nog wel geloven kunt. Er zijn genoeg voorbeelden van op de klippen van het harde leven stukgelopen geloof.

En of ik sterk ben? Hoe zou reageren als mij dit of dat zou overkomen? Je kunt er bang van worden. Hoe zouden wij zijn als we als christen nu in Irak of Syrië zouden wonen, en als ze ons letterlijk met het mes op de keel zouden dwingen om tegen Jezus te kiezen: moslim worden of sterven? En – iets anders – wat als heel dichtbij geloof schipbreuk geleden heeft:  van een kind, van man of vro­uw, broer of zus – hoe gaan we daarmee om, hoe gaan we hen om, hoe sterk is dan de liefde?

Wat merk ik dan van dat anker – blijkbaar heeft het toch niet gehouden, is de kabel geknapt. Wat kan ik dan met die belofte: niets kan me uit zijn hand trekken?    Toch houden we vol – het staat als een paal boven water – dat de Here Jezus zuinig is op wie Hij gekocht en zo duur be­taald heeft. Daar staat Hijzelf borg voor. Hij gaf er zijn leven voor, en God zijn Vader gaf er zijn eed op. Denk maar weer aan dat zichtbare teken van de doop: God de Vader heeft me als zijn kind aangenomen, en daarom zal Hij zijn kind van al het goede voorzien, en als het kwade van hem weren of doen meewerken ten goede.

Zondag 1 zegt het met andere woorden net zo: de Here Christus – we zijn toch van Hem? – “bewaart mij zo, dat zonder de wil van mijn hemelse Vader geen haar van mijn hoofd kan vallen, ja zelfs zo, dat alles dienen moet tot mijn heil”. Er kan heel wat gebeuren met dat schip maar het zal wel de veilige haven bereiken. Het is een hele klim naar boven en soms denk je dat het touw het niet houdt, maar je komt boven!

Het is waar, de harde werkelijkheid  lijkt vaak anders. Zoals een uitlegger opmerkt: “de praktijk leert dat kinderen van deze Vader hun haar kunnen verliezen: van verdriet of door een medische handeling”.  Of – zeg ik erbij – door het ouder worden, wat ook een stukje sterven is, afbraak. Er lijden wel degelijk mensenlevens, carrières, huwelijken, ook van christenmensen, schipbreuk. Je kunt ver van God wegraken, en weglopen bij de kerk. Dat is met heel wat gedoopten gebeurd. Het gebeurt dagelijks. Met goede moed aan de klim begonnen, breekt halverwege toch het touw, en je stort in de diepte. Waar was God toen dan?

Juist dan komt het aan op geloof. Kiezen voor de vluchtroute naar Hem die voor ons gekozen heeft en die ons heeft toevertrouwd aan de hoge bescherming van zijn Vader die ook onze Vader wil zijn, mijn hemelse Vader.  Narekenen kan ik Hem niet. Vaak kan ik zijn doen en laten niet begrijpen.

Maar ik mag er van uit gaan dat Hij het beste met me voor heeft – anders zou Hij toch zijn eigen lieve Zoon niet voor me over hebben gehad tot in de dood toe? En ik mag Vader ook houden aan zijn woord: U hebt het toch beloofd: Ik wil je Vader zijn, Ik zal altijd voor je zorgen? Ik ben toch gedoopt? Mijn leven is toch verankerd in God?  Nou dan, Here, wilt U me dan vasthouden? Me erdoor heen slepen? Me weer vlottrekken als ik dreig te stranden. En wilt u er ook zijn voor hem, voor haar….

Gemeente, God heeft juist zijn Heilige Geest gegeven om ons daar zeker van te laten zijn. Die Geest werkt geloof en geeft hoop. Door die Geest die daarvoor de bijbel gebruikt en die ons leert bidden en ons aan elkaar verbindt, door die Geest overtuigt de Heer  ons ervan dat Hij ons vasthoudt en ons meetrekt en ons  thuis­brengt. Niets kan Gods heilzame plan met m’n leven dwarsbomen, zelfs de duivel niet en ook de dood niet.  Alles – zelfs dat wat ik niet kan begrijpen, waar ik de zin niet van zie, wat echt heel erg is – het moet uiteindelijk meewerken om me te brengen waar God me wil hebben. Alle reden met die God in zee te gaan!  En zijn hand te grijpen als ik overboord dreig te vallen.

 

3. Is je leven verankerd in Jezus Christus? Houd je dan vast aan Hem!

   De brief aan de Hebreeën is een indringende aansporing bij het geloof te blijven, en niet de moed te verliezen en halver­wege af te haken. Wil je niet verdrinken, moet je de red­dings-boei nu ook gri­jpen die onder han­dbereik ligt.  Je moet je le­ven verankeren in Jezus en je aan Hem toevertrouwen, en niet de kabels doorsnijden waardoor aan Hem bent vastge­maakt, niet die reddingsboei – of die sleepkabel – negeren of loslaten.

Houd aan Hem vast, leef voor Hem, dankbaar en gehoorzaam. Hij grijpt ons vast en laat ons niet los, en trekt ons naar boven,  zijn toekomst binnen. Houd de moed er maar in!  En ….houdt ook elkaar vast!

Mooi die nieuwe reddingsboei op de beamer – die met sterke magneten ander reddingsboeien aantrekt en vasthoudt, zodat drenkelingen elkaar kunnen helpen en samen gered worden.

Prachtig als je daarvoor een instrument mag zijn, een reddingsboei als verlengstuk van Christus.

S-O-S = save our souls      red mijn leven  en dat van heel veel anderen!

Heer, laat ons niet verloren gaan!

                                                                amen

 

liturgie middagdienst CGK-GKV 

welkom

zingen:       Ps. 62: 1,4

we worden stil voor God

votum en groet

zingen:       Ps. 90: 1,8  

gebed

Schriftlezing:  Heb. 4: 14-16 en  en 6: 16-20

zingen:      Gz. 440 (1-4)

verkondiging:  Heb. 6: 19-20a /  zondag 1 Heid. Cat. 

zingen:      NLB 23c (1-5)  

gebed

collecte

geloofsbelijdenis

zingen:    Gz. 444 (1,2,3)

zegen

amen:      Gz. 456: 3