Jesaja 11: 1-10 : Vrede op aarde (2e adventszondag)

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

‘Hoogmoed komt voor de val’. Een bekend Nederlands spreekwoord dat zoals meer spreekwoorden, aan de bijbel ontleend is.  Het staat in Spr. 16: 18: “Hooghartigheid gaat vooraf aan ellende, hoogmoed komt voor de val”.

Eigenlijk begint alle ellende met hoogmoed, met boven eigen macht grijpen, en naar macht grijpen die je niet toekomt en die je niet aan kunt, denk aan de oerzonde uit het verloren paradijs dat de mens zich liet wijsmaken als God te kunnen zijn en zijn eigen koninkrijk op aarde te kunnen bouwen, met alle gevolgen ervan; en wat is er geworden van die toren tot in de hemel wat Babel werd, dat is verwarring, uiteengaan…want eendracht maakt macht leidt vroeg of laat tot ik ben meer dan jij.

Bijzonder hoe het in eigen ogen heel gewone meisje Maria hoog opgeeft van Gods plan met haar leven: “Hij heeft oog gehad voor mij, zijn minste dienares…grote dingen heeft de Machtige voor mij gedaan…Hij toont zijn macht en de kracht van zijn arm en drijft uiteen wie zich verheven wanen, heersers stoot Hij van hun troon, en wie gering is geeft Hij aanzien” ; dat is onze God ten voeten uit!

Nou, neem dat mee in je achterhoofd als we teruggaan in de tijd, de tijd van Jesaja en onze tekst. Zoals we vorige week al zagen was het een dramatisch slechte tijd voor die twee kleine staatjes waarin het eens zo eervolle Israël van David en Salomo uiteen was gevallen: het noordelijke rijk met Samaria als hoofdstad was al in handen van de grootmacht Assyrië gevallen en ook Juda onder koning Achaz had harde klappen gekregen: een aantal grenssteden waren al veroverd en in het begin van de regering van Achaz’ zoon Hizkia waren de legers van Assyrië tot vlak voor de poorten van Jeruzalem gekomen.

Lees maar Jes. 10. 32: “vandaag nog houden ze halt bij Nob - en Nob was een voorstadje van Jeruzalem. Nog een paar kilometer en dan zijn ze er : “ze ballen de vuist tegen de Sion, tegen de heuvel van Jeruzalem” .  Later in Jesaja (hoofdstuk 36) wordt daar  meer over verteld: over de grote mond van de Assyrische generaal Sanherib die voor de muur van Jeruzalem de mensen in de stad kon beschreeuwen en hen uitdaagde om niet op de HEER te vertrouwen maar zich aan Assyrië over te geven: “Laat Hizkia u geen valse hoop geven met zijn bewering dat de HEER u zal redden. Hebben de goden van andere volken hun land dan gered uit de handen van de koning van Assyrië?….. Als geen enkele god in staat is gebleken zijn land uit mijn handen te redden, hoe zou dan de HEER Jeruzalem kunnen redden?”.

 Het was de dwaasheid van de bijl die een grote mond heeft tegen de houthakker of de zaag die op eigen houtje acteert, tegen de timmerman in, een stok die wie hem vasthoudt wil optillen…

Dat is ze duur komen te staan: “God, de HEER van de hemelse machten, houwt met geweld hun takken af, de hoogste bomen worden omgehakt, de statigste bomen komen ten val, met een bijl kapt hij de struiken weg”. Ze blijven nergens en zijn vergeten, al die woudreuzen, of ze nou Assyrië heten, of Babel, het wereldrijk Rome, of later Nazi-Duitsland, of de Sovjet-Unie—-weg!

Elke keer weer komt die hoogmoed voor de val, omdat God het niet neemt als mensen – hoe machtig ze ook denken te zijn en hoeveel te voor elkaar hebben gekregen – als mensen Hem zou uitdagen. Terwijl de HEER maar niet de god is van die twee kleine landjes, of van een groep christenen, maar de Koning van heel de wereld die alle dingen regeert en van wie wij zingen dat de HEER de plannen van de volken kan laten mislukken maar dat zijn plan doorgaat, en eeuwigheidswaarde heeft.

Dat heeft ook zo’n machtsblok als Assyrië aan den lijve ondervonden toen het zijn eigen plan trok. Eerst konden ze ver komen en hebben we Israël van de kaart geveegd en Juda bedreigd – en dat niet op eigen initiatief maar, zonder dat te beseffen en te erkennen, als strafinstrument van de HEER om zijn eigen volk een les te leren – als gesel en als stok om dat hoogmoedige volk te slaan.

Met daarachter zoals altijd Gods bedoeling om niet mensen de dood en de vernieling in te jagen maar om ze tot inkeer te brengen en te werken aan een nieuw begin, zoals die andere profeet namens de HEER schreef aan ballingen in het verre Babel: “Ik heb jullie geluk voor ogen, niet jullie ongeluk, ik zal je een hoopvolle toekomst geven” (Jeremia 29). Gods trouw is altijd sterker dan onze ontrouw.

Dat moet u erin horen als de HEER het heeft over ‘de stronk van Isai’: het huis van David was als een boom die omgehakt en kaalgeplukt was- en van wie weggevoerd waren en nog zouden worden zou niet meer dan een rest terugkomen – en ook al bleef Jeruzalem op het nippertje gespaard en was er nog steeds een afstammeling van David koning, wat voor toekomst hadden ze nog met elkaar – in dat provinciestadje Jeruzalem met een koning die niks voorstelde in de grote wereld: een omgehakte boom tussen allemaal hoge woudreuzen: Assyrië, later Babel, dan Perzië.. En wat heb je in 2014 in te brengen als christenen, in een wereld waarin het draait om macht en geld, status, invloed op massamedia en sociale media, en brutalen de hele wereld willen winnen?

Het lijkt ontmoedigend en hopeloos als van een ooit zo fiere groeizame boom een stomp overblijft. Het laatste vers van Jesaja 6 kondigt het al aan als de waarschuwing klinkt dat in Israël eerst en in Juda en Jeruzalem daarna steden en huizen verlaten zullen zijn en er geen mens meer wonen zal: “zoals een eik of een terebint wordt geveld voor een vuur, er blijft slechts een stronk over” (6:13) .

Maar let op,dan staat er geen punt maar een komma, en daarachter: “het zaad in die stronk is heilig”. Dat is wel heel verrassend, en hoopvol want zaad is toch nog nieuw leven, toch weer toekomst. Het mag een kleine rest zijn die overblijft, meer niet, maar door Gods trouw  komt er een doorstart. Dat is te danken aan de genade en de trouw van God, voor zijn volk Israël en het huis van David.

Die worden wel teruggesnoeid tot op de wortel – en dan valt de naam Isai, dat is: terug naar Start. Naar dat onooglijke begin toen Samuël een herderjoch dat niet meetelde tot koning zalfde. En de nieuwe start wordt een timmermanswerkplaats in het verachte Nazaret en een jong meisje dat nog niet getrouwd was en geen status had, ze zong er zelf van: “Ik geef alle eer aan God, Hij is mijn redder, Hij koos mij uit, een heel gewoon meisje….God heeft zijn kracht laten zien” (Luc. 1: 46 e.v.).

Het is de kracht van nieuw leven uit wat dood en hopeloos leek:  “zoals uit een oude, omgehakte boom een kleine, nieuwe tak kan groeien, zo komt uit de oude familie van David een nieuwe koning”.

  Ja, en wat voor een koning! Heel anders dan Achaz zich gedroeg, groter dan zijn zoon Hizkia, en ook meer dan voorvader David. Wat van David gezegd kon worden – dat de Geest van de HEER hem bezielde en richting gaf, zo zal dat nog veel uitbundiger en blijvender gelden van de hier beloofde nieuwe koning: “de Geest van de HEER zal op Hem rusten” – later schrijft Johannes over Jezus: “God schenkt de Geest in overvloed”. Iemand schrijft. “wat in het klein, met veel gebrek, bij David aanwezig was, dat heeft deze Zoon van David in het groot en volmaakt”. Deze koning is echt gezalfde, met de Heilige Geest – echt Messias.

Hij doet maar niet alleen goede dingen, in Gods ogen, en voor de mensen, Hij is goed, eerlijk, trouw. Is er als het ware in gekleed:  Hij draagt gerechtigheid en trouw als een gordel, als een riem die zijn kleren bij elkaar houdt en af maakt, en die zijn koninklijke uitstraling bepaalt, typeert wie hij is.

 Niks van hoogmoed dus, geen machtsmisbruik, geen zucht naar status en rijkdom, maar dienst. Denk weer aan Jezus: Ik ben niet gekomen om gediend te worden, maar om u, jou, te dienen. En zijn leerlingen op hun nummer zette toen die zich druk maakten om hun positie: “Jullie weten hoe het gaat in de de wereld. Koningen heersen over hun volk. En mensen met macht spelen de baas over anderen. Maar zo mag het bij jullie niet gaan. Als je de belangrijkste wil zijn, moet je de anderen dienen. Als je de voornaamste wil zijn, moet de anderen dienen zoals een slaaf doet” (Matt.20: 25-27) Wat Jezus voordeed door als een slaaf de voeten van zijn leerlingen te wassen: “Ik ben jullie Heer en meester, en toch heb ik jullie voeten gewassen…Dat moeten jullie ook voor elkaar doen”  (Joh. 13)

Als je zo Jezus hebt leren kennen, Hem hebt horen spreken en Hem bezig hebt gezien, krijgt wat Jesaja vanuit de verte zag een gezicht, en handen en voeten – het gezicht van Jezus, en zijn handen en voeten – en hoe waar is het geworden in zijn leven: “een scheut van zijn wortels komt tot bloei”.

Wat je bij David in de knop ziet, maar wat later in de knop gebroken lijkt, komt tot bloei in Jezus – en:  krijgt vertakkingen en nieuwe uitlopers als mensen aan deze Jezus verbonden zijn en als zijn Geest in u en jou gaat wonen, en er een gemeente komt van nu al burgers van Gods nieuwe wereld.

Kijk, en daarom moeten we profetieën als die van Jesaja niet meteen doordromen tot de jongste dag. Die neiging hebben we gauw, zeker als het gaat over vrede op aarde, waarover Jesaja het hier heeft en waarover eeuwen later de engelen zongen in de nacht dat Jezus werd geboren – en als Jesaja een paradijse wereld schildert van een wolf vreedzaam – met een d – naast een lammetje, en kalf en een leeuw die samen lopen te grazen in de wei, en een baby zomaar onbeschermd bij een slang;  een wereld waarin niemand kwaad doet en onheil sticht, waarin geen aanslagen meer worden gepleegd en geen mens meer een ander mens neersteekt, een wereld waarin alle mensen de HEER kennen en eren als hun God, waar de vrede niet meer verstoord wordt en waar niemand meer onrecht pleegt.

Dan zeggen we en ervaren we dat wat we ook proberen, zoiets hier en nu een illusie is, en we zeggen ook dat mensen geen nieuwe wereld  kunnen maken, en dat alleen God dat  kan doen en zal doen. Het is allemaal helemaal waar, en de bijbel wil ons met dat uitzicht hoop geven en bemoedigen.

   Ja maar, wat God ook wil is ons opschudden en ons aansporen om nu al, in onze eigen tijd en ieder op eigen plek, en met eigen mogelijkheden en verantwoordelijkheid, burger van zijn rijk te zijn. Veel van wat Jesaja en andere profeten beschrijven en aankondigen, slaat op wat in onze wereld gebeurt en mogelijk wordt – er staat ook in deze hoofdstukken vaak bij: ‘dan’, en ‘op die dag’ – b.v. dat ballingen terugkomen, en dat verwoeste steden weer opgebouwd worden – het is gebeurd!

Ja, en Jezus heeft al laten zien hoe het rijk van zijn Vader eruit ziet, en dat als je Hem volgt, er al een nieuwe wereld voor je opengaat en dat God mensen kan en wil veranderen – het zijn ook beelden uit deze wereld over eerlijke rechtspraak en afstoppen van kwaad en uit zijn op vrede. Iemand merkt op:  “Als we die vrede helemaal naar de nieuwe wereld verleggen, dan maken we het onszelf uiteindelijk alleen maar gemakkelijk…Maar Christus brengt het koninkrijk van God vandaag”.

Kijk, en dan worden die mooie dingen die worden gezegd van hoe die nieuwe grote koning zal zijn en hoe hij optreedt, niet alleen maar mooie toekomstdromen, maar zetten ze ons aan het werk. Want als we echt koning Jezus willen volgen en op Hem willen lijken, verandert dat onze houding en onze manier van doen en laten en praten, zeker in de kerk als toch de plek waar de burgers van het nieuwe rijk bij elkaar komen en worden geïnstrueerd, en waar de Geest van God wil wonen.

En als dan van die koning mooie dingen worden als dat hij niet oordeelt – laat staan veroordeelt – op grond van uiterlijke schijn, op het eerste gezicht;  dat hij  niet afgaat op geruchten, dat  hij opkomt voor de zwakken en arme mensen goed behandelt, en dat hij altijd eerlijk is en trouw, op vrede uit is, dan heeft dat als het goed is een goede invloed op ons, dan zal dat de kerk en van daar uit de wereld, veranderen; dan gaat daar een invloed ten goede van uit – zoals het evangelie van Jezus en van zijn apostelen er vol van zijn – en het echt waar kan worden nu al: vrede op aarde, vrede in onze dagen.

Het is waar, dan is er nog veel krom en slecht en donker – kunnen wij geen paradijs terugbrengen. Maar uit die afgehakte boom – ten dode opgeschreven vanwege zonde en onwil en onmacht – is wel degelijk nieuw leven tevoorschijn gekomen, zoals dat mosterdzaadje in die gelijkenis van Jezus uitgroeide tot een geweldige struik waarin vogels van allerlei pluimage hun nest kunnen bouwen.

 Het beeld van Jezus die uit allerlei volken en met heel verschillende mensen zijn volk verzamelt. Jesaja tekent datzelfde met een ander beeld: die telg van Isai, die grote zoon van David, die het verzamelpunt wordt voor alle volken, en onder de vlag van zijn rijk heel de wereld bijeenbrengt – wat nog steeds aan de gang is sinds met Pinksteren het evangelie wereldwijd ging en de kerk wereldkerk werd – op weg naar die ontelbare menigte van alle volken en talen en culturen…..

Ja, en dat sprookjesachtige dan van een soort nieuw paradijs waar niet de leeuw de koe opeet maar ze samen stro eten, waar een kind speelt met een slang, en nergens meer gevaar loert? Ik denk: beelden voor een wereld waarin het goed is te leven, met elkaar, en samen met God.

Wat het precies zegt over de nieuwe aarde, en of er daar ook dieren zijn, wie zal het zeggen? Helemaal letterlijk doortrekken naar dan is lastig – want dan zouden op de nieuwe aarde ook baby’s geboren worden en spelende kinderen – en moeten dieren ook eten – waar komt het stro vandaan?

Ik denk dat het vooral beelden zijn voor een wereld zonder kwaad of gevaar, terreur, oorlog, dood. Waar mensen niet meer als wolven zijn voor elkaar, en we elkaar echt in liefde dienen en steunen.

Zou het dan niet mooi zijn – en een opdracht voor wie Gods Geest gekregen hebben – als we nu al daar iets van zouden laten zien – aan de Heer – en aan elkaar – en aan de wereld om ons heen?

In Galaten 5 spoort de apostel zijn lezers van toen en nu om elkaar te dienen in liefde – met de waarschuwing erbij:  maar als u elkaar bijt en opvreet, pas op dat u niet door elkaar verslonden wordt”, of:   blijf niet als wilde dieren met elkaar vechten, dat wordt uiteindelijk jullie dood!. Het tegendeel van dat mooie beeld van dieren en mensen die vreedzaam met elkaar omgaan.

  Vrede op aarde – door de profeet aangekondigd, door de engelen afgekondigd, die vrede is Jezus. Daarom is het advgentsevangelie dat er  vrede op aarde is, nu al – als je verbonden weet met Jezus en gedreven door zijn Geest – en op Gods tijd eens en voor altijd.

                                                                             amen

 

 

liturgie morgendienst 2e adventszondag

votum en groet

zingen:       Ps. 33: 1,4

Gods leefregels Leviticus 19

zingen:       Ps. 33: 2,8

gebe

Schriftlezing:  Jesaja 10: 5-34

zingen:        Ps. 75: 1,3,4,6

Schriftlezing:  Jesaja 11: 1-10

zingen:       Lied 132 (1,2,3)

verkondiging over Jesaja 11: 1-10    In blijde verwachting:  Vrede op aarde

zingen:       Gezang 47: 1v, 2v,3a, 4m,5m,6a

gebed

collecte

zingen:       Ps. 72: 1,4

zegen

amen:         Ps. 72: 10

Psalm 22: 11: Samen in Gods Vaderhand (bediening van de doop aan Hanna Dineke Wimmenhove)

Beste Egbert en Josien, familie, vrienden, andere gasten, gemeente van onze Heer Jezus Christus,

“Jouw handjes in onze handen, samen in Gods Vaderhand”.

Dat staat op het kaartje waarmee jullie de geboorte van jullie dochter Hanna Dineke bekend gemaakt hebben. Heel mooi om zo bij elkaar te brengen dat Hanna van jullie zorg en liefde afhankelijk is en dat jullie graag die zorg en liefde aan haar willen geven, maar ook dat jullie zelf,  samen met haar en met Lydia,  je afhankelijk weten van de zorg en de liefde van Vader in de hemel: veilig in zijn Vaderhand.

Helpende handen, die zijn er gelukkig overal om je heen, zeker ook bij een zwangerschap en rond een bevalling. Mensen worden erbij ingeschakeld als God nieuw leven schept en ter wereld laat komen: een man en een vrouw die vader en moeder mogen worden, een verloskundige of een arts. En als het kind er eenmaal is, staan er ook behulpzame mensen om heen: een zuster, de huisarts, en natuurlijk familie en vrienden. Wat blijft: de drukke baan van vader en moeder zijn voor je kind wordt met een tweede nog drukker, naast het dagelijks werk buiten de deur en een verhuizing voor de deur, en ook nog sociale verplichtingen en werk in de kerk : best veel taken, en een belangrijke verantwoordelijkheid.  Je komt soms handen – en tijd – en rust -  te kort.

Ja, maar voorop blijft staan: ontvangen uit Gods hand en veilig in zijn Vaderhand. Want God trekt zijn hand niet terug als het kind er eenmaal is. Nee, dan legt God zijn hand op dat kleine hoofdje en Hij zegt: jij bent en jij blijft van Mij, Hanna, mijn kind. Ik wil ook jouw Vader zijn. Ik wil voor je zorgen en Ik beloof je dat Ik je helpen zal om Mij te leren kennen en lief te hebben, en te leven als mijn kind.

Nou, dat is wat de doop uitbeeldt en waar de doop jullie en ons allemaal van wil verzekeren. Wat jullie bij het groter worden ook Hanna mogen vertellen en mogen voorleven: wat fijn dat wij – en jij ook – een Vader in de hemel hebben! Je mag haar vertellen van die Vader en van de Here Jezus. Je mag ze leren bidden en zingen. En ook haar voorhouden hoe Vader graag wil dat zijn kinderen zich gedragen.  Weer: een hele taak en een belangrijke verantwoordelijkheid, in een wereld met zoveel gevaren, en  snelle veranderingen en elke keer weer nieuwe keuzes, in een wereld die vaak op een doolhof lijkt.

Wat een houvast geeft dan onze tekst! Die tekst gaat wel niet over de doop, maar wel over wat die doop wil laten zien. Wat God met die doop wil zeggen: ook jij – en wij – samen in Gods Vaderhand.

     Samen in Gods Vaderhand

1. daar heb je houvast aan in je leven;

2. daar mag je Vader aan houden;

3. daar heeft de Heer  Jezus voor betaald;

4. daar leert de Heilige Geest ons op vertrouwen.

 1. Houvast in het leven, want samen in Gods Vaderhand

  Midden in deze aangrijpende psalm, vol bittere klachten en noodkreten diep uit de put, maar ook vol diepe dankbaarheid, grijpt David ineens naar het begin van zijn leven terug. Over de verzen erom heen moeten we straks ook nog wel iets zeggen, maar nu eerst maar eens even heel gewoon naar die verzen 10 en 11 kijken. Die verrassen ons eigenlijk, zomaar zo’n heel open en intiem­ tafereeltje, en dat uit de mond van koning David. Er is niks van preutsheid, niks om je voor te schamen. In een paar woorden zie je het voor je. Sta je bij het kraambed van de vrouw van Isaï – haar naam kennen we niet eens – en maken we de bevalling mee. Nee, geen details daarover, wel het belangrijkste. David zingt ervan: “U hebt  mij uit de buik van mijn moeder gehaald, mij aan haar borsten toevertrouwd.”  Zoals dat gaat als een kindje geboren wordt – gehaald is – en lekker tegen moeder aan wordt gelegd, en bij mama ligt en bij mama drink­t en het nergens beter heeft dan juist daar.

Kijk, en David bedankt de Here daar voor, na zoveel jaren nog: Heer, dat heb ik aan U te danken, zoals elke baby: U hebt mij uit het lichaam van mijn moeder gehaald en veilig tegen haar borst gelegd. Wie anders dan de Heer  geeft het leven en de levensadem – en het eerste gehuil – en alle dingen? Dat is nog altijd zo, hoe de bevalling ook gaat en wie er ook bij helpt. Uiteindelijk is het de Heer die nieuw leven geeft en dat leven spaart en beschermt: “toen ik geboren werd, vingen uw handen mij op” – en we mogen erop vertrouwen dat God niemand uit zijn handen laat vallen.

  Eeuwen geleden heeft Calvijn bij zijn uitleg van deze tekst al opgemerkt dat je bij elke geboorte in aanbidding voor God zou moeten wegzinken. Want, zegt hij, “wat kan er niet in de weg komen, dat honderden malen de vrucht in haar omgeving zou vergaan, voordat de tijd van de geboorte daar is”. Dat weten jullie uit eigen ervaring: dat het ook moeilijk kan zijn of mis kan gaan, dat het begin van de zwangerschap niet zonder zorgen was, en dat het een wonder is dat Hanna er is, gezond en vitaal. Veel reden om God te danken als alles goed gaat. Het spreekt niet vanzelf. Het is niet verdiend. Daarspreekt haar naam ook van: Hanna= genade, de Heer is genadig!  Het is een groot wonder: Heer, u hebt het leven aan haar geschonken!  En Heer, laat haar dan nu niet alleen!

Dat geeft houvast.  Want de Heer trekt zijn hand niet terug als een mens eenmaal ter wereld is gekomen en laat zijn kind niet vallen. David zingt van de blijvende betrokkenheid en zorg van God:   “toen ik geboren werd, vingen uw handen mij op” , en: “al voor mijn geboorte was u mijn God”.

Dat heeft David in zijn veelbewogen leven ervaren. Dat mag elk kind, elk mens van God,  ervaren. Wat kun je beter doen dan je kinderen toevertrouwen aan de zorgen van de Heer..? Dan zijn ze, samen met ons, veilig en beschermd, wat er ook gebeurt.

Wat een houvast: vanaf de geboorte wil de Heer onze God zijn, en die van onze kinderen! Dat geeft moed en rust, ook in deze tijd: God is er toch bij?!

 

 2. Je mag er Vader aan houden: trek uw handen niet van ons af.

De verzen van onze tekst stonden niet op een geboortekaartje. Ze staan in een psalm die vol staat met klachten en bol staat van de meest barre ellende. De psalm begint met de bitterste klacht die uit de mond van een gelovige kan komen: “mijn God, mijn God waarom hebt U me alleen gelaten?”.

Wij denken dan natuur­lijk meteen aan  Jezus aan het kruis, die juist deze schreeuw uit de diepte naar God toegeslingerd heeft toen hij drie uur lang in het pikdonker van de hel gehangen had, toen zelfs zijn eigen Vader geen antwoord meer gaf en Hem niet te hulp kwam, en de angst van de hel Hem alle tro­ost deed missen: mijn God, mijn God, waarom laat U mij toch zo in de steek?

Maar die schreeuw van psalm 22 is eerst gegrepen uit het eigen leven van David. Die er bij tijden zo diep onderdoor moest, dat het wel leek of God hem in de steek liet en zijn handen van hem had afgetrokken:  ”Mijn God, al schreeuwend vul ik al mijn dagen.U antwoordt niet, en ook in lange nachten krijg ik geen rust, geen antwoord op mijn klachten. Hoort u mij niet?”.

Er leek niks van te kloppen, van al die mooie verhalen van vroeger: over die voorouders die op God vertrouwd hadden en die wonderlijk gered waren. Ja, zij wel, maar ik niet: voor mij heeft God geen aandacht. Ik ben niet meer dan een worm waar ze overheen lopen zonder het te merken. Die vijanden die me in de grond boren met hun gemene spot: kom eens op met je geloof, waar is die God van jou nou, waarom helpt die je niet…. U was mijn God voordat ik werd geboren.Houd u niet stil, mijn leven wordt verduisterd.Ik ben zo bang, en niemand helpt of luistert! Hoor mijn gegil”.

Dat kan je gebeuren, ook en juist als gelovig kind van God. Wat kan er niet gebeuren waardoor je wereld lijkt in te stor­ten en je door elkaar gerammeld wordt en er niks lijkt over te blijven van al die mooie beloften van God in de bijbel en bij je doop.  Je kunt bidden wat je wil, maar het helpt niet en er verandert niks. Je kunt je niks voorstellen bij een Vader in de hemel en je kunt niks met al die mooie woo­rden over God die voor je zor­gt, en die alle dingen ten goede doet meewerken. Voor mij? Kom nou toch! Laat maar eens zien dan!

Dan kunnen vragen opkomen, vragen naar het waarom. Waarom geen genezing en waarom dan toch die moeder en oma weggehaald bij jullie, nog voor ze haar kleindochter heeft mogen zien en in de armen heeft mogen nemen? Mooi dat die tweede naam -Dineke -de herinnering aan moeder en oma Wimmenhove levend en in ere houdt -in het geloof dat zij leeft bij haar God.

Gemeente, als David dan ineens weer naar dat begin van zijn leven teruggaat, dan is dat toch niet om te zeggen: nou, daar is mooi niks van terecht gekomen. Zo van: het zou wat, al vanaf de geboorte mijn God….die God heeft het er lelijk bij laten zitten. Nee, het is juist een terugvallen op de eerste zekerheid van zijn leven, en meteen de laatste die overblijft: maar Heer, U geeft toch niet op waar U in m’n leven mee bent begonnen? Het is zeg maar de vaste grond van Gods beloften en van Gods verbond waar David op terugvalt, en waar Hij in zijn grote nood de Here aan herinnert: Heer, u bent toch mijn God? Ondanks alles blijft het – zelfs als David zich van zijn God verlaten voelt- mijn God, mijn God! Heer dat bent U toch nog, en ik ben toch uw knecht, de man naar uw hart, uw kind?

  Jullie, en ik, en ook Hanna als ze groter wordt, mogen onszelf en elkaar – èn de Heer – herinneren aan wat bij onze doop beloofd is en zichtbaar gemaakt: een eeuwige band die God heeft gelegd met ons: jij bent van Mij, en dat bli­jft zo, wat er ook gebeurt, en juist als het erom spannen gaat en als het stormen gaat. Je mag erop terugvallen en erop teruggrijpen als alles onder je voeten wegzakt. Je mag erop ple­iten, voor je­zelf, voor je kind, ook voor dat kind dat het spoor bijster is, of dat maar niet zijn of haar hart aan God durft geven. Het niet met de Here alleen durft wagen.  In onze belijdenis staat zo mooi: “de doop is niet alleen van waa­rde voor ons wanneer wij hem ontvangen en het water op ons is, maar gedu­rende heel ons leven”. Gods liefde en trouw drogen nooit op! God geeft niet op!

3. De Heer  Jezus heeft ervoor betaald dat mensen in Vaders handen geborgen zijn.

 We hebben dat weer gezien en gehoord vanmiddag:  “de doop in de naam van de Zoon is een teken en zegel dat de Heer Jezus al onze zonden afwast op grond van zijn lijden en sterven“.

Onze tekst staat in die psalm die – meer dan David zelf besefte – afstak in de diepte van een lijden waar dat van David nog maar kinderspel bij was. Waar David zich door zijn God verlaten voelde, daar werd vele eeuwen later zijn grote Zoon werkelijk door zijn eigen Vader verlaten, in onze plaats, om ons voorgoed bij zijn Vader terug te brengen. Zodat Vader zegt: jij bent van Mij, Hanna, want ook jouw kwaad is weggewassen, in Christus’ zuiver bloed. En dat biedt veiligheid en geeft hoop.

Maar dan komt het er wel op aan dat te geloven. Je leven en dat van je kinderen veilig te weten bij Vader, door dat grote offer van zijn Zoon. Daar vooral zullen we onze kinderen over vertellen. Dat vooral geeft vaste grond onder onze voeten, als je alles onder je voelt wegzakken en zoveel zekerheden hier op aarde drijfzand blijken.Niet lang geleden hebben we daar samen van gezongen : “ik heb de vaste grond gevonden, waarin mijn anker eeuwig hecht: de dood van Christus voor de zonden”.  Deze doop legt die grond weer bloot. Deze doop stelt ons allemaal weer de vraag: hebt u, heb jij, die vaste grond gevonden? Is dat je enige houvast, van de wieg tot aan het graf? Dan hoef je niet bang te zijn voor het leven, én niet voor de dood. Leg maar gewoon je hand in die van je Heer!

4. De Heilige Geest leert ons erop vertrouwen dat we samen in Gods Vaderhand veilig zijn.

David had het niet van zichzelf: dat hij zelfs onder de meest barre omstandigheden het toch vasthield: mijn God.  Dat kon Hij alleen en dat zei Hij alleen, geleid door Gods Geest.

Je kunt je kind niet het geloof in God en vertrouwen op Jezus meegeven, laat staan het  haar opdringen. Je kunt het zelf niet vasthouden als het van jezelf moet komen. Wat kunnen er een twijfels opduiken. Wat een strijd kan het geven er houvast aan te krijgen en te houden: maar toch ben ik Gods kind. Wat lastig om het je eigen te maken zodat het echt wat van jezelf wordt, een keus van je hart.

Maar we hebben gebeden vanmiddag om de Heilige Geest en zijn werk:  “Leid haar altijd door uw Geest. Laat haar volgens uw woord worden opgevoed en in Christus tot geestelijke groei komen”.

Maar dat bidden we als het goed is ook voor onszelf en voor elkaar: of de Heilige Geest die nieuwe geboorte wil bewerken, dat nieuwe hart en dat nieuwe leven, en die zekerheid: ik ben Gods kind! Dat is het grootste wonder: een zwak mens die gaat schuilen aan Gods hart, veilig in Jezus’ armen.

Waar je veiliger bent dan bij je eigen moeder en je eigen vader!

                                                                   amen 

 liturgie middagdienst zondag 23 november 2014  (doopsbediening)

zingen:       Gz. 171: 1,3 

votum en groet

zingen:       Ps. 95: 1,3

gebed

doopformulier  3

zingen:      Gz. 161: 1

geloofsbelijdenis

zingen:      Gz. 161: 4

zingen na ja:   dooplied Sela

doopgebed

zingen na doop:  Ps. 103: 5

dankgebed

Schriftlezing:  Psalm 22: 1-12 en 28-31

zingen:     Ps. 22: 4,11,14

verkondiging:  Psalm 22: 11

zingen:     Gz. 163

gebed

collecte

zingen:     Gz. 165

zegen

amen:      Opw. 710

Matteüs 5: 3: Van harte gefeliciteerd! Nationale Bijbelzondag 2014 – met nagesprek

liturgie morgendienst zondag 26 oktober 2014

votum en groet

zingen:      Ps. 147: 1,4

wet van God

zingen:      Ps. 35: 1,13

gebed

Schriftlezing:  Matt. 4: 23- 5:16

zingen:      Gz. 38 (1-4)

verkondiging: Matt. 5: 3   ‘Van harte gefeliciteerd!’

zingen:      Lied 21: 3,5,7

gebed

collecte

zingen:      Ps. 84: 3,6

zegen

—————————————————————————————————————————-

Gemeente van onze Heer Jezus Christus, als het goed is allemaal leerlingen van meester Jezus,

dia 1

Van harte gefeliciteerd!

Dat zijn we gewend te zeggen bij allerlei gelegenheden: een verjaardag, als mensen een kind gekregen hebben, zoveel jaar getrouwd zijn, bij slagen voor een examen:  gefeliciteerd!

Je zegt het niet natuurlijk bij teleurstellingen, of ziekte, of tegen de familie op een begrafenis. Soms vergist iemand zich lelijk en zegt ‘gefeliciteerd’ als hij bedoelt: ‘gecondoleerd’ – pijnlijk!

Feliciteren doe je met wat goed is en mooi, als je  samen met mensen ergens blij over bent.

Van harte gefeliciteerd! Eigenlijk is dat wat de Heer Jezus als eerste zegt in de toespraak die we de bergrede noemen. Maar het klinkt heel anders dan zoals wij elkaar feliciteren met iets dat we te vieren hebben. dia 2 Hier worden mensen gefeliciteerd die arm zijn, die verdriet hebben, die onrecht lijden en om hulp schreeuwen, die worden vervolgd om wie ze zijn en om wat ze geloven – en dan, als klap op de vuurpijl, worden de mensen om Jezus heen persoonlijk ermee gefeliciteerd :     “Gelukkig zijn jullie …wanneer ze je omwille van mij uitschelden, vervolgen en van allerlei kwaad betichten. Verheug je en juich”.   Om het met de BGT te zeggen:  ”Als dat gebeurt, moet je blij zijn en vrolijk”.

  Wat de Heer zegt en bedoelt, heeft dus een andere lading en bedoeling dan als wij feliciteren. Wij wensen geluk wie succes hebben, wie het voor de wind gaat, gezond is, sterk, en in tel. Iemand schrijft: “Niemand zou mensen die vreselijke dingen meemaken gelukkig prijzen. Maar in deze serie uitspraken worden de zaken op de kop gezet. Niet wie op het eerste gezicht gelukkig lijkt, is werkelijk gelukkig. Maar juist mensen van wie je in eerste instantie denkt ‘die zijn er slecht aan toe’. Dat kan omdat deze uitspraken uitgaan van de waarden van Gods nieuwe wereld. Om het ‘echte geluk’ te zien moet men verder kijken dan het alledaagse leven en de waarden van deze wereld”. Zeg maar: bij Jezus kom je in een andere wereld; Jezus zet de ons bekende wereld op de kop.

Dat klopt ook wel want wat Jezus aan het doen was, lezen we vlak voor die zaligsprekingen. Al in 4: 23: “Hij verkondigde het goede nieuws van het koninkrijk” = het hemelse rijk van God. Om het te zeggen met de BGT: “Hij vertelde het goede nieuws over Gods nieuwe wereld”. 

Ja, en Jezus demonstreerde ook hoe het er in die nieuwe wereld aan toe gaat, hoe het is als alles voorgoed nieuw wordt: “Hij maakte alle mensen beter die ziek waren of pijn hadden”. dia 3

Geen wonder dat de mensen massaal achter Hem aan kwamen, dat ze hun zieke en hun gehandicapte familieleden en vrienden meenamen, en dat het nieuws over alles wat Jezus zei en deed als een lopend vuurtje het hele land doorging: zorg dat je er bij bent, bij die Jezus! Dat is ook wel een felicitatie waard:  van harte gefeliciteerd als je deze Jezus mag leren kennen, als ze van Hem genezing verwacht, als je al iets mag ervaren van die nieuwe wereld.

Precies op dat moment gaat Jezus er eens goed voor zitten en neemt Hij er de tijd voor om- zo begint de vertelling over die toespraak op de berg – “uitleg te geven over de nieuwe wereld “.

Dat was – staat er bij – met het oog op al die mensen die achter Hem aan kwamen: “toen Hij de mensenmassa zag, ging Hij de berg op. Daar ging Hij zitten met zijn leerlingen om zich heen”.

En dan lijkt het een terugtrekken in kleine kring: “Jezus begon zijn leerlingen uitleg te geven.” dia 4   Toch is de bedoeling niet dat wat Jezus gaat zeggen alleen bestemd is voor de ingewijden, voor de kleine kring van de uitgekozen discipelen – alle mensen en ook wij eeuwen later mogen meeluisteren, worden aangesproken, en worden gefeliciteerd: de bedoeling is dat zij toen en ook wij vandaag leerling van Jezus zijn, om zo de weg te vinden, achter Jezus aan, naar het echte geluk.

Geluk dat dieper gaat en langer meegaat dan als je weer een paar gezonde ogen of benen hebt. Geluk dat je ook kan ervaren als je ziek blijft of gehandicapt, als je verdriet of pijn te dragen krijgt. Daarom is de vertaling van de BGT precies de spijker op de kop: “het echte geluk is voor…..” en dan komt er zou je kunnen zeggen een profielschets van de echte leerling, van de echte christen.

Natuurlijk is de bedoeling niet van Jezus dat het fijn is als je verdriet hebt, dat je moet verlangen naar lijden en vervolging, dat je niet blij mag zijn als het goed met je gaat, als je gezond bent…..

Alleen maar:  als het niet meer is dan dat, blijft het aan de oppervlakte en is het broos en maar voor een tijd; en – schrijft een uitlegger – “in ieder mensenhart ligt heimwee naar een geluk dat verder weg ligt” – zeg maar: veel mensen voelen ergens en hopen ook dat er meer is, meer dan huisje-boompje-beestje – meer dan een goed betaalde baan, een mooi huis, geld, reizen.. en hoeveel mensen zijn er niet die alles hebben wat hun hart begeert en toch niet echt gelukkig zijn, zelfs diep ongelukkig, eenzaam, met de ene verbroken relatie na de andere, met onvrede in hun hart, niet tevreden met het leven dat ze leiden, en als ineens ziekte komt en de dood toeslaat, wat koop je dan voor al dat korte-termijn-succes en wat blijft er over van wat je hebt?

Andersom: wat heb je voor perspectief als het allemaal tegenzit en veel bij de handen afbreekt, als je voor een dubbeltje geboren nooit een kwartje wordt, als je altijd in de hoek lijkt te zitten waar de klappen vallen, of als je om hoe je denkt en wie je bent achtergesteld wordt, gepest, vervolgd zelfs – komt er dan nooit een tijd dat de rollen worden omgedraaid, dat onrecht echt bestraft wordt en de dingen worden rechtgezet, dat tranen gedroogd en honger gestild wordt?

Kijk, en dan komt het allemaal ineens heel dichtbij, die felicitatie en dat er echt geluk bestaat. We leren van Jezus dat er een andere werkelijkheid is, dat God zorgt voor een nieuwe wereld. In die gelukwensen wordt die nieuwe wereld, dat rijk waar God het voor het zeggen heeft, in het tweede deel van de spreuk uitgetekend: daar zal God troosten wie treuren, wie er nu doorheen zitten of met gemis tobben of met pijn moeten leven, en ook wie verdriet hebben over zoveel dat in hun leven of in de wereld kapot is; daar wordt liefde echt beantwoord, en gaat een wereld open voor wie nu helemaal vastgelopen zijn; daar zal God belonen wie nu zich hebben ingezet voor anderen en die daar veel voor moesten opgeven; daar duurt eerlijk echt het langst – eeuwig zelfs; daar is lijden voorbij, daar worden tranen voorgoed gedroogd -    dia 5   – en alles is voor altijd nieuw en goed.

Dat is de beslissende omkeer die God belooft en die Jezus komt bewerken op aarde – echt de wereld op de kop en zo een wereld die weer wordt zoals God bedoeld als Schepper en Heer.

Gemeente, en dat is niet alleen maar iets voor een verre toekomst: stil maar, wacht maar, alles wordt ooit een keer nieuw en weer goed – dat is wel zo, maar het begint hier en nu al. Sterker nog, als Jezus komt is het al begonnen met die nieuwe wereld, luister maar naar wat Hij allemaal zegt, de mensen toen en ons vandaag leert over die nieuwe wereld, en kijk naar wat Hij allemaal al laat zien en laat ervaren – en naar het voorbeeld dat Hij geeft.

Daarom is het te beperkt en te arm om die beloften van Jezus te verschuiven naar een verre toekomst: nu is het allemaal beroerd, gelukkig komt er een nieuwe aarde. Want nu al wil God belonen en laten ervaren dat het werkt als je het van Hem verwacht en daarom je nederig opstelt en uit bent op vrede, als je recht-door-zee bent en vriendelijk naar mensen om je heen.

Niet dat de hele wereld dan meteen verandert maar je wordt er zelf anders van en beter door, en kleine stapjes in de goede richting kunnen al zoveel verschil maken; zoals Jezus zelf gezegd heeft: “jullie kunnen de nieuwe wereld nu al binnengaan, als jullie de juiste keuze maken” (Luc.17:21- BGT) Dat is wat de bijbel bekering noemt: als dat goede nieuws mensen verandert, en ze nieuw maakt.

Nou, en daarover gaan die zaligsprekingen, die felicitaties ook, over hoe je nu al deel kan krijgen aan dat nieuwe leven, voor wie dat echte geluk dat Jezus mogelijk maakt, bestemd is,  en hoe je leven eruit gaat zien als Jezus het voor het zeggen krijgt: geluk voor jezelf en ook voor anderen.

Terecht zijn die gelukwensen wegwijzers genoemd naar het leven met God in zijn nieuwe wereld. “Al deze omschrijvingen geven aan in welke richting wij nu moeten leven“, schrijft een uitlegger.

En dat niet als voorwaarden waaraan we moeten voldoen of prestaties die we moeten leveren, maar als uitstraling van een leven waarin Jezus je Heer en dus ook je voorbeeld is, waarin Gods liefde nu al je leven anders maakt en rijker, zelfs als je nog midden in de ellende zit, als je nog de druk ervaart van een omgeving waarin het anders toegaat, en je het heel moeilijk kan hebben.

Ja, want dat echte geluk waar het hierover gaat, kun je juist niet zelf pakken of veilig stellen. Je wordt niet gefeliciteerd omdat je het hebt gemaakt in je leven of omdat je vroom genoeg bent, maar juist als je het alleen niet redt en je dat beseft en erkent, als je jezelf kwetsbaar durft op te stellen, als je niet op je strepen staat maar jezelf klein maakt tegenover God en dan ook de minste wil zijn in de omgang met mensen om je heen: thuis, op het werk, in de kerk.

Dat is door heel het onderwijs van leermeester Jezus de rode draad en Hij gaat erin voorop: “Ik ben bij jullie gekomen als een dienaar”  (Luc. 22: 27), en:  “Ik ben jullie Heer en jullie meester, en toch heb ik jullie voeten gewassen.  Daarom moeten jullie ook elkaars voeten wassen….Wat ik voor jullie gedaan heb, dat moeten jullie ook voor elkaar doen… Als je dat begrijpt en je daaraan houdt, zul je het echte geluk leren kennen” (Joh. 13).        dia 6

Precies dat is de inzet in die eerste felicitatie, vroeger vertaald als: “zalig de armen van geest”. Wat niet slaat op mensen met weinig geld of met weinig verstand of met weinig geloof, maar op mensen die niet groot van zichzelf denken maar weten dat ze het zonder God niet redden. In de NBV is het vertaald met ‘nederig van hart’, de BGT heeft: “mensen die weten dat ze God nodig hebben”, en dat goed geschoten – letterlijk staat er een woord dat bedelaar betekent. dia 7 Jezus wil die mensen die achter Hem aan kwamen voor brood en om genezing duidelijk maken dat echt geluk alleen te krijgen is als je het niet zoekt bij jezelf of verwacht van mensen om je heen of van optimale omstandigheden om je heen, maar als je erom vraagt aan God, als je als een bedelaar je lege handen uitsteekt naar God zodat die kan geven wat je nodig hebt.

En dat bepaalt dan verder heel je houding: hoe je omgaat met tegenslag en verdriet: geduldig en vol vertrouwen; en hoe je omgaat met je naasten: vriendelijk, eerlijk, tegen onrecht en uit op vrede.

Want als je niet zelf je geluk hoeft te bevechten hoef je ook niet jezelf neer te zetten of voor je eigen positie te vechten, maar kun je het in Gods handen leggen en ook anderen geluk gunnen. Als je weet dat je alleen maar met lege handen bij God kunt komen, wordt je ook naar anderen toe nederig, bescheiden, bereid om de minste te zijn, in het besef dat heel je leven genade is.

Want het geheim van dat andere, goede leven, van die nieuwe wereld, is dat ik loskom van mezelf, bevrijd wordt van de stress van dit moet ik en dat wil ik en daar heb ik toch recht op -dat ik leer loslaten en van genade te leven – en dat ik juist zo weer mezelf mag zijn, van dwang gered, vrij.

Kijk, en langs die weg, vanuit die houding, begint die nieuwe wereld nu al werkelijkheid te worden. Ingekleurd in steeds dat tweede deel van die spreuk: voor hen – zulke mensen – is Gods nieuwe wereld, en dan ga je ervaren dat er troost is als je verdriet hebt, mag je tegen de vaak harde werkelijkheid in blijven hopen en blijven geloven dat niet de brutalen de  halve wereld zullen hebben maar dat zachtmoedigen een hele, nieuwe wereld te winnen en te verwachten hebben, dat het niet voor niets is – al lijkt dat vaak wel zo -als je gaat voor recht en tegen onrecht, dat eerlijk zijn toch echt langer meegaat dan schijn en leugen, en dat je door vrede na te streven laat merken dat je echt kind van God bent en lijkt op Jezus…en dat mensen dat zelfs nu al gaan merken: die is echt anders…

Heel concreet kan het en gebeurt het: zout zijn dat smaak geeft en bederf weert, en een lichtje zijn in het duister zodat de mensen als ze bij u en jou en mij al iets zien van het goede leven, en ze – huns ondanks misschien en met veel mitsen en maren nog – de hemelse Vader eer geven.

dia 8

Dan blijven we niet dromen over een wereld die ooit komen zal, maar denken we samen na over hoe we nu al iets van dat rijk kunnen laten zien in ons eigen leven en samen als gemeente, en durven we stappen te zetten naar God toe en die ander toe, gaan we zoals Jezus het zei niet alleen maar praten over de Heer en zingen voor Hem, maar doen wat Hij wil en wat goed is.

Neem het mee als vraag voor het nagesprek en voor deze week:  herken ik mezelf als ik die zaligsprekingen lees?      Wat kan ik en wat doe ik met wat onze Heer ook ons leren wil?  Genoeg stof om over na te denken en over door te praten, én mee bezig te blijven, ons leven lang.

                                                  amen

 Gesprekspunten

*  Is het voor u/jou moeilijk om de woorden van Jezus in de Bergrede op te volgen?  B.v. om ‘nederig van hart’ te zijn?

* Is het een kwestie van bepaalde karaktereigenschappen hebben, bij het opvolgen van de Bergrede, of kun je die eigenschappen zoals zachtmoedigheid met vallen en opstaan ontwikkelen?

* Zijn er ook situaties denkbaar waarbij je niets kunt met de Bergrede? B.v. dat woorden te kort schieten, zoals bij grote rampen of als iemand verschrikkelijk benauwd is en niemand er raad mee weet?

* Zaken die voor het oog positief lijken kunnen minpunten worden en minpunten kunnen iets goeds opleveren. Herken je dat? Goed om dergelijke ervaringen te delen?

* Vaak lijkt eerlijkheid niet beloond te worden. Misschien wordt je zelfs ontslagen als je misstanden aan de kaak stelt. Hoe moet je daarmee omgaan in het licht van de Bergrede  (zie b.v. 5: 8)

 

Zondag 1 Heid. Cat.: Is je leven verankerd in Jezus Christus?

Gemeente, broeders en zusters, jongens en meisjes,

Als je er goed over nadenkt, is het natuurlijk een vreemd beeld:  een schip, met een anker dat niet neergelaten is in het water om vast te haken in de zeebodem, maar dat naar boven is opgegooid tot ergens hoog boven en achter de wolken.   (Heb. 6: 19-20a)

Maar wat is bedoeld, begrijpen we wel: zoals een schip vast haakt in de bodem door dat anker,geeft het geloof houvast aan onze Heer Jezus die voor ons bij God in de hemel is.

Misschien maakt een ander beeld dat nog wat duidelijker.

U weet vast wel hoe een echte bergbeklimmer steile gevaarlijke stukken onderweg naar de top bedwingt: een stevig touw naar boven gooien met een haak die houvast krijgt in de rots, zodat je langs dat touw naar boven kan klimmen, of anderen je omhoog kunnen trekken.

  En nu zou ik de vraag waarmee de catechismus meteen met de deur bij u en jou in huis valt,  zo kunnen vertalen: hebt u al vaste grond gevonden – en jij – waarin je leven veilig is verankerd?

Kun je  dat de catechismus nazeggen: het kan in mijn leven stormen – misschien is dat nu wel zo -en ik word zo verschrikkelijk door elkaar geschud, zelfs zo dat alle grond onder m’n voeten wegzakt, maar ik vertrouw erop dat ik toch geen schipbreuk lijdt maar veilig in de haven aankom.

Niet omdat ik zo zeker ben van mezelf en zo sterk in mijn schoenen sta,  maar door  dat anker.  Of liever: door die stevige bodem onder mijn leven:  de vaste grond van Gods beloften en verbond, vastgemaakt in en door het bloed dat Jezus voor me stortte,vastgemaakt aan die troon boven waar Hij alles regeert, en Hij ook mijn leven leidt, en de wereld om me heen en wat mij overkomen kan.  Geloof ik  dat ik mijn bestemming kan bereiken – de veilige haven, de top die ligt te wachten als ik met alles wat ik ben en heb, vastgemaakt ben aan Hem die vooropgaat en die al binnen is,die de top al gehaald heeft?

In Heb. 6 heet Hij – Jezus – onze Voorloper. Je zou met dat beeld van dat schip op zee Jezus met een sleepboot kunnen vergelijken: Hij neemt me op sleeptouw en trekt me de haven in. Of je denkt aan de Gids die vooroploopt en als eerste de bergtop bereikt: als je maar aan Hem vastzit, trekt Hij je veilig naar boven. Als je maar dat touw niet loslaat. Als je maar niet de ankerketting doorzaagt of laat glippen.

Dus is de vraag die op u en jou en mij afkomt vanmorgen en steeds weer:

 Is je leven verankerd in Jezus Christus?

1. dan heb je echt houvast;

2. dan houdt Hij je vast;

3. houd je vast aan Hem.

 1.Is je leven verankerd in Jezus Christus? dan hebt je echt houvast.

  Een schip op zee. Onderweg van de ene haven naar de andere. De zon schijnt. De zee is rustig, net een groot meer. Maar een paar uur later kan het ineens verschrikkelijk gaan stormen. Huizenhoge golven. Het schip op een neer en heen en weer geslingerd. Wie erop zitten draait de maag om en om… En soms draait het op een schipbreuk uit.  Slaat zo’n schip op de klippen of raakt het vast op een zandbank. Zinkt het zelfs.

 Meer dan eens is het leven van een mens vergeleken met zo’n schip op zee. Het kan er rustig aan toe gaan. Alles gaat zo z’n gangetje en kabbelt rustig door. De zon schijnt. Maar vaak genoeg stormt het in je leven. Wordt je door wat met jezelf gebeurt of met mensen van wie je veel houdt,door elkaar gerammeld. Stort je vertrouwde wereldje in. Loop je vast en kun je niet voor- en niet achteruit. Raak je aan het tobben en aan het twijfelen, zo zelfs dat je met je geloof op de klippen kunt slaan. Dat mijn geloof schipbreuk lijdt en ik steeds die­per wegzak in een oceaan van levensvragen, twijfels, ongeloof.  En we weten allemaal dat het een keer sterven wordt..en wat dan?

Met het oog op dat allemaal is de eerste vraag die op ons afgevuurd wordt in de catechismus meteen raak, recht op de man of de vrouw af: wat is nou uw, jouw houvast bij zoveel onzekerheid, onrust, twijfels  in tijden van ziekte, midden in verdriet en zorgen, maar ook als het leven je toelacht en alles lijkt te lukken, en als je een keer moet sterven? Wat houd je op de been als veel tegenzit en je in de put zit? En wat houd je over, als je op een kwade dag alles moet loslaten en niks meenemen kunt? Wat voor hoop is er nog, als je hier bent opgegeven?

Elk mens zoekt zekerheid. Probeert zin aan zijn leven te geven. Zoekt houvast aan dit of dat. Maar vroeg of laat blijkt dat niet te lukken. Vallen zekerheden weg. Blijken mensen van wie je veel verwacht had, tegen te vallen of weg te vallen. En niets houdt die onvermijdelijk dood tegen en dat donkere graf. Iemand schrijft: “eens komt aan alle troost die het tijdelijk leven biedt een eind”. Wie niets meer had, staat met lege han­den. Je gaat zoals je kwam, en je kunt niets meenemen.

Ik denk weer aan dat schip, gebeukt door de golven, op en neer en heen en weer geslingerd. Dan heeft het geen zin om het anker vast te maken aan dat schip zelf.  Je moet – op plaatsen waar dat kan – het anker laten zakken in de zeebodem, om er voor te zorgen dat het schip niet stuurloos wegdrijft of op een rots of een zandbank slaat.

Nou, dat is precies waar het in zondag 1 over gaat – wat de kern is van het christelijk geloof. Zeg het maar zo: je zekerheid buiten je zelf zoeken, je leven verankeren in een rotsbodem die eeuwig houvast geeft.  Dat is de troost van het evangelie: dat ik niet van mezelf ben, niet aan mezelf overgelaten als mens, maar dat ik met heel m’n hebben en houden, en onder alle omstandigheden, het eigendom van de Heer  Jezus ben. Dat ik onlosmakelijk aan Hem verbonden ben, zoals dat schip stevig aan de ketting ligt zodat het niet op de klippen kan lopen en niet in de storm zal vergaan.

Het is belangrijk dat vast te houden. Ook gelovige mensen zijn niet zo zeker van zichzelf, ook al kunnen we misschien zelfverzekerd overkomen, recht in de leer, misschien met veel Bijbelkennis. We moeten ook maar niet op onze eigen gevoelens afgaan, of eigen emoties drijven, want dan zakken we zomaar weg;  zoals Petrus toen die toen Hij Jezus in het oog hield over de golven kon lopen maar meteen wegzakte toen hij op die hevige storm lette en die woeste donkere golven zag. Je zakt net als Petrus onherroepelijk weg en gelukkig is er dan die hand van Jezus die je vasthoudt.

Ja, houvast is er alleen als ons leven is vastgemaakt aan Hem die zijn leven voor ons opgeofferd heeft en ons zo tot zijn bezit gemaakt. Dat veelzeggende beeld tekent Heb.6:  hoop die houvast geeft, als een anker dat vastgemaakt is aan Hem die vandaag in de hemel is, als de Hogepriester die met zijn eigen leven voor onze schuld en zonden heeft betaald, en die nu voor ons bidt en voor ons opkomt, en niet rust voor wij zijn waar Hij al is.

Kunt u het nazeggen? Is dat ook jouw houvast? Zoals we ervan hebben gezongen:   “Ik heb de vaste grond gevonden, waarin mijn anker eeuwig hech­t:   de dood van Christus voor de zonden, van eeuwigheid als grond gelegd. Die grond zal onverwrikt bestaan, als aarde en hemel ondergaan”.

Dat vraagt wel geloof. Verderop in Heb. lees ik dat het geloof het bewijs is van dingen die je niet (nu nog niet) ziet. Als de kapitein het anker uitgooit, verdwijnt dat ding in zee, en je ziet het niet meer, maar je weet dat ergens in de diepte dat anker zich vasthecht in de bodem. Geloven is je anker vasthechten hoog boven je, ver achter de wolken die zo vaak boven je leven hangen. Het is je leven vastmaken in Jezus die je niet kunt zien maar die we in de hemel weten, en die vandaar uit ons vasthoudt en op sleeptouw neemt, op weg naar de veilige haven.

Dat geloof geeft houvast. Die hoop doet leven. Denk maar vaak terug aan je doop, als Gods eigendomsbewijs: hij, zij, is van Mij! Nou, wat kan me dan nog gebeuren….?!

2. Als je leven verankerd is in Jezus Christus, houdt Hij je vast.

  Zo’n schip voor anker, daar kan toch nog best heel wat mee gebeuren. Als het stormt, merk je daar echt wel van als je aan boord bent. De golven beuken tegen het schip, slaan over het dek, en het schip gaat op en neer en heen en weer. Het kan beangstigend zijn, en je kunt er flink zeeziek van worden.

Zo is dat ook in het leven van gelovige mensen.  Als je bij God hoort en bij Jezus, heb je niet de belofte dat je een makkelijk en pre­ttig leventje  zult hebben. Dat het een plezierreisje wordt.

Daar kunnen we allemaal wel voorbeelden van opnoemen. Levensverhalen zijn soms schrijnende en hartverscheurende ver­halen, en er zitten vaak diepe vragen aan vast over waarom nou dit en waarom niet dat, en we begrijpen niet dat het zo moest gaan. Het beukt soms zo tegen ons geloof in God aan dat zomaar dat geloof kapotbreekt en je niet weet of je nog wel geloven kunt. Er zijn genoeg voorbeelden van op de klippen van het harde leven stukgelopen geloof.

En of ik sterk ben? Hoe zou reageren als mij dit of dat zou overkomen? Je kunt er bang van worden. Hoe zouden wij zijn als we als christen nu in Irak of Syrië zouden wonen, en als ze ons letterlijk met het mes op de keel zouden dwingen om tegen Jezus te kiezen: moslim worden of sterven? En – iets anders – wat als heel dichtbij geloof schipbreuk geleden heeft:  van een kind, van man of vro­uw, broer of zus – hoe gaan we daarmee om, hoe gaan we hen om, hoe sterk is dan de liefde?

Wat merk ik dan van dat anker – blijkbaar heeft het toch niet gehouden, is de kabel geknapt. Wat kan ik dan met die belofte: niets kan me uit zijn hand trekken?    Toch houden we vol – het staat als een paal boven water – dat de Here Jezus zuinig is op wie Hij gekocht en zo duur be­taald heeft. Daar staat Hijzelf borg voor. Hij gaf er zijn leven voor, en God zijn Vader gaf er zijn eed op. Denk maar weer aan dat zichtbare teken van de doop: God de Vader heeft me als zijn kind aangenomen, en daarom zal Hij zijn kind van al het goede voorzien, en als het kwade van hem weren of doen meewerken ten goede.

Zondag 1 zegt het met andere woorden net zo: de Here Christus – we zijn toch van Hem? – “bewaart mij zo, dat zonder de wil van mijn hemelse Vader geen haar van mijn hoofd kan vallen, ja zelfs zo, dat alles dienen moet tot mijn heil”. Er kan heel wat gebeuren met dat schip maar het zal wel de veilige haven bereiken. Het is een hele klim naar boven en soms denk je dat het touw het niet houdt, maar je komt boven!

Het is waar, de harde werkelijkheid  lijkt vaak anders. Zoals een uitlegger opmerkt: “de praktijk leert dat kinderen van deze Vader hun haar kunnen verliezen: van verdriet of door een medische handeling”.  Of – zeg ik erbij – door het ouder worden, wat ook een stukje sterven is, afbraak. Er lijden wel degelijk mensenlevens, carrières, huwelijken, ook van christenmensen, schipbreuk. Je kunt ver van God wegraken, en weglopen bij de kerk. Dat is met heel wat gedoopten gebeurd. Het gebeurt dagelijks. Met goede moed aan de klim begonnen, breekt halverwege toch het touw, en je stort in de diepte. Waar was God toen dan?

Juist dan komt het aan op geloof. Kiezen voor de vluchtroute naar Hem die voor ons gekozen heeft en die ons heeft toevertrouwd aan de hoge bescherming van zijn Vader die ook onze Vader wil zijn, mijn hemelse Vader.  Narekenen kan ik Hem niet. Vaak kan ik zijn doen en laten niet begrijpen.

Maar ik mag er van uit gaan dat Hij het beste met me voor heeft – anders zou Hij toch zijn eigen lieve Zoon niet voor me over hebben gehad tot in de dood toe? En ik mag Vader ook houden aan zijn woord: U hebt het toch beloofd: Ik wil je Vader zijn, Ik zal altijd voor je zorgen? Ik ben toch gedoopt? Mijn leven is toch verankerd in God?  Nou dan, Here, wilt U me dan vasthouden? Me erdoor heen slepen? Me weer vlottrekken als ik dreig te stranden. En wilt u er ook zijn voor hem, voor haar….

Gemeente, God heeft juist zijn Heilige Geest gegeven om ons daar zeker van te laten zijn. Die Geest werkt geloof en geeft hoop. Door die Geest die daarvoor de bijbel gebruikt en die ons leert bidden en ons aan elkaar verbindt, door die Geest overtuigt de Heer  ons ervan dat Hij ons vasthoudt en ons meetrekt en ons  thuis­brengt. Niets kan Gods heilzame plan met m’n leven dwarsbomen, zelfs de duivel niet en ook de dood niet.  Alles – zelfs dat wat ik niet kan begrijpen, waar ik de zin niet van zie, wat echt heel erg is – het moet uiteindelijk meewerken om me te brengen waar God me wil hebben. Alle reden met die God in zee te gaan!  En zijn hand te grijpen als ik overboord dreig te vallen.

 

3. Is je leven verankerd in Jezus Christus? Houd je dan vast aan Hem!

   De brief aan de Hebreeën is een indringende aansporing bij het geloof te blijven, en niet de moed te verliezen en halver­wege af te haken. Wil je niet verdrinken, moet je de red­dings-boei nu ook gri­jpen die onder han­dbereik ligt.  Je moet je le­ven verankeren in Jezus en je aan Hem toevertrouwen, en niet de kabels doorsnijden waardoor aan Hem bent vastge­maakt, niet die reddingsboei – of die sleepkabel – negeren of loslaten.

Houd aan Hem vast, leef voor Hem, dankbaar en gehoorzaam. Hij grijpt ons vast en laat ons niet los, en trekt ons naar boven,  zijn toekomst binnen. Houd de moed er maar in!  En ….houdt ook elkaar vast!

Mooi die nieuwe reddingsboei op de beamer – die met sterke magneten ander reddingsboeien aantrekt en vasthoudt, zodat drenkelingen elkaar kunnen helpen en samen gered worden.

Prachtig als je daarvoor een instrument mag zijn, een reddingsboei als verlengstuk van Christus.

S-O-S = save our souls      red mijn leven  en dat van heel veel anderen!

Heer, laat ons niet verloren gaan!

                                                                amen

 

liturgie middagdienst CGK-GKV 

welkom

zingen:       Ps. 62: 1,4

we worden stil voor God

votum en groet

zingen:       Ps. 90: 1,8  

gebed

Schriftlezing:  Heb. 4: 14-16 en  en 6: 16-20

zingen:      Gz. 440 (1-4)

verkondiging:  Heb. 6: 19-20a /  zondag 1 Heid. Cat. 

zingen:      NLB 23c (1-5)  

gebed

collecte

geloofsbelijdenis

zingen:    Gz. 444 (1,2,3)

zegen

amen:      Gz. 456: 3   

Lucas 16: 9: Vrienden voor het Leven

Gasten, zusters, broeders, u en jij, samen Gods gemeente,

   Hoe maak je vrienden?  En hoe blijf je – voor langer of voor het leven – vrienden / vriendinnen?  Dan bedoel ik niet hoeveel vrienden je hebt op facebook of zo -  maar echte vrienden.

Daar zit nog weer een andere vraag achter: wat is eigenlijk vriendsc hap, wie is echt een vriend(in)? Er is meer voor nodig dan af en toe uitgaan of een biertje drinken, meer dan samen in dezelfde klas zitten of collega’s  zijn – al kan het een met het ander samengaan of kan het een uitgroeien tot meer.

De cabaretier Toon Hermans heeft  het mooi onder woorden gebracht in zijn gedicht ‘Vriend’:

je hebt iemand nodig/  stil en oprecht/  die als het erop aan komt /voor je bidt of voor je vecht;  pas als je iemand hebt/ die met je lacht en met je grient/dan pas kun je zeggen: ‘k heb een vriend”.

Dat is echt meeleven met elkaar, emoties kunnen delen, leren begrijpen hoe de ander zich voelt en dat serieus nemen en erop inspelen, die ander belangrijk vinden en ruimte geven om zichzelf te zijn, en dat komt van twee kanten: niet alleen jouw verhaal vertellen maar ook benieuwd zijn naar de ander, en ook elkaars verwachtingen afstemmen; echte vriendschap is iets van wederzijds.

 

Heel bijbels is dat, ik denk aan Paulus in Rom 12: Wees blij met wie zich verblijdt, heb verdriet met wie verdriet heeft”. Dan gaat dan over door het geloof verbonden zijn, als samen vrienden van Jezus, maar het geldt zeker ook van verbondenheid als vrienden, dat je deel van elkaars leven uitmaakt, ook al zie je elkaar misschien maar weinig, woon je niet om de hoek,ben je allebei druk. Maar je hebt zoveel samen, ook zoveel samen meegemaakt, dat je zelfs als je elkaar een jaar niet hebt gezien en je spreekt elkaar weer, je de draad kunt oppakken alsof er geen jaar tussen zat…

Ik hoop en ik denk ook dat u/jullie daar zelf ook voorbeelden van hebben – en hoe mooi is dat. Het leert ook wat er voor nodig is, wat je eraan kunt doen, om vrienden te hebben en te houden.

De andere kant is ook helaas maar al te waar: dat veel wat vriendschap heet of lijkt,oppervlakkig is, vluchtig, misschien een tijdje heel intensief, maar het verzandt, bloedt dood, of wordt afgekapt.

Er is in onze samenleving veel eenzaamheid, en dat niet alleen bij mensen die ouder zijn geworden of alleen zijn komen te staan als gevolg van overlijden of scheiding, maar ook bij mensen met te veel contacten om bij te houden, met een drukke agenda, en midden tussen een heleboel mensen.

Het kan ook in de kerk gebeuren dat mensen zich eenzaam voelen, zelfs als ze veel bezoek krijgen. Omdat je b.v. anders  bent dan die anderen, je niet begrepen of niet serieus genomen voelt, of verloren in een groep waar je je weg en je plekje niet kunt vinden, omdat je afkeurende blikken voelt of denkt dat ze wel zullen denken dat jij….of omdat je denkt dat niemand op jou zit te wachten….

Dat kan ook en zelfs in de kerk – waar juist gemeenschap voor in de mond ligt- en buiten de kerk is het echt erg. Niet voor niets was er eerder deze maand een ‘week van de eenzaamheid0  in Nederland, omdat het een serieus en omvangrijk probleem wordt in ons land – en dan wordt er van alles georganiseerd om mensen uit hun eenzaamheid te halen of in contact met anderen te brengen.  Dat is goed. Er ligt zeker ook een uitdaging in voor ons als kerk midden in zo’n samenleving. Maar,  als het niet verder komt dan die ene week in het jaar of straks weer rond kerst – en als het niet dieper gaat dan gezamenlijke activiteiten voor wie eenzaam zijn of zich eenzaam voelen – zal het een druppel zijn op een gloeiende plaat – want vriendschap is meer dan mensen kennen of iets samen doen.

Het is zoals al aangegeven van hart tot hart kunnen praten over alles wat je bezig houdt, het is emoties kunnen delen, elkaar leren begrijpen en aanvoelen en ook er zijn, juist als het moeilijk is, trouw zijn en in de vriendschap investeren, tijd maken voor elkaar, en interesse tonen in elkaar.

Kijk, en dan krijg je als erin investeert en als je trouw bent, ook veel terug: een echte vriend(in).

 Misschien een wel erg lange aanloop om te belanden bij die tekst van vanmorgen. Het is zeker in het licht van wat ik net over vrienden maken en houden zei, een vreemde uitspraak van Jezus:  Maak vrienden met behulp van de valse mammon opdat jullie in de eeuwige tenten worden opgenomen, wanneer de mammon er niet meer is”.        

En dan wordt een man ons tot voorbeeld gesteld die aan de kaak wordt gesteld als een oneerlijke rentmeester, een fraudeur, die ontslagen werd wegens wanbeheer en daarna met slimme trucjes zichzelf er bij de debiteuren van zijn ex-werkgever inkletste zodra die eigenlijk bij hem in het krijt stonden en zich wel verplicht zouden voelen om hem in huis te nemen of een baan te bezorgen.

En dat moet dan een voorbeeld zijn voor ons christenen: waren jullie maar zo slim en berekenend!

Ik moest denken aan teksten uit het Spreukenboek, zoals deze: “een arm mens wordt zelfs door zijn vriend gehaat, wie rijk is heeft veel vrienden“, maar is dat positief, zijn dat dan echte vrienden?

Een tweede spreuk scherpt dat aan: “wie veel vrienden heeft, raakt snel geruïneerd, een echte vriend is meer waard dan een broer” (18:24).  Jezus heeft er net over verteld  in de gelijkenis van de verloren zoon, hier vlak voor – 15: 11-32. Julllie kennen dat verhaal wel,  van die zoon die met zijn deel van de erfenis op zak op avontuur ging:  “Na enkele dagen verzilverde de jongste zoon zijn bezit en reisde af naar een ver land, waar hij een losbandig leven leidde en zijn vermogen verkwistte”.  Eerst was het elke dag tot in de kleine uurtjes feest met vast een heleboel vrienden en vriendinnetjes,  maar dan is het geld op en blijven ook de vrienden weg,  en het eindigt eenzaam in de goot: “Hij vroeg om werk bij een van de inwoners van dat land, die hem op het veld zijn varkens liet hoeden. Hij had graag zijn maag willen vullen met de peulen die de varkens te eten kregen, maar niemand gaf ze hem.”  Als dat geen eenzaamheid is!

Nou, precies daar is die rijke maar onbekwame en oneerlijke rentmeester bang voor, nu hij als gevolg van zijn wanbeheer aan de dijk is gezet en hij zich zorgen maakt over zijn toekomst: “Wat moet ik doen nu mijn heer mij het beheer afneemt? Werken op het land kan ik niet, en voor bedelen schaam ik me”. 

Herkenbaar ook in onze tijd, en dat niet alleen als mensen door eigen schuld of fraude ontslag hebben gekregen en heel wat moeten overwinnen om bij de sociale dienst aan te kloppen of de diakenen in te schakelen, of zich te melden bij de voedselbank .

Ik hoorde kort geleden dat ongeveer honderd gezinnen alleen al in Langedijk elke week daar langskomen, en dat er bij veel mensen heel veel schaamte is en sociaal isolement – weer:  eenzaamheid. Met alweer een uitdaging voor wie Jezus willen volgen, om iets van zijn liefde door te geven.

Mooi dat meer gebeurt vanuit de mensen van de voedselbank dan alleen een pakket eten meegeven, dat er oog voor mensen is en een luisterend oor voor de verhalen achter materiële nood – dan maak je de best wel unieke naam van die voedselbank waar – ‘Er is geloof, hoop en liefde’  (zo heet de voedselbank in Langedijk)

 Daarmee zijn we denk ik precies bij de kern bij wat de Heer Jezus ons met dit verhaal leren wil.

Dat is natuurlijk niet dat wat die rentmeester deed goed te praten valt: hij had het vermogen van zijn baas slecht beheerd, het staat er zwart op wit dat hij oneerlijk en onbetrouwbaar was – echt geen voorbeeld, en terecht ontslagen – hij kreeg van zijn baas geen vertrekpremie of bonus mee – zoals in onze tijd nogal eens gebeurt: ondanks een wanprestatie toch een gouden handdruk mee naar huis.

Tegelijk staat deze oneerlijke econoom ook weer wel model voor ons, voor hoe wij als mensen al sinds de opstand in het paradijs omgaan met wat de Schepper – zoals een uitlegger erover schrijft: “Mensen bezitten wel geld en goed, maar het komt hun niet toe. Vanwege wanbeheer is de mensen het ontslag door de dood aangezegd. Leerlingen van Jezus weten dat zij uit hun aardse bevoegdheden ontzet zullen worden…”……….en: “de tijd breekt aan dat alle bezittingen zullen wegvallen”.

Dat maakt bescheiden en zet ons met beide benen op de grond want zijn wij zoveel beter – als we bedenken hoe wij met de schepping omgaan, en met elkaar als mensen, met geld, tijd, onze eigen gezondheid en die van anderen, hoeveel voedsel in de schappen ligt waarvan algemeen bekend is dat het schade doet aan de gezondheid, en hoeveel gezond voedsel wordt verspild, hoe we omgaan met energie en water, met de oceanen, en met de dieren – is dat dan geen verkwisting van de eigendommen van de Heer van alle heren, en wat als Hij rekenschap vraagt?

Gemeente, het is Jezus die ons deze gelijkenis vertelt en zo ook ons allemaal een spiegel voorhoudt. Jezus die juist daarom door zijnVader naar deze aarde is gestuurd om te redden wat verloren is en verloren dreigt te gaan – en die daarvoor betaalde met de hoogste prijs die mogelijk is: zijn leven.

Gelukkig maar want daarom is het project schepping niet verloren maar is er een uitweg uit de crisis: hier wordt dat beeldend genoemd ‘eeuwige tenten’ – een toekomst na ontslag uit de dienst hier op aarde voor wie ‘kinderen van het licht’ mogen heten, omdat ze voor het licht Jezus kiezen. Wat niet hun verdienste is – waar u en jij en ik niet eerst een heleboel voor hoeven te presteren want Jezus is het licht voor de wereld en je hoeft alleen maar je vertrouwen aan Hem te geven.

Houd dat vast want anders lijkt dit verhaal ons op het verkeerde been te zetten alsof je je plek in die eeuwige tenten, je plek bij Vader thuis, zou kunnen en moeten kopen voor geld, of dat je door veel weg te geven aan anderen en zo mensen aan je te binden, straks wel in de hemel zal komen. Het kan niet genoeg benadrukt worden dat voor onze plek als is betaald, door Jezus namelijk.

Waar het Jezus om gaat, is om de keus voor het leven in zijn voetspoor, of leven voor jezelf. Ja, en hoe die keus uitpakt wordt zichtbaar in hoe we omgaan met wat de Heer ons toevertrouwt.

Zoals Jezus zelf het concreet maakt: “als jullie onbetrouwbaar blijken in de omgang met de valse mammon - de BGT vertaalt dat met: ‘dat ellendige geld’ – wie zal jullie dan werkelijk belangrijke dingen toevertrouwen? En als jullie onbetrouwbaar blijken met wat een ander toebehoort -God namelijk, Gods aarde, je leven dat God je geeft – wie zal jullie dan geven wat jullie zelf toekomt?” 

Zeg maar: als je niet functioneert als afdelingschef, hoe kun je dan ooit een eigen zaak runnen? Als je niet aan kunt wat je in beheer hebt van God, hoe kun  je dan strak met Christus regeren over Gods nieuwe wereld?

Kijk zo naar je leven hier en nu, als proeftijd, als stage, testcase voor de nieuwe wereld die komt.

Jezus zegt als vaker ook hier iets dat de mensen die het toen voor het eerst hoorden, rauw op het dak zal zijn gevallen: “de kinderen van deze wereld gaan slimmer met elkaar om dan de kinderen van het licht” – let wel, dat zei Jezus niet tegen b.v. op geld beluste Farizeeën, of corrupte tollenaars, er staat: “hij richtte zich ook tot zijn leerlingen” – mensen die hadden gekozen voor het licht van Jezus. Dus als u en jij en ik zich daar ook bij willen rekenen, worden wij ook aangesproken en opgeschud.

Nog maar even terug naar die ontslagen boekhouder die geprezen werd om zijn slimheid.

Het is niet helemaal duidelijk of hij de verlaging van de openstaande schulden van die klanten uit eigen zak heeft gefinanceerd of ten koste van zijn baas; misschien is het eerste wel het meest aannemelijk, anders had de baas hem vast niet geprezen maar hem eerder laten oppakken en opsluiten als niet alleen een slechte beheerder maar ook nog een oplichter en een dief.

Als de uitleg klopt dat hij een deel van de schulden van de klanten voor zijn rekening nam, leed hij daardoor verlies maar kwam daar de winst uit tevoorschijn van winst op langere termijn: sympathie bij die mensen die schuldvermindering kregen en hem daarvoor dankbaar zouden zijn, en die hem dan een dak boven zijn hoofd of misschien een baan zouden aanbieden…

De slimheid was dat de man zich had ingedekt voor na zijn ontslag en -zoals dat tegenwoordig heeft – goed had genetwerkt, wat hem van pas kon komen voor de tijd zonder werk en inkomen. In de hoop dat het spreekwoord waar zou worden voor hem: in de nood leer je je vrienden kennen.

Kijk, en dan zegt Jezus tegen wie van hem willen leren: “maak vrienden met behulp van de valse mammon” – geld dat vaak misbruikt wordt – “opdat jullie in de eeuwige tenten worden opgenomen wanneer de mammon er niet meer is” – zeg maar: geld en vermogen kun je niet meenemen naar de overkant, maar als je er nu goed mee bent omgegaan, hebt willen delen met wie tekort had – zul je straks niet eenzaam en dakloos achterblijven maar vele vrienden ontmoeten die je welkom heten.

Ik moest denken aan wat de Heer zegt in Matt. 25 over zorg voor wie hier op aarde onze zorg en ondersteunig nodig hebben, en over de beloning die ons wacht als we er waren voor wie een beroep op ons deden: “alles wat jullie gedaan hebben voor een van de onaanzienlijksten van mijn broeders of zusters, dat hebben jullie voor Mij gedaan” - en daarom:  “kom en neem deel aan het koninkrijk dat al sinds de grondlegging van de wereld voor jullie bestemd is” = voor jullie is er het eeuwige leven.

Ja, en vergis je niet, dat omkijken naar anderen en zorgen voor anderen, dat je willen opofferen, dat begint hier en nu, in dit leven, vandaag als het goed is – dan kan ook de beloning nu al komen: dat je er vrienden bij krijgt, soms vrienden voor het leven, omdat je zo dichtbij kwam, naast die ander bent gekomen, niet als de grote weldoener of de ervaren hulpverlener die de zielige stakker wel eens zal helpen, maar als mens tot mens, als net zo kwetsbaar, als iemand die morgen ook steun nodig kan hebben of op de voedselbank aangewezen kan raken; als iemand die vanuit zichzelf diep in het rood staat bij God en alleen maar kan leven en toekomst heeft dankzij onverdiende genade.

Vrienden voor het Leven – het thema van deze dienst – en het zal u niet ontgaan zijn: hét Leven  (met een hoofdletter= het eeuwige leven, op Gods nieuwe wereld)

Jezus heeft het over eeuwige tenten als beeld voor het onderdak dat God in het vooruitzicht stelt – het heeft ook iets feestelijks – denk aan de tenten van het loofhuttenfeest – of aan een weekend met familie en vrienden op een camping rond de barbecue – je viert samen je verbondenheid.

Schokkend dat de Farizeeërs – geldzuchtig als ze waren -  hun neus optrokken voor Jezus. Dat zullen wij niet doen – maar wat doen wij met dit verhaal in de praktijk van ons leven?

Maken wij ons vrienden – door echte aandacht voor de ander, door van hart tot hart te praten met je broer of zus, je kind, je medekerklid ;  door ook concrete hulp te bieden waar nodig is en voor zover we kunnen; door niet alleen vanuit jezelf te denken en voor je zelf te leven maar door er te zijn voor anderen; door de minste te willen zijn; door naast de ander te staan?

Neem het mee als vraag:  Wat is echte vriendschap mij waard? Voor wie ben ik een vriend(in)?

En vergeet vooral nooit: ik mag een vriend van mijn Heer Jezus zijn!

Vriend voor hét Leven!

amen

 

 

 

 

liturgie morgendienst

votum en groet

zingen:              Ps. 66: 1,5,7

wet van God

zingen:              Ps. 119:  13,24

gebed

Schriftlezing:    Lucas 16: 1-15

zingen:              Ps. 62: 5,6

verkondiging:  Lucas 16: 9  ‘Vrienden voor het Leven’

zingen:             Zingend Geloven II, 111 (1,2,3) – melodie Dankt, dankt nu allen God

 

Zingend Geloven  II, 111

 

1.   Wij danken U o God,

      voor wat U hebt gegeven.

      Uw liefde en uw trouw

      omringen heel ons leven

      U hebt de mens aanvaard

      met heel zijn zwak bestaan.

      U gaf hem weer een plaats

      waarop hij vast mag staan.

 

2.   Wij danken U, O God,     

      voor wat U hebt gegeven.

      Want Christus is de kracht

      die ons als mens doet leven.

      Zijn liefde, die ons zocht,

      wijst ons het lichtend spoor;

      de liefde van de Heer

      geven wij and’ren door.

 

3.   Wij danken U, o God,

      voor wat U hebt gegeven.

      Wij zijn nu met elkaar

      verbonden voor het leven.

      Met grote dankbaarheid

      aanvaarden wij elkaar.

      Help ons te allen tijd;

      maak uw beloften waar.

 

gebed

collecte

zingen:            Ps. 68: 3,8

zegen