Matteüs 19: 21 – De proef op de som: wat is mijn geloof mij waard?

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,
dia 1
Het verhaal dat we uit de Bijbel gelezen hebben, is een bekend verhaal.
Maar is het ook een lastig verhaal: wat bedoelt Jezus, en wat moet ik daarmee?
Wat er gebeurde is gauw naverteld: een rijke meneer – een bestuurder, volgens
Lucas, zeg maar een wethouder of een directeur – nog jong, en heel erg rijk -
die bij Jezus kwam met een vraag: wat moet ik doen om eeuwig leven te krijgen?

Eeuwig leven – beperk dat niet tot dat je na je dood naar de hemel mag en dat je
verder leeft bij God – het is veel meer in de Bijbel en het begint al als je hier op
aarde wil leven naar Gods bedoeling en naar het voorbeeld dat Jezus geeft.
Juist in de verzen die we gelezen hebben wordt hetzelfde met verschillende
woorden aangeduid: ‘het eeuwige leven verwerven’, ‘het leven binnengaan’,
‘het koninkrijk van de hemel binnengaan’, ‘het koninkrijk van God binnengaan’.
Dat is maar niet toekomstmuziek, maar begint nu al, waar God het voor het zeggen heeft in ons leven, waar wij niet onszelf zoeken maar leven voor God en elkaar.
Jezus zegt dat eeuwig leven is dat we in relatie met God leven, en met Hemzelf.
En dat leven zal sterker blijken te zijn dan de dood: liefde leeft langer dan de haat.
Leven dat maar niet van buiten goed lijkt maar echt goed is, duurzaam, houdbaar.
Nou, de jonge bestuurder met zijn vraag verlangde naar die echtheid en diepgang.
De man was gelovig, en hij stond sympathiek tegenover Jezus: goede Meester!
Met al zijn bezit en ook zijn gelovig zijn en trouw kerklid zijn, en hardwerkend,
miste hij toch ook iets, voelde hij dat er meer moest zijn: Heer, wat mis ik nog,
waarin kom ik nog tekort, naast alles wat ik heb en naast alles wat ik goed doe?
dia 2
Het antwoord dat Jezus dan geeft, is blijkbaar anders dan hij had verwacht.
Niet: je moet nog meer tijd besteden aan God, nog meer en bewuster bidden,
vaker en bewuster naar de synagoge of de tempel gaan, meer Bijbel lezen…
Is het u trouwens opgevallen dat als Jezus verwijst naar de bekende weg van
het doen van Gods geboden, dan vooral die geboden genoemd worden die gaan over de omgang met andere mensen: pleeg geen moord, steel niet, wees geen valse getuige tegen je naaste, respecteer je ouders- kortom: heb je naaste lief als jezelf.
Ja, maar dat doe ik al vanaf dat ik klein kind was, er moet toch meer zijn, Heer!
En dan Jezus: als je dat echt wilt, volmaakt zijn, alles doen wat God je Vader wil:
verkoop alles wat je bezit en geef het geld weg aan de armen, en ga met Mij mee.
Voor die gelovige zoeker blijkbaar een schrik en een schok, en heel veel bruggen
te ver: hij ging teleurgesteld weg want hij had veel bezittingen – als Jezus dat van
zijn volgers vroeg, was dat te veel gevraagd, dat kon hij echt niet opbrengen.
dia 3 Hoe het met hem is afgelopen vertelt het verhaal verder niet: misschien heeft
hij de stap nooit gezet, misschien toch later wel, was hij er wel zo een over wie
wordt verteld dat hij een huis of een akker verkocht en het geld naar de apostelen
bracht om dat uit te delen aan de armen in de vroeg-christelijke kerk van Jeruzalem.

Tot zover is het allemaal wel helder en niet zo lastig om het te begrijpen.
We voelen vast ook wel mee met Jezus die de jongen met pijn in het hart en misschien tranen in de ogen zag gaan – Marcus vertelt dat Jezus hem lief kreeg -
het was echt een aardige vent, en hij meende oprecht dat Jezus een goede leermeester was die hem vast verder kon helpen op de weg naar God en naar
de toekomst die God in het vooruitzicht stelde – en hij geloofde ook dat hij er
nog niet was ondanks al zijn inspanningen en zijn goede bedoelingen – jammer
dat net die laatste stap een brug te ver was – en hij niet net als Petrus en Johannes en de andere leerlingen alles wilde achterlaten om het met Jezus alleen te wagen.
dia 4 Misschien zijn we ook wel wat geïrriteerd: weer zo iemand die geld en spullen belangrijker vindt dan geloven in Jezus; die liever schatten op aarde verzamelt
en voor zichzelf wil houden dan dat hij gaat voor die schat in de hemel – wij weten wel beter en we zingen: zoek eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid…
Waarmee we klaar zijn met dit verhaal, zeker als wij niet schatrijk zijn als die
man uit het verhaal blijkbaar was en wij niet zo vast zitten aan onze spullen….

Toch, in de praktijk en ook als je iets weet van de geschiedenis van de uitleg
van dit verhaal, blijkt het best lastig en gaat men er allerlei kanten mee op.
En ergens blijft het knagen: maken wij ons er niet te makkelijk van af als we
ervan uitgaan dat Jezus dit niet zo van ons zal vragen – maar wat dan wel?
Waarom reageerden de discipelen zo teleurgesteld en bijna wanhopig: wie kan
er dan nog gered worden? – is het dan toch moeilijker dan ik had gedacht?
dia 5
Als je je een beetje verdiept in de geschiedenis van de uitleg van dit stukje onderwijs van Jezus, kom je nogal wat verschillen tegen wat ook uitwerkt in praktisch gedrag.
Om me te beperken tot twee uitersten: aan de ene kant heb je mensen die wat Jezus tegen die rijke jongeman zei, zien als een opdracht voor elke christen in elke tijd,
en in elk geval voor henzelf in hun eigen tijd: zij lieten alles achter en hadden geen eigen bezit en trokken rond als armoedzaaiers en bedelmonniken en predikheren.
Dat soort groepen waren er al in de eerste eeuwen na Chr. en in de Middeleeuwen,
en tot in onze tijd toe zijn er mensen die kiezen voor zo radikaal Jezus navolgen.
Aan de andere kant is er de uitleg – en ik denk dat ons meer vertrouwd is – dat de
Heer bewust de lat zo hoog legt om die jongen en ons ook te leren dat je wel kunt
denken dat je bij God binnen komt door je aan zijn geboden te houden en door
goede werken te doen maar dat dat je nooit zal lukken – dat je nooit volmaakt zult zijn
in deze zondige wereld – dat zelfs de allerheiligsten niet verder komen dan een klein begin van de gehoorzaamheid aan Gods wil – en dat je Jezus nodig hebt om gered
te worden – Jezus die onze schuld betaald heeft en voor ons de wet heeft vervuld.
Als die jongeman vraagt wat hij moet doen om het eeuwig leven te verwerven, is
dat eigenlijk al een verkeerde vraag want je hoeft niks te doen, alleen te geloven.
Wat helemaal waar is; maar zo zijn we toch niet klaar met dit verhaal, en met
zoveel meer opdrachten en aanwijzingen die we van onze Heer krijgen in de Bijbel.
Trouwens: in dat catechismusantwoord dat ik net aanhaalde – over nog maar een
klein begin van gehoorzaamheid – gaat het ook over “een ernstig voornemen om niet slechts naar sommige maar naar alle geboden van God beginnen te leven” en in
het daarop volgende antwoord beloven we “dat wij zonder ophouden ons inspannen
en God bidden om de genade van de Heilige Geest, om steeds meer naar het beeld van God vernieuwd te worden, totdat wij na dit leven de volmaaktheid bereiken”.
Om met Paulus te spreken – Paulus die als geen ander geleerd had en ons leert
dat je niet door eigen goede werken een plekje bij God verdient – maar ook schrijft:
“Niet dat ik al zover ben en mijn doel al heb bereikt, maar ik houd vol in de hoop eens dat kunnen grijpen waarvoor Christus Jezus mij gegrepen heeft…..Hierop moeten wij ons allen als volmaakte mensen richten” (Filippenzen 3: 12 en 15). En de Heer zelf
geeft in de Bergrede allerlei opdrachten mee voor wie op Hem wil lijken,heel concreet en radikaal: “Wees volmaakt, zoals jullie hemelse Vader volmaakt is” (Matteüs 5:48).
dia 6
Des te meer reden om met dat in het achterhoofd nog eens naar dat verhaal te kijken en de opdracht van Jezus op ons in te laten werken: wat is de bedoeling?
Is dit echt voor iedereen die Jezus wil volgen een opdracht om alles weg te doen
en weg te geven en als bedelaar rond te trekken, en is bezit eigenlijk diefstal,
zoals later ook door de stichters van het communisme wel beweerd is?
Als we de Bijbel als geheel erbij betrekken, kan dat de bedoeling niet zijn.
Jezus zegt dat het voor een rijke moeilijk is het koninkrijk van de hemel binnen te gaan, maar er zijn gelukkig heel wat rijken geweest en die zijn er nog steeds die in Jezus geloven en gaan voor God, en die ook met hun geld veel goede dingen doen.
Paulus schrijft in 1 Timoteüs dat rijken niet op hun bezit moeten vertrouwen maar
op God “die ons rijkelijk van alles voorziet om ervan te genieten” – daar ik dus niks
mis mee – maar, gaat hij verder: “en draag hun op goed te doen, rijk te zijn aan
goede daden, vrijgevig en bereid om te delen. Zo leggen ze een fundament voor
de toekomst, en winnen ze het ware leven”. Zo kom je als rijke toch in Gods rijk.
Maar waarom dan dat ernstige, bijna pessimistische – naar aanleiding van het afhaken van die toch zo aardige en sympathieke jongen met zijn serieuze vraag?
Zelfs tot twee keer herhaald door Jezus: “slechts met grote moeite zal een rijke
het koninkrijk van de hemel binnengaan” – denk maar weer aan die kameel……
dia 7
Nou, dat is natuurlijk omdat geld en bezit dingen zijn die zomaar een macht kunnen worden die ons in de greep hebben en die we niet los kunnen laten, en die ons in
de weg kunnen zitten bij het volgen van Jezus en het leven in de stijl van zijn rijk.
Sterker nog: Jezus geeft er de in de Bergrede een naam aan: mammon – en Hij
zegt dat we geen twee heren kunnen dienen: God en mammon= geld als afgod.
Daar is de Bijbel ook vol van, over het gevaar van afgoden: geld, bezit, status,
macht, welvaart – allemaal dingen die zomaar God van zijn eerste plek dringen
en mensen ook kunnen verleiden tot verkeerd gedrag t.o. God en de naaste.
Daar heeft Paulus het in datzelfde 1 Tim. 6 eerst over: “wie rijk wil worden, staat
bloot aan verleiding, raakt in een valstrik en valt ten prooi aan dwaze en schadelijke begeerten die een mens in het verderf storten en ten onder doen gaan. Want de
wortel van alle kwaad is de geldzucht.” (1 Tim. 6. 9-10). Kijk maar om je heen!
dia 8
Maar die rijke jongeman uit het verhaal dan? Die was toch geen fraudeur en
geen dief? Toch juist een serieus meelevend kerkelid en een eerlijk mens?
Er staat dat Jezus hem liefkreeg, dat Hij sympathie voor hem opvatte; en als
de geboden over niet stelen en over de naaste liefde bewijzen, langskomen,
zegt hij dat hij daar zijn hele leven al mee bezig was – en dat meende hij echt.
Jezus zegt ook niet dat het anders was, of dat hij eigenlijk een huichelaar was.
Wat dat betreft komt het dicht bij ons: zo’n kerklid wil je er graag bij hebben:
bemiddeld, vrijgevig, betaalt een fikse VVB en altijd op tijd, daar heb je wat aan!
Je vraagt je dan inderdaad net als hij af: maar wat ontbreekt er dan aan bij hem?
Waarom gaat Jezus dan zover dat hij alles moet verkopen en moet weggeven?

Dat is wat ik als thema boven deze preek heb gezet: dit is de proef op de som.
Jezus veroordeelt hem niet om zijn bezit en stuurt niet wie rijk zijn bij Hem weg.
Het is zijn reactie op wat de man zelf zei: ik ben er bijna, wat ontbreekt er nog aan.
Waarop Jezus eigenlijk zegt: er moet niet nog wat bij, er moet juist heel veel af.
Ale je volmaakt wil zijn – en dat wil je toch? – volmaakt op God gericht en alles
er voor over om te leven als een burger van het koninkrijk van de hemel – nou,
laat dat dan maar zien door alles wat je daarbij in de weg zit en daarvan kan
afhouden, uit de weg te ruimen: want waar je schat is, dat heeft ook je hart.
Dat vraagt keuzes, en dat kan pijn doen, dat is wegdoen wat in de weg zit.
We zingen over die keus: ‘alles houden wat ik heb, of Hem volgen op zijn weg’.
dia 9 hoe vaak zijn wij zelf het probleem, zit ik mezelf in de weg…?
Ja, en denk je dan ook heel concreet in wat dat volgen van Jezus was, toen.
Toen deze man zich meldde met zijn vraag, wat Jezus met zijn leerlingen op
reis richting Jeruzalem, en dat was geen triomftocht maar zijn lijdensweg.
In Matt.16: 21 lezen we dat Jezus zijn leerlingen duidelijk maakt dat Hij zal
moeten lijden en gedood zal worden – en dat wie Hem wil volgen zichzelf
zal moeten verloochenen en zijn kruis op moet nemen – afzien, loslaten.
Dat kan ver gaan en snijden in eigen vlees betekenen: “want ieder die zijn
leven zal willen behouden, zal het verliezen, maar wie zijn leven omwille
van mij verliest, zal het behouden” (Matteüs 16: 25) – zijn leven – bedoeld
is: je bestaan op deze aarde, zeg: je leventje dat je zelf opgebouwd hebt,
zeg: huisje-boompje-beestje – met alles erbij: gezin, huis, werk, spullen,
auto, vrije tijd en vakantie – en zoveel meer dat ons leven hier kan bepalen.

Wat van die man die bij Jezus gevraagd werd, vraagt God niet van iedereen.
Maar we hebben allemaal vast wel dingen die ons in de weg kunnen zitten
om Jezus te volgen, om ons leven aan God te wijden en dienstbaar te zijn
aan anderen, en in de samenleving, met wie wij zijn en met wat wij hebben,
maar ook door durven op te geven en los te laten wat niet helpt maar hindert.
Dat kan van alles zijn, zoals we dat al leren uit het onderwijs van Jezus: als
je vader of moeder, broer of zus, liefhebt boven Hem, als eigen tradities of
regels van mensen je hinderen in je volgen van Jezus, kun je zijn leerling
niet zijn; van die eerste leerlingen lezen we dat ze alles achterlieten toen
ze met Jezus meegingen: hun bedrijf, hun broodwinning, hun gezinnen -
en sommigen heeft het zelfs hun vrijheid gekost en hun leven – echt heftig!
dia 10
In onze tijd kan dat van alles zijn: durf je als het moet loslaten en opgeven
wat je hebt, wat veel waarde voor je heeft, als dat je in de weg zit bij het leven
naar de stijl van Christus: niet alleen mijn eigen belang zoeken maar ook dat van anderen, de ander belangrijker vinden dan jezelf, de minste durven zijn, en durven loslaten wat misschien houvast geeft en goed voelt, maar aardse zekerheden zijn.
Je zou er eens over kunnen nadenken: waar ben ik aan gehecht, wat zou ik eigenlijk niet willen en durven opgeven, als het wel moet, wat zou er dan met me gebeuren?
Zomaar zit er angst achter, onzekerheid: als dat verandert, raken we nog meer kwijt.
De vraag is of het echt gaat om Gods rijk, om wat Hij van ons en met ons wil, of om wat we zelf willen of niet durven, om wat van elkaar verwachten en elkaar opleggen – als familie, als samenleving, als kerk – zodat we stilstaan en niet groeien. dia 11
Ik las: “Soms lukt het niet. Soms lukt het wel. Voelt een mens zich vrij om ruimhartig
te leven. De ENE is mijn herder, mij ontbreekt niets (Ps.23). Leven zonder angst en onzekerheid om wat je kunt verliezen, om waar je afhankelijk van bent..”
Jezus zegt ook tegen u en jou en mij: Wie durft verliezen, loslaten, die zal winnen.
Dat is bij mensen onmogelijk, maar wordt bij God mogelijk, door en dankzij Jezus.
En je zult merken: dat pakt goed uit, nu al, en uiteindelijk helemaal voorgoed.

amen
dia 12
vraag voor de week – voor ieder persoonlijk: wat is mijn geloof mij waard?

liturgie morgendienst

votum en groet
zingen: Ps. 119: 1,7
wet van God
zingen: Ps.119: 13,14
gebed
Schriftlezing: Matt. 19: 16-30
zingen: NLB 843: 1-4 (mel. ps. 136)

1. Wat te kiezen, leven, dood,
afgod geld, genadebrood?
Alles houden wat ik heb,
of mij geven, gaandeweg?

2. Wat mij vasthoudt, wat mij heeft,
wat mij werft en wat mij leeft,
is het vele, geld en goed,
aardse schatten, overvloed.

3. Die mij vasthoudt, weegt en wikt,
die mij voedt en mij verkwikt,
is de Ene, goed is God,
hemelschat, genadebod.

4. Wat te kiezen, leven, dood,
afgod geld, genadebrood?
Alles houden wat ik heb,
of Hem volgen op zijn weg?

verkondiging: Matt. 19: 21 ‘Wat is mijn geloof mij waard?’
zingen: NLB 816: 1-4 (mel.: ps. 140)

1. Dat wij onszelf gewonnen geven
aan het bevrijdende bestaan,
aan wat ons uitdaagt om te leven.
Dat wij de stille roep verstaan.

2. Dat wij versteende zekerheden
verlaten om op weg te gaan.
Dat niet de greep van het verleden
ons achterhaalt en stil doet staan.

3. Omdat de huizen die wij bouwden
geen onderkomen kunnen zijn.
Omdat het bloedeloos vertrouwde
ons achterdochtig maakt en klein.

4. Dat wat wij hebben ons niet gijzelt,
dat wij van elke dwang bevrijd
naar onbekende plaatsen reizen.
Dat Gij ons onderkomen zijt.

gebed

collecte
zingen: Psalm 23: 1,2,3
zegen
amen: Psalm 79: 5

Psalm 122: 8 en 1 Korintiërs 1: 4: Waar liefde woont is zegen (viering H. Avondmaal)

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,
dia 1
‘Waar liefde woont is zegen’ – het thema voor deze dienst, en dan gaat het over
de liefde van God voor ons en over liefde voor elkaar – daarin ervaar je Gods zegen.
Want in de kerk gaat over God maar net zo goed over mensen: over u en jou en mij.
Vorige week in de middagdienst kwam dat langs, vauit de Bijbel, vanuit het verbond
dat God met mensen is aangegaan en met ons wil vieren, elke dag en elke zondag.
Juist ook als we avondmaal vieren wil de Heer dat samen met ons vieren, want wat
is een mooiere vorm van verbondenheid ervaren dan samen eten en drinken – daar
is de Bijbel vol van: offermaaltijden, Jezus die eet met zijn leerlingen en vrienden
en zelfs met tollenaars en andere onaangepaste lieden, en ook met Farizeeërs.
En na Pinksteren lezen we van de christenen dat ze met elkaar aan tafel zaten en
zo vierden dat ze door hun geloof in Jezus messias met elkaar verbonden waren.
Ja, en dat ook als er verschillen optreden en conflicten ontstaan – wat van alle tijden is – leren we van Jezus en de apostelen dat het erop aan komt elkaar niet te gaan veroordelen of meteen los te laten maar in gesprek te gaan en de eenheid die er is doordat je samen bij Jezus hoort en elkaars broers en zussen bent, te versterken.

Er valt in dat opzicht heel wat te leren van de Bijbel, zeker van de apostel Paulus.
Als je zijn brieven leest, merk je dat hij bijna altijd begint met God danken voor de gemeente aan wie de brief gericht is, en voor het werk dat God daar deed en doet.
Daar zijn de brieven aan de kerk van Korinte geen uitzondering op. dia 2
Terwijl dat toch een kerk was met veel problemen, conflicten, en kritiek op Paulus.
Maar we lazen net nog een bijna uitbundig begin van de brief aan juist die kerk:
“Ik dank mijn God altijd voor u, omdat Hij u in Christus Jezus zijn genade heeft geschonken. Door Hem bent u in elk opzicht rijk geworden. Alles wat u zegt en
al uw kennis bewijst dat het getuigenis over Christus bij u verankerd is”….en dan
ook nog dat Heilige Geest de gemeenteleden “de zekerheid geeft dat hen geen
blaam zal treffen op de dag van onze Heer Jezus Christus” ( 1 Kor. 1: 4-8). En dat
terwijl er van alles aan de hand was en mis was in die kerk, zo dat je misschien als
je er een poosje bij zou, gillend zou weglopen, of maar wat nieuws zou beginnen.

Maar niets van dat alles in het denken en schrijven van Paulus, maar juist door
heel de brief heen een sterke oproep om samen te werken en eensgezind te zijn.
Want met alle verschillen zijn ze samen lichaam van Christus, lees hoofdstuk 12.
En dan zijn verschillen niet bedreigend maar verrijkend, zoals alle ledematen van elkaar verschillen en samen het lichaam laten functioneren, als die niet elkaar tegenwerken maar ieder op eigen plek meewerken aan de groei van het lichaam.
Zoals we zongen over de gemeente als Gods gezin dat eensgezind wil leven -
wat niet wil zeggen: het over alles eens zijn of je bij alles goed voelen, of in alles
krijgen waar jij denkt behoefte aan te hebben, maar wel dat je samen van God
bent en bezig voor Hem, en betrokken op elkaar, met aandacht en zorg voor elkaar.
En daar gaat veel kracht van uit en dat kan mensen aantrekken, denk maar aan
dat lied dat we vorige zondag nog gezongen hebben over de kerk als herberg en
toevluchtsoord: ‘een plaats tegen neerslachtigheid, een pleister van barmhartigheid’.
dia 3
Juist daarom heb ik gekozen voor Psalm 122, die we gelezen en gezongen hebben.
En haal ik speciaal dat vers 8 naar voren waar het gaat over verwanten en vrienden,
en dat mag je opvatten als familie en vrienden maar ook als geestelijke familie, die we in de kerk -als in de Bijbel zelf – broeders en zusters, broers en zussen, noemen.
Paulus doet het zo in Ef. 2 als hij het heeft over vroegere heidenen die tot het nieuwe volk van God zijn gaan behoren toen ze tot geloof in Christus waren gekomen: “zo bent u geen vreemdelingen of gasten meer, maar burgers en huisgenoten van God”.
Huisgenoten van God, samen het gezin van Vader, en elkaars broers en zussen.
dia 4 lees ook 1 Petrus 1: 22 en 23
En dus zit je in de kerk voor God en om je band met God en je geloof te beleven en te versterken, maar zit je er ook samen, en ben je in een gezin geplaatst, ben je ook
verantwoordelijk voor die anderen, je broers en zussen, samen met hun grotere en
kleinere kinderen, neem je elkaar serieus en leef je mee met elkaars wel en wee,hoor
Paulus: “jullie moeten altijd met elkaar meeleven, in vreugde en in verdriet”(Rom.12:15)

Psalm 122 is een feestelijk lied, een lied van verlangen naar Gods stad en tempel.
Het lied werd gezongen door pelgrims onderweg : ze hadden er echt zin in: “Wat was ik blij toen mij een stem uitbundig riep om mee te gaan. Huis van de Heer, ik kom eraan, ik sta al klaar, Jeruzalem. Vol vrolijkheid ga ik op pad” (Nieuwe Psalmberijming)
Onderweg begon het al: samen met familie en vrienden naar de plek waar je God kon ontmoeten, waar de stammen samenkwamen om de HEER te prijzen,en waar recht werd gedaan en conflicten opgelost – ook de stad waar de koning rechtsprak.
Ja maar ook: je kwam oude bekenden weer tegen die misschien wel aan de andere
kant van het land woonden en die de rest van het jaar niet zag,familieleden, vrienden
met wie je samen op reisde of die je in de stad zelf weer na een hele tijd ontmoette -
een feest van herkenning, een reünie, een samen optrekken, bijpraten, bemoedigen.
Wat zal het b.v. voor Elkana en Hanna een feest zijn geweest hun zoon Samuël te
zien die als jongen al was gaan wonen en werken in het heiligdom- toen nog in Silo.
Toen heel veel later Jezus op zijn twaalfde was achtergebleven in de tempel,viel dat eerst niet op want zijn ouders dachten dat hij meeliep met familie en vrienden, dia 5.
Zo zal dat vaak gegaan zijn, het was een massale toogdag, iets als een landelijke kerkedag zoals wij vroeger ook hadden: de Schooldag in Kampen of de DVN-dag.
Voor jullie misschien aansprekender: samen naar de EO-jongerendag of Opwekking.
En in onze tijd zijn er pelgrimsreizen zoals naar Santioga de Compostella waar ook
onderweg veel ontmoeting is en nieuwe mensen leren kennen, en samen opreizen.
Zoiets zal ook dat massale reizen naar Jeruzalem geweest zijn, op de grote feesten.
Je vierde dat je bij elkaar hoorde, en samen bij God, daar keek je naar uit: “huis van de HEER, ik kom eraan, ik sta al klaar, Jeruzalem, vol vrolijkheid ga ik op pad”.dia 6
Of het daarom ook belangrijk was, voor heel het volk, dat het in die centrale plek goed ging, dat daar rust was en harmonie: vraag om vrede -sjaloom -voor Jeruzalem!
Ja, want daar was heel het land en heel het volk bij gebaat, weer een heel jaar lang.
Vrede, sjaloom, dat is alles wat goed is: welzijn, rust, onderlinge harmonie, blijheid.
Ja, en dat natuurlijk allereerst omdat God in die stad woont, en doordat God daar
zijn tempel heeft, als plek bij uitstek waar door de offers geschonden relaties worden hersteld: tussen God en de offeraar, God en zijn volk, en tussen mensen onderling.
dia 7
Hoor Ps. 133: “Daar zorgt Hij zelf voor rust en veiligheid, het goede leven voor altijd”.
Maar ook, en als gevolg daarvan is daar ook “Gods gezin dat eensgezind wil leven”.
En de pelgrim voelt zich verbonden met zijn landgenoten en geloofsgenoten en misschien ook wel familieleden die in Jeruzalem wonen en die daar blijven als de pelgrim weer op reis gaat naar zijn stad of dorp ergens in het Joodse land, en hij
draagt hen op aan God: “Het is voor elk familielid en voor mijn vrienden dat ik bid:
om voorspoed, veiligheid en vrede – maar om Gods huis is het vooral dat ik het
goede zoeken zal voor jou, de mooiste van de steden” (Nieuwe Psalmberijming).

Neem, bij alle verschil tussen toen en nu, dat gegeven mee van verbondenheid
met wie samen met jou een huisgezin van God zijn: je broers en zussen, mede-
kerkleden aan wie je door geloof verbonden bent en voor wie je verantwoordelijk
bent en een taak hebt en met wie je je geloof kunt delen maar ook de mooie en
de moeilijke dingen van het leven, met wie je kunt praten en lachen en huilen.
Helemaal waar dat in Jeruzalem God woonde en dat het in de kerk om God gaat
maar God wilde toen en wil zeker vandaag bij mensen wonen en met ons omgaan.

Juist het samen avondmaal vieren onderstreept dat: als gezin vier je dat je aan
Christus verbonden ook aan elkaar verbonden bent en er voor elkaar wilt zijn: op blije momenten en ook en juist als het moeilijk is – dan help je elkaar, en wil je er zijn voor elkaar – want gedeelde vreugd is dubbele vreugd en gedeelde smart is halve smart.
Ja, en we leven midden in de wereld met verlossende woorden en met Gods liefde en dan is goed erover na te denken en eraan te werken hoe we voor anderen die nog buiten staan aantrekkelijk kunnen zijn omdat ze merken dat ook deze kerk een gastenhuis is voor jong en oud, waar liefde woont en de Heer zijn zegen geeft.

dia 8 even op je in laten werken wat allemaal mogelijk is in Gods gezin

Waarbij ook anderen in beeld zijn met wie je je verbonden voelt en met wie we al
veel samen doen – zoals Paulus als hij oproept tot eensgezindheid en bevorderen van vrede m en dan de eigen plaatselijke kerk op het oog heeft waaraan hij zijn brief schrijft en dan ook andere gelovigen, lees maar 1 Kor. 1: 2: “aan de gemeente van God in Korinte, geheiligd door Christus Jezus, aan hen die zijn geroepen om zijn heiligen te zijn, en aan allen die de naam van onze Heer Jezus Christus aanroepen, waar dan ook..”. Want als je leeft vanuit Gods liefde en het verwacht van zijn zegen,
zul ervaren dat je dan Gods zegen mag ervaren en dat anderen daarvan profiteren.
Zoals ik ergens las: : “Waar Christus woont en waar mensen trouw aan Christus zijn, woont liefde. En waar liefde woont, is zegen”. dia 9

amen

liturgie dienst van Schrift en tafel zondag 17 januari 2016

votum en groet
zingen: Ps. 122: 1,2
Gods leefregels
zingen: Ps. 109: 1,9
gebed om verlichting met Gods Geest
Schriftlezing: Psalm 122 en 1 Kor. 1: 1-10
zingen: Ps. 133: 1,2 Levensliederen

1. Kom, kijk eens naar dit heerlijke gegeven,
naar Gods gezin dat eensgezind wil leven,
als eenheid die veel goeds belooft!
’t Is als de olie op Aärons hoofd,
die neerdruipt op zijn baard en bovenkleed,
waarin hij dienst als priester deed.

2. Ook is het als de dauw hoog op de Hermon,
die neerdaalt op de hellingen van Sion.
Daar valt de zachte regen neer:
het is de zachte zegen van de HEER.
Daar zorgt hij zelf voor rust en veiligheid:
het goede leven voor altijd.

verkondiging: Psalm 122: 8 en 1 Kor. 1: 4 ‘Waar liefde woont is zegen’
zingen: Ps. 122: 3 Nieuwe Psalmberijming

3. Bid dat de HEER zijn vrede geeft,
Jeruzalem van rust geniet
en dat haar muur bescherming biedt,
zodat de stad in welvaart leeft.
Het is om elk familielid
dat ik voor deze Godsstad bid,
de mooiste stad van alle steden.
Maar om Gods huis is het vooral
dat ik voor Sion bidden zal
om voorspoed, veiligheid en vrede

gebed
collecte
zingen: Ps. 22: 12,13
avondmaalsformulier IV
1e tafel gebed – opwekking -zingen: Gz. 141: 1 Dankt, dankt nu allen God
2e tafel lezing: – zingen: Gz. 141: 2
3e tafel dankzegging / – zingen: Gz. 141: 3
slotzang: Zingend Geloven 2-111: 3 – mel. Gz. 141

3. Wij danken U, o God,
voor wat U hebt gegeven.
Wij zijn nu met elkaar
verbonden voor het leven.
Met grote dankbaarheid
aanvaarden wij elkaar.
Help ons te allen tijd;
maak uw beloften waar

zegen

Leviticus 16: 21-22a en 1 Johannes 1: 9: Elke dag Jom Kippoer = Dag van verzoening

Gemeente van onze Heer Jezus Christus, zussen, broers, u en jij,
dia 1
Het is vandaag 10 januari en het jaar 2016 is dus al weer tien dagen oud.
Het is wel mooi om het tien dagen na nieuwjaar over Grote Verzoendag te hebben.
Dat is namelijk precies de datum van Grote Verzoendag in de Joodse feestkalender.
Weliswaar hanteren de Joden een andere kalender dan wij gewend zijn – niet de zonnekalender maar de maankalender,en de eerste maand bij de Joden is de maand Tisjri die valt in september/oktober van onze kalender – maar wel zitten er tien dagen tussen de Joodse nieuwjaarsdag – Ros Hasjana – en Jom Kippoer. dia 2
Er is wel wat verandering in de datering want in de Bijbelse tijd was de maand
Tisjri de zevende maand (lezen we in Lev. 23: 23,27) – later is dat veranderd.
Het is niet duidelijk wanneer precies, sommigen denken aan de koningentijd
en anderen aan de Babylonische ballingschap, in elk geval begint voor de
Joden al heel veel eeuwen het nieuwe jaar niet in het voorjaar maar in de herfst.
En dus vieren Joodse mensen ook al net zo lang Grote Verzoendag op de tiende
dag van hun nieuwe jaar, ze zitten nu volgens hun kalender in het jaar 5776.
dia 3
De viering van de Grote Verzoendag ging terug op de wetten die God via Mozes
had gegeven aan zijn volk Israël; we hebben erover gelezen in Leviticus 16.
Het was een hoogtijdag voor Israëlmet hét hoogtepunt in de omgang van de hoge
en heilige God met een onheilig en zondig volk waar Hij toch bij wilde wonen.
Dat hoogtepunt was dat de hogepriester – als enige en alleen op deze ene dag -
het allerheiligste mocht binnengaan waar de ark stond als zeg maar – Gods troon.
Maar voor het zover was en om die ontmoeting mogelijk te maken, en zo dat die
hogepriester die zelf net als de rest van het volk zondaar was, het overleefde om
zo dicht bij God te komen, die een verterend vuur is, moest er heel wat gebeuren.
Veelbetekend staat in vs 1 dat de eerste Grote Verzoendag werd gehouden, “na
de dood van de twee zonen van Aäron die stierven toen ze in de nabijheid van
de HEER kwamen” – dat is verteld in Lev. 10. Nadab en Abihu kwamen met vuur bij het heiligdom dat niet aan de vereisten voldeed en dat was hun dood geworden:
“een felle vlam kwam uit het heiligdom en verteerde hen, zodat ze daar stierven”.
Huiveringwekkend, en wat zal er door Aäron zijn heengegaan toen hij korte tijd
later als hogepriester de opdracht kreeg om dat allerheiligste binnen te gaan, na
de waarschuwing van de HEER via Mozes niet zomaar die heilige ruimte binnen
te gaan: “het zou zijn dood betekenen, waar daar is de plaats waar Ik verschijn”.
dia 4
Er moest daarom eerst heel wat gebeuren: offeren om voor de hogepriester zelf
en zijn familie schoon schip te maken en verzoening te bewerken, en daarna
offeren voor de zonden van het hele volk in het afgelopen jaar om dat volk met God
te verzoenen, en ook goed te maken wat er nog zat aan allerlei onbewuste en verborgen gebleven zonden, zodat alle kwaad werd opgeruimd en alle schulden
werden afbetaald, en God en zijn volk – zeg maar – weer een jaar verder konden.
Als teken dat dan alle kwaad ook echt weg was, moest de hogepriester zijn handen op de kop van een bok leggen en zo symbolisch alle zonden van heel het volk op
dat beest overdragen en het dan de woestijn insturen om daar om te komen. dia 5
We hebben er nog altijd het woord zondebok aan te danken: iemand die van iets
de schuld krijgt en erop wordt afgerekend – zodat de echte schuldige vrijuit gaat.
Het kan ook gebeuren dat als veel mis gaat mensen naar zondebokken zoeken:
de Joden, de buitenlanders, de overheid – om jezelf op anderen af te reageren.
Het is precies waarvoor de offers waren: God straft dieren in plaats van mensen.
In Leviticus 17: 11 staat daarover: “Want het bloed is de levenskracht van een levend wezen.Ik heb het jullie gegeven om er op het altaar de verzoeningsrite mee te voltrekken, want bloed kan, als levenskracht, verzoening bewerken”. En in Heb. 9: 22 lezen we: “Volgens de wet kunnen dingen alleen door bloed rein worden. Ook als je iets verkeerd gedaan hebt, kun je alleen vergeving krijgen met het bloed van
offerdieren”. Daarom al die offers en elk jaar de grote schoonmaak van Jom Kippoer.
dia 6
Toch, wij als christenen brengen geen dierenoffers meer, vergieten geen bloed, en
vieren ook de Grote Verzoendag niet meer, heel anders dan in het Jodendom.
Dat is natuurlijk omdat we geloven dat Gods eigen Zoon Jezus zic hzelf eens en voor
altijd, voor alle zonden van de wereld, geofferd heeft aan het kruis van Golgotha.
Daarover staat heel veel in het NT, heel uitvoerig in die brief aan de Hebreeën:
dia 7 “dankzij het bloed van Jezus kunnen we zonder schroom binnengaan in het heiligdom, omdat hij voor ons met zijn lichaam een weg naar een nieuw leven gebaand heeft”…en “de zonden zijn vergeven, daarom is nu geen offer meer nodig”.
We vieren dat wij, door het offer van Christus verzoend zijn met God en dat Hij als
de grote Zondebok al onze zonden weggedragen heeft: “veel verder dan wij mensen
kunnen gaan verwijdert God de zonden; door niemand worden ze teruggevonden, zelfs niet door God:Hij denkt er nooit meer aan” (Psalm 103,nieuwe psalmberijming).

Toch zitten in de viering van Grote Verzoening door Israël onder het oude verbond, en door de Joden nog altijd, elementen die wij zijn kwijtgeraakt maar die we alleen maar tot schade van onze omgang met God en met elkaar, zouden verwaarlozen.
Vanmorgen wil ik inzoomen op dat element in de verzen die vooral te tekst zijn, waar
het erover gaat dat de hogepriester niet die bok zomaar de woestijn in moest sturen,
maar eerst voor iedereen hoorbaar ‘alle wandaden en vergrijpen van de Israëlieten’
openlijk moest benoemen, ‘ alle zonden die ze hebben begaan’. Ik stel me zo voor
dat dat elk jaar heel concreet gebeurde – zoals we vaker in de Bijbel vinden – waarbij met naam en toenaam de missers en zonden en nalatigheden van het afgelopen
jaar de revu passeerden, met belijdenis van schuld, zodat er een streep door kon: “de bok neemt alle zonden van het volk met zich mee, naar een verlaten gebied”.

Nou, en dat element blijft en gaat mee het nieuwe verbond in, naar Jezus de grote
zondebok: “Belijden we onze zonden, dan zal hij, die trouw en rechtvaardig is, ons onze zonden vergeven en ons reinigen van alle kwaad” (1 Joh.1: 9). dia 8 En als niet?
Het staat er voor en erna. In vers 8: “Als we zeggen dat we nooit iets verkeerds doen, bedriegen we onszelf. Gods waarheid is dan niet in ons” (BGT) – en vers 10.
“Als we zeggen dat we nooit iets verkeerds gedaan hebben, doen we alsof God een leugenaar is. Gods boodschap is dan niet in ons”. Daar is geen woord Grieks bij.

Nu zal niemand van ons denken en zeggen nooit iets verkeerds te doen. We kennen
onszelf, en bovendien zijn we gereformeerd en kennen de Bijbel en de catechismus,
over dat we zondige mensen zijn en dat we Jezus nodig hebben en Gods genade….
en we bidden ik denk elke dag om vergeving van onze schulden, van onze zonden.
Toch vinden we het lastig en misschien ook wel erg confronterend om heel concreet
dingen bij de naam te noemen, al helemaal als er anderen bij zijn en bij betrokken
zijn – ja en als je aan het eind van de dag of van een week eens vijf concrete missers, fouten, nalatigheden, t.o. God of mensen, op zou moeten schrijven- best lastig, toch?
En een ander om vergeving vragen, je ongelijk bekennen of gelijkhebberij opgeven,
dat lijkt vaak nog veel moeilijker te zijn dan tegenover God mijn zonden opbiechten.
dia 9
Terwijl de Bijbel ook daar glashelder over is: “Belijdt elkaar uw zonden” (Jac. 5: 16).
En Jezus zelf leert ons, in zijn bergrede: “Stel dat je in de tempel bent om een offer
te brengen aan God, en dat je dan opeens bedenkt dat een ander boos op je is. Laat dan je offer bij het altaar achter. Ga eerst snel naar die ander toe en maak het goed. Daarna kun je terugkomen om je offer te brengen” (Matt. 5: 23-24, BGT). Maak van
tempel: de kerk, of: het avondmaal – wat doe je dan met deze les van de Heer zelf?
Anders dan: God heeft het me al vergeven, dat met die ander lukt toch niet, of: laat
hij eerst maar bij mij komen, of: zo ben ik nou eenmaal, in een onvolmaakte wereld.
Nee: eerst schoon schip maken, wat er zit opruimen, en dan is de weg naar God ook
vrij – zoals Jezus heel bewust ons leert bidden: “vergeef ons onze schulden, zoals ook wij hebben vergeven wie ons iets schuldig was” – wie durft dan nog te bidden.
Waaraan de Heer nog toevoegt: “Want als jullie anderen hun misstappen vergeven,
zal jullie hemelse Vader ook jullie vergeven. Maar als je anderen niet vergeeft, zal
jullie Vader jullie je misstappen evenmin vergeven” (Matt. 6: 12 en 6: 14-15).

Er valt op dat punt van concreet schuld belijden en dingen goed maken, zowel
tussen God en mensen, als tussen mensen onderling, veel van de Joden te leren.
Natuurlijk vieren zij Grote Verzoendag anders dan toen er nog een tempel was waar offers gebracht konden worden en toen je een bok de woestijn in kon sturen maar nog altijd is Jom Kippoer een dag van verootmoediging, vasten en gebed. dia 10
Wat opvalt is dat concreet maken van zonden, tegen God en tegenover mensen.
Ik heb hier een heel oud Joodse gebedenboek, met Hebreeuwse en Nederlandse
teksten, uit 1901 – je moet van achter naar voren lezen – met daarin ook gebeden voor de Grote Verzoendag, zoals dit gebed: “Onze God en God van onze voorouders, laat ons gebed voor U komen en onttrek U niet aan onze smeking; want wij zijn niet onbeschaamd en hardnekkig, om voor U, Eeuwige, onze God en God van onze voorouders, te zeggen: wij zijn braaf en hebben niet gezondigd. Nee, waarlijk, wij hebben gezondigd, ons schuldig gemaakt, trouweloos gehandeld,
geroofd, smaad gesproken, verkeerdheden en goddeloosheden gepleegd, moedwil geoefend, geweld gedaan, leugen verzonnen, kwaad beraamd, belogen, gespot, ons verzet, gehoond, waren weerspannig, hebben verkeerd gedaan, misdaden gepleegd, vijandelijkheden begaan, waren hardnekkig, goddeloos, verdorven, hebben gruweldaden gepleegd, gedwaald en anderen misleid.” En dan gaat het nog een poosje door als vergeving wordt gevraagd voor zonden die bewust zijn begaan maar ook voor zonden die onwetend of onbezonnen of in het verborgene zijn begaan -
met weer een lange rij van concrete verkeerde dingen als verkeerde woorden, kwaadsprekerij, vloeken, omkoping, leugentjes, spot, trots, zonden met geld, haat.
Met als bede of God het allemaal wil wegdoen, en wil helpen niet weer te zondigen.

dia 11 Een filosoof en schrijver die zichzelf atheïst noemt, noemt met veel
waardering rituelen als de Grote Verzoendag waar atheïsten volgens hem nog veel van kunnen leren en aan kunnen hebben – wat ook en zeker voor christenen
geldt denk ik zo – ik citeer: “op die heilige dag wordt de joden geadviseerd contact op te nemen met hun collega’s, bijeen te komen met hun oudes en kinderen, en brieven te sturen naar kennissen, geliefden en voormalige vrienden in het buitenland, om de voor hen relevante momenten van zonde opte sommen. Degenen aan wie ze hun verontschuldigingen aanbieden worden op hun beurt aangespoord de oprechtheid van de zondaar te erkennen, evenals de moeite die deze zich heeft getroost om hun vergeving te vragen. In plaats van nogmaals ergernis en verbittering jegens de deemoedige te laten opwellen, moeten ze bereid zijneen streep te zetten onder voorvallen uit het verleden, in het besef dat hun eigen leven ongetwijfeld ook niet onberispelijk is geweest”. Dan helpt zo’n afgesproken vaste
dag daarbij, en is het makkelijker dan als het aan iedereen zelf wordt overgelaten.
De schrijver die ik aanhaalde besluit: “De Grote Verzoendag werkt zo zuiverend
dat het bijna jammer is dat hij maar eenmaal per jaar wordt gevierd.”

Is het dan niet mooi dat christenen vaker per jaar de maaltijd van de Heer vieren?
En is het niet een mooie maar naar mijn besef wat in onbruik geraakte goede gewoonte om als het weer avondmaal is, je af te vragen of en wat er zit tussen God en jou en tussen jou en anderen, en wat je eraan kunt doen om dat bespreekbaar te krijgen en uit de weg te ruimen, zodat de relatie hersteld wordt? dia 12
Calvijn en de kerken die door zijn onderwijs ontstaan zijn,voerden de gewoonte in dat in de week voor het avondmaal de ouderlingen hun wijk rondgingen om na te gaan
of er dingen waren die avondmaalsviering in de weg stonden en aangepakt moesten
worden – later is daaruit het jaarlijkse huisbezoek ontstaan en ook dat de zondag
voorafgaande aan het avondmaal een voorbereidingspreek gehouden werd – maar
steeds meer werd die voorbereiding tot een zelfonderzoek of je geloof wel goed
genoeg was in plaats van naar blokkades in de omgang met mensen om je heen.
Precies daarop doelt de apostel in die bekende oproept met het oog op het samen
vieren van het avondmaal: “Laat iedereen zichzelf eerst toetsen – zichzelf, niet de ander! – voordat hij van het brood eet en uit de beker drinkt, want wie eet en drinkt
maar niet beseft dat het om het lichaam van de Heer gaat, roept zijn veroordeling
af over zichzelf” – en dan is lichaam van de Heer vooral bedoeld van de gemeente als het lichaam van de Heer, waarvan we elk op eigen plek een onderdeel zijn.
Zie het avondmaal als een soort Grote Verzoendag: je zonden belijden en wat niet
goed is erkennen en bereid zijn weg te doen, en dan samen het allemaal neerleggen
op de schouders van de grote Zondebok die ze wegdraagt en nooit meer terughaalt.
Ja en zelfs: dat mag elke week en elke dag, want zijn deur staat altijd voor ons open.
We mogen elke dag vergeving vragen en ook elkaar vergeving vragen en geven.
Daar hoef je niet mee te wachten tot het zondag is of het avondmaal eraan komt.
Al kan het soms wijs zijn goed na te denken voor je een stap zet naar de ander.
Maar als het aan God ligt en aan de Heer Jezus, is elke dag Jom Kippoer= Dag
van Verzoening en veel vergeving – en hoe bevrijdend is dat!

amen

dia 13 voor deze week:
Ga na of u bereid bent van anderen te leren
over uw eigen (onbewuste?) tekortkomingen

liturgie morgendienst 10 januari 2016

votum en groet
zingen: Ps. 95: 1,2,3
wet van God
zingen: Gz. 155: 1,3,4,5
gebed
Schriftlezing: Leviticus 16: 1-22a
zingen: Ps. 51: 1,2
Schriftlezing: 1 Johannes 1: 5- 2: 2
zingen: Ps. 51: 6,7
verkondiging: Lev. 16: 21-22a en 1 Joh. 1: 9
zingen: Ps. 32. 1-4 Levensliederen

1 A Geluk is dat je fouten zijn vergeven,
je zonde weg, bedekt voor heel het leven.
Geluk is dat de HEER je niets verwijt
en dat je bent bezield door eerlijkheid.
M Zolang ik zweeg had ik gebroken nachten
en overdag gebrek aan nieuwe krachten.
Uw hand was drukkend zwaar – mijn lijf begon
kapot te gaan als in de hete zon.
2 M Ik ben voor u mijn zonde gaan benoemen,
hield ermee op mijn fouten te verbloemen.
Ik zei: ‘Mijn schuld beken ik aan de HEER.’
En u vergaf mij – geen verwijten meer.
A Laat wie gelooft zich biddend aan u binden
in tijden dat u zich door hen laat vinden.
Hoe hoog de golven om je heen ook slaan –
gegarandeerd – ze raken jou niet aan.
3 V Bij u vind ik een schuilplaats in gevaren,
ik voel me veilig, u blijft mij bewaren.
U bent het die mij liefdevol omringt
en met gejuich van mijn bevrijding zingt.
M ‘Ik geef je inzicht, zal je wegwijs maken,
geef je advies en zal je goed bewaken.
Wees dus geen ezel of een koppig paard,
dan blijft het kwaad je absoluut bespaard.’
4 V Wie slecht is leidt een ongelukkig leven.
De HEER blijft wie gelooft zijn liefde geven.
Wees blij en opgetogen met de HEER!
Wat wil je, als je eerlijk bent, nog meer?
A Eer aan de Vader, die om ons blijft geven.
Eer aan de Zoon, door wie wij eeuwig leven.
Eer aan de Geest, die altijd voor ons pleit.
Drie-enig God, leef tot in eeuwigheid!

gebed
collecte
zingen: Lied 203: 5,6,7
zegen
amen: Ps. 41: 5

Jesaja 16: 2-5 en Matteüs 25: 40: ‘Met open armen’ (?) – themadienst met nabespreking over vluchtelingenvraagstuk

Gemeente van onze Heer Jezus Christus, zussen, broers,

dia 2

 Het gaat vanmorgen dus over dat grote pijnpunt in onze wereld: al die vluchtelingen

Omdat het al lang en steeds meer een schrijnend probleem is, en ook omdat het aanstaande zaterdag Wereldvluchtelingendag is – dat mag zeker ons als christenen en als kerk niet onberoerd laten, en ook de Bijbel heeft er veel aandacht voor.

Het thema voor vanmorgen is ‘Met open armen’, en dat heb ik ontleend aan een lied * dat in opdracht van de Schrijvers voor Gerechtigheid is gemaakt voor de Vluchtkerk waar een tijdlang vluchtelingen zonder status en adres belangeloos zijn opgevangen. Ik heb dat lied op de hand out gezet – en u kunt het beluisteren via Youtube.

    * onderaan de liturgie is dat lied toegevoegd 

Dat lied gaat over die opvang toen in die Vluchtkerk,later werd het eenVluchtgarage, weer later een tentenkamp -dat weer opgebroken moest worden- kraakpanden dia 3

Zo zwerven wie illegalen heten, van hot naar her, van de ene opvang naar de andere, terwijl de overheid en het parlement en de gemeentes steggelen over wel of niet een sobere opvang, met bed, bad, en brood, en soms nog wat begeleiding overdag.

Gelukkig dat er hulporganisaties zijn, en kerken, en particulieren, die zich over die soms al zo lang ontheemde en in eigen ogen kansloze medemensen ontfermen.

dia 4

Intussen is het wel een vraag in hoeverre dat lied opgaat voor ons als Nederland: “Hier is het goed,hier mag je zijn; met open armen word je ontvangen: welkom thuis”. Het is als een spiegel dat lied, als je het hoort of zingt: waar zijn die open armen?

Het is echt de vraag of we als Nederland en als christenen in Nederland, als kerk, klaar staan om wie hiernaar toe gevlucht zijn en hier asiel zoeken, of anderen die een beroep op ons doen, ook echt met open armen te ontvangen, of dat we eerder letterlijk de boot afhouden; denk aan al die vluchtelingen die via de Middellandse Zee onze kant op komen en die als het aan de Europese politici en ook aan veel van onze eigen mede-Nederlanders ligt, het liefst teruggestuurd worden: laten ze maar worden opgevangen in de eigen regio, en pak de mensenhandel aan – verniel die bootjes waarmee ze komen

Wat zal moeten natuurlijk maar het probleem van armoede en oorlog blijft, en daarom zullen er vluchtelingen blijven komen, van armoede en onveiligheid en onvrijheid naar rijkdom en veiligheid en vrijheid, naar hopelijk een beter bestaan.

Wat ons allemaal voor veel vragen en dilemma’s stelt, als overheid en burgers en ook als kerk, als christenen: wat is onze houding, hoe kijken we ernaar en denken we erover, wat zou de overheid moeten doen en wat doen wij zelf? Moet de overheid – en dus ik als ook belastingbetaler – bed, bad en brood aanbieden aan wie hier niet mogen zijn, na een lange procedure en uitspraken van rechters?  En als in Brussel wordt beslist dat ook Nederland meer vluchtelingen uit Syrië en uit Afrika zou moeten opvangen, wat vinden wij, en hoe stellen wij ons op als ook in onze directe omgeving asielzoekers worden ondergebracht, zoals binnenkort gaat gebeuren in Heerhugowaard: vinden wij dat dan eng, of zien wij een taak?

Worden die vreemdelingen met hun wanhoop en verdriet, liefdevol omarmd, geven wij hen een nieuwe toekomst, is er plek voor hun verhaal, ook als dat bizar is en niet te controleren, misschien wel mooier of erger gemaakt, hoe open staan wij voor hen?

Er zijn wereldwijd ongeveer 50 miljoenen mensen van huis en haard verdreven of onderweg van een uitzichtloos bestaan naar wat zij hopen een beter leven te zijn. Denk aan de miljoenen die op de vlucht zijn in Syrië en Irak, aan de situatie in Jemen maar ook in Afrika:  Mali, Nigeria, en aan de duizenden bootvluchtelingen die met wrakke en overvolle bootjes via de Middellandse Zee naar Europa proberen te komen,     dia 5  waarvan al vele honderden zijn verdronken; soortgelijke drama’s spelen zich af in Zuid-oost Azië: mensen die in Birma vervolgd worden en die een veilig heenkomen zoeken in landen eromheen, en mensen die de armoede in b.v. Bangla Desh ontvluchten – landen als Indonesië, Thailand, Maleisië, Australië sturen hen terug – ook Europa zet in op vooral ontmoedigen en terugsturen,   dia 6    want anders vreest men overspoeld te worden door steeds meer onbeheersbare aantallen vluchtelingen die gehuisvest moeten worden en die aan het werk geholpen moeten worden, en wat kost dat en wat voor impact heeft dat op onze cultuur en onze sociale voorzieningen, terwijl we juist moeten bezuinigen en er te weinig werk is voor de eigen mensen en te weinig geld voor eigen ouderen en zieken en gepensioneerden?

dia 7

Wij kunnen hier vanmorgen niet de overheid een beleid voorschrijven en niet de gigantisch ingewikkelde problemen oplossen waarvoor de wereld zich gesteld ziet. Gelet op wat wereldwijd aan de hand is -  is trouwens die bed-bed-brood-discussie in Nederland maar kruimelwerk, het gaat hoogstens om enkele honderden gevallen. Maar vanuit het gedoe dat dat al oplevert hoeven we niet optimistisch te zijn over het draagvlak om als Nederland meer mensen op te nemen en meer geld opzij te leggen om ons steentje bij te dragen aan het redden en opvangen van mensen en hen weer een nieuwe toekomst te bieden, ze met open armen te ontvangen.

Die vraag komt vanmorgen op onszelf af, als christenen, als kerk, als gemeente hier. Of wij het kunnen nazeggen en meezingen, met oog op wie hulp zoeken: hier is het goed, hier mag je zijn, met open armen word je ontvangen, welkom in Gods huis.

dia 8

Daarom is het goed ons wat meer te verdiepen in wat de Bijbel ons aanreikt.

Door heel de bijbel komt je vluchtelingen tegen. Het begint eigenlijk al met Adam en Eva, ons eerste voorouders.  die voor God vluchtten en wegkropen, na hun zonde. Die eigenlijk hun recht verspeeld hadden – wij als mensen – en illegaal werden als het aan ons lag, weggestuurd uit het eigen huis dat God voor ons bestemd had. En toch komt er meteen opvang: God zoekt de mens op en belooft hen toch weer een toekomst, zelfs een aarde waar God weer met ons mensen wil gaan wonen. Daarna is er Kain die na de moord op zijn broer een vluchteling en zwerver wordt, en zijn eigen weg gaat, bij God vandaan, maar zelfs hij niet zonder Gods bescherming.

Om niet meer te noemen: zowel Abraham als zijn zoon Izaak en zijn kleinzoon Jakob zijn wegens gebrek aan genoeg voedsel de grens over gegaan, werden zoals we dan vandaag zeggen economische vluchtelingen, of – wat denigrerend: gelukzoekers. En toen Jozef onderfarao was in Egypte haalde hij zijn familie erheen omdat daar koren groeide en in Kanaan niet.

Ze mochten het nooit vergeten en het moet als ze in hun eigen land wonen brengen tot betrokkenheid met en zorg voor vreemdelingen die een beroep op hen doen – we hebben het gelezen in Leviticus 19: “Jullie mogen mensen die als vreemdelingen in jullie land wonen, niet onderdrukken. Behandel hen alsof ze Israëlieten zijn. Houd evenveel van hen als van jezelf. Want jullie zijn zelf ook vreemdelingen geweest, toen jullie in Egypte waren. Ik ben de Heer, jullie God”. Er moest ook diaconale zorg gegeven worden, b.v. door wat na de oogst op het land bleef liggen of aan de bomen bleef hangen, te laten liggen of hangen voor armen en voor vreemdelingen.

Er is nog iets heel opvallends dat we kunnen leren van die wetten die Mozes moest doorgeven, en wel dat God tegen de Israëlieten zij dat ook zij in hun eigen land, zouden moeten leven als gasten en vreemdelingen, bij de Heer: “Het land is niet van jullie, maar van mij, de Heer. Ik laat jullie daar als gast wonen”  (Leviticus 25:23)

Dat mag ook ons bescheiden maken: ook wij kunnen niet het recht claimen dat waar wij wonen ons land is waar wij over kunnen beschikken en anderen niet mogen zijn. We zouden zomaar vergeten wat Psalm 24 zo mooi belijdt: “Van de Heer is de aarde en alles wat er leeft, van Hem is de wereld en ieder die er woont”. En dat onze God zeker niet discrimineert maar zijn wereld, zijn mensen, liefheeft, overal ter wereld.

Wat ook in het OT steeds naar voren komt, ook al heeft God een speciale band met Abraham en het volk dat uit Hem is voortgekomen, het volk Israël, en worden harde woorden gezegd over volken die dat volk naar het leven staan, ook over Moab – we hebben net nog van Jesaja gehoord over de hoogmoed van Moab en over zijn val.

dia 9     Moab – diverse plaatsen worden genoemd in Jesaja 15 en 16

Ja maar toch, we horen diezelfde profeet huilen en klagen en we zien als het ware de tranen in zijn ogen bij de verschikkelijke beelden die wat Moab overkomt, oproept.

We moeten dan denken aan de tijd dat de wereldmacht Assyrië het ene na het andere kleine land onder de voet liep en kennis liet maken met niets ontziende wreedheid – wat we erover weten doet denken aan wat in Syrië en Irak zich voltrekt door toedoen van het leger van Assad aan de ene kant en IS aan de andere kant.

En net als nu kwamen ook toen vluchtelingenstromen op gang, van vooral vrouwen en kinderen, en het breekt het hart van Gods profeet: “Ik heb medelijden met de Moabieten.  Ik weet dat ze zullen vluchten! Ze zullen vluchten naar het zuiden… huilend en jammerend gaan ze verder..De Moabieten hebben bijna niets meer. Maar de paar dingen die ze nog hebben, nemen ze mee naar de overkant van de Wilgenrivier. Alleen daar is het veilig…

Kijk, en dan gebeurt iets heel bijzonders: een aansporing  aan Moab om asiel aan te vragen op Sion, bij de koning van Juda, met als boodschap daarachter aan die koning om dat asiel te verlenen en de vluchtelingen vanuit Moab op te vangen dia 10 want de profetieën over de volken bij de profeten zijn altijd ook en vaak allereerst een boodschap voor het eigen volk en voor de koning die in Gods naam regeert.

Bijzonder want Moab was vaak een vijand van Israël en gedroeg zich ook zo – meteen al toen dat volk uit Egypte bevrijd naar Kanaän toe kwam en Balak, de koning van Moab, de profeet Bileam inhuurde om de Israëlieten te vervloeken. Later bestreed David de Moabieten en overwon hen en daarna hebben we heel veel jaren belasting aan Israël moeten betalen in natura, vooral schapen – totdat koning Mesa van Moab tijdens de regering van koning Achab zich vrijvocht en ophield met de betalingen – en er was meer oud zeer tussen die twee volken. Ook in deze hoofdstukken klinkt door dat Moab de ellende voor een groot deel aan zichzelf te wijten had en dat wat hen overkwam de straf van de Heer was – het eindigt zelfs met de aankondiging dat aan het zelfstandige Moab een eind komt. Ook omdat het aanroepen van hun goden om hulp helemaal niets zal helpen. Er staat zelfs in vers 9 dat het nog erger zal worden, door toedoen van de Heer.

Ja, maar toch, en des te meer bijzonder, geen leedvermaak bij Jesaja maar een heleboel tranen: “ik huil ook, als de Moabieten, ik huil om de verdwenen  wijngaarden, ik huil van verdriet, niemand is meer vrolijk, er wordt niet meer gelachen” - en dan past ook Gods volk en Gods profeet geen leedvermaak.

Ik moest denken aan de les die die andere profeet meekreeg – Jona -toen die baalde dat de straf tegen het ook vijandige Ninevé niet doorging, en God hem tot de orde van

zijn genade en liefde terugroept: zeg Jona, jij wist toch zo goed dat Ik een God ben die genadig is en liefdevol, geduldig en trouw, en tot vergeving bereid – nou, zou ik dan geen verdriet hebben om die grote stad Ninevé, met al die mensen en die kinderen, en ook nog dieren – begrijp je niet dat Ik wil dat zij zich bekeren en blijven leven?

dia 11

Nou, zo zag onze God die vluchtelingenstroom in Moab gaan, die vele duizenden, ontheemd, gevlucht uit eigen land, beducht voor tirannie, geweld, voor dood, voor moord en brand – en ziet God vandaag ook al die vluchtelingen, en de harde hand die hen wil slaan, en hoort de bittere twisten om hen, en de woorden vol verwijt – en ook ons land als een huis dat eens geborgenheid bood en nu schaamte en nijd verhult – en mensenharten – onze harten misschien – vol wrevel en drift? Hoe dan ook, wat actueel dat gebed: genees deze zieke wereld weer, zodat zij goed zal zijn, genade Heer, hoor ons gebed, zie deze wereld – en zie ons – aan!

Of het ook echt is gebeurd dat die vluchtelingen uit Moab asiel aangevraagd hebben in Jeruzalem en daar zijn opgevangen, we weten het niet, we hebben er geen verslagen van – misschien was de wens wel de vader van de gedachte – maar dat het in de Bijbel staat, midden tussen harde woorden over dat Moab en over andere volken die door hun houding en gedrag Gods straf verdienden en ook gekregen hebben, het is welsprekend genoeg en past helemaal bij wie God is: een God die zich bekommert om wie zwak is, kwetsbaar, zonder helper. Het ligt ook in de lijn van zoveel dat in de Bijbel staat over opkomen voor armen en vreemdelingen, weduwen, wezen, in een wereld niet van ons maar van God.

Waar nog altijd diezelfde roep klinkt:  “Bescherm ons als we vluchten, geef ons een veilige plek. Verraad ons niet aan onze vijanden – dat is ook: stuur ons niet terug - maar geef ons een thuis. Bescherm ons tegen de vijanden die ons land verwoesten”.  

En we daar Gods stem doorheen horen: “Neem een besluit, Grijp in, Bescherm hen”. Een oproep zeker aan het adres van wie gezag oefenen en macht gekregen hebben, om – zoals een psalm het vertolkt: dia 12 zijn schildwachten te zijn; geroepen om – een andere psalm´- recht te doen aan de zwakken, redding te bieden aan de armen, en de onderdrukker neer te slaan; hen te verlossen van onderdrukking en geweld.

Gemeente, die laatste zinnen komen uit Psalm 72, de psalm over de rechtvaardige koning; de psalm die we vaak zingen als vervuld in Gods grote koning Jezus. Die trekken komen we ook al tegen in hoe Jesaja hier over Juda’s koning spreekt. “Dan wordt in Davids huis een troon geplaatst, gegrondvest op liefde en trouw. Daar zetelt een rechter die recht zoekt, die ijvert voor gerechtigheid” (16: 5). Het gaat uit boven wat de koningen in Jeruzalem er van terecht brachten, het is tegelijk een appèl op die koningen – en regeerders en burgers later – om onrecht te bestrijden, zich in te zetten voor rechtvaardige verhoudingen, en zwakken te helpen. Als we kijken met de ogen van onze God en als zijn liefde tot alle mensen ons drijft.

Ja, want onze God ontfermt zich juist over wie kwetsbaar zijn, en komt Hij op voor de zwakken, en wil Hij zich zelfs vereenzelvigen met wie  geen helper heeft. Zoals Jezus in Matt. 25 armen en vreemdelingen en zieken en gevangenen zijn broers en zussen noemt: wie iets goeds voor die mensen doet, doet het voor Jezus.

Nog indringender komt dat op ons af als we bedenken dat Jezus zelf als kind al vluchteling is geweest en asielzoeker, in Egypte, gevlucht voor de wrede Herodes. Later zegt Jezus dat Hij hier op aarde eigenlijk geen vaste woon- en verblijfplaats heeft: dia 13De vossen hebben holen en de vogels hebben nesten, maar de Mensenzoon kan zijn hoofd nergens te ruste leggen.”  Het liep er zelfs op uit dat zijn eigen volk Hem de stad uitgooide en dat ze Hem aan een kruis spijkerden tussen hemel en aarde, als gevloekte die door de aarde werd uitgestoten en ook geen plek in de hemel verdiende: Hij kwam tot het zijne, maar de zijnen hebben Hem niet aanvaard. Maar dat moest en wilde Hij lijden om ons weer thuis te brengen, bij God onze Vader. Zoals Hij belooft: “in het huis van mijn Vader is plaats voor veel mensen”, ook voor jou, en ook voor wie nu geen plek hebben om te schuilen, geen bed, bad, of brood.

Maar wat doen wij dan als kinderen van deze Vader voor die broers en die zussen? Hoe kijken we naar hen, en wat kunnen we en willen we voor hen doen, persoonlijk en als kerken, en als inwoners van dit land: in onze praat, en met de portemonnee?

In Jesaja 21 staat nog zo’n oproep: aan het ene woestijnstammetje met het oog op een andere bedoeienenstam op de vlucht: “Jullie moeten de vluchtelingen helpen. Help de mensen die gevlucht zijn voor de oorlog, voor het geweld van al die wapens. Geef ze water voor de dorst, en geef ze brood”.   dia 14  Heel basaal maar o zo belangrijk om te leven en te overleven: bed, bad en brood……  En dat tegen mensen die zelf ook in de woestijn leefden en ook bedreigd werden. Mensen die geen Joden waren maar heidenen, niet-kerkelijk zouden wij zeggen.

En wij dan, die in God geloven en bij Jezus willen horen, wat doen wij hiermee? Met die indringende les dat wat je doet voor de minsten van Jezus’ broers en zussen, je voor Hem doet – en ook andersom: als je je hart en je huis en je portemonnee dicht houdt, zal de Heer tegen ons zeggen: waarom heb je Mij niet opgezocht engeen bed en bad en brood gegeven, waarom liet je Mij verdrinken of verhongeren?

dia 15

Met open armen – zijn die er bij ons?  Wie is welkom in Gods huis, en bij ons thuis?

Hoe maken we zichtbaar wat voor God we hebben, zoals we van Hem zongen:  “Hij heeft zijn liefde nooit ontzegd aan mensen, eerlijk onderweg”.          dia 16

En wij?    

                                                         amen

 

dia 17                Vragen/stellingen

 

    1.  Nederland moet ruimhartig(er) zijn in het opvangen van vluchtelingen b.v. uit Syrië. Zo ja, waarom; zo nee, waarom niet?

2.  Stel dat ons de overheid een beroep op ons als kerk zou doen om vluchtelingen      op te vangen, wat doen we daar dan mee?

3.  Op mij mag een beroep worden gedaan als concrete hulp voor vluchtelingen/ asielzoekers nodig is.

4.  Op welke uitvluchten betrap je jezelf als het om dit soort problemen gaat?

5.  Als kerk zijn we bereid ons aan te passen als christenen met een andere traditie zich zouden aanmelden, of vinden we dat nieuwkomers zich moeten aanpassen op hoe wij het in de kerk gewend zijn?

6  “Alles wat jullie gedaan hebben voor een van de onaanzienlijksten van mijn  broeders of  zusters, dat hebben jullie voor mij gedaan.”  Bedoelt Jezus daar medechristenen mee, of medemensen in het algemeen?

liturgie morgendienst met nagesprek – zondag 14 juni 2015

votum en groet

zingen:    Psalmen voor nu 84

wet van de HEER (Lev. 19)

zingen:   Ps. 146: 5,6,7

gebed

Schriftlezing:  Jesaja 15 en 16 en 21: 13-15

zingen:   NLB 997: 1,2,3,4

 

1. – en vele duizenden ontheemd,

gevlucht uit eigen land,

beducht voor tirannie, geweld,

voor dood, voor moord en brand;

genade Heer, hoor ons gebed,

zie deze wereld aan!

 

2. Ons mensen hart vol wrevel, drift;

de harde hand die slaat,

een straat in redeloze strijd,

de macht lijkt aan het kwaad;

genade Heer, hoor ons gebed,

zie deze wereld aan!

 

3. En binnen heerst de bittere twist,

het woord wordt tot verwijt,

dit huis bood eens geborgenheid,

verhult nu schaamte en nijd;

genade Heer, hoor ons gebed,

zie deze wereld aan!

 

4. O God, uw groot begrijpend hart

kent onze angst en pijn;

genees de zieke wereld weer,

zodat zij goed zal zijn.

Genade Heer, hoor ons gebed,

zie deze wereld aan!

 

Schriftlezing:   Matt. 25: 34-40

zingen:   NLB 995: 1,2  (melodie Gz. 36/37)

 

1. O Vader, trek het lot U aan
van allen die door U bestaan.
Gij die geen stenen geeft voor brood,
wees met uw kinderen in nood;
en stil, God die rechtvaardig zijt,
de honger naar gerechtigheid.

 

1. O Vader, trek het leed U aan
van allen die met ons bestaan.
Gij hebt gezegd: geef gíj hun brood,-
doe ons hun naasten zijn in nood,
opdat zij weten wie Gij zijt:
de God van hun gerechtigheid.

 

verkondiging:  dia 1  Jes. 16: 2-5 / Matt. 25: 40   ‘Met open armen…(?)’

zingen:   Ps. 147: 1,5

gebed

collecte

zingen:   Ps. 72: 1,7,9

zegen

amen:     Ps. 72: 10

 

*      Met open armen

Kom, als je honger hebt of dorst.
Hier kun je eten, deel met ons.
Kom met je tranen en je pijn.
Hier is het goed, hier mag je zijn.
Met open armen word je ontvangen.

Kom, als je moe bent van je vlucht.
Hier ben je veilig, hier is rust.
Kom, met je wanhoop en verdriet.
Hier mag je weer een toekomst zien.
Met open armen word je ontvangen.

Welkom in Gods huis.
Welkom in Gods huis.
Welkom in Gods huis.
Welkom, welkom thuis.

Kom met je leegte en je angst.
Hier word je liefdevol omarmd.
Kom maar, als niemand je verstaat.
Hier is een plek voor jouw verhaal.
Met open armen word je ontvangen.

Tekst: Antonie Fountain, Lee Ann Vermeulen
Tekstbewerking: Roeland Smith, Roald Schaap, Bas van Nienes, Menno van der Beek, Jan-Willem Vink
Muziek: Antonie Fountain, Jeroen van der Werken
Muziekbewerking: Bas van Nienes, Lee Ann Vermeulen, Bas Bons

 

 

 

1 Korintiërs 12: 7 : Gaven zevenvoud (1e Pinksterdag – avonddienst GKV-CGK)

 

Gemeente van onze Heer Jezus Christus, één door de Heilige Geest van God,

dia 1

‘Gaven zevenvoud’.

Wat bedoelt dat thema en waar gaat het eigenlijk over? Als u oplettend hebt meegezongen, is het u misschien opgevallen – voor het eerst of weer – dat in dat bekende Pinksterlied die woorden voorkomen: “O Geest, die al Gods heil ontvouwt, schenk ons uw gaven zevenvoud“. Het is uit de versie van het Gereformeerd kerkboek – de liedboekversie komt straks.

Het zijn vertalingen en bewerkingen van het oude Latijnse kerklied Veni Creator Spiritus= Kom, Heilige Geest – een bede om de komst van de Geest in ons hart. Een lied dat vermoedelijk is ontstaan in de tijd van keizer Karel de Grote, rond 800. Het werd een van de meest bekende Pinksterliederen, maar werd ook gezongen bij de wijding van priesters en de zalving en kroning van koningen, van wie men geloofde dat ze in hun ambt het moesten hebben van de leiding van Gods Geest.

Het getuigt van bescheidenheid en afhankelijkheid om niet uit te gaan van het bezitten van de Geest en de benodigde capaciteiten voor de taken die te doen zijn maar te bidden, te roepen, om de Geest: Kom, Schepper Geest, daal tot ons neer, vervul ons hart, stort hemelgaven in ons uit, breng al Gods volk tot heerlijkheid.

En dan valt ook die opvallende uitdrukking over ‘gaven zevenvoud’, in de weergave van het Liedboek als een constatering: “Gij schenkt uw gaven zevenvoud” en in die van het Gereformeerd Kerkboek als een gebed: “Schenk ons uw gaven zevenvoud”.

Bjbels gezien kan het allebei want wat de Geest belooft, daar mag je om bidden.

Maar dan dringt steeds meer die vraag zich op wat bedoeld wordt met ‘gaven zevenvoud’:  wat voor gaven zijn dat dan, en waarom daarbij dat getal zeven? Als je daar je wat meer in verdiept, kom je al gauw de verwijzing tegen naar die messiaanse profetie uit Jesaja 11: 2 – die we vanavond samen gelezen hebben. Het gaat daar over een beloofde telg uit het in verval geraakte koningshuis van David die vervuld zal zijn van de Geest van de HEER – zoals eeuwen geleden de stichter van het koningshuis – David – over wie we lezen dat de Geest van de HEER hem bezielde – en zijn zoon Salomo die op zijn gebed veel wijsheid en inzicht kreeg.

Eigenschappen die latere koningen pijnlijk misten zodat het van kwaad tot erger ging en de laatste koning zijn einde vond als krijgsgevangene in het verre Babel.

“Maar” – zo begint dan Jesaja 11, en dat is het ‘maar’ van Gods trouw, het ‘en toch’. Geweldig dat God het daar niet bij liet zitten en een nieuw begin beloofde: “zoals uit een oude, omgehakte boom een kleine nieuwe tak kan groeien, zo zal uit de oude familie van David een nieuwe koning komen”  (Jesaja 11: 1 in de BGT). En net als over David wordt over zijn nazaat, die nieuwe koning, gezegd dat de Geest van God in hem zal zijn, en hem zal leiden en bekwamen tot zijn taak.

dia 2

Ja, en dan worden kwaliteiten opgesomd, eigenschappen, ‘gaven’ van de Geest: wijsheid, inzicht, kracht, verstandig beleid, kennis van de Heer, ontzag voor de Heer. Als u hebt mee geteld: zes ‘gaven’, maar letterlijk staan in vs 2 en vs 3 verschillende woorden voor ‘ontzag voor de HEER’, zoiets als: ‘eerbied’, en: ‘ontzag voor God’. Op die manier kom je tot zeven – wat terugkomt in dat lied: Kom Schepper, Geest. Want natuurlijk is er veel meer op te noemen en ook in de Bijbel te vinden aan gaven die God mensen geeft maar zeven is in de Bijbel het getal van volheid, compleetheid.

Zeven, dat is het getal van God – drie – plus dat van de aarde, de vier windstreken. Zo zijn we ook de dienst begonnen met genade en vrede van Hem die is en die was en die komt – God de Vader die de Schepper is – en ‘de zeven geesten die voor zijn troon zijn’  en van Jezus Christus, die de dood overwon en de hoogste Koning is.

‘De zeven geesten voor zijn troon’, dat is zoals Johannes in zijn Openbaring de Geest van God uitgebeeld ziet, b.v. in 4:5: “voor de troon (van God) branden zeven vurige fakkels, dat zijn de zeven geesten van God”; en in 5: 6 ziet Johannes het lam van God met ‘zeven horens en zeven ogen’: “dat zijn de zeven geesten van God die over de hele wereld zijn uitgestuurd”. Wat teruggaat op O.T. profetie (Zacharia 4)

Natuurlijk gaat het dan over de ene Heilige Geest maar dat getal zeven staat voor de volheid van de werking van Gods Heilige Geest, waarover een uitlegger schrijft: “Als brandende toortsen symboliseren ze de waakzame en werkzame tegenwoordigheid van de Here bij zijn volk. In het zevental ligt een correspondentie met het aantal gemeenten. De Geest van God woont in zeven gemeente en krijgt daarom de gestalte van zeven Geesten”.

Daar sluit dat lied op aan over de gaven die de Geest geeft: ‘gaven zevenvoud’, werk van de Geest in alle volheid: “G’ ontsluit een volheid van gena, de vrucht van ‘t kruis van Golgotha” -uitwerking van wie de eerste gave genoemd wordt, de Geest zelf: “Gij zijt de gave Gods, Gij zijt de grote Trooster in de tijd, de bron waaruit het leven springt, het liefdevuur dat ons doordringt, Gij schenkt uw gaven zevenvoud” (NLB 360)

dia 3   ‘Gaven zevenvoud’

1. als vrucht van het werk van de Geest

2. om persoonlijk en samen te groeien

3. laten we erom bidden en ermee werken

dia 4    1. gaven als vrucht van het werk van de Geest

“In ieder is de Geest zichtbaar aan het werk”.

Schrijft Paulus in die bekende verzen uit 1 Korintiërs 12 die we net gelezen hebben.

En dan kijken we elkaar aan, en denken we als het goed is, eerst ook aan onszelf, en dan kan zomaar de twijfel opkomen en misschien wel wat cynisme: is dat zo?  Is de Heilige Geest in iedereen hier in de kerk vanavond aan het werk, en ook in en door die anderen die er vanavond niet zijn, en vooral ook: werkt de Geest ook in mij, en hoe dan, en waarom is er dan zo veel dufheid en laksheid en zo weinig vuur en komt zoveel zo vaak op steeds weer diezelfde neer, en moeten we niet weer eens een gaventest doen om in kaart te brengen wat we voor elkaar kunnen betekenen?

En dan heb ik het nog niet eens over die lastige vragen rond bijzondere gaven als spreken in tongen en profetische uitingen en gaven van genezing: komen die nog voor, moeten we er naar verlangen en naar streven, of zijn die niet voor deze tijd?

Het valt op dat Paulus hier geen gebod geeft en ook niet een verlangen uit of een gebed uitspreekt dat het nog eens mag gaan gebeuren dat de Geest zo werkt. Nee, het is een constatering, een dankbaar vaststellen dat de Geest in ieder werkt.

Des te meer opmerkelijk als we bedenken dat dit in een brief staat aan de kerk van Korinthe, en dat was niet een modelgemeente maar een kerk met veel problemen.

Toch begint deze brief dankbaar (1:4-7): “Ik dank mijn God altijd voor u, omdat Hij u in Christus Jezus zijn genade heeft geschonken. Door Hem bent u in elk opzicht rijk geworden. Alles wat u zegt en al uw kennis bewijst dat het getuigenis over Christus bij u verankerd is, en hierdoor ontbreekt het u…aan geen enkele gave van de Geest.” 

Wat je door heel deze brief heen merkt, is dat Paulus niet focust op wat er mist maar op wat er is, en dat benoemt en God ervoor dankt, en dan gaat werken aan groei.

Ja en als dan iemand zich afvraagt waaraan je dan merkt dat de Geest werkt in het leven van mensen en in een gemeente, ook een gemeente als die van ons, dan kun je van Paulus leren om bij het begin te beginnen, bij de bron, of wilt: aan de basis.

Zoals in 12: 3: “niemand kan ooit zeggen: ‘Jezus is de Heer’, behalve door toedoen van de Heilige Geest”. Waar dat beleden wordt, bezongen, en bepalend is voor wat mensen doen en laten, hoe ze met elkaar en met hun tijd en geld, hun werk, hun leven in het algemeen, omgaan, daar is de Heilige Geest aan het werk, en dat ga je dan merken, want dan leven mensen niet voor zichzelf maar voor God  en elkaar.

Dat we hier zijn vanavond, dat we hier luisteren en zingen en bidden, en geloven, kan alleen maar het werk zijn van de Geest, en vrucht van Jezus’ werk op Golgotha.

Als je nadenkt over het werk van de Heilige Geest, en studies erover leest,kom je vaak het onderscheid tegen tussen vruchten van de Geest en gaven van de Geest. Bij vruchten van de Geest gaat het dan over bijna karaktereigenschappen die het gevolg zijn van geloven en leven uit het geloof, doordat de Heilige Geest je vormt.

Daar gaat over in die verzen uit Galaten 5, dia 5 over liefde, vreugde en vrede, geduld, vriendelijkheid en goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing.

Dat zijn niet dingen die je doet of waar je goed in bent, maar gaat over je houding, over hoe je dingen doet en andere dingen niet doet, over een manier van leven. En dat hoort allemaal bij christen-zijn want aan de vruchten herken je de boom, en als die vruchten uitblijven of rot blijken te zijn, is er veel mis met die boom.

Terwijl gaven van de Geest meer kwaliteiten zijn of eigenschappen die per persoon, per christen, kunnen verschillen, zoals Paulus aangeeft dat de Geest verschillende gaven geeft, en die aan iedereen afzonderlijk uitdeelt zoals Hij wil.    dia 6

Dan blijft het dat de Geest in iedereen zichtbaar aan het werk is, maar niet in iedereen op dezelfde manier en met eenzelfde intensiteit, en vanuit het besef dat iedereen nodig is en niemand overbodig, om samen één lichaam te zijn:”God heeft alle lichaamsdelen hun eigen plaats gegeven, precies zoals Hij dat wilde.”

  Vanavond gaan we niet dieper in op al die verschillende gaven, en al helemaal niet op wat we wel bijzondere gaven noemen van tongentaal, genezing, en dergelijke.

Ik wil vooral jullie aandacht ervoor vragen dat bij alle waars en waardevols in dat onderscheid tussen gaven van de Geest en vruchten van de Geest het allemaal op die ene bron teruggaat, vandaar dit eerste punt: gaven als vrucht van het werk van de Geest – want alles wat ik aan mogelijkheden heb – meegekregen als door God geschapen en via opvoeding en opleiding, interesse, aanleg, aangeleerd, dank ik aan de Geest die leven geeft en wijsheid en inzicht werkt, en vooral ook liefde en inzet, geloof – dat ik probeer God te dienen en mensen om me heen – hoe zou het anders wat kunnen worden als niet de Geest het tot stand brengt en in stand houdt?

Bedenk ook dat wat de Bijbel gaven noemt, meer is dan alleen maar competenties. Dat het zeker niet om eigenschappen of kwaliteiten gaat die ik verdiend heb en waar ik trots mee voor de dag kan komen en er andere mee de loef kan afsteken – nee, want het woord zegt het al: gave=cadeau,en een cadeau verdien je niet maar krijg je.

Vaak heet het charisma= genadegave, zoals Paulus in een andere brief – Rom. 12 – schrijft: “We hebben verschillende gaven, onderscheiden naar de genade die ons geschonken is” – en daarom: “denk niet van jezelf dat je geweldig bent”  (BGT). Ik las ergens deze oneliner: “een gave is een portie genade die op een bepaald moment geschonken wordt” – en ook deze: “de vrucht is voorwaarde voor gaven”.

Wat je kunt, waar je goed in bent, wat jij kunt bijdragen voor anderen en in de kerk, dat wordt pas mooi en goed als het vrucht is van een leven uit liefde voor God en voor mensen om je heen, denk maar weer aan die vruchten die Galaten 5 noemt.

En terug naar Jesaja 11, daar lezen we allerlei mooie dingen niet van zomaar iemand maar van de messiaanse koning van wie wij mogen geloven dat het Jezus is: “De geest van God zal in hem zijn. Die koning zal wijs zijn en verstandig, hij zal sterk zijn en machtig, hij weet wat God van hem wil en hij heeft eerbied voor de Heer…Hij luistert goed naar iedereen voordat hij een oordeel geeft….hij is eerlijk en trouw…”

Nou, en als diezelfde Geest in u en in jou en in mij werkt, gaan we lijken op Jezus en gaan we ook zo aan het werk met hoe God ons maakte en wat God ons geeft. En dan wordt het anders in ons leven, mooier, voor onszelf en anderen en voor God. Er gaan steeds meer en steeds mooier vruchten groeien aan en door Gods Geest.

dia 7   2. gaven om persoonlijk en samen te groeien.

 Gaven als vrucht van het werk van de Geest – dat vraagt om een groeiproces. Denk maar aan wat elk jaar weer in uw tuin gebeurt en op akkers en weilanden. Iemand gebruikt het voorbeeld van een appelboom: “Een appelpit wordt eerst een klein plantje, dan een stammetje met takken; daarna komen er knoppen en bladeren, dan de bloesem, dan een vruchtje, hard en groen en onaantrekkelijk. Daarna wordt het door licht en water een lekkere, rijpe, sappige en blozende appel”.

Dat is een mooi beeld voor wat ook gebeurt in het leven van mensen,  en voor wat onszelf betreft als de Heilige Geest in en aan je aan het werk gaat om al meer te maken tot een mens zoals door God bedoeld, naar het voorbeeld van Jezus zelf.

Waar de Bijbel ook vaak het beeld van groeien voor gebruikt, en Paulus het erover heeft dat wat eerst is gezaaid, verzorging nodig heeft: water erbij, mest, zonlicht.

Wat de Heilige Geest wil doen en waar Hij ons bij inschakelt: door Bijbellezen, door bidden, door gesprek met elkaar en gebed voor elkaar, en zorg voor elkaar.

Ja, en daarbij blijft ieders eigen identiteit volop overeind, en komt juist tot bloei. Diezelfde schrijver die het voorbeeld van die appelpit gebruikt, wijst erop dat elke vrucht zichzelf blijft: appels en peren zien er verschillend uit, en smaken anders. “Zo blijven we allemaal heel verschillend, ook al werkt de Geest dezelfde vrucht in ons allemaal. Je kunt op heel veel verschillende manieren liefde uiten. Of op veel verschillende manieren gaat voor vrede. De een laat trouw zien door er altijd te zijn. De ander door altijd een kaartje te sturen”. Er zijn meer talen van liefde, en dan komt het erop aan elkaars taal te leren verstaan en te waarderen, ook dat is vrucht van de Geest: geduld, vriendelijkheid, zachtmoedigheid – naar elkaar.

Zoals in de natuur ook het geval is, vraagt groei om geduld, om een lange adem. Geloofsgroei door vernieuwing en steeds weer bekering, is een levenslang proces. Niet voor niets schrijft Paulus dat de Heilige Geest zichtbaar in de gemeente werkt. En daarbij worden wij zelf volop ingeschakeld en mee verantwoordelijk gemaakt, zoals we in de catechismus worden aangespoord de Here door zijn Geest in ons te laten werken – en de Bijbel anderzijds waarschuwt de Geest niet uit te blussen.

Daar slaat ook dat laatste vers op van de tekst, vs. 31, waarin de lezers en wij dus ook worden aangespoord om te streven naar de hoogste gaven, en uit wat erna komt blijkt wat de hoogste gave is, namelijk de liefde – en laat dat nou ook de eerste en alles bepalende vrucht van de Geest zijn in de opsomming ervan in Galaten 5!

Je gaven zien en gebruiken als vruchten van het werk van de Geest van God en dus als vrucht van het reddende en vernieuwende werk van Jezus, dat is steeds meer gaan lijken op Jezus, gaan in zijn voetspoor, dienstbaar en met oog en oor en hart voor mensen om je heen, en investeren in de relatie met je hemelse Vader en met je Heer en Redder, en ook met mensen in je omgeving.

Daarvoor reikt de Geest allerlei hulp aan: zoals de Bijbel en gebed, en tekens van Gods aanwezigheid en zorg, en kerkdiensten, en gesprekken met mensen.

dia 8

Dat gaat niet zonder eerlijk je eigen zwakke plekken en blinde vlekken willen opsporen, open te staan voor feedback, willen leren en willen afleren, groeien.

Denk maar weer aan al dat werk in je tuin: schoffelen, wieden, snoeien, water geven, oude bloemen verwijderen, gras maaien – veel werk, maar met gevolg meer groei en mooier bloei en kunnen genieten van al die geuren en kleuren. En daar kunnen dan ook anderen van genieten, zoals van die mooie tuin, en van wat er allemaal in de zomer aan gewassen en vruchten rijpen op het land.

Ik las ergens dat je de vrucht van de Geest niet zelf kan opeten – bedoeld is dat anderen de vruchten mogen plukken van wat God in ons leven doet ten goede: van jouw vriendelijkheid en geduld, jouw liefde, aandacht, openheid.

Maar – het is toch ook niet waar want zelf mag je ook de vrucht van de Geest eten, want van groeien in geloof en hoop en liefde wordt je zelf ook beter. De catechismus zegt dat we sterker worden in het geloof als we gaan merken dat geloven en Jezus navolgen ook echt werkt, en wat oplevert.

Ja, en groeien doe je ook samen, zoals een tuin een tuin is en pas echt een mooie tuin wordt als die planten en bomen en bloemen bij elkaar een mooi geheel vormen. Als het in de Bijbel gaat over gaven die God mensen geeft, door het werk van zijn Geest in die mensen, dan wordt veel nadruk gelegd op het doel ervan: dienen. In de tekstverzen staat dat de Heilige Geest zichtbaar aan het werk is in ons allemaal, en dat niet op onszelf gericht maar:  “ten bate van de gemeente”.

Als je naar de opsomming van die gaven kijkt, wordt dat ook heel concreet: het verkondigen van wijsheid – om anderen mee te dienen:  het overdragen van kennis, de gave om te genezen; en nog veel meer;  en dat alles uit liefde voor elkaar, want anders schiet je met je gaven en mogelijkheden je doel voorbij- lees 1 Kor. 13: “als je geen liefde hebt voor anderen, zijn je woorden zinloos….als je geen liefde hebt voor anderen, beteken je niets…..zonder liefde is alles wat je doet, zinloos”.

Maar als we in liefde elkaar aanvaarden als kostbare gaven van God, zullen we erop uit samen te groeien inplaats van alleen maar zelf te groeien en de ander weg te drukken of te overwoekeren – een tuin is pas echt mooi als elke plant op de eigen plek de ruimte krijgt om te groeien en te bloeien – naar Gods veelkleurige wijsheid.

dia 9   3. laten we om de gaven van de Geest bidden en ermee werken

In dat lied uit het Geref. Kerkboek is het een gebed:  ‘Schenk ons uw gaven zevenvoud’, en daar zit het mooie in dat we niet over de Geest en over zijn gaven beschikken, maar dat we er steeds weer om mogen vragen, voor onszelf en elkaar.

Tegelijk is waar dat de Geest veel gaven geeft: ‘Gij schenkt uw gaven zevenvoud’.

Aan ons om die gaven te ontdekken – bij onszelf en elkaar – en ermee te werken.

Dat is eigen aan hoe de Heilige Geest werkt sinds Pinksteren:zichtbaar in iedereen. Niemand wordt overgeslagen, en niemand is meer – b.v. een dominee of ouderling – en niemand is minder -in de gedachte: ik heb geen gaven, wat kan God nou met mij?

Gaven zevenvoud – dat staat voor: volheid van genade, rijkbegaafd zijn, Geest-rijk. Gaven zevenvoud – dat is dat het niet aan de Geest ligt – er is genoeg voor iedereen en voor samen- om elkaar te dienen en samen tot bloei te komen voor God!    dia 10

amen

 

liturgie 1e Pinksterdag – avonddienst met CGK

 welkom

zingen:       Ps. 65: 1,2  LvdK     

we worden stil voor God

 votum en groet

 zingen:        Gz. 103: 1a, 2v, 6a, 8m, 9a   GK

 gebed

 Schriftlezing:  Jesaja 11: 1-10

zingen.        Ps. 72: 1,4   LvdK

 Schriftlezing: 1 Kor. 12: 1-11 en Galaten 5: 22-23

zingen:        Gz. 252: 1,2   LvdK

 verkondiging:  1 Kor. 12: 7,11,31

zingen:        NLB 360: 1a, 2v, 3a,  4m, 6a  

 gebed

collecte

 geloofsbelijdenis

 zingen:     NLB 304

 1 Zing van de Vader die in den beginne

de mensen schiep, de dieren en de dingen:

hemel en aarde wil zijn naam bezingen:

houd Hem in ere!

 2 Zing van de Zoon, het licht voor onze ogen,

bron van geluk voor wie Hem wil geloven:

luister naar Hem het woord van alzo hoge:

houd Hem in ere!

 3 Zing van de Geest, de adem van het leven,

duurzame kracht die mensen wordt gegeven.

Waar wij ook gaan, wij hebben niets te vrezen:

houd Hem in ere!

 zegen

 amen:       NLB 425   Vervuld van uw zegen

Vervuld van uw zegen gaan wij onze wegen

van hier, uit dit huis waar uw stem wordt gehoord,

in Christus verbonden, tezamen gezonden
op weg naar de wereld die wacht op uw woord.
Om daar in genade uw woorden als zaden
te zaaien tot diep in het donkerste dal,
door liefde gedreven, om wie met ons leven
uw zegen te brengen die vrucht dragen zal.