1 Petrus 1: ‘Vreemdelingen en priesters’

Liturgie toerustingsdienst zondag 2 juli 2017

Zingen: Ps. 95: 1,3 LvdK ‘Steekt nu voor God de loftrompet’
Votum en groet
Stilte en persoonlijk gebed
Zingen: Ps. 105: 3,4,5 LvdK ‘God, die zich aan ons openbaarde’
Gebed
Schriftlezing: 1 Petrus 1: 1-2 en 14-21 ; 2: 1-12; 3: 13-17
Zingen: Ps. 119: 7, 16, 30 ‘Zegen uw knecht die Gij uw wil gebiedt’
Verkondiging: ‘Vreemdelingen en priesters’
Zingen: ZG 213: 1,2, 3 ‘Dit huis, een herberg onderweg’

1. Dit huis, een herberg onderweg voor wie verdwaald in heg en steg
geen rust, geen ruimte meer kon vinden, een toevluchtsoord in de woestijn
voor wie met olie en met wijn pijnlijke wonden liet verbinden,
dit huis, waarin men smarten deelt, weet hoe Gods liefde harten heelt.

2. Dit huis, waarin een gastheer is wiens zachte juk geen last meer is,
dit huis is tot ons heil gegeven: een herberg voor wie moe en mat
terzijde van het smalle pad struikelt en langer niet wil leven –
plaats tegen de neerslachtigheid, een pleister van barmhartigheid.

3. Dit huis, met liefde opgebouwd, dit gastenhuis voor jong en oud,
ligt langs de weg als een oase; hier kan men putten: nieuwe kracht,
hier is beschutting voor de nacht, hier is het elke zondag Pasen!
Gezegend al wie binnengaat en hier zijn lasten liggen laat.

Geloofsbelijdenis
Zingen: Gz. 115: 1,2 GK ‘Nooit kan ’t geloof teveel verwachten’
Gebed
Collecte
Zingen: Gz. 316: 1,2,5,6 LvdK ‘Blijf bij ons, Jezus, onze Heer’
Zegen
Amen: NLB 425 ‘Vervuld van uw zegen’

Vervuld van uw zegen gaan wij onze wegen
van hier, uit dit huis waar uw stem wordt gehoord
in Christus verbonden tezamen gezonden
op weg in een wereld die wacht op uw woord
Om daar in genade uw woorden als zaden
te zaaien tot diep in het donkerste dal
door liefde gedreven om wie met ons leven
uw zegen te brengen die vrucht dragen zal

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

‘Vreemdelingen en priesters’.
Het is de titel van een boek van Stefan Paas, die professor is aan de VU in Amsterdam en de TU in Kampen, en ook ouderling van ViaNova in Amsterdam.
De ondertitel van dat boek uit 2015 is ‘Christelijke missie in een postchristelijke omgeving’, en het gaat erover hoe je als kerk en als christenen nog iets kunt betekenen in een samenleving waarin mensen steeds minder geïnteresseerd lijken te zijn in het christelijk geloof; hoe kun je de brug slaan naar die andersdenkenden?

Nou gaan we niet dit boek bespreken vanavond, maar die titel is ontleend aan wat Paas terecht aanwijst als de rode draad in de eerste brief van Petrus; in de laatste hoofdstukken van het boek gaat de schrijver in op de kernboodschap van die brief.
Petrus noemt enkele keren zijn lezers met nadruk ‘vreemdelingen’, mensen die toen ze tot geloof in Jezus zijn gekomen een ander leven gekregen hebben en daardoor
in allerlei opzichten vervreemd zijn geraakt van hun eerder zo vertrouwde omgeving.
Wat kan voelen als een bedreiging maar wat Petrus aanwijst als een uitdaging: leef midden in een wereld van anders-gelovigen en ongelovigen een goed leven zodat
de laster en beschuldigingen verstommen en mensen aan het denken gezet worden.
En als er zijn die nieuwsgierig zijn naar wat je drijft of je aanspreken op je gedrag of je geloof, kruip dan niet in je schulp en bijt ook niet van je af maar sta ervoor open je te verantwoorden maar wel vriendelijk en vol respect – profetisch duidelijk zijn gaat
als het goed is samen met priesterlijk bewogen zijn – biddend, werkend, zegenend.

Vreemdelingen en priesters

1. Vervreemding
2. Uitdaging
3. Verantwoording

1. Vervreemding

Bent u wel eens op vakantie geweest in een land met een totaal andere taal en cultuur: waar je niemand verstaat, de borden met straatnamen en de opschriften op de winkels in een onleesbaar schrift, en met heel andere gewoonten en eetcultuur?
Interessant natuurlijk maar ook een gevoel van ‘een kat in een vreemd pakhuis’, zelfs een gevoel van je verloren voelen en verward,en wat moet je als er een probleem is?

Minder zwaar maar toch ook wel met zulke gevoelens kan het zijn als je ineens in een gezelschap belandt waar je niemand kent en niemand echt jou erbij betrekt; of op je eentje in een kerk waar je niemand kent en niemand een praatje met je maakt..
Of – een laatste voorbeeld – je komt na jaren terug in het dorp waar je ooit woonde en waar bijna alles veranderd is: nieuwe wijken, andere wegen, veel ouds gesloopt.
Zomaar wat voorbeelden van je vreemd en verloren voelen, zonder verbondenheid.
Dichterbij wat we in die brief van Petrus gelezen hebben: je werkt als enige christen op een afdeling, of in een klas of studiegroep, en hoe aardig je collega’s of studie-genoten ook zijn, je merkt dat ze niet begrijpen wat jou beweegt: dat je gelooft, dat je andere dingen doet op zondag dan die anderen, en je ervaart soms grote afstand als het gaat over dingen die spelen in de samenleving: kijk op vluchtelingen, vragen vn leven en dood – en zomaar wordt schamper gedaan over mensen die ‘nog geloven’.
De brief van Petrus waaruit we een paar stukjes hebben gelezen hebben, is in eerste instantie geschreven aan mensen die de schrijver aanduidt als ‘de uitverkorenen die
als vreemdelingen verspreid wonen in…’en dan komen provincies langs van wat toen Klein-Azië heette en nu West-Turkije is – in sommige oudere vertalingen worden ze ‘vreemdelingen in de verstrooiing’ genoemd, en dan valt het woord diaspora, dat ook vaak gebruikt wordt voor gebieden waarin Joden in die tijd waren uitgezwermd, buiten het eigen land en de eigen vertrouwde omgeving, als vaak bedreigde minderheid maar ook met de boodschap van de levende God voor zijn wereld.

Nou, diezelfde termen en datzelfde beeld gebruikt Petrus hier voor over een groot gebied verspreid wonende gelovigen en gemeentetjes die dagelijks de druk ervaren van een omgeving waar ze nu ze tot geloof in Jezus gekomen zijn zich niet meer zo thuis voelen en vaak ook niet meer geaccepteerd en gerespecteerd voelen, en als je deze brief op je in laat werken, zelfs vijandig bejegend werden en neergezet als niet meer loyale burgers, dwarsliggers die zich apart gedragen en ineens zo anders zijn.
Een uitlegger schrijft: “Hoezeer de gelovige ook in de samenleving is ingeburgerd,
hij blijft zich vreemd voelen temidden van zijn medeburgers. Omgekeerd wordt de
christten vreemd gevonden”. Lees b.v. 4: 4: “De ongelovigen vinden het vreemd dat
jullie nu niet meer meedoen met hun slechte gedrag. En daarom vertellen ze slechte dinge over jullie. “ Nog een keer die uitlegger: “Wie door het christelijk geloof een ander mens geworden is, wordt niet meer herkend en niet langer geaccepteerd. Zoals de niet-jood altijd een vreemde bleef binnen de joodse gemeenschap, zo is het ook met de ‘niet-ongelovige’: hij hoort er niet meer bij. Christenen zijn hinderlijke dwarsliggers op het platgetreden pad”. Zoals Jezus ook als dwarsligger overkwam.

Petrus gebruikt er twee woorden voor die je vandaag zou kunnen vertalen als:
allochtoon, en ook wel: asielzoeker, vreemd in een onbekende omgeving, en ook zonder burgerrechten, met eigenlijk je wortels in waar je vaderland nog steeds is.
Ja, en dat wordt gezegd tegen mensen die misschien al heel hun leven wonen
waar ze geboren en getogen zijn, met een heel netwerk van familie en vrienden.
Totdat God ingreep en Jezus in hun leven kwam – Petrus noemt ze ‘uitverkoren’
vreemdelingen, mensen die door God geroepen zijn om samen zijn volk te zijn, en wat een verandering was dat: “jullie zijn door God uitgekozen, en jullie horen bij Hem. ..God heeft jullie uit de duisternis geroepen om te leven in zijn schitterende licht. Ooit waren jullie niet eens een volk. Nu zijn jullie het volk van God”. Heel bijzonder en een groot voorrecht, maar die verbondenheid aan God maakt dat je anders in het leven staat en anders gaat leven dan je tot dan toe gewend was en gewoon is om je heen.
Midden in de samenleving ontstaat een nieuwe gemeenschap van broers en zussen die samen die ene Vader hebben en elkaar tot steun mogen zijn, en elkaar des te meer nodig hebben, zoals Petrus schrijft in 2: 17: “heb uw broeders en zusters lief”.

Herkennen wij daar ook iets van, van die vervreemding, van dat anders zijn?
Stefan Paas schrijft: “Onze samenlevingen worden niet langer ingericht volgens christelijke principes en zijn er niet langer op gericht het leven voor christenen iets makkelijker te maken dan voor andere mensen. Soms zelfs het tegendeel” . En dat is wennen want we zijn aan bepaalde voorrechten gewend geraakt, maar we moeten niet denken dat die bevoorrechte positie normaal is of dat we er recht op te hebben.
Wat we meemaken gaat misschien weer lijken op hoe de christenen er in die eerste eeuw voor stonden, zoals we dat merken in die brief van Petrus: verbonden met God en onderweg naar zijn nieuwe wereld, en daarom vreemdelingen in deze wereld.
2. Uitdaging

Het kan zomaar voelen als bedreigend, en akelig: dat vreemdeling zijn.
Want we willen er toch graag bij horen, gezien worden, en gerespecteerd.
En als het ander is, hoe reageer je dan, hoe kun je daarmee dealen zeg maar?
Er zijn meerdere reacties mogelijk, van een terugtrekkende houding met je boek in de hoek en je geloof dan maar voor je houden voor achter huisdeur en kerkdeur,
en je daarbuiten gedeisd houden en zoveel mogelijk maar aanpassen – tot aan de andere kant geërgerd en gefrustreerd reageren van dat het toch wat is allemaal, en dat Nederland toch wel ver is weggezakt, en dat het hoog tijd is dat we als kerken en christenen van ons laten horen en op onze strepen staan – en positief vertaald wordt van alles ondernomen om al die mensen om ons heen die niet of niet meer geloven in God en Jezus en die de kerk ver van zich af duwen, te evangeliseren en als het kan, te bekeren, want we weten toch dat zonder geloof niemand wel vaart en dat
als het zo blijft die buurman of dat collegaatje verloren gaat, niet in de hemel komt,
en dat kan heel stressvol zijn want stel je voor dat ik die ander niet genoeg over het geloof heb verteld – en frustrerend want waarom levert al die evangelisatie zo weinig op en blijft het een druppel op een gloeiende plaat – mooi hoor dat er elke zondag
ruim 120 mensen zitten bij HartvoorHeerhugowaard maar wat stelt het voor als je bedenkt dat er bijna 60000 mensen in die groeistad wonen – hoe bereiken we die?

Stefan Paas probeert met zijn boek ons met beide benen op de grond te zetten:
wij kunnen en hoeven Nederland niet te bekeren, of een eigen christelijke cultuur
neer te zetten; als mensen van God en als kerk zijn er er vooral om God groot te maken en dienend in de samenleving bezig te zijn, en te laten zien hoe bevrijdend en hoe heilzaam het is om Jezus te volgen en goed te doen aan mensen om ons heen.
En juist dat is ook een rode draad in deze brief van Petrus: midden tussen mensen
die niet in God geloven en niet naar zijn normen leven, gewoon jezelf durven zijn:
niet in je schulp kruipen of je maar aanpassen en ook niet overal tegen zijn maar
een goede buur zijn en een betrouwbare collega, met respect voor wie leiding geven,
en desgevraagd open en eerlijk zijn over wat je drijft en voor wat en Wie je leeft.
Citaat: “Volgens de eerste brief van Petrus bestaat de kerk niet om de wereld te veranderen of om steeds groter te groeien. De kerk is er om ‘de grote daden van God te verkondigen’(2:9). En dat ook ten behoeve van de wereld die God nog niet of niet meer kent en niet met Hem rekent – als voorbidder voor alle mensen, als priesters.

Ik had het over een tweede rode draad in deze brief, naast die van bemoediging
bij beproevingen en zelfs lijden dat het apart zijn en anders zijn kan meebrengen.
Die tweede rode draad is die van betrokkenheid en verantwoordelijkheid bij de samenleving waarvan je deel uitmaakt: je straat, je stad of dorp, je land – lees
2:12: “Leid te midden van de ongelovigen een goed leven, opdat zij die u nu voor misdadigers uitmaken, door uw goede daden tot inzicht komen en God eer bewijzen”.
En dat maakt de apostel dan concreet voor verschillende mensen en situaties: in huwelijk en gezin, op de werkvloer, in staat en maatschappij, kort samengevat in 2: 17: “Heb dus respect voor alle mensen. Houd van de andere christenen. Leef zoals God het wil, en eer de keizer”. Met de bemoediging dat God je zal beschermen.
Hoor ook 3: 16: “Misschien zullen ongelovigen slecht over je spreken, omdat je als een goede christen leeft. Maar God zal ervoor zorgen dat ze daar spijt van krijgen.”
Denk aan wat Jezus zei over de gemeente als licht voor de wereld: laat uw licht schijnen voor de mensen opdat ze uw goede daden zien en uw Vader erom eren.
Het is dus belangrijk om midden in het leven te staan en daar volop je in te zetten.
Dat is voor iedereen op de plek waar hij of zij woont en werkt, met de gaven en de mogelijkheden die God ons allemaal geeft, en de contacten die we mogen hebben.
Voor de een is dat een ban, voor de ander vrijwilligerswerk of school of studie, voor de ander een plek in de gemeenteraad of de Tweede Kamer of de regering, voor weer anderen hoe je je ziekte verwerkt of probeert met tegenslag te dealen….het zegt vaak meer over wat we geloven en hoe we in het leven staan dan een heleboel mooie woorden of prachtige liederen, of een uitgekiende evangelisatiecampagne.

Wat Petrus schrijft doet ook terugdenken aan een knecht van God eeuwen eerder.
Ik bedoel de profeet Jeremia die een brief schreef aan volksgenoten die waren weggevoerd naar Babel en daar zich vreemd voelden in een heidense cultuur.
Ze hielden zich eerst maar op de achtergrond want ze gingen toch weer gauw terug.
Maar dan schrijft Jeremia hen een brief om te vertellen dat het lang zou gaan duren en dat ze daarom maar in dat verre vreemde Babel een bestaan moesten opbouwen:
“Ik wil dat jullie daar huizen bouwen om in te wonen. En dat jullie daar het land gaan bewerken, zodat jullie van de opbrengst kunnen leven. Ik wil dat jullie trouwen en kinderen krijgen. En zorg ervoor dat jullie kinderen ook trouwen, zodat ook zij weer kinderen krijgen. Laat jullie groep niet kleiner worden, maar juist groter”. (Jer. 29: 5-6)
Ja, maar dat niet alleen uit eigenbelang, en ook niet als een afgesloten groep, maar volop betrokken bij al die medeburgers, en met volledige inzet voor de samenleving:
“Bid tot de HEER voor de stad waarheen Ik jullie weggvoerd heb en zet je in voor haar bloei, want de bloei van de stad is ook jullie bloei. “ (Jeremia 29: 7). Petrus zit op diezelfde lijn als hij de verstrooide christenen in een heidense omgeving ertoe aanspoort zich niet terug te trekken maar zich te laten zien en zich in te zetten.
Een uitlegger zegt: “gelovigen hebben niets te verbergen, zij willen juist veel laten zien….voor het forum van de wereld laten christenen zien hoe het evangelie gewone mensen verandert in voorbeeldige mensen”…en dat tot zegen voor de samenleving.

En ja, dat is een uitdaging want gelovige mensen zijn gewone en dus beperkte en zondige mensen, vandaar ook in deze brief de waarschuwing om het kwade te mijden en te bestrijden, allereerst in eigen hart en eigen leven: “ontdoe u dus van alles wat slecht is, van alle bedrog en huichelarij, alle afgunst en kwaadsprekerij”
(2:1); en “ik vraag u dringend niet toe te geven aan zelfzuchtige verlangens die uw ziel in gevaar brengen” (2:11); en: “het is beter te lijden, indien God dat wil, omdat men goed doet, dan omdat men kwaad doet” (3: 17). De beste dienst aan God en aan de samenleving is wat staat in 3: 8 e.v.: elkaar liefhebben, het goede doen, de vrede zoeken, bereid zijn de minste te zijn, niet schelden maar zegenen, dienend.

Petrus heeft het juist daarom over gelovige mensen die dienen als priester: tot eer van God en in zijn dienst, maar ook bewogen bidden voor de wereld, voor al die mensen dichtbij en ver weg, ook voor wie regeren, en Gods zegen doorgeven.
Denk aan Abraham die voorbede deed voor Sodom, aan wat Jeremia schreef aan die ballingen in Babel om te bidden voor die heidense stad, denk aan Jona die van zijn God een lesje kreeg in priesterlijke bewogenheid: Zou ik geen verdriet hebben om Ninevé, met al die mensen en die kinderen en ook nog al die dieren? (Jona 4).
Ja, en hoe vaak worden we niet opgeroepen goed te doen aan alle mensen, en
ook – Paulus in zijn brief aan Timoteüs om voor alle mensen te bidden, en vooral voor wie veel verantwoordelijkheid dragen en macht uitoefenen, omdat God wil dat alle mensen worden gered en de waarheid leren kennen, en die waarheid is het
echte leven met God, naar het voorbeeld van Jezus: “de enige die mensen bij God kan brengen is de mens Jezus Christus, die zijn leven gaf om mensen te redden”.
Aan ons om die boodschap te brengen en vooral dat goede leven voor te leven.
En het dan verder aan God over te laten – Paulus zou zeggen dat wij alleen kunnen zaaien en planten en water geven en dat het God is die zorgt voor wat er uit groeit.
Petrus leert ons diezelfde bescheidenheid als hij ons aanspoort gewoon goed te doen: “misschien – wie weet? – veranderen die anderen zelfs hun eigen leven”.
Misschien, maar misschien ook niet – als wij maar in het kleine dichtbij trouw zijn.

3. Verantwoording

Dat slaat op wat de apostel Petrus schrijft in 3: 15: “Vraagt iemand waarop de hoop die in u leeft gebaseerd is, wees dan steeds bereid om u te verantwoorden” .
Een uitlegger schrijft: “Overal waar het nieuwe leven zich profileert, rijzen kritische vragen. Evangelisatie is in wezen niets anders dan zulke vragen oproepen en die vervolgens beantwoorden”. En dan wel zoals er meteen achteraan gezegd wordt door Petrus: “maar antwoord wel vriendelijk en met respect”. Met respect, zo is dat zeker bedoeld, voor de ander als je medemens, voor zijn verhaal hoe kritisch ook misschien, voor haar anders -geloven of hun levensovertuigingen, vanuit echte liefde.
En dan weer: het is niet gezegd dat je dat respect en die open houding ook terugkrijgt, laat staan dat die ander geïnteresseerd raakt of anders gaat denken en leven, dat is niet aan ons, dat is ons ook niet beloofd, laat het maar over aan God.
Op de laatste bladzijde van zijn boek is Stefan Paas daar heet bescheiden over en nuchter in: “We doen het niet om er succes mee te hebben, we doen het om de werkelijkheid te laten zien waarin we geloven en waarop we hopen” (blz. 243)

Lees er niet overheen dat Petrus het heeft over je verantwoorden over ‘de hoop die in u leeft’, en hoop is meer en reikt verder dat wat we nu zien en kunnen bereiken.
Als het goed is merken mensen aan ons dat we verder kijken dan hier en nu, dat we uitkijken en heenleven naar een andere, nieuwe wereld, de nieuwe wereld van God waar het vanmorgen over ging in de Witte-Tent-dienst – als de wereld die we vanuit de hemel verwachten maar waar ook al stukjes van zichtbaar worden overal waar de volgelingen van Jezus proberen te leven naar de stijl van die nieuwe wereld. Vanuit het geloof dat eens de vreemdelingschap is vergeten, en we voorgoed Thuis zijn. Tot dan zijn we als christen en als kerk hopelijk voor velen een plek een stukje hemel op aarde, al iets van de nieuwe wereld op deze oude aarde, tot zegen voor velen.

amen

Psalm103: 13 en Lucas 11: 13: Elke dag Vaderdag (overdenking viering avondmaal)

Liturgie dienst van Schrift en tafel zondag 18 juni 2017
Votum en groet
Zingen: Ps. 119: 64
Wet van de Heer
Zingen: Ps. 119: 65,66
Gebed
Schriftlezing: Psalm 103
Zingen: Ps. 103: 5,7
Schriftlezing: Lucas 11: 9-13
Zingen: Gz. 39: 1,2
Verkondiging over dia 1 Psalm 103: 13 en dia 2 Luc. 11: 13 – ‘Elke dag Vaderdag!’
Zingen: Gz. 37: 1,5,8
Gebed
Collecte
Zingen: Lied 319: 1,4,5
Avondmaalsformulier V
Tafel 1: opwekking/viering/ Gz. 141: 1
Tafel 2: viering/dankzegging/ Gz. 141: 2
Zingen: Gz. 141: 3
Zegen
Zingen: Gz. 134: 6
————————————————————————————————————————-

Gemeente van onze Heer Jezus Christus, zusters, broeders, onder wie vaders/ moeders/ kinderen,…opa’s en oma’s,

Vaderdag vandaag, ik denk dat er in veel gezinnen al aandacht voor is geweest.
Op internet las is onder andere dit: “Op Vaderdag worden vaders in het zonnetje gezet. Ze krijgen dan vaak ontbijt op bed, knutselwerkjes van de kinderen en/of kadootjes”. Ik weet niet of jullie als vaders onder ons dat hebben ondervonden…
Zelf herinner ik me vooral de grappige en soms schattige werkjes, en kadootjes.
En vooral dat je even extra merkte dat je met ook je missers gewaardeerd werd
en de band voelde met je zoon, je dochter…sommige werkjes heb ik nog steeds…
Het is best mooi, die ene keer per jaar: moederdag eerst..terecht..en dan vaderdag.

Maar vanmorgen gaat het om meer dan dat, geven we eer aan wie sterker is en
groter en nog veel meer liefdevol en zorgzaam dan de beste en liefste vader die
er is – niet voor niets heb ik in dat thema een hoofdletter gebruikt: Vaderdag.
En dan inderdaad is het elke dag Vaderdag want het gaat over God onze Vader.
dia 3
Trouwens wel bijzonder dat God met een vader hier op aarde vergeleken wordt.
Zoals vaker gebeurt, door heel de Bijbel heen, dat aardse, menselijke beelden
Worden gebruikt om ons te helpen om ons God en dingen van God tenminste
een beetje voor te kunnen stellen – God past zich aan bij ons beeldmateriaal.
Daar zit ook wel een risico aan, als we vergeten dat God altijd veel groter is.
Als we nadenken over dat Vader-zijn van God, tien tegen één dat onze beeldvorming dan wordt bein¬vloed door hoe we aankijken tegen onze eigen vader en moeder.
En dat kan heel erg verschillen: per gezin, per cultuur, en in welke tijd je leeft.

Ik las een artikel over de rol van vaders in verschillende culturen, en hoeveel
verschil dat maakt, b.v. tussen Nederland en b.v. Afganistan en in Afrika – in
in onze samenleving is een vader vaak meer een begeleider of zelfs een vriend,
en zijn we erachter dat dwang en zeker geweld niet goed is en ook niet werkt,
en zijn lijfstraffen zelfs bij de wet verboden – in andere culturen wordt dat heel anders gezien en beleefd, is een vader vooral de sterke man, en ook een strenge opvoeder en is er het ene moment die arm om je heen, het andere moment een fiks pak slaag.
Wat nog niet zo lang geleden ook in Nederland gewoon was, en in de tijd van de Bijbel komen we ook tegen dat bij opvoeding straf kan horen, ook met harde hand.
Ja, en nog steeds zijn er heel verschillende vaders: vaders die er zijn voor het gezin, vaders die weinig tijd hebben en vaak weg zijn, en helaas ook vaders die het erg af laten weten of zich zomaar laten gaan in drift, en zelfs zoon of dochter mishandelen of misbruiken – en dan zijn armen om je heen beangstigend i. p.v. liefdevol

Jezus zei:”als u, hoewel u slecht bent, goede gaven weet te geven aan uw kinde-ren”.
Hoor daar ook maar doorheen dat het eigenlijk een wonder is, als dat gebeurt, iets om verbaasd en verwonderd over te zijn, want er zit in elk mens van alles dat in de
weg kan zitten en de relatie ouder-kind kan kapot maken, soms voor de rest van het leven – en het vraagt veel om een goede vader en een goede moeder te zijn, en dat te geven en te doen dat echt goed is voor juist dat kind – dat vraagt veel denken en praten, soms met beroep op anderen met hun kennis en ervaring, en veel gebed.
Vooral: dat kan alleen vanuit liefde, liefde die niet op jezelf en je eigen belangen en
verwachtingspatronen is gericht, maar het goede wil voor die ander: voor je kind.

Kijk, en dan komen we wat dichter bij hoe God zichzelf wil leren kennen als Vader.
En dan niet als een verlengstuk of uitvergroting van hoe mensen op aarde vader zijn.
Vat het al helemaal niet op als uiting van de Bijbel dat toch een mannenboek zou
zijn, want God heeft de mens mannelijk en vrouwelijk geschapen maar staat zelf
ver boven die verschillen en rollen die op aarde best vaak een grote rol spelen –
van God lezen dat Hij als een vader beschermt en steunt en ons te hulp komt
maar ook dat Hij zijn volk troost zoals een moeder haar zoon troost (Jes. 66: 13).
Ja, en daarin is God veel groter en liefdevoller en nog meer bewogen dan een vader en moeder maar kunnen zijn, lees Jes. 49: 15 (BGT): Een moeder ”vergeet haar kind nooit. En zelfs al zou een moeder haar kind vergeten (wat helaas soms gebeurt, in een wereld waarin kinderen worden gedumpt of verwaarloosd) , Ik zal jou nooit vergeten” (zegt God); en hoor Psalm 27: 10 (BGT): “U blijft vol liefde voor mij zorgen, ook als iedereen mij verlaat, zelfs als mijn vader en moeder mij verlaten”. Wat
een troost in een wereld met gebroken gezinnen en veel verlaten kinderen.

Gelukkig dat God nog veel meer vader is en moeder te tegelijk, zoals gezegd niet een vergrote versie van hoe wij mensen proberen vader en moeder te zijn, maar als het ultieme Voorbeeld van wat echte onvoorwaardelijke vaderliefde is – en moeder-liefde: een liefde voor ons,van huis weggelopen en zoekgeraakte zonen en dochters, een liefde die zover ging dat God de liefste die Hij had, opofferde: zijn zoon Jezus.
Het is de overtreffende trap van wat we Jezus zelf horen zeggen, dat God veel
meer dan zelfs de beste vader op aarde zijn kinderen het goede wilde geven, de
beste en meest kostbare die Hij had: daar kan geen vader op aarde aan tippen.
Naar ons toe wordt daar het woord ontferming voor gebruikt: “zoals een vader
zich ontfermt over zijn kinderen, ontfermt de HEER zich over wie Hem vrezen.
Ontferming, dat is een woord met diepe wortels: een warm hart, diepe gevoelens
van liefde en dat voor mensen die die liefde niet waard zijn en zich vaak liefdeloos
gedragen naar God toe en naar elkaar toe en naar de schepping van Vader toe.
Ontferming, dat wordt concreet door wat erom heen staat in die geweldige psalm:
de HEER is een God van liefde en genade, die onze schuld vergeeft en wegdoet,
die recht doet aan wie onrecht lijden, die niet boos blijft maar wel trouw blijft – die
oneindig geduldig is en steeds weer wil redden, omdat Hij zoveel van ons houdt.

Nou, dat mogen wij vandaag weer vieren als Vaders gezin samen aan zijn tafel.
In brood en wijn proeven we de liefde van Vader en van Jezus onze oudste Broer.
En we ervaren en versterken als het goed is de band van elkaar als broers en zussen, samen met al die anderen dichtbij en verder weg, samen Vaders gezin.
Ja, en die liefde mogen we ook oefenen en ervaren en delen, door de Heilige Geest.
Jezus zei over bidden tot God als Vader dat Vader zijn kinderen het goede geeft.
Dat is niet altijd precies wat wij vragen maar veel meer dan dat: de Heilige Geest.
Eigenlijk betekent dat dat God zichzelf aan ons geeft, dat Hij in ons leven wil komen en dat anders en nieuw wil maken, dat zijn liefde ons vult en ons stuurt en beweegt.
Zoals we zingen: Geest van hierboven, leer ons geloven, hopen, liefhebben – en dan
Is het goed en komt het goed, ook als dingen anders gaan dan wij gehoopt en gedacht en gebeden hadden – en dan maakt God zelfs ongedacht het kwade en het moeilijke goed – en zijn er juist als het moeilijk is die liefdevolle troostende armen,
en is er voor de ergste zonde als die beleden wordt en bestreden, vergeving, en weer hoop, want Vader blijft niet altijd boos, en altijd overwint toch zijn genade.
Waar zeker ook waar nodig correctie bij hoort, soms zelfs straf, voor ons bestwil.
Er staat bij in de psalm ‘over wie Hem vrezen’- en dat is niet bang voor God zijn –
bang zijn voor je vader of je moeder ben je als het goed is meestal niet, al kan dat wel eens zo zijn als je echt iets gedaan hebt wat niet mocht, wat echt verkeerd was.
Maar dat vrezen in de Bijbel betekent ontzag hebben, eerbied, voor je hemelse Vader die heilig is – en goed is – en die je daarom hoog hebt en van wie je houdt.

Kijk, en draai het dan maar om: zoals God onze Vader zijn armen liefdevol om ons heen slaat, mag je dat doen als vader, als moeder, om je zoon, je dochter – en zoals God de Vader zijn kinderen geen stenen voor brood geeft maar wat goed is, wat ze
nodig hebben, mogen wij dat proberen naar elkaar toe, in het gezin en daarbuiten.
En hopelijk herken jij bij je eigen vader als je die nog hebt, en bij je moeder, iets van
wie God voor je wil zijn: dat je altijd bij ze terecht kunt, dat je respect voor ze kunt
hebben, dat ze van je houden ook als het wel eens botst, en dat jij van hen houdt.
En als het anders is, zoek er hulp bij, bij wie je vertrouwt, én bij je hemelse Vader.
Maar als het goed is, is het elke dag vaderdag, en moederdag, met een kleine en met een grote letter – dag van je Vader, dankzij Jezus, en door zijn Heilige Geest.

amen

1 Tessalonicenzen 5: 24: Hij die roept is trouw (Pinksteren en openbare geloofsbelijdenis)

Liturgie morgendienst 1e Pinksterdag zondag 4 juni 2017
Zingen: Ps. 68: 7 NLB God zij geprezen met ontzag’
Votum en groet
Zingen: Ps. 103: 1,2 ‘Zegen, mijn ziel, de grote naam des HEREN’
Wet van de liefde Deut. 5: 1-21; 7: 6-11; 10: 12-17a
Zingen: Ps. 103: 3,4,9 ‘Hij is een God van liefde en genade’
Gebed
Schriftlezing: Handelingen 2: 1-21 en 32-39
Zingen: Gz. 683: 1,2,3,4 NLB ’t Is feest vandaag’

1. ‘t Is feest vandaag, ‘t is pinksterfeest,
wij staan in vuur en vlam,
want Hij, die bij ons is geweest,
werkt verder aan zijn plan.

2. Wij weten het nu zonneklaar:
al ging Hij van ons heen,
wat Hij beloofd heeft, maakt Hij waar;
wij zijn niet meer alleen.

3. Wij gaan op weg, de wereld rond,
er is geen houden aan.
De woorden gaan van mond tot mond,
voor ieder te verstaan.

4. De wonderen zijn om ons heen,
ze waaien op de wind.
‘t Is feest vandaag, voor iedereen:
een nieuwe tijd begint!

Schriftlezing: 1 Thess. 5: 9-11 en 16-24
Zingen: Gz. 167: 1,2,3 GK ‘Samen in de naam van Jezus’
Verkondiging: 1 Thess. 5: 24
Zingen: Gz. 141: 1,2,3 ‘Dankt, dankt nu allen God’
Openbare geloofsbelijdenis br. Danny Koppes
Zingen (staande): Gz. 416: 1,2,3,4 NLB ‘Ga met God’
Dankzegging en voorbeden
Collecte – KOW 31
Zingen: Ps. 150: 1,2 LL ‘Zing het uit en prijs de Heer’
Zegen
Amen: Lied 456: 3 ‘Amen, amen, amen’

Tekst 1 Tessalonicenzen 5: 24: “Hij die u roept is trouw en doet zijn belofte gestand”

Beste Danny, en Kim, jullie familie en vrienden,
gemeente van onze HeerJezus Christus,

Daar sta je dan, Danny, zo meteen, het is zover na best wel heel wat jaren.
Er is een hele weg aan vooraf gegaan, aan dat woordje van die twee letters: JA.
Er zijn heel wat gesprekken geweest, van jou en jullie met mij, bij een open Bijbel, met van alles aan onderwerpen, heel persoonlijk ook vaak, kostbare uren wat mij betreft, waarin we veel hebben gedeeld en ik veel heb geleerd, en jullie naar ik hoop ook – en vergeet ook niet de Bijbelstudie regelmatig op zondagavond bij jullie thuis – maar het allerbelangrijkste is natuurlijk jullie huwelijk en gezin, midden in een familie.
En wat je meekreeg uit kerkdiensten en door gesprekken, bijbel lezen, en bidden.
Allemaal middelen die God heeft gebruikt en nog gebruikt om je steeds weer naar zich toe te roepen, en steeds dichter bij Hem en elkaar te brengen – en jou ook steeds dichter te brengen bij dat moment straks in deze dienst, bij dat JA aan God.

Daar sta je dan, en je zegt ja tegen nogal wat grote woorden en beloftes die zo meteen zullen worden voorgelezen, zoals dat je bij aan dat ja van vanmorgen heel je leven trouw zult blijven, dat je wilt breken met wat zondig en slecht is, dat je op jouw plek en met jouw gaven en mogelijkheden in de gemeente dienend bezig wil zijn en dat je open staat voor evt. feedback en kritiek – “christelijke vermaningen’ zoals dat in dat formulier genoemd wordt – dat is nogal wat, houd je dat wel vol je leven lang, en kun je dat wel waarmaken – wat komt daarvan terecht bij jou en u en mij?
Ja, en dan kwamen er ook in dat stukje brief van Paulus heel wat opdrachten langs voor een christen en een christelijke gemeente: wees altijd blij, bid onophoudelijk,
dank God onder alle omstandigheden, blus het vuur van de Geest niet uit, toets
alles en bewaar wat goed is – maak dus goede keuzes – en vermijd elk kwaad.
Ga er maar aan staan, wie komt daaraan toe, wie durft daar ja op te zeggen?

Laat ik het maar meteen en duidelijk zeggen – en je weet dat zelf ook wel – daar komt als het van onszelf moet komen, maar heel weinig van terecht – daar zijn we mensen voor, zeggen we dan – en alsd dat niet een excuus is, is het helemaal waar.
Als in de tekst staat dat God ons roept, laten we Hem dan niet vaak roepen, horen
we Hem wel roepen, of zeggen we ja en doen we toch in de praktijk van elke dag
en de drukte van ons leven en vanuit vaak eigenzinnigheid of slapheid anders?
Vinden we het niet moeilijk dat ja in de kerk vol te houden thuis en op het werk?

Wat dat betreft, kunnen we heel wat leren van hoe het is gegaan met die eerste leerlingen en volgelingen van Jezus, als Petrus, Johannes, Tomas, en ook Judas…
Ze waren allemaal door Jezus geroepen om Hem te volgen en te dienen en om later als getuigen van zijn evangelie en werk de wereld in te gaan – en ze hadden daar ja op gezegd en ze waren meegegaan achter Jezus aan, en ze lieten daarvoor alles
achter wat tot dan toe belangrijk voor ze was: gezin, werk, vrienden, carriere ……
Maar dan komt het erop aan – als hun Meester gevangen wordt genomen en wordt
Gekruisigd – en ze blijven nergens: de een verraadt zijn leermeester, de ander zegt
hem nooit gekend te hebben, de rest maakt zich uit de voeten – en als Jezus dan op Pasen uit de dood blijkt te zijn teruggekomen, zitten wie overbleven met de deuren op slot in hun huizen, bang dat ze opgepakt worden, vol twijfel ook over hoe het nou
verder moet – en zelfs vlak voordat Jezus naar hemel gaat en zij de opdracht meekrijgen om met het goede nieuws de wereld in te gaan, vertelt een van hen later eerlijk dat sommigen nog steeds twijfelden – dat wordt niks, als het aan hen lag!!

Ja maar, het ligt niet aan hen, en ze hoeven het niet alleen en op eigen kracht te doen, gelukkig maar!
Jezus had vlak voor zijn vertrek zijn leerlingen de opdracht gegeven om vanuit Jeruzalem tot in de uithoeken van de wereld zijn getuigen te zijn, maar dat met de belofte dat ze kracht zouden ontvangen van God uit, en dat is Gods Heilige Geest.
We hebben gelezen dat dat ook is gebeurd, we vieren dat vandaag: Pinksterfeest!
En als de Heilige Geest mensen vult en aanvuurt, komen ze uit hun schuilhoeken
tevoorschijn en durven ze voor hun Heer en voor hun geloof uit te komen, zelfs a
weten ze dat het op tegenstand en vijandschap kan komen te staan, of erger nog.
Jezus had het beloofd en het gebeurt echt: “Maak je geen zorgen over wat je moet zeggen, of hoe je het moet zeggen. Want als het zover is, zal de heilige Geest jullie de juiste woorden geven”(Lucas 12: 12, BGT). Pinksteren laat zien hoe waar dat is!
En het gaat als belofte mee voor iedereen die voor Jezus kiest en zijn Geest ervaart.
Die twee horen bij elkaar, zoals Petrus op Pinksteren de mensen die rond te tempel naar hem stonden te luisteren ermee bemoedigt – en dat in reactie op hun angstige vraag of het nog goed kan komen na wat ze met Jezus gedaan hebben: “Wat moeten we doen, broeders?” Hoe kunnen we dit goed maken? Is er nog hoop?
En dan zegt Petrus dat als ze zich bekeren en zich laten dopen in de naam van Jezus, God hun de zonden zal vergeven, en dat ook zij de Heilige Geest krijgen:
“want voor u geldt deze belofte, en voor uw kinderen, en voor allen die ver weg
zijn en die de Heer, onze God, toch zich zal roepen” (Handelingen 2: 39)

Nou, en daarmee zijn we bij ons vandaag, en bij dat ja van jou vanmorgen, Danny.
Want het gaat nog steeds door dat God mensen die ver weg zijn, bij zich roept.
Ver weg, dat is niet alleen ver van dat Jeruzalem van toen, ver weg in afstand –
het verre Nederland – en in tijd – bijna 2000 jaar na die Pinksterdag van toen –
maar vooral: mensen die ver van God zijn weggedwaald, zoals wij allemaal – maar die God op allerlei manieren en langs soms omwegen en kromme wegen roept.
We hebben erover gepraat samen – vanmorgen hoeft het niet allemaal langs te komen – hoe jouw leven en ook dat van Kim gegaan is, en hoe God jullie bij elkaar heeft gebracht, en ook hoe God na jullie doop ooit – daar is het begonnen – aan jullie is blijven trekken en is blijven roepen – en hoe zijn Geest geloof werkte, en dit JA.

Waar we het afgelopen maandag samen vooral over hadden, is over het wonder van Gods liefde daarachter, van zijn keus die jij niet verdient en die geen mens verdient.
“Hij die u roept, is trouw”, met die bemoediging sluit Paulus deze brief af, en daar ligt een wereld achter, want waarom had God juist die mensen daar in Tessalonika
“geroepen tot zijn koninkrijk en luister”, zoals Paulus schrijft in 2: 12 – anders gezegd:
God wil jullie een plaats geven in zijn nieuwe wereld – ons? mij? maar waarom dan?

Nou, in elk geval niet om wat zij, en om wat jij, en om wat wij zijn of presteren; niet
als medaille van verdienste; niet vanwege onze afkomst of omdat we beter zijn dan…
Nee, het is enkel en alleen omdat God van je houdt, omdat Hij voor ons kiest – en wie naar het waarom vraagt, krijgt als antwoord: daarom, omdat Ik jou liefheb –
waarom – daarom! Zoals iemand eens zei: op de bodem aller vragen ligt Gods
welbehagen, zijn onbegrijpelijke en onvoorwaardelijke liefde: Waarom? Daarom!

Zo is het ooit begonnen met Abraham, die in zijn eigen land de goden van dat land vereerde maar door God geroepen werd om vader van een nieuw volk te worden.
Zo is het daarna geweest met dat volk, geroepen uit Egypte naar een eigen land.
Waarbij Mozes het erin hamerde: dat is niet omdat jullie een groot volk zijn want jullie zijn een klein en kwetsbaar slavenvolkje; ook niet omdat jullie zo gehoorzaam en zo dankbaar zijn, want jullie zijn een eigenwijs en een koppig en ondankbaar volkje.
En toch – zegt Mozes – heeft God jullie uitgekozen, zijn jullie bijzonder voor Hem,
meer dan alle andere volken op aarde, zijn jullie voor Hem een kostbaar bezit.
Waarom? Nou, daarom: “Hij heeft jullie uitgekozen en Hij houdt van jullie”. LIEFDE!

Dat maakt het ook vandaag zo bijzonder: God heeft je geroepen om van Hem te zijn en bij zijn Zoon Jezus te horen en om door zijn Geest geleid een nieuw leven te mogen leiden, en elke dag vanuit Gods liefde te leven, en die liefde door te geven.
En dus mag je ook erop rekenen dat God in zijn trouw zijn belofte zal houden – er staat letterlijk: Hij die je roept is trouw, Hij zal het maken, het doen – jou helpen om trouw te blijven aan wat je vandaag hebt belooft – Hij helpt je met zijn Heilige Geest.

Dan kun je ook met nee gerust hart reageren op die roeping van je God – Hij vraagt geen dingen die je niet aankunt of niet je ding zin of waar je niet aan toe bent, maar
gewoon om op jouw plek en met jouw gaven en mogelijkheden trouw te zijn en dienstbaar: in je gezin, met je werk, in het contact met klanten en buren, in de kerk.
Gods Geest geeft wat je daarvoor nodig hebt, als je erom bidt en ervoor open staat.
En dan mag je met zijn zegen ook voor anderen tot zegen zijn, zoals Jezus dat was.

Ja, en wat is dan een gemeenschap belangrijk, een gemeente, om elkaar tot steun
te zijn, elkaar aan te vullen en waar nodig te corrigeren, elkaar in liefde te dienen,
want de Geest spreekt al onze talen en leert ons elkaar te verstaan en te steunen.
Pinksteren is het feest van de Geest en daarom ook het feest van de gemeenschap.
Zoals we van die vroege kerk lezen dat ze alles samen hadden en veel samen deden
en Paulus vaak schrijft over dat lichaam met al die verschillen en tot dat ene lichaam.

Daar sta je dan, zo begon ik deze preek, en het is nogal wat, waar je Ja tegen zegt.
Maar je staat er niet alleen, en je staat er niet alleen voor: God is trouw en Hij geeft je zijn Geest en kracht; Hij geeft ook mensen om je heen: Kim, je familie, de gemeente.
Paulus bad voor de christenen in Tessalonika en voor iedereen die zijn brief leest”
“Moge de God van de vrede zelf uw leven in alle opzichten heiligen , en mogen heel uw geest, ziel en lichaam zuiver bewaard zijn bij en de komst van onze Heer Jezus Christus” – je hoeft het niet zelf te doen, en niet alleen te doen – Hij die je roept,
Is trouw, Hij zal het doen, vertrouw daar maar op, zeg daar maar rustig ja op!

amen

Zondag 44 Heid. Cat.: Bidden om de Heilige Geest

liturgie toerustingsdienst zondag 11 juni 2017

zingen: Gz. 327: 1,2,3 LvdK ‘Heer Jezus, o Gij dageraad
moment van stilte en gebed
votum en groet
zingen: Ps. 139: 1,3,4,11 GK ‘HEER, U doorgrondt mij van omhoog’
gebed
Schriftlezing: Rom. 7: 7 – 8: 13
zingen: ‘Een christen zijn op aarde’(W.Mudde) –melodie Ps. 128

1 Een christen zijn op aarde
is altijd tweeërlei:
een zondaar en rechtvaardig
gebonden zijn en vrij
van meetaf aan verloren
en zonder eigen kracht
maar in de doop herboren
en aan het licht gebracht.

2. Een christen zijn op aarde
is allebei ineen:
is leven van genade
door het geloof alleen
en toch bij tijd en wijle
met alle angst en pijn
wanhopig en vertwijfeld
en aangevochten zijn.

3. Een christen zijn op aarde
is vrij in alles zijn
aan niemand onderdanig
volkomen souverein
en tegelijk dienstvaardig
als ieders onderdaan
bereid in goede daden
de ander bij te staan.

verkondiging zondag 44
zingen: Gz. 103: 1,3,5,6 GK ‘O, Schepper Geest’
Geloofsbelijdenis van Nicea
zingen: Gz. 103: 9 GK ‘U, Vader, U zij eeuwig eer’
gebed
collecte
slotzang: Gz. 675: 1,2 NLB ‘Geest van hierboven’
zegen
amen: Gz. 425 NLB ‘Vervuld van uw zegen’

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

‘Bidden om de Heilige Geest’
Maar is dat nog nodig, de Heilige Geest is toch gekomen, met Pinksteren?
Bidden om de Heilige Geest, dat deden de volgelingen van de Heer toen
Hij naar de hemel was gegaan, tien dagen lang, en dat gebed is verhoord.
We lezen daarvan in de eerste hoofdstukken van het boek Handelingen.
In 1: 4 lezen we dat de Heer zijn leerlingen de opdracht gaf om in Jeruzalem te blijven en daar te wachten op de door God de Vader beloofde Heilige Geest.
En na de hemelvaart gingen ze inderdaad terug naar de stad, en dan staat er:
“Vurig en eensgezind wijdden ze zich aan het gebed” (Handelingen 1: 14).
En dan wordt het Pinksteren en is het zover: ze worden allemaal vervuld met
de Geest van God, die ook de Geest is van Jezus, zoals Petrus erover preekt:
Jezus “is door God verheven, zit aan zijn rechterhand, en heeft van de Vader
de Heilige Geest, die ons beloofd is, ontvangen. Die Geest heeft Hij op ons
doen neerdalen, en dat is wat u – vandaag – ziet en hoort” (Hand. 2: 33)

Dat was bijna tweeduizende jaar geleden, maar waarom zouden wij dan nog
steeds moeten bidden om de Heilige Geest, en zingen: Kom, Heilige Geest?
Dat je dat zou niet meer zou kunnen zingen of bidden, zit achter de keus die de synode van de GKV gedaan heeft in 1984 toen de gezangbundel herzien en uitgebreid werd, en vanuit de synode voorgesteld werd voortaan niet te zingen
‘Kom, Schepper Geest”, maar ‘O, Schepper Geest’.
Argument daarvoor was vooral dat je niet meer kunt bidden of de H. Geest wil komen, omdat Hij toch al gekomen is, namelijk op het Pinksterfeest in Jeruzalem.
Er zou een onbijbelse gedachte achter zitten als je nog bidt: kom Heilige Geest.
Ik heb daar al vaker over nagedacht, en ik blijf het een vreemd argument vinden,
en zeker niet een overtuigend argument om dit lied, dit gebed, dat de kerk al bijna vanaf het begin wereldwijd gezongen en gebeden heeft, op een achternamiddag als vrijgemaakte synode met een paar stemmen meerderheid te gaan veranderen, en alsof je alleen op de wereld bent, op je eigen manier te zingen. Gelukkig speelt dat niet meer en kunnen we uit allerlei liedbundels ook dat Kom Schepper Geest zingen.

Want natuurlijk is de Geest uitgestort op het Pinksterfeest, maar dat wil niet zeggen dat we niet meer mogen en hoeven bidden, of de Geest steeds weer wil komen en wil werken in ons hart en in Christus’ kerk.
Onze eigen belijdenis spoort ons er juist toe aan, om daar vurig om te bidden.
Zoals in zondag 44: dat we God zullen bidden om de genade van de Heilige Geest.
Het kan zelfs erg gevaarlijk zijn te denken dat de Geest er al wel is, dat jijzelf of dat ‘onze kerk’ natuurlijk al lang woonplaats van Gods Geest is. Schreef Paulus niet: als iemand de Geest niet heeft – dat kan dus! – hoort hij niet bij Christus?!

Bidden om de Heilige Geest

1. waarom is het nodig dat we bidden om de Heilige Geest, om zijn werk in en aan ons?
Als je iets zelf niet kunt, of het alleen niet redt, ga je hulp zoeken.
Je bent nog klein en je kunt ergens niet bij: pappa, wilt u me optillen?
Als je iets niet snapt op school: meester, kunt u het nog eens uitleggen?
Of je hebt dikke problemen thuis, en je zoekt hulp – doe dat maar rustig.

Kijk, en nou stelt de Heer eisen aan ons waar wij nooit aan kunnen voldoen.
In antwoord 115 staat waar God absoluut met ons allemaal naar toe wil:
naar de ‘volmaaktheid’, naar een 100% score aan liefde en dienstbaarheid.
Helemaal in het begin van de catechismus ging het daar ook al over: volkomen liefde: u moet God liefhebben met heel uw hart en uw ziel en uw verstand, met al uw krachten, en uw naaste als u zelf – en dat is uitgewerkt en concreet gemaakt in het ene na het andere gebod.

Tot aan dat tiende en laatste waarin de puntjes nog een keer stevig op de i gezet worden en elke poging om nog tussen de mazen van dit net weg te glippen in de kiem wordt gesmoord: “zelfs de geringste neiging of gedachte die tegen enig gebod van God ingaat, mag in ons hart nooit meer komen, moet tot de diepste wortel worden uitgeroeid, we moeten altijd met heel ons hart alle zonden haten en liefde tot alle gerechtigheid hebben”.

Leg daar dan eens jezelf naast. Je eigen hart. Je eigen leven van elke dag.
Paulus heeft dat gedaan. We hebben zijn eerlijke verhaal gelezen in Romeinen 7.
We weten allemaal hoe ingrijpend God in zijn leven had ingegrepen.
Als zondag 44 het heeft over mensen die tot God bekeerd zijn, dan kon Paulus ervan meepraten,. Paulus die vroeger dacht door eigen inspanningen, door stipt naar Gods wet te leven, God zijn goede diensten te kunnen bewijzen, en die daarom niks van die Jezus moest hebben, die Jezus die ze hadden gedood omdat Hij de mensen leerde dat Hij alleen hen kon redden.

Paulus die toen ineens door Jezus werd vastgepakt en omgedraaid: U kan ik niet meer missen! Paulus die erop hamert in al zijn brieven: je kunt niet jezelf redden, alleen geloven dat Jezus je redt. Voor Paulus was het geen vraag meer: kunnen zij die tot God bekeerd zijn, Gods wet volbrengen? Het nee waarmee antwoord 114 ons die gedachte uit handen slaat, komt zomaar bij Paulus vandaan.

Zeker, zijn leven was totaal veranderd door zijn bekering, de wissel was omgezet.
Zoals toch ook van u en van jou als je de keus hebt gemaakt om de Here te willen dienen. Of slaat het niet op jou wat Paulus van zichzelf zegt: het goede te willen zit in me (vs.18). Herkent u zichzelf er niet in: ik wil het goede doen, innerlijk stem ik in met de wet van God?

Als dat wel zo is, dan is dat echt heel wat, een indrukwekkende werk van God in een mens.
Er is wel degelijk iets grondig veranderd als je dat vergelijkt met b.v. zondag 3:
zijn wij zo verdorven als wij helemaal onbekwaam zijn tot iets goed en uit op elk kwaad? Toen was het antwoord: ja, zo staat het er voor met een mens als gevolg van de zondeval. En daar kan alleen verandering in komen als God een mens verandert, als zijn Geest ingrijpt: behalve wanneer wij door de Geest van God worden wedergeboren, veranderd diep van binnen. En er dus gaat komen wat zondag 44 noemt een begin van weer aan God gaan gehoorzamen.
Geweldig als je dankbaar mag merken dat dat begin er ook in je eigen leven is gaan komen!

Gemeente, maar Paulus is nog niet over zichzelf uitgepraat, er is ook nog die andere kant: vaak doe ik toch dat goede dat ik graag wil doen, niet; ik wil wel goed, en doe toch verkeerd.
Als we eerlijk zijn, zullen we vooral dat toch ook herkennen, uit eigen ervaring.
Dat we b.v. zeggen dat een bepaald gedrag ‘eigenlijk’ niet kan, niet goed is, maar toch…. Dat we ‘s morgens de Here vragen ons te helpen tegen bepaalde zonden te vechten… en ‘s avonds beschaamd moeten toegeven dat het meer dan een keer toch weer mis was. Zelfs – ook dat zegt Paulus – dat we juist als iets niet mag, we het toch uitproberen, het toch doen..

Vaak hebben we ook onze excuses bij de hand: ja maar, de omstandigheden….en de anderen in de groep of in de klas….of die leraar die het er toch naar maakte….en ‘ze’ doen het allemaal… en moet je dan altijd zo serieus zijn en zo vroom….en geen mens is nou eenmaal volmaakt.

Nou, dat laatste is precies wat Paulus ook heeft ervaren in zijn leven, juist na zijn bekering, maar bij hem geen excuus is maar een schreeuw om hulp: ik red het niet, help me, ik ellendig mens! Daar wil God ons toe brengen: dat we naar Christus vluchten, en dat we bidden om de Heilige Geest.

2. wat er gaat gebeuren als we God bidden om zijn Heilige Geest, en als die Geest dan komt..

Zeg dat maar rustig zo: als de Heilige Geest met je aan het werk gaat, wordt het vechten!
Je kunt het vergelijken met het voorbeeld dat ik eerder noemde: problemen waarvoor je hulp zoekt. Als je echt geholpen wilt worden, en een hulpverlener gaat met je probleem aan de slag, nou, dan komt er vaak heel wat op tafel, ook heel wat dat echt zo leuk niet is. Het gaat vaak zo dat je leven grondig over hoop wordt gehaald,
dat je door elkaar wordt geschud, en dat je soms denkt: waar ben ik aan begonnen? is oplossing van mijn probleem al die onrust en ellende waard. Dan is het wel belangrijk dat je een goede hulpverlener hebt, dat je vertrouwen hebt in zijn aanpak, dat je ervan overtuigd bent dat je echt hulp nodig hebt en dat de hulpverlener het beste voor heeft…

Nou, dat weet je in elk geval zeker als je een beroep op de Here doet,als je in zee gaat met de beste Hulpverlener die er is, de Geest van God die je eigen Vader is. Maar dan zul je wel merken dat het er hard aan toe gaat en dat de onderste steen boven komt. Deze hulpverlener is niet tevreden met een opknapbeurtje aan de buitenkant, zodat het voor het oog weer wat lijkt: met een beetje beter je best doen en wat netter je voordoen.

Nee, Paulus laat zien dat dan in een mens een gevecht wordt uitgevochten op dood en leven: want er is geen compromis mogelijk van een beetje doen wat God wil en een beetje zonde doen. Het doel waar de Heilige Geest aan werkt, is niet minder dan voor 100% op God gaan lijken en inderdaad in alles doen wat God van je wil, zonder nog een spoortje verzet of gebrek.

Kijk, en daarom ook wat zondag 44 vraagt: waarom laat God zo scherp zijn wet
preken? Anders gezegd: waarom blijft God zo op zijn strepen staan, waarom vraagt
Hij het onmogelijke. We hebben al wel gezien: dat is allereerst om ons te leren inzien dat we het zelf niet redden, dat we zien dat we hopeloos verloren zijn, en we eindelijk eens hulp gaan zoeken, dat we uitroepen: ik ellendig mens, ik arme zondaar – waar moet ik heen, naar Jezus alleen…. en dat we op de knieën gaan en God gaan bidden om de hulp van zijn Heilige Geest.

Als die Heilige Geest dan aan het werk gaat, wordt de wet een middel in zijn hand,
een middel om ons in dat gevecht tegen de zonde in te schakelen en scherp te houden. Want zoals bij elke hulpverlener wordt je zelf aan het werk gezet om aan jezelf te werken. Gaat de Heilige Geest ons stapje voor stapje weer leren God en de naaste lief te krijgen, en dat ook in de praktijk van daden tot eer van God en ten bate van de ander om te zetten. Zoals zondag 44 het zegt: om al meer vernieuwd te worden naar het beeld van God….en dus weer te gaan lijken op die mens zoals God die heeft geschapen en heeft bedoeld.

Ik zei al, dat wordt vechten. Een bikkelharde strijd barst in alle hevigheid los en gaat maar door. Het kan ons ontmoedigen wat in antwoord 44 staat: we bereiken het doel pas na dit leven. Sommige christenen zijn het daar niet mee eens, zij denken dat het ook wel eerder kan, dat een christen zover kan komen dat hij bijna of helemaal aan de zonde ontgroeid en ontwend. Is het niet veel te somber: zelfs de allergelovigsten en allervroomsten komen niet verder dan een schamel begin van de nieuwe gehoorzaamheid, dan het nieuwe leven.

Maar als u weet wat het voor moeite kost voor iemand die echt is verslaafd, om er van af te komen… mensen met een alcoholprobleem, mensen die aan het roken verslaafd zijn, of drugsverslaafden, en als u dan bedenkt dat zonde nog veel dieper zitten, dat een mens als zondaar geboren is….nou die moet maar van de Here aannemen dat de Heilige Geest een leven lang werk aan ons heeft.

Je kunt het misschien ook vergelijken met elke keer maar weer dat onkruid in je tuin.
Je hebt net alles weer geschoffeld een aangeharkt, en niet lang daarna kun je er weer aan, en dat komt elk jaar terug, zeker met dat onkruid dat van die hardnekkige wortels heeft! Precies zo en nog erger is het met zondige trekken in je, met verkeerde verlangens en begeerten die zo diep zitten dat ze elke keer weer, soms op een onverwachte plek, de kop op steken.

Daarom hebben we ons leven lang met die zondige aard en begeerten te strijden.
Daarom hebben we ook elke dag weer vergeving nodig, kunnen we niet zonder Gods genade. Daarom ook blijft dat gebed nodig, als kerk, en persoonlijk: kom, Heilige Geest, ga door met ons. En zullen we tot onze laatste snik blijven vechten tegen wat zondig is in ons leven en verkeerd.Het lijkt een hopeloos gevecht, met vaak een nederlaag, maar wie gelooft is zeker van de goede afloop!

3. Waar loopt het op uit, als de Heilige Geest komt en in en met een mens aan het werk gaat…
Als we dat allemaal zo lezen, van Paulus, en in zondag 44, dan kun je er moedeloos van worden. Als zelf mensen die bekeerd zijn en zich aan God willen wijden, nog zo weinig verder komen…als zelfs de allerheiligsten, de allerverstgevorderden in een leven met de Hereniet verder komen dan wat armzalig
gestumper…….wat moet ik dan nog….

Ja, als zelfs die Paulus tegen wie je toch zo hoog opkijken als echt een kei in het koninkrijk, de man die met recht over zichzelf kon zeggen dat hij meer voor God gedaan had dan veel anderen…nou, waar blijven wij dan, dan zijn wij toch wel helemaal hopeloze gevallen voor Gods hulpverlening…

Nou, dat is ook zo als het van onszelf zou afhangen en van onszelf zou moeten komen. Maar ook hier is van toepassing dat woord van Jezus: bij God zijn alle dingen mogelijk…. Kijk, en vanuit dat gezichtspunt van God en als je let op de inzet en de kracht van zijn Geest mag je niet met zondag 44 in de hand klein van zijn werk denken, wil Paulus niet dat we blijven steken in gestumper en geklaag, maar zullen we onze winst – de winst van het werk van Christus – dankbaar uittelen en uitmeten!

Dat verstokte zondaars en vijanden van God de ommekeer van hun leven maken:
tot weer vrienden en zelfs kinderen van God, mensen die graag de Here willen dienen, dat jonge mensen uit volle overtuiging willen kiezen voor hun Heer en Heiland, terwijl ze weten van hun eigen zwakheid en twijfels, weten dat ze nog maar beginnelingen zijn… Dat een vervolger van Christus en zijn gemeente als Saulus zo totaal is veranderd dat hij meer dan wie ook een volgeling en een vooroploper werd in de dienst van zijn Heer. Dat mensen dan toch maar de strijd tegen het zondige en verkeerde in hun leven aangaan. Dat er dan toch maar een begin is hoe klein en aarzelend nog, van een leven voor de Heer! Dit en nog veel meer zijn de klinkende resultaten van Christus’ werk, de vruchten van de Geest.

En daar blijft het niet bij. Het klinkt overtuigd en bemoedigend: totdat wij na dit leven het doel, namelijk de volmaaktheid, bereiken.
Hé, vraagt u zich misschien verbaasd af: wij het doel bereiken, dat is toch Gods werk. Dat zijn toch niet onze eigen prestaties, maar is vrucht op het werk van de Heilige Geest. Daar hebt u natuurlijk helemaal gelijk aan: verwacht het van de Heilige Geest, en bedank uw God.

Maar het geweldige is dat de Heilige Geest bij zijn werk ons helemaal inschakelt.
Dat we geen stokken en blokken zijn, zegt onze belijdenis, maar levende mensen,
mensen die al meer zelf gaan willen en werken wat de Geest heen leert willen en helpt werken.

Alle reden dus om de Geest en zijn werk veel en vaak te blijven bidden, en ons in te spannen in dat gevecht tegen de zonde en voor een leven naar al Gods geboden.
Want het is dan echt ‘eind goed al goed’. Als de zonde dood is, en wij voorgoed leven. Kom, Schepper, Geest, woon ook bij ons in de kerk,
en werkt ook in mij uit alle vruchten van Christus’ werk!

amen

Zondag 42 Heid. Cat. : door het 8e gebod regelt God de economie van zijn rijk

liturgie toerustingsdienst zondag 14 mei 2017

welkom
zingen: Gz. 488A: 1,2,3 ‘Zolang er mensen zijn op aarde’
moment van stilte en gebed
votum en groet
zingen: Ps. 49: 1,2,5 GK ‘Gij olke, overal ter wereld, hoort’
gebed
Schriftlezing:Spreuken 28
zingen: Ps. 62: 5,6 LB ‘Voorwaar, Hij is mijn heil, mijn rots’
verkondiging: 8e gebod – zondag 42
zingen: Gz. 995: 1,2 NLB (melodie Gz. 37 GK) ‘O Vader, trek het lot U aan’
geloofsbelijdenis
zingen: Gz. 303: 5 ‘Met God zijn wij verbonden’
gebed
collecte
zingen: Gz. 473: 1,2,4,9,10 ‘Neem mijn leven, laat het Heer…
zegen
amen: Gz. 456: 3 ‘Amen, amen, amen’

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Elke dag staat de krant er vol van, en schenken radio en t.v. er uitvoerige aandacht aan. Het gaat ons ook allemaal aan en we ondervinden er de gevolgen van. Ik doel op zaken van economie en werkgelegenheid, uitgaven voor de zorg en defensie,
Bestrijding an armoede en opvang van asielzoekers, en vergroening, milieubeheer.
In de kabinetsformatie speelt het allemaal een rol, en elke partij heeft eigen keuzes
en voorkeuren – je kunt geld maar één keer uitgeven, en wat vindt de achterban…?
Ja, en u en ik moeten zorgen dat het eigen huishoudboekje klopt en dat de tering naar de nering wordt gezet.Dat we goede economen zijn,goede beheerders van ons eigen huis en goede verzorgers van ons gezin.

Nu, ook over al dat soort materiële zaken en economische vraagstukken, in het klein en in het groot, laat onze God zijn licht schijnen. Zijn wet geldt huisvaders en huismoeders, voor zakenmensen en uitkeringsgerechtigden, maar net zo goed voor ministers en bankdirekteuren, werkgevers en werknemers. Ja, zelfs voor jullie als je zakgeld krijgt en vakantiewerk doet. De Bijbel schrijft ons niet voor hoeveel iedereen verdienen moet, hoe hoog de belasting moet zijn, en hoeveel we weggeven moeten. We leren wel dat God de Eigenaar is van alles en dat Hij ons van zijn schatten in bruikleen geeft. Daarom zijn we Hem verantwoording schuldig voor de manier waarop we aan ons geld komen en voor de manier waarop we het beheren en besteden. We worden gewaarschuwd voor hebzucht en diefstal, voor gierigheid en voor verkwisting. We mogen geloven dat de Heer ons verlossen wil van de zonde, en ook van alle verslaving zoals die van het materialisme. De bijbel noemt geldzucht de wortel van alle mogelijke vormen van kwaad. Het is een vorm van afgoderij, de dienst aan de geldgod die Jezus Mammon noemt. Nou, onze God ons van die slavernij verlossen en ons ervoor waarschuwen. We worden er ook op aangesproken dat we met wat God ons geeft Hem zullen dienen én onze medemens, uit dankbaarheid en van harte. Het achtste gebod wil dat leven van dankbaarheid regelen, voor zover dat gaat over het beheer en gebruik van wat God ons in bruikleen geeft, tot Zijn eer.

Door het achtste gebod regelt God de economie van zijn rijk
1. de breedte van dit gebod
2. de diepte van dit gebod
3. de positieve uitwerking van dit gebod

1. Het brede terrein dat het achtste gebod beslaat.

“U zult niet stelen”. In het hebreeuws staat een woord dat ook in het Nederlands terechtgekomen is, en wel via het jid¬disch dat onze joodse landgenoten gewend waren te spreken. Dat woord is ‘ganaf’. Een ‘gaeednnef’is een dief, een boef. en ganaf bete¬kent: iets ontvreemden. Je vergrijpen aan het bezit van een ander. Daarin is het 8e gebod heel breed geformuleerd.

Als de Bijbel dit gebod op allerlei plaatsen verder uitwerkt en toepast, dan blijkt dat er heel wat aan de orde komt.Zo zegt ook zondag 42 het; niet alleen het stelen en roven dat de overheid straft. Dat is al heel wat: van winkeldiefstal tot het beroven van een bank, van het jatten van een fiets tot miljoenenfraudes in de zakenwereld, van het zwart bijklussen tot het op grote schaal ontduiken van de belastingen.

Ja, zegt antwoord 110, maar God noemt ook diefstal alle boze plannen en kwade praktijken waardoor wij ons trachten meester te maken van het bezit van onze naaste. Ook plannen in die richting zijn al strafbaar, al worden ze misschien nooit uitgevoerd. En als we iets proberen, maar het lukt niet, zijn we toch straf¬baar. Misschien komt de politie er nooit achter. Misschien kan niemand ons iets maken, omdat we precies de mazen in de wet kenden en benut hebben. Misschien was er formeel niets aan de hand, en was de ander zo stom zich te laten beetnemen. Alleen maar: God kun je nooit beetnemen. Hij kijkt achter de scher¬men. Hij weet van onze gemene plannetjes, en onze slimheid ten koste van de ander.Hij weet wat er achter zit: geldzucht,eigenbelang, materialisme. En Hij zegt: je bent een dief, een gan¬nef. We staan te kijk als oplichters.

Ja, en dat begint vaak heel klein en heel dichtbij huis. Hebben jullie het ook gehoord, in Spr. 28? daar staat, in vers 24: “Wie zijn vader en moeder iets berooft en zegt: ‘daar steekt geen kwaad in’ , is niet bter dan een moordenaar”. Eenvoudiger gezegd: als je thuis iets wegpakt van je vader of je moeder – en als je denkt dat dat zo erg niet is – dan ben je een misdadiger-in-de-dop. Daar begint het al mee! Dat lijkt erg streng en misschien vindt u het wel overdreven. Wie heeft het nooit gedaan: stiekem een koekje van de schaal wegpikken, een euro die je ergens zag liggen versnoepen? Moet je dat al een diefstal noemen? Ben je dan een misdadiger? Nou, niet om daar bij een kind van 4 of 5 jaar een drama van te maken, waarbij je gaat dreigen met politie of gevangenis. Maar pas wel op: waar zoiets de gewoonste zaak van de wereld wordt gevonden en er alleen maar om gelachen wordt – laat ze maar! – daar gaat het zomaar van kwaad tot erger. Eerst is het een koekje en dan een euro en dan een briefje van 10 euro- en waarom zou je het ook niet eens in de supermarkt proberen? Je zit voor je weet op een hellend vlak. Daarom moeten we de zonde weerstaan en bestrijden in het begin. Moet je al vroeg leren dat je van de spullen van anderen af moet blijven. Moet je vooral al vroeg leren dat alles van God is en dat we daarom zuinig moeten zijn op wat God geeft en er goed mee om moeten gaan. Ook hier is jong geleerd oud gedaan.

Ook dit gebod van de Here laat niemand buiten schot. Het treft ook hoge heren: regeringen, managers, multinationals. Luther zegt het in zijn Grote Catechismus heel treffend: “We zouden nog kunnen zwijgen van de kleine afzonderlijke dieven, als we de grote, geweldige aartsdieven zouden aanpakken, met wie de heren en vorsten gemene zaak maken. Ze plunderen niet een of twee steden leeg, maar doen dat dagelijks heel Duits¬land’. Eeuwen later zou dat Duitsland op zijn beurt heel Europa. de halve wereld zelfs, leegroven. De Tweede Wereldoor¬log begon met de inval in Polen, niet het eerste en niet het laatste gebied dat werd ingelijfd bij het zgn.Derde Rijk. Ook dat – en je ziet het steeds weer gebeuren – is regelrechte schending van het 8e gebod. Ook landroof, onrechtmatige uit¬breiding van je grondgebied, is regelrechte diefstal.Altijd weer hebben landen en burgers geleden onder uitbuiting en afpersing door lieden tegenover wie ze machteloos stonden. Ook dat komt in Spr. 28 aan de orde. Lees maar vers 16, over die ‘heerser zonder inzicht’ die op grote schaal de bevolking onderdrukt, die z’n macht misbruikt om de mensen uit te zuigen en geld af te persen. Ja, maar ook de ene arme kan de andere arme wegduwen of een loer draaien. Je moet toch vechten voor je eigen hachje? Zo iemand, zegt vers 3, is net zo erg als de regen die de hele oogst wegspoelt, zodat niemand meer een boterham heeft.

Wist u trouwens wat vanouds ook onder dit 8e gebod valt? Hoor maar wat in Deut. 24 staat: “wanneer iemand betrapt wordt, terwijl hij een méns, een van zijn broeders, rooft, en hem als slaaf behandelt, en verkoopt, dan zal de dief ster¬ven”. Denk maar aan wat de broers van Jozef met hem hebben uitgehaald! Geen wonder dat ze doodsbang waren toen ze later Jozef tegenkwamen!In het NT wordt ook over mensenroof gespro¬ken.In 1 Tim. 1:10 b.v.lezen we dat Gods wet ook slavenhandelaars’ veroordeelt. God wil het niet, dat mensen met geweld ontvoerd worden, als koopwaar worden behandeld, of als gijze¬laars vastgehouden. Het is een gruwel in zijn ogen wat onze eigen tijd op dit gebied laat zien: gijzelingen van onschuldi¬gen om een losgeld of een vrije aftocht af te dwingen, handel in vrouwen en meisjes om die dan ook nog in de prostitutie te laten werken, ontvoering van kinderen om een losgeld binnen te halen of om ze in te zetten als kindsoldaten, mensensmokkelaars die grof geld verdienen over de ruggen van wanhopige vluchtelingen heen en ze dan ook nog op wrakke bootjes de zee op sturen of willens en wetens laten verkommeren aan de gesloten grens…

Maar er is meer: reclame en propaganda die mensen op een oneerlijke manier inpakt, discriminatie in welke vorm dan ook die mede¬mensen berooft van hun eer en hun waar¬digheid, hun vrijheid of bestaanszekerheid. We zien dan ineens waar het God met dit gebod ten diepste om gaat. Het is maar niet het onaantastbaar recht op eigendom en privé-bezit waar alles om draait. Zo van: ik moet houden wat ik heb en iedereen moet van m’n spullen afblijven. Nee, het gaat God met dit gebod erom ons tegen elkaar te beschermen.Het gaat de Here om ménsen! Om ons leven, en om de bescherming van wat Hij ons geeft om dat leven moge¬lijk en leefbaar en mooi te maken.De Here geeft ons alle¬maal zijn gaven in bruikleen,om daar het goede mee te doen. Dief- stal, in welke vorm dan ook, komt meestal voort uit heb¬zucht of jaloersheid, verslaving aan geld en aan luxe, of uit ver¬slaving aan alcohol, drugs, gokken, of loterijen. Maar altijd is diefstal een aanslag op het bestaan van een ander of op de samenleving als geheel.

Maar onze God, hij beschermt dat bestaan van die ander en van mij. God wil ook een samenleving in stand houden en die leefbaar houden. Vandaar zijn gebod: niet jezelf toeëigenen waar je geen recht op heb, wat Ik aan die ander gegeven heb, of wat Ik gegeven heb met een ander doel.

2. De diepte van dit gebod

Die wordt zichtbaar in Gods eigen woord. We zeiden: het gaat maar niet om iets als een onaantastbaar recht op eigendom. Zelfs niet alleen om de ‘rechten van de mens’. Je bent met het 8e gebod ook niet klaar als je ervoor zorgt dat je op een eerlijke manier je geld verdient (b.v. door keihard te werken), als je netjes je belasting en je premies betaalt, als je met je vingers van de spullen van een ander afblijft en als je, zoals dat dan heet, ‘ieder het zijne geeft’. Het kan zelfs gebeuren dat met een beroep op het 8e gebod allerlei onrecht rustig blijft bestaan en wordt goedgepraat.Niet ste¬len, maar intussen wel op je eigen geld blijven zitten. niet stelen, maar zelf uitmaken wat je met je bezit doet. En het gebod niet stelen houd je voor aan wie minder heeft, om te voorkomen dat jou iets wordt afgepakt waar je ‘recht op hebt’.

Kijk, maar wat God ons juist leren wil is dat het maar heel betrekkelijk is: ‘eigen bezit’. En dat ik nergens ‘recht’ op heb. De Here zegt: u bent niet de echte eigenaar. U bent en u blijft niet meer dan beheerder, econoom. De Here zelf is de absolute Eigenaar, die aan ons mensen van alles en nog wat uitdeelt en in bruikleen geeft. Hij heeft de aarde en alles erop en eraan en erin aan ons gegeven om die voor Hem te beheren. Om te werken met zijn gaven tot Zijn eer. Daarom zijn we aan de Here als de Eigenaar ook verantwoording schuldig voor ons beheer of ons wanbeheer. Persoonlijk en ook samen.

Nou, en daarom kan zondag 42 ook hebzucht en verkwisting vormen van diefstal noemen. Je steelt van God als je alleen maar leeft en werkt en geniet voor jezelf. Als je niets of maar weinig over hebt voor de dienst van de Heer of voor hulp aan je naasten vlakbij en ver weg. Je bent ook een dief als je links en rechts je geld over de balk smijt en het uitgeeft aan dingen die je niet nodig hebt en eigenlijk helemaal niet betalen kunt. Als je allerlei luxe aanschaft zonder goed voor je gezin te zorgen, schulden maakt zonder eerst te bedenken of het echt nodig is en je wel kunt aflossen. Dan kan niemand zeggen: maar het is toch mijn geld, ik mag toch zelf weten wat ik er mee doe? Of: iedereen doet het toch? Nee, want we zijn ‘rentmeesters’, beheerders van Gods gaven. Van de gaven die altijd meteen opdrachten zijn: om God ermee te dienen, en om -antw.111- het welzijn van mijn naaste te bevorderen, waar ik dat maar mag en kan doen.
Kijk, daar hebt u de diepste motivatie voor dit gebod: het eigendomsrecht van God op heel ons leven. Van Hem zijn we afhankelijk. Van Hem komt alles wat we te beheren en te beste¬den hebben. En Hij geeft het aan ons om het te gebruiken: tot zijn eer en ten bate van onze medemensen. Als we dat niet beseffen en als we zo niet leven, dan is het dodelijk gevaar¬lijk om rijk, maar ook om arm te zijn. De Spreukendichter wist dat, vandaar zijn gebed (in hoofdstuk 30 staat dat – leest u het thuis maar na) om hem geen armoede én geen rijkdom te geven. Nee, want kun je dat wel aan? Brengt rijkdom een mens er niet zomaar toe God te vergeten? Waarom heb ik God nog nodig, als ik heb wat m’n hartje begeert, als ik er toch zelf voor heb gewerkt? En armoede kan een mens in uiterste wanhoop tot een dief maken: Ik pak maar waar ik recht op heb en wat ik niet krijg of ze me afpakken. Maar ook dat is zonde, en richt veel schade aan.

Daarom, HEER, zegt de dichter, voed me met het brood dat U me wilt toedelen. Geef me elke dag genoeg voor de uitvoering van mijn taak. Ja, en geef dat ik met die taak trouw bezig ben, en dat ik zo mogelijk en waar nodig wil delen en uitdelen. Opdat ook m’n broer en m’n zus, m’n medemens, genoeg heeft voor de taak die God aan hem of haar geeft. Opdat iedereen goed léven kan.

3. De positieve uitwerking als dit gebod wordt nage¬leefd.

Het hoogste doel van de Heer is niet dat we allemaal braven fatsoenlijke burgers worden die uit de handen van de politie blijven en bij de belastingdienst als eerlijk te boek staan. Dat is ook belangrijk, dat vraagt God ook van ons, maar Hij is daar nog niet tevreden mee. Het ideaal is niet een samenleving zonder inbraken en bankover¬vallen, met eerlijke zakenlui en zonder een zwart of een grijs circuit, hoe belangrijk en nodig het ook is daaraan te werken. Hoe terecht het ook is dat bestrijding van de criminaliteit en fraude en beheersing van uitgaven hoog op de agenda van de politiek staat.

Maar u begrijpt wel: het gaat onze God om meer. Zijn geboden willen de wortel van al dat kwaad aanpakken: onze zelfzucht en gelddorst, ons egoisme en ons aards-gericht-zijn. De Heer wil ons leven verlossen van de zonde én van alle ellende die van die zonde het gevolg is. Daarom lazen we in Spr. 28 steeds weer over het recht van de HEER dat erkend moet worden. Over het zoeken van de HEER waardoor je gaat inzien wat goed is en recht. Over vertrouwen op de HEER in¬plaats van hebzuchtig te zijn. Over tevredenheid inplaats van steeds maar meer en mooier te willen, koste wat dat ook kost. Dat kan alleen als ons hart veranderd wordt. Als we elke dag ons bekeren door de krachtige werking van Gods Heilige Geest.

Elke zondag vieren we het feest van onze redding uit de houdgreep van de zonde. De Heer Jezus betaalde ervoor om ons totale bestaan te verlossen. Hij werd straatarm om ons schatrijk te maken. Zelfs zo dat de erfgenaam mogen zijn van een compleet vernieuwde schepping. Dat we nu al mogen rekenen op de goede zorgen van onze Vader die ons geeft wat nodig is. Zouden we dan niet uit dankbaarheid leven voor Hem, met alles wat Hij zelf eerst aan ons gegeven heeft? Zouden we niet al onze schatten en gaven in zijn dienst besteden, en dus ook om elkaar en anderen ermee te helpen? Dan bloeit het leven op! Het leven in de gemeente waar de onderlinge liefde niet maar in woorden blijft steken maar in daden gestalte krijgt en ook in de cijfers zichtbaar wordt. En het werkt door in de wereld waar we wonen en werken, omdat gezegende mensen voor anderen tot zegen zijn!

AMEN