Zondag 7 Heid. Cat.: Echt geloven is…

 

dia 1

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Ik kwam kort geleden ergens in een artikel een uitspraak tegen die bij me is blijven haken. Dat is deze oneliner:  de kerk lijkt vaak meer op een showroom dan op een garage. Misschien een wat vreemde vergelijking, maar ik denk dat er een kern van waarheid in zit. Er is mee bedoeld dat we de indruk wekken dat we het goed voor elkaar hebben met elkaar en graag uitstralen dat we overtuigd zijn van wat we geloven en dat we als goed christenen leven. Zoals in die showroom dia 2: allemaal glimmende en tot het laatste stofje opgepoetste auto’s, met een up-to-date keuringsrapport en de nodige garantie, en de nodige extraatjes.

Heel anders dan een garage dia 3 met auto’s waar van alles aan mankeert: mankementen, schade -en die er vaak niet uitzien; waaraan heel wat gesleuteld moet worden, opgelapt, bijgespoten.   Bijbels gezien heeft de kerk daar meer van weg, vandaar dat wel is gezegd dat de kerk – en dus ook het leven van een christen – een ‘werkplaats’ van de Heilige Geest kan worden genoemd.

Een plek dus waar heel wat gesleuteld wordt, elke dag veel op te lappen is – wat we bekering noemen en vernieuwing – en mensen steeds weer deuken en blutsen oplopen onderweg.Een plek ook om je niet mooier voor te doen dan je bent en dan wij zijn met elkaar, een plek waar ruimte is voor twijfels en vragen, waar verdriet niet iets om je voor te schamen en je niet  je tranen hoeft weg te slikken en je image hoeft op te poetsen maar je gewoon jezelf mag zijn.

Vorige week – in de preek over het geluk als je de God van Jakob tot hulp mag hebben, maakte ik de opmerking dat wij allemaal, net als Jakob, ons leven lang kreupele kinderen van God zijn dia 4 en blijven, mensen die mank gaan aan allerlei zwakheden en gebreken en zonden en wonden. Hoor dat ook maar door die geliefde psalm 23 heen over God als de goede herder, de grote beschermer en verzorgen onderweg door vaak een donker ravijn:  “uw stok en uw staf, zij geven mij moed”.

In het beeld van vandaag: geen gloednieuwe slee waarin je zit als een koning en die als een speer over de weg zoeft maar eerder een rammelend brikje met horten en stoten die regelmatig blijft stil staan en dan weer aangeduwd moet worden om weer even verder te kunnen dia 5 -en wat een geluk dat we als wegenwachters voor elkaar klaar mogen staan in geval van pech onderweg, want geloven doe je samen en de kerk, dat zijn wij met elkaar, en de weg van Jezus is een smal en steil en bochtig. Wat onze eigen ervaring ons leert maar wat we ook kunnen leren van wie op die weg ons al heel veel kilometers en zelfs heel veel eeuwen vooruit zijn: wij mogen volgen en zij wachten ons op.

dia 6   Echt geloven is:

1.  vertrouwen

2.  op zoek gaan

3.  onderweg blijven

4.  herkenbaar  zijn

 

dia 7  1. echt geloven is:  vertrouwen.

Het woord dat de bijbel voor geloof gebruikt, zegt dat eigenlijk al, geloof = vertrouwen. En dus heeft geloven in de bijbelse zin van het woord alles te maken met relaties en als eerste met de relatie die God met ons wil aangaan, en de relatie die we hebben met Jezus. Dat is echt ook de kern van zondag 7, al lijkt wat daar staat erg massief: stellig weten, vast vertrouwen,  ontwijfelbaar geloof, en dan geloofsartikelen waar je alleen ja op kan zeggen.

Een van huis uit gereformeerde student die inmiddels heeft afgehaakt, vertelt dat hij in de kerk  de ruimte heeft gemist om dingen bespreekbaar te krijgen, ruimte voor nuances en voor twijfels:  ”nu heerst er een soort norm waar iedereen aan voldoet….niemand heeft twijfels of andere meningen en mocht dat al zo zijn, dan ‘snappen ze het gewoon nog niet zo goed”, wat ontbreekt is een sfeer van vertrouwen “waarin iedereen kan zeggen wat hij wil”….herkent u dat, of jij…?

Wat opvalt is weer dat woord ‘vertrouwen’, of het gebrek eraan, en nu tussen mensen in de kerk. Maar ik weet bijna wel zeker dat vertrouwen al of niet tussen mensen staat of valt met een echte vertrouwensband die we als gelovigen, als mensen van de kerk, hebben met God en met Jezus.

Waar het wel degelijk de kern is ook in zondag 7, hoor maar meteen dat eerste antwoord over wat echt geloof doet, hoe geloven werkt:  dat we bij Christus worden ingelijfd, intiemer kan niet.  Het is wat Jezus uitbeeldt als Hij het beeld van de wijnstok gebruikt: Ik de wijnstok, jullie de ranken, en dan zijn leerlingen en ons dus ook meegeeft: “jullie moeten met mij verbonden blijven, en Ik met jullie. Want alleen dan kunnen jullie op een goede manier leven….Jullie moeten dus met Mij verbonden blijven en naar mijn woorden luisteren….jullie zullen dan veel goede dingen doen”.

Kijk, en vanuit die relatie met Jezus, en door Hem en Zijn Geest verbonden zijn aan God de Vader, groeit ook dat vertrouwen in de woorden van God en het goede nieuws van Jezus voor ons: dat  God echt van je houdt, dat je zonden vergeven worden, dat het goed is en God eeuwig leven geeft.

Dan is geloven anders en veel meer dan een kloppend systeem opzetten en overeind houden als dat al zou kunnen, en ook niet met verstand op nu een serie waarheden op gezag van anderen aanvaarden waar geen speld tussen te krijgen is en wat je gewoon maar moet geloven, punt uit.  Nee, als je alle vertrouwen hebt in God als je Vader en als je Jezus wilt volgen op zijn weg, dan hoef je niet je krampachtig vast te klampen aan een bepaalde traditie of aan bepaalde regels omdat je anders met elkaar met een hellend vlak wegglijdt de onzekerheid in, maar mag  je erop vertrouwen dat Godje vasthoudt en dat je goed uitkomt als je leven steeds meer wordt als Jezus.

Het is opvallend dat jongeren signaleren dat veel mensen in de kerk het lastig vinden over hun persoonlijke geloof te praten , en het vaker hebben over randzaken en leerstellingen en regels. Terwijl onze eigen belijdenis het ons voorzegt: “wij geloven dat de Heilige Geest…in ons hart waar geloof  ontsteekt, dat Jezus Christus met al zijn verdiensten omhelst, Hem zich toeëigent, en niets anders meer buiten Hem zoekt” …en nog een keer: het geloof  ”is slechts het middel waarmee wij Christus …omhelzen”(art. 22 NGB). Geloven, dat is je armen om Jezus heenslaan.

Nou, dat het voor alles om relatie gaat, leren we ook uit de levensverhalen die we in die eerste verzen van Hebreeën 11 zien langskomen: van Abel, Henoch, Noach,  en van Abraham en Sara.  dia 8

 Abel. Net als Kaïn bracht hij God offers maar blijkbaar was het bij Kaïn niet van harte maar omdat het zo hoorde of voor-wat-hoort-wat – er staat dat Abel het deed vanuit zijn geloof , uit liefde.

Henoch. Ook uit zijn leven en zijn levenseinde blijkt wat echt geloven is: “Henoch wandelde met God”, anders vertaald: hij “leefde in nauwe verbondenheid met God”, en uit de brief van Judas weten we dat het hem zijn leven heeft gekost – of liever: God nam hem op in zijn heerlijkheid.

Noach. Wat een vertrouwen heeft hij laten zien – gekregen van God zelf – om tegenover veel weerstand te blijven vasthouden aan God. In Genesis 6 lezen we dat ook Noach in nauwe verbondenheid met God leefde en dat hij terwijl er nog geen vuiltje aan de lucht leek jaren aan  de ark bleef bouwen en de mensen bleef waarschuwen voor een zondvloed, tegen alle spot in.

En dan Abraham die ging toen God hem riep en dat met een onmogelijke belofte op zijn leeftijd van nakomelingen en een eigen land, en die bleef volhouden, ook toen het maar niet gebeurde.  Net als Sara van wie we lezen dat ze “vertrouwde op degene die de belofte had gedaan“, toch!!

Bij allemaal proeven we dat ze verbonden waren met God, en dat dat hen overeind hield, niet dat ze het zelf zo zeker wisten en zo stevig in hun schoenen stonden, het tegendeel eerder -wat hebben b.v. Abraham en Sara twijfels gekend en verkeerde keuzes gemaakt en geworsteld met wat God deed of juist al maar niet deed, en hoe het verder moest en waarom het zo lang duurde.  En toch dat refrein: door het geloof…..zelfs als ze maar een klein stukje meemaakten van wat was beloofd – we lazen dat: “zij allen zijn in geloof gestorven; wat hun beloofd was zagen ze geen werkelijkheid worden,ze hebben slechts een glimp ervan begroet“  dia 9; dan moet je wel vertrouwen hebben: dat God zich niet vergist, dat het toch goed gaat komen – en dat je eeuwig de tijd hebt.

Wonderlijk, dat dat vertrouwen er al was bij die verre voorouders en voorlopers: ze wisten dat we op doorreis waren, naar een beter, naar een hemels vaderland, naar de stad van God. Daar kunnen wij houvast aan krijgen en moed uit halen – “zij spreken en getuigen nog, om ons geloof te sterken, dat wij omgeven door die gelovigen van vroeger, onze weg tot het eind lopen.

Ja, en wie dat moeilijk vindt om een persoonlijke relatie te hebben en te ervaren met God, wie Gods aanwezigheid niet voelt en niet weet hoe dat kan groeien en voelen, verdiep je in wie Jezus was en wat Jezus heeft gezegd en hoe Jezus heeft geleefd – en bidt in zijn naam tot God. Jezus zei dat wie Hem bezig zag, zijn Vader leert kennen – ook die aansporing krijgen we mee vandaag: “Laten we de blik gericht houden op Jezus, de grondlegger én voltooier van ons geloof”.

 dia 10           2. echt geloven is op zoek gaan.

  Daar bedoel ik mee dat geloven niet is dat je het allemaal al precies weet en al binnen bent, dat je om zo te zeggen – niets meer te leren en niets meer te ontdekken hebt omdat je de waarheid over God en zijn plan met je leven en waar het heengaat met deze wereld, al wel in de zak hebt. Dat leert de bijbel ons wel anders, ook in dat stukje bijbel dat we vanmiddag samen gelezen hebben. Meteen al in de eerste verzen staat er dat het geloof een basis legt onder ons leven en ons wil overtuigen van wat we niet zien – en dus niet wetenschappelijk of door experiment kunnen bewijzen – en dat is een proces, dat je – met vallen en opstaan, met gebed ook – in geloven groeit. Vers 3 weer: door geloof komen we tot het inzicht dat de wereld door Gods woord geordend is. Waar weer een wereld achter zit en allerlei vragen aan de orde komen en je elkaart bij nodig hebt. Een zoektocht dus, een samen zoeken naar de weg van onze Heer, en je zijn liefde eigen maken.

Ja, en dat het leven van die vroege gelovigen als Henoch en Noach en Abraham was ook zoeken. Nee, niet vanuit onzekerheid en twijfel of er wel een God is, maar omdat God hen en ons serieus neemt als geschapen met verstand, en met gevoel, en met ideeën en idealen, en een eigen wil.  De Heer wil geen robots of voorgeprogrammeerde computers in zijn dienst maar mensen die uit vrije wil voor Hem kiezen en Hem – lazen we net nog – zoeken en vinden en steeds weer zoeken: door zijn woorden je eigen te maken, door met Hem in gesprek te gaan, door zijn leiding in je leven te ontdekken, door God te ervaren in de stilte (b.v. van de natuur of van een klooster)….En ook open te staan voor wat God ons te zeggen heeft door mensen dichtbij en verder weg.

Geloven zet dus in beweging, vraagt actie, om dichterbij God te komen, en ook dichter  bij mezelf. We lazen dat God blij is met mensen die in Hem geloven, en beloont wie Hem serieus zoeken. En de profeet Jesaja nodigt de mensen van zijn tijd uit: “Zoek de HEER nu hij zich laat vinden, roep Hem terwijl Hij nabij is” – je loopt zomaar voorbij aan waar je God of iets van Hem vinden kunt – en als je Jezus kent, komt God zelfs heel dichtbij want Jezus zegt: Ik ben de weg, naar God.

dia 11       3. echt geloven is onderweg blijven

  Dat is wel heel duidelijk als we naar die voorlopers kijken die in beeld komen in Hebreeën 11. Het was voor hen en het is ook voor ons onderweg zijn naar de eindbestemming van God met ons. Een aantal etappes van die reis wordt nagetekend in de bijbel, in grote lijnen en met grote stappen.

Zeg maar: vanuit het paradijs, door de zondvloed heen, en dan met de focus op Abraham en Israël langs Egypte en door de zee en de woestijn tot in Kanaän, en later door ballingschap heen, tot Jezus. Dat is in wat andere woorden antwoord 19 uit zondag 6: het evangelie van paradijs tot op Jezus.

Het vervolg begint in het NT: het goede nieuws van Jezus: zijn leven, zijn lijden, dood en opstanding. Daarna de opbouw van de christelijke kerk wereldwijd, op het fundament gelegd door de apostelen. Waarna er nog een stuk af te leggen is, met veel onzekere momenten.

We lazen dat het nog altijd doorgaat en we er nog niet zijn, op die eindbestemming: ook van ons geldt dat we op doorreis zijn, naar het vaderland, naar de stad die God voor ons aan het bouwen is. In Heb. 13: 14 staat die bekende wegwijzer: “onze stad is…niet blijvend, wij kijken juist verlangend  uit naar de stad die komt”, vandaar dat geloven ook is buiten je eigen comfortzone willen stappen, zoals b.v Abraham deed en Sara, toen God ze wegriep bij het vertrouwde vandaan van eigen land en familie, en ze op weg gingen – hebben we net nog gelezen – “zonder te weten waarheen”.

Het einddoel wisten ze :”het land dat hem beloofd was maar hem nog niet toebehoorde” maar het hoe en wat moesten ze afwachten en zich echt settelen hebben ze nooit gedaan: “samen met Izaäk en Jakob woonde hij  in tenten, omdat hij uitzag naar een stad, door God ontworpen en gebouwd”. In hun voetsporen zijn ook wij nog altijd onderweg, samen met al die medechristenen wereldwijd.

Ja, en laten we dan dat onderweg zijn maar wat minder relaxt invullen dan wij gewend zijn als we naar ons werk gaan of met vakantie, en daarna als het goed gaat weer terug op het veilige nest. Het lijkt meer op asielzoekers of vluchtelingen die soms jaren in een tent wonen of op een AZC, zonder vaste woon- of verblijfplaats, en zonder zekerheid of ze ooit terug kunnen naar het oude land. Ik las: “Onderweg zijn zonder terug naar huis te kunnen: dat staat volgens Hebreeën voor de christelijke manier van in het leven staan. Er is geen weg terug, er is alleen een weg vooruit, zonder te weten waar je komt. Conservatisme is geen christelijke optie, blijven, handhaven en vasthouden geen christelijke stijl”. En dat vraagt vertrouwen, zoals van Abel die het waagde met God, Henoch die met God opliep, Noach die dwars tegen de publieke opinie in verder keek dan zijn ogen konden zien, Abraham die op hoop van Gods zegen op weg ging en bleef hopen op wat niet kon en maar niet gebeurde – in vertrouwen dat God je zal brengen waar Hij met je heen wil en waar het leven goed is.

Nog een uitspraak die aan het denken zet  – staat net als de vorige in het 1e nr van het nieuwe blad Onderweg, ontstaan uit het samengaan van  De Reformatie en Opbouw – n.l. dat echte christenen te vergelijken zijn met de situatie van uitgeprocedeerd asielzoekers, en dat we van hen kunnen leren, b.v. “hoe genade sterkt, juist als wij zwak blijken, en wat liefdadigheid en onderlinge solidariteit uitwerken wanneer ze een gezicht krijgen. En misschien blijkt dan wel dat er ook bij ons iets groeit van echt onderweg zijn”.

Durven we het aan zoals veel mensen is overkomen en hebben gedaan toen God, toen Jezus hen riep: en zij lieten alles achter en volgden Hem. Durven we dat, samen?

dia 12     4. echt geloven is herkenbaar zijn

Daar bedoel ik mee dat geloven meer is dan een bepaalde manier van denken en voelen, maar ook van een houding tegenover elkaar en anderen, een manier van omgaan met mensen en dingen, en dat niet alleen binnen vier muren maar ook buiten je comfortzone.

Herkenbaar zijn, niet door iets van buiten als b.v. zo’n nasraniteken, of door kerkgang, maar door dat je uit één stuk bent, in denken en doen, binnen de kerk en net zo erbuiten. Herkenbaar zijn als christen, allereerst naar God toe die zichzelf in ons wil herkennen – wij zijn mensen die naar zijn evenbeeld geschapen zijn – en dan ook naar elkaar toe in gezin en familie, en in de kerk, en voor mensen om ons heen die met ons in aanraking komen en ons horen praten en ons bezig zien, en die vaak heel scherp zien wat echt is en wat buitenkant is, een rol die je kunt spelen, kerkelijk- of maatschappelijk gewenst gedrag zonder een hart. Terwijl wie lijkt op Jezus, liefde als drive heeft en bereid is tot dienen, tot de minste willen zijn.

Aan Abel kon je merken dat hij voor God gekozen had en voor God wilde gaan – koste wat kost.   Henoch kwam er openlijk voor uit dat hij met God wilde optrekken- dwars tegen de tijdgeest in.  Noach timmerde aan de weg om te waarschuwen voor het oordeel en tot bekering op te roepen.  En Abraham was herkenbaar aan zijn vertrouwen op God en dwong bij de inwoners van het land waar hij zijn leven lang te gast was, respect af – ze zeiden:  “we weten dat God u beschermt”.

dia 13

  Twee vragen  om mee te nemen voor deze week:

*  hoe laat je zien dat je christen bent, op je werk, in je buurt, onder vrienden, en in de kerk?   is God en is Jezus in je woorden en gedrag herkenbaar?  anders gezegd:     Hoe voeg ik de daad bij het Woord?

en die vraag waarmee ik begon, geef ik ook mee:  Wat willen we zijn als gemeente;  een showroom of een garage?

Geve onze God u en jou en mij een echt en herkenbaar geloof.

                                                        amen

liturgie middagdienst 

votum en groet

zingen:   Ps. 84: 1,2

gebed

avondmaalsformulier IV

zingen:  Ps. 84: 3,4

dankgebed

Schriftlezing:  Heb. 11: 1-16 en 11: 39-12: 2a

zingen:  Ps. 84: 5,6

verkondiging: zondag 7   Echt geloven is…

zingen:  Lied 103 (1a, 2m, 3v, R: a)

gebed

collecte

zingen:  Gz. 169: 1,2,5

zegen

Psalm 146: 5a: Gelukkig wie de God van Jakob tot hulp heeft

Gemeente van onze Heer Jezus Christus, zusters en broeders,

dia 1   

Het is de laatste felicitatie, de laatste ‘zaligspreking’ uit het psalmboek.

“Gelukkig – welzalig - wie de God van Jakob tot hulp heeft, wie zijn hulp vestigt op de HEER, zijn God”. Er staan in eerdere psalmen nog een paar van die felicitaties, met steeds weer als rode draad datje goed af bent als je het van God verwacht, als je bij Hem schuilt, en als je je door Hem laat leiden.

Dat is ook de kern van Psalm 146, kijk maar naar de verzen die aan ons tekstvers vooraf gaan: “vertrouw niet op mensen met macht, op een sterveling bij wie geen redding is”.

En waarom niet? Nou, omdat zelfs de machtigste mens als het erop aan komt ook maar een ‘sterveling’ is: “stokt zijn adem, hij gaat terug tot de aarde, op die dag gaat hij met zijn plannen ten onder”, kan hij niets meer.

Maar God is de Schepper, “die hemel en aarde heeft gemaakt….en trouw is tot in eeuwigheid”. De sterke God die echt redden kan en helpen wil: die recht doet, brood geeft, bevrijdt en beschermt: “de HEER is koning tot in eeuwigheid, je God, Sion – en gemeente vandaag - van geslacht op geslacht”.

Het maakt en houdt ons klein,maar vooral: spreekt het ons moed in: je bent met zo’n Helper goed af!

Vanmiddag wil ik met u wat dieper ingaan op die felicitatie,  en vooral op dat:  ‘de God van Jakob’. Veel vaker wordt de HEER ‘de God van Abraham, Izaäk en Jakob’ genoemd,de God van de stamvaders van het volk Israël- en dan spreekt heel het verleden mee van Gods trouw: die God is ook jullie God. De ‘God van Jakob’, dat is een andere naam voor ‘de God van Israël’, dat volk van Gods eerste keus. En wij mogen ons door Jezus daar ook door bemoedigd weten: die God is ook onze God, en Vader.

Maar als dan de HEER – zoals hier – nadrukkelijk ‘de God van Jakob’ genoemd wordt, zit daar nog een extra laag onder en heeft dat een diepere lading want als je Jakob hoort, komt Jakobs leven in beeld.

Die naam alleen al spreekt boekdelen want Jakob is zoiets als: ‘beetnemer’ , ‘pootje-haker’ – en we denken aan de truc met die soep waardoor Jakob Ezau zijn eerstgeboorterecht afhandig maakte, en het bedrog waarmee hij zijn vader Izaäk om de tuin leidde en zich van de zegen meester maakte, en later de listige manier waarop Jakob zijn oom Laban terugpakte en zijn veestapel uitbreidde.  dia 2  Er is een schrijver die zelfs zo ver gaat om Jakob een oplichter te noemen. Niet bepaald een erenaam dus: Jakob.

Het was Jakob ten voeten uit: hij miste precies wat de kern is van Psalm 146: hulp zoeken bij de Heer, in plaats van te vertrouwen op je eigen slimheid en handigheidjes, ten koste van mensen om je heen. Jakob dacht God een handje te moeten helpen en werkte zichzelf zo juist steeds weer in de nesten. Jakob, dat  is de ‘alles-zelf-in-de-hand-willen-houder’ , de ‘God-voor-de-voeten-en-in-de-weg-loper’.

Waar ten diepste angst achter zat, angst om het los te laten, gebrek aan geloof en echt vertrouwen. En juist zo liep Jakob elke keer weer vast, en maakte hij er een puinhoop van, onherstelbaar vaak.

Zo ging er ook in zijn gezin van alles mis: getrouwd met twee zussen die elkaar de tent uitvochten en kinderen van vier vrouwen (behalve van Lea en Rachel ook nog van haar slavinnen Bilha en Zilpa) en met de kinderen ging ook heel wat mis: Ruben die vreemd ging met een bijvrouw van zijn vader; de verkrachting van dochter Dina met als eerwraak een rooftocht en moordpartij in Sichem, gepleegd door Dina’ broers Simeon en Levi; Juda die vreemd ging met Tamar; het voortrekken en verwennen van Jozef tot ergernis van zijn broers en uiteindelijk het verkopen van Jozef naar Egypte met  leugen dat hij door een roofdier was opgegeten, het zullen je broers, je zoons, maar zijn!  en zo werd hij die zijn vader bedrogen had werd nu door zijn eigen zoons bedrogen…wat een verschrikkelijk drama! Het was al met al een familiegeschiedenis met veel dieptepunten en zwarte bladzijden – bepaald geen leven om jaloers op te zijn.

Ja, maar des te verrassender is dat ‘de God van Jakob’ – een God die de God wil zijn van zulke mensen, van mensen als wij ook zijn, met onze eigenzinnigheid en vaak dwarsigheid, die zoveel in ons hoofd hebben en in eigen handen willen houden, die zomaar toch op mensen vertrouwen en het van mensen verwachten- van onszelf of van mensen om ons heen -die het zo moeilijk vinden echt te geloven=te vertrouwen, en eigen zekerheden en wensen los te laten.

Wat een geluk dat God de God wil zijn van al die Jakobs en Jacoba’s – van u en van jou en van mij! Dat willen we wat scherper inkleuren en concreet maken vanuit wat we lazen over Jakobs’s leven.

dia 3

Gelukkig wie de God van Jakob tot hulp heeft - die is:

1. de God van Bethel  (Gen. 28: 17,19)

2. de God van Pniël  (Gen. 32: 31)

3. de God van Israël (Gen. 32: 29)

dia 4        1. de God van Bethel  (Gen. 28: 17,19)

Jakob is op reis en zijn reis is een vlucht: weg van zijn broer Ezau die hem een kopje kleiner wil maken omdat Jakob hem bedrogen had: door zich te vermommen als was hij Ezau, de lieveling van vader Izaäk, met een lekker gebraden stuk wild, had vader niet Ezau maar Jakob gezegend. En die zegen was vooral de erfenis waar Ezau recht op dacht te hebben – dat hij dat recht had ingeruild voor die soep was hij al lang vergeten – maar hoe dan ook, het was een gemene streek van Jakob, op aangeven en met hulp van moeder Rebekka. Ezau is razend en hij schreeuwt: hij heet Jakob en hij is een jakob, een echte pootje-lichter!           dia 5

Uit angst voor de wraak van Ezau maar ook om te voorkomen dat Jakob net als Ezau met een Kanaänietische vrouw zou trouwen, stuurden moeder Rebekka en vader Izaäk hun jongste zoon weg naar de familie in Charan, een lange reis van honderden kilometers, wekenlang per kameel – en als hij het heeft moeten lopen was het een reis van maanden.   Als wij Jakob ontmoeten is dat in de plaats Luz, zo’n 90 kilometer ten noorden van Bersheba,  waar zijn ouders woonden – hij was waarschijnlijk al wel een dag of twee tot drie onderweg.          dia 6

Als Jakob daar ‘s avonds laat in slaap valt, met zijn hoofd op een steen, krijgt hij een droom, als een bijzondere ervaring van Gods aanwezigheid: een ladder tot in de hemel, waarlangs engelen heen en weer pendelen, en bovenaan maar tegelijk bereikbaar dichtbij stond God zelf en sprak Jakob aan met nog eens de zegen voor wie erfgenaam mag zijn van de belofte aan grootvader Jakob en vader Izaäk van een eigen land en een groot volk, en ook dat dat volk voor veel andere volken tot zegen zal zijn. Daar zien we in dat God trouw is aan zijn eigen woorden en plannen, ondanks ontrouw van mensen.

Al vanuit de verte is het de belofte van Jezus als de grote Nakomeling van Abraham en Izaäk en Jakob, door wie die geweldige beloften ook naar  ons zijn toegekomen: Jakobs God is ook onze God. Wat voor Jakob toen en voor ons alleen maar kan door Gods genade, alleen dankzij Gods zoon Jezus.

Ja, en dan is ondanks wat Jakob heeft verprutst ook dat geweldige en tegelijk beschamende – dat wat hij steeds vergat, waardoor het zo mis was gegaan, maar wat zijn God hem meegaf voor zijn reis en zijn toekomst: “Ik zelf sta je terzijde, Ik zal je overal beschermen, waar je ook heen gaat, en Ik zal  je naar dit land terugbrengen; Ik zal je niet alleen laten tot Ik gedaan heb wat Ik je heb beloofd”.

Kijk, dat is nou de God van Jakob ten voeten uit, die niet zegt wat Jakob had kunnen verwachten en misschien wel heeft gevreesd: nou Jakob, je hebt het er mooi bij laten zitten, je wou het zo graag zelf regelen, nou, je ziet wat er van komt, daar lig je nou op een harde steen, zoek het maar uit verder.

Wij zouden misschien zo gereageerd hebben en doen zo naar mensen toe met wie we het helemaal hebben gehad en die hun eigen glazen ingooien: bekijk het maar, ik trek m’n handen verder van je af. Maar God doet niet zo, God laat niet los waaraan Hij is begonnen, God liet zelfs die Jakob niet vallen.

dia 7

Sterker nog, boven Jakobs hoofd op die steen, dat hoofd vol sombere gedachten en een onzekere toekomst voor ogen, ging letterlijk de hemel open – en als Jakob wakker wordt, realiseert hij zich hoe bijzonder en onwerkelijk is wat hij heeft ervaren: “op deze plaats is de HEER aanwezig; dat besefte ik niet” ….

Nou, en dat geeft moet want blijkbaar is de HEER niet aan een plaats gebonden, en gaat Hij  overal met je mee, en zal Hij er ook zijn voor Jakob in het verre Haran, en voor u op uw werk of in de auto, voor jou in de collegezaal en de sportschool; is Hij er als je in het ziekenhuis ligt of op de operatietafel, en is hij overal bereikbaar voor onze gebeden en onze noodsignalen – want we mogen leven – zelfs als het om ons heen donker is – onder een open hemel, in beeld voor God en de engelen als zijn hemelse hulpdienst – en we mogen altijd een beroep doen op Gods hulp en bescherming.

Jakob kon er niet over uit, woorden kwamen te kort: “Wat een ontzagwekkende plaats is dit, dit is niets anders dan het huis van God, dit moet de poort van de hemel zijn!”. Zo’n plek kan het overal zijn voor een mens, onder Gods hemel, zo dichtbij komt God en is God, en dat midden in onze nood en stress; ook als wij het allemaal verprutst hebben en niet meer weten hoe het verder moet, juist dan!

Hoeveel verhalen zijn er niet van ervaringen zoals van Jakob: God was er, dichtbij, en God heeft me er doorheen geholpen; God opende deuren die dicht leken, of ineens kwam er iemand langs die me verder geholpen heeft – als je het maar zien wilt, hoe vaak en hoe wonderlijk: God was er, en ik had het niet eens door – hoeveel plaatsen kunnen ineens een Betel voor je worden, een deur naar God.

Jakob zette op zijn Betel een steen neer als een bescheiden monument: ter herinnering voor later.  Hebt u, heb jij ook van die gedenkwaardige momenten om nooit te vergeten, en om moed uit te putten voor als het weer eens moeilijk is of zwaar, of onoverzichtelijk: weet je nog van toen, hoe God me er doorheen heeft gesleept en bovenuit getild – Heer, u bent toch dezelfde, Heer, help me. En vertel je dat ook wel eens aan anderen: aan je kinderen, je kleinkinderen, je broeder of zuster? Dan wordt het echt  jouw psalm, jouw belijdenis:  “Gelukkig wie de God van Jakob tot hulp heeft”.

 dia 8  2. de God van Pniël  (Gen. 32: 31).

Het is heel veel jaren later, en Jakob is weer op de weg terug, vanuit Haran naar het land Kanaän. Er is in al die jaren heel veel gebeurd en ook heel wat veranderd in de omstandigheden van Jakob. In Betel was hij alleen, met alleen een steen voor onder zijn hoofd, nu heeft hij een groot gezin, veel knechten, een grote veestapel, en ook nog veel andere bezittingen – een rijke herenboer dus.

Wat ook veranderd is, is de houding van Jakob, tegenover God en met het oog op de toekomst. Een toekomst die nog de nodige haken en ogen heeft, want er is nog altijd het oude zeer van wat Ezau is aangedaan, en het is maar de vraag hoe Ezau erin staat, of hij nog steeds kwaad is en uit is op wraak, of dat de tijd de wonden heeft geheeld – misschien dat een stevig cadeau erbij kan helpen? Jakob is echt nog erg bang voor Ezau en hij beseft dat als Ezau kwaad wil, hij niet tegen hem op kan.

Maar het mooie is dat Jakob nu niet alleen zelf actie neemt maar vooral zijn God te hulp roept. We horen in 32:10 een mooi gebed uit Jakobs mond, waarin Hij  God dankt en ook om hulp smeekt: En dat vanuit een nederige houding, in het besef dat hij nergens recht op heeft en alles genade is: “Ook al ben ik het niet waard, toch bent U steeds goed voor me geweest. U hebt altijd trouw voor me gezorgd. Want op de heenreis, toen ik de Jordaan overstak, had ik alleen maar een stok.En nu heb ik zelfs twee grote groepen mensen en dieren” (Gen. 32: 10) Ja, want voor de zekerheid had Jakob zijn gezin en zijn slaven en vee in twee groepen verdeeld, want stel dat Ezau de ene groep zou aanvallen, dan zou de andere groep ervan door kunnen gaan – ook daaruit bleek zijn angst en zijn onzekerheid. Maar gelukkig was God er ook nog: Heer, “ik smeek U, red mij uit de handen van Ezau, mijn broer”.

dia 9

Dan, als alle mensen en dieren de beek Jabbok overgestoken zijn, en Jakob die nacht alleen achter- blijft op de andere oever van de beek, in afwachting van de beslissende confrontatie met Ezau, is er ineens die onbekende man die op hem afkomt en Jakob vastpakt en met hem begint te vechten. Het wordt een lange en heftige worsteling waarin Jakob zich niet gewonnen heeft maar zich als een kerel verdedigt, er staat dat ze vochten tot het licht werd en dat de onbekende het niet winnen kon.

Vreemd wat even later komt Jakob erachter met wie hij heeft gevochten: met iemand die meer is dan een mens en sterker dan een mens – hij zegt als alles voorbij is: “Ik heb oog in oog gestaan met God en ben toch in leven gebleven” -vandaar de plaatsnaam Pniël, wat betekent: aangezicht van God.

De onbekende vechtersbaas met zijn goddelijke kracht prijst Jakob voor zijn doorzettingsvermogen: “Je hebt gevochten met God en met mensen en je hebt overwonnen” Maar hoe dan, een mens kan toch niet van God winnen?

Precies, en dat liet de engel voelen want met één vinger ontwrichtte hij de heup van Jakob zodat de man zijn leven lang mank bleef lopen en bij elke stap voelde: God is mij te sterk.       dia 10     Daarom moeten we letten wanneer de engel van God zegt dat Jakob heeft gewonnen van God en van mensen – dat is nadat Jakob heeft gezegd tegen zijn  tegenstander die vraagt hem te laten gaan: “Ik laat U niet gaan. Eerst moet U mij zegenen” - terecht is gezegd dat Jakob niet met lichamelijke kracht gevochten en gewonnen heeft, maar met geestelijke wapens, dat Jakob eigenlijk won van zichzelf en van zijn kwalijke verleden, van zijn angst voor Ezau, van zijn geweten en zijn verleden. En eindelijk gaf hij zich over en riep: genade!

In Hosea 12 staat: “Hij worstelde met een engel en overwon, en smeekte hem onder tranen om een gunst” – zoals in een lied: “Toch overwint eens de genade, en maakt een einde aan de nacht. Dan onderwerpt de Heer het kwade, dan is de strijd des doods volbracht”. En Jakob kon weer verder!

Verder ja, maar wel met voelbaar dat je het niet wint in eigen kracht en niet kan zonder Gods hulp. Bij elke stap van Jakob werd hij eraan herinnerd dat hij van zichzelf een hulpeloze stakkerd was, en dat hij alleen gespaard is gebleven door Gods genade en het elke dag hebben moet van zijn zegen. Het ging mee als les en boodschap voor zijn nakomelingen, vandaar dat er bij staat dat de Israëlieten de heupspier niet eten, uit respect voor wat gebeurd was toen Jakob vocht met God, en overwon.

Het mag ook ons bemoedigen:  als het lastig is te geloven, als we het moeilijk hebben met wat we in ons leven meemaken en te verstouwen krijgen, als we worstelen met twijfels en angst of met oud zeer.En ervaren dat we als het erop aan komt allemaal kreupele kinderen van God zijn – pas als we dat erkennen en kwetsbaar durven zijn, naar God en elkaar toe, als we open durven zijn over worsteling en twijfels en zonden, klein dus, zijn we sterk.

Dan mogen we ervaren dat als we het gevecht volhouden en onze twijfels niet wegstoppen maar onder ogen zien en onze vragen blijven stellen, aan God, aan onszelf aan elkaar, we dan – zoals de apostel schrijft – meer dan overwinnaars zijn – dat we zegen ervaren en een zegen kunnen zijn. Ook dat is die psalm: “gelukkig wie de God van Jakob – van Betel en van Pniël – tot zijn hulp heeft“.

dia 11   3. de God van Israël (Gen. 32: 29).

Jakob kreeg in Pniël als eerbewijs na zijn overwinning een nieuwe naam: Israël=strijder met God. Het is de naam geworden van het volk dat uit Jakob is voortgekomen en dat Gods volk mocht zijn.  En wat God aan Jakob beloofde ging mee als belofte en zegen voor heel dat volk van Gods verbond. Ja, en in en Jezus als de ware zoon van Jakob, de echte Israël dankzij wie Gods genade voorgoed won, mogen ook wij in die belofte en die zegen delen – als wij van Gods genade en zijn zegen willen leven. Geen Jakobs of Jakoba’s  die het zelf willen regelen desnoods door anderen een hak te zetten of aan de kant te dringen, maar Israëls=strijders in Gods kracht. Zoals de apostel Paulus erover schrijft: meer dan overwinnaars door Hem die ons heeft liefgehad. Door Hem die – las ik kortgeleden in de krant – zijn eigen Zoon moest loslaten om Jakobs nieuwe naam waar te maken- zodat het voorgoed licht werd voor u en jou en mij.

“Gefeliciteerd wie Jakobs God als helper heeft  – en dag in dag uit met Christus leeft!”.   

                                                                 amen

 

 

liturgie middagdienst CGK-GKV zondag 11 januari 2015

welkom

zingen:    NLB 287: 1,2,5 ‘Rond het licht dat leven doet’

we worden stil voor God

votum en groet

zingen:     Ps. 105: 1,4,6 GK

gebed

Schriftlezing:   Genesis 28: 10-19 en 32: 23-33

zingen:    Ps. 146: 1,2,3,5   LL

Schriftlezing: Psalm 146

verkondiging:  Psalm 146: 5

zingen:    Gz. 21: 2,3,7  LB

gebed

collecte

geloofsbelijdenis

zingen:    Ps. 84: 5,6  GK

zegen

amen:   NLB 416 ‘Ga met God en Hij zal met je zijn’

Zondag 6 Heid. Cat.: Alleen een volmaakte Middelaar kan ons compleet redden

Gemeente van Christus, broeders en zusters, jongens en meisjes,

dia 1

Zondag 6 is niet het meest populaire onderdeel van de cate­chismus. Er wordt nogal eens vreemd tegenaan gekeken en zelfs valt men hard heen over wat hier staat. Het klinkt veel mensen te leerstellig en te redeneerderig in de oren. Men hikt ook aan tegen dat woordje ‘moeten’ dat steeds weer terugkomt. Alsof dat de conclusie van ons redeneren is en wat wij in ons hoofd hebben: zus en zo moet de Redder die we nodig hebben, zijn, en zo komen we bij Jezus uit.

En de vraag komt op: wat heb ik nou aan al die beschouwingen, in mijn verdriet en mijn zorgen en mijn narigheid, en gelet op wat allemaal speelt in onze wereld en onze tijd? De wereld van 2015 is toch wel een heel andere dan die van 1563?   dia 2

Ik wil vanmorgen proberen het wat dichter naar ons allemaal toe te brengen, in het licht dat vanuit Leviticus 21 en Hebr.7 valt op de volmaakte Hogepriester Jezus Christus, die ons volkomen redden kan en gered heeft, nu al en eens voorgoed.

dia 3

 Alleen een volmaakte Middelaar kan ons compleet redden.

1. volmaaktheid vereist;

2. volmaaktheid onhaalbaar;

3. volmaaktheid toch mogelijk.

dia 4   1.   de volmaaktheid die door God wordt geëisd. 

  In Lev. 21 lezen we het een en ander aan eisen die God aan de priesters stelde. Ik denk dat u het er allemaal mee eens bent dat het behoorlijk steng was allemaal. Zodat je denkt bij jezelf: is dat niet onmenselijk? Stel je voor dat een dominee vandaag nog aan die eisen zou moeten voldoen,of een ouder­ling! Je zou er niemand voor krijgen. Zo iemand nooit kunnen vinden.

Als we dit hoofdstuk goed lezen, en het dan ook nog verge­lijken met andere gedeelten uit de wetten van Mozes waar het gaat over hoe Gods volk zal leven, dan valt op dat er een opklimming is in strengheid hoe dichter iemand bij de HEER God kwam.

 

De HEER vroeg van álle Israëlieten een leven dat paste bij de omgang met Hem. Dat gold extra streng voor de priesters die in Gods speciale dienst stonden. Die de offers brachten en voor­gingen in de gebeden en die de mensen de zegen meegaven. Het had natuurlijk te maken met de voorbeeldfunctie die ze hadden. Goed voorgaan doet goed volgen.

Maar er is vooral in Lev.21 dat andere: hoe dichter bij de HEER, hoe nauwer het luistert. God zegt: wees heilig zoals Ik heilig ben.         dia 5

  Allereerst gold dat op het punt van sterven en begraven en rouwen. Iets dat natuurlijk in ieders leven heel gevoelig ligt. Zodat wat in Lev. 21 staat, hard en ongevoelig kan overkomen. Je bent geneigd te denken: nou, nou, zo’n priester was toch ook een mens? Waarom dan wat een taboe lijkt op alles wat met sterven en begraven te maken heeft?We moeten dat zien in het licht van wat de bijbel over de dood zegt. Elke Israëliet wist dat de dood onrein maakte. Ongeschikt om in het heiligdom van God te komen, zonder dat eerst grote schoonmaak gehouden was.

Priesters moesten daarom zich ver houden van een gestorvene, met als enige uitzondering als het om een naaste familielid ging die nog in hetzelfde huis woonde, zodat je er niet omheen kon. Voor de hogepriester waren de eisen nog strenger. Die mocht helemaal niet bij een dode komen, zelfs niet als het z’n eigen vader of moeder was! Voor condoleren en begraven mocht hij het heiligdom niet verlaten.  dia 6

Ook als het om uitingen van verdriet en rouw ging, golden beperkende bepalingen. De HEER verbood zijn volk het overnemen van heidense rouwgebrui­ken. De eisen die aan priesters gesteld werden, waren stren­ger: geen kale plek maken op het hoofd , en niet de rand van de baard wegscheren, als teken van rouw. De hogepriester was aan nóg weer strengere regels gebonden: zijn hoofdhaar zal hij niet los laten hangen en zijn kleren zal hij niet scheuren. Dus ­niet laten merken dat je verdriet hebt en in de rouw bent.

Is dat niet erg strikt? Mag je niet eens rouwen om wie je zo vreselijk mist? Wat hier werd uitgebeeld, dat is dat hoe dichter een mens bij God in de buurt komt, des te nauwer het steekt.  De levende God en de dood, die passen niet bij elkaar. De HEER God wil niet te maken hebben met de dood die door onze zonde in de wereld is gekomen. Geen sprake van dus dat de dood bij het leven hoort, zelfs een goede vriend zou zijn waaraan je niet zo zwaar moet tillen en die zelfs een bevrijding kan zijn. De dood is de laatste vijand die van zijn troon af moet. Dat is juist het reddende evangelie dat onder de oude bede­ling al afgebeeld mocht worden in het leven van Gods knech­ten. God liet toen al zien dat die laatste vijand niet het laatste woord zal hebben.

Ook strenge eisen op een tweede terrein: dat van seksualiteit en huwelijk. De HEER vroeg van heel zijn volk een heilig leven, in en buiten het huwelijk. Denk aan het zevende gebod en aan allerlei bepalingen in de boeken Exodus en Leviticus, tegen overspel en ontucht, en over het leven als getrouwden. Ook hier waren de eisen voor ambtsdragers extra streng. Weer speelt die voorbeeldfunctie mee, en dat is ook nu nog van belang. Terecht worden zonden op dit punt extra zwaar genomen als het gaat om een voorganger die een bepaalde voorbeeldfunctie heeft en extra moet waken tegen misbruik van zijn positie en het over de grenzen van anderen en van zichzelf gaan – er is zelfs een meldpunt voor in de kerken.

Maar ook hier komt erbij dat de Here in zijn nabijheid niet kan accep­teren wat vuil is door een zondig gedrag of door een besmet verleden. Een priester mocht niet trouwen met een vrouw die in ontucht had geleefd of verkracht was, of een vrouw die door haar man was verstoten.

Een hogepriester mocht zelfs niet met een weduwe trouwen; alleen met een vrouw die maagd was. Zo moesten de voorgangers de heiligheid die de Here vroeg, in hun eigen leven, ook in hun eigen huwelijk, afbeel­den en voorle­ven. God eist volmaakte dienst, over heel de linie.

Juist daarom – een derde en laatste aspect – kon maar niet iedereen dienst doen in het heiligdom. Ook niet als je tot de familie van Aäron hoorde, zelfs niet als je onbesproken was van leer en leven. Je moest ook nog gezond van lijf en leden zijn.

De HEER stelde op dat punt eisen die op ons vreemd en zelfs discriminerend zullen overkomen. In een tijd waarin we terecht werken aan een volwaardige plaats van gehandicapten in de maatschappij en dan zeker ook in de kerk fronsen we onze wenkbrauwen als we Leviticus 21 lezen. Iemand met een lichamelijk gebrek mocht niet als priester dienst doen.  Uitgesloten waren mensen die blind waren of kreupel, iemand met een geschonden of misvormde neus, iemand die een gebroken arm of been had gehad, iemand met een bochel,iemand die lidtekens had als gevolg van een oog- of een huid­ziekte. Zulke mensen mochten wel van de offers eten – zeg maar ze mochten wel aan het avondmaal – maar geen ambt bekleden.       dia 7

Nee, dat was niet omdat God zulke mensen afstootte. Het was niet omdat de Here op mensen met een handicap neerkeek of ze als minderwaardig geen plaats gunde onder zijn volk. De HEER liet zien dat Hij volmaaktheid vraagt van wie dichtbij Hem zijn. Zijn dienst moest zonder gebreken worden verricht, tot in de puntjes en puntgaaf. Alleen dan kan een mens omgaan met de heilige God en er het leven van afbrengen. God had speciaal mensen aangewezen om voor heel het volk offers te brengen om zo voor hun schuld en zonden te betalen. We kunnen de pries­ters zien als de middelaars van toen. Zij moesten in plaats van heel het volk voldoen aan de eisen die de Here stelde. Zij brachten offers ter voldoening en verzoening. En ze beeldden in hun leven de gaafheid en heilig­heid af die passen bij de dienst van de Here.

En ook dat er afstand is tussen de heilige God en onheilige, onvolmaakte mensen – want zelfs die priesters die aan zulke strenge eisen moesten voldoen, mochten niet in het allerheiligste komen waar de ark was. Dat mocht alleen de hogepriester, en dat alleen die ene dag in het jaar, de Grote Verzoendag, en ook alleen om bloed te sprenkelen in en op die ark – om schoon te maken wat door de zonde vervuild was.

De grote Midde­laar, de volmaakte Hoge­priester wierp zijn schaduw al eeuwen en eeuwen vooruit.

dia 8  2. de vereiste volmaaktheid wordt niet gehaald.

  Daar zouden uit de praktijk zoals die uit het OT zelf naar ons toekomt, genoeg voorbeelden van zijn te geven.

In Hebr.7 wordt de conclusie ononwonden getrokken: zoveel eeuwen pries­ter­dienst en offerdienst heeft niet het volmaakte opgeleverd. Nooit konden de hogepriester en de andere pries­ters zeggen: het is volbracht, nu is ons werk echt klaar, af! Elke dag waren weer nieuwe offers nodig. Ieder jaar moest er weer een grote Verzoendag komen. Wel is in de priesters al iets te zien van de grote Hogepriester en van zijn werk, maar ook niet meer dan dat. Ook de priesters en de hogepries­ter waren zondi­ge mensen, die eerst voor hun eigen zonden offers moesten bren­gen. Ze konden ook, net als iedereen, ziek wor­den.Vroeger of later maakt de dood een eind aan hun dien­st, Ze waren, lazen we in Hb.7, net als alle andere mensen, met zwakheid behept.

Terwijl toch de Middelaar, de Redder die we nodig hebben, een rechtvaardig mens moet zijn. Een mens die vrij is van de zonde. Die de wil van God zonder mankeren doet, voor 100%. Hebr.7 zegt: heilig, zonder schuld of smet. En die niet voor een tijdje Redder is, maar het altijd blijft. Bestand tegen de dood. Om voor altijd te redden die zich aan Hem toevertrou­wen.

U weet wel: aan die zware eisen kon geen enkele priester of hogepriester voldoen. Geen mens kan dat. En een mens die zelf zondaar is, kan niet voor anderen betalen. Kan niet eens zichzelf bevrijden van de zonde en van de gevolgen er­van. Ze werden, staat erbij in Hebr. 7, door de dood verhinderd in dienst te blijven. Hun werk werd overgenomen door anderen.

Zo ging het door, van de ene generatie op de andere. Einde­loos. Niet één kon de dood de baas worden. Kon die dood over­winnen. Niet één was er die anderen kon redden van de dood.

We zagen hoe die oudtestamentische hogepriesters uit de buurt ­moesten blijven van alles wat maar riekte naar de dood. De dood die z’n bestaan en z’n macht te danken heeft aan de macht van de zonde. Die pas wordt overwonnen, als de zonde overwon­nen is en de schuld van ons mensen bij God is afbe­taald. Dat werd afgebeeld in die priesters die zich niet met de dood mochten verontreinigen. Als teken dat God de dood niet wil. God wil de macht van de dood verbreken, Hij is de God van het leven!   dia 9 

Gemeente, maar op Gods tijd werden ook die priesters en die hogepriesters door diezelfde dood gepakt. Strekte de dood z’n klauwen ook uit naar de middelaars die God had gegeven. Zij konden niet voor altijd de dood uit de buurt blijven. Deze vijand was ook hun te sterk. Zo leerde de Here zijn volk het ook niet van deze mensen te verwachten. Hij leerde hen te wachten, uit te kijken naar die Ander, die wel volkomen zou kunnen redden wie via Hem tot God gaan. Die wel zeggen kon, en ook heeft gezegd: Het is volbracht! het doel is bereikt! Alleen die volmaakte Hogepriester kan ons compleet redden.

dia 10  3. Zo wordt de volmaaktheid die God vraagt, toch mogelijk. 

  God heeft daar zelf voor gezorgd. Wie anders kon dat ook? De schrijver van de brief aan de Hebreeën maakt het wel erg duidelijk: ook de priesters van de familie Aäron hebben de volmaaktheid niet gebracht. Konden dat ook niet bewerken.

Maar wat heeft God toen gedaan? God heeft zelf een hogepriester gegeven die ver boven al zijn voorgangers uitstak. Die niet met hen te vergelijken was. Jezus is de volmaakte Middelaar. Dat is Hij ook niet geworden via normale afstamming. Hij had volgens de normale regels niet eens recht op dat ambt. Onze Heer stamt naar de mens gesproken van Juda af, niet van de stam Levi en de familie van Aäron. Juist dat laat zien dat een speciale ingreep van God uit nodig was. De HEER gaf zijn Zoon Jezus zijn ambt, door een apart koninklijk besluit, en met een eed erop.

Hoor maar de oude psalm die daarin vervuld werd: de HEER heeft gezworen en het zal Hem niet berouwen: u bent priester voor altijd. Die ook nog koning is, op Davids troon.

Jezus is de Hogepriester die we nodig hadden, in  alles gelijk aan ons, maar niet op het punt van de zonde. Die heilig is, zonder schuld of smet, gescheiden van de zondaars. Die niet hoeft te offeren voor z’n eigen zonden. Die zich offerde voor onze schuld, en dat eens voor altijd.

Zijn offer had zoveel kracht dat Hij ook de dood kon overwinnen. Hij kan ons volkomen redden, zonder dat de dood hem dat onmogelijk maakt. Hij neemt ook onze ziekten op zich en onze handicaps. Hij heiligt ons leven, ook onze seksualiteit en onze huwelij­ken, door het offer van zijn leven en door zijn Heilige Geest.

Zelfs zo dat onder in het NT alle gelovigen priesters worden genoemd en priesteressen, zoals in 1 Petrus 2:6: “Vorm een heilige priesterschap, om geestelijke offers te brengen”. En in Openbaring 1: 6 lezen we over Jezus: “Hij heeft van ons een volk van priesters gemaakt, zodat wij God de Vader kunnen dienen”.

Daarvoor hebben we Heilige Geest gekregen die ons helpt in het vechten tegen alles wat onheilig maakt en weer afstand veroorzaakt tussen God en ons – en die ons helpt om te groeien in ons geloof en in een leven dat we toewijden aan de Heer en aan elkaar. Zoals Paulus ons ertoe aanspoort in Rom. 12: “Geef jezelf als een geschenk aan God. Laat je leven een offer zijn dat God graag wil aannemen. Dat betekent: leef als mensen die bij God horen. Want dat is de juiste manier om God te vereren”. Zo krijgt handen en voeten wat de rode draad was en blijft in het omgaan van de heilige God met ons mensen: Wees heilig- steeds meer – zoals  Ik ben. En ook – in de Bergrede – wees volmaakt, zoals je hemelse Vader volmaakt is. Groei naar Hem toe, door achter Jezus aan te gaan, zijn voorbeeld te volgen, als nu al het begin van Gods nieuwe schepping. dia 11

Kijk, en dan vallen al die onderscheidingen weg, ook die uit de wetten van Leviticus 21. Is er door het offer van Jezus en dankzij zijn schoonmaak van ons leven bij Hem plaats voor iedereen, ook voor mensen met een lichamelijke of verstandelijke beperking, voor mensen met een moeilijk karakter, ook voor wie veel verknoeid heeft in z’n leven, ook voor wie het vaak helemaal niet meer ziet zitten, voor wie maatschappelijk in de knel zitten en niet in tel zijn, voor wie in onze ogen apart zijn…

We mogen geloven dat de God die zijn eigen Zoon niet heeft gespaard maar Hem voor ons zondige mensen tot in de dood heeft prijsgegeven, ons – en al die anderen -met Hem alle dingen schenken zal. Alle dingen: eeuwig leven, waar de dood niet meer tussen komt; een volstrekt heilig leven, zonder vlek of deuk; en dat in een volmaakt gaaf lichaam en met een geest die weer puntgaaf is.

Van die toekomst gaan we zingen: Hij – onze God en Vader – hij bouwt de stad (nu al!), door Hem verkoren, het volk dat nu nog in ballingschap is verloren, brengt Hij samen, heelt hun won­den, hoezeer hun harten zijn geschonden. Sjaloom! Vrede!

amen

 

dia 12

 

vragen:   *  merk je al iets van die nieuwe schepping?

 

*  hoe zou je kunnen groeien naar volmaaktheid?

 

 

 

liturgie morgendienst

votum en groet

zingen:  Ps. 34: 1,5

wet van God Leviticus 19

zingen:  Gz. 9 (1,2,3)

gebed

Schriftlezing: Leviticus 21

zingen:  Ps. 135: 1,11

Schriftlezing: Hebr. 7: 11-28

zingen: Ps. 110: 4 

preek over zondag 6 H.C.

zingen: Ps. 147: 1,5

gebed

collecte

zingen:    Ps. 134 (1,2,3)

zegen

amen:     Gz. 144: 7

Matteüs 7: 24-27: Verstandig bouwen is veilig wonen (nieuwjaarsdienst)

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Je eigen huis bouwen. Dat kunnen in Nederland maar weinig mensen. Bouwen, daar zijn aannemers voor, bouwbedrijven, en vooral: veel regels. Je kunt soms wel veel eigen wensen inbrengen, en zelf veel mee-klussen. Sommigen onder ons hebben er ervaring mee, zijn er zelfs deze weken druk mee bezig.

Maar meestal koop of huur je een bestaand huis, of een nieuw te bouwen huis. En dat moet aan allerlei eisen voldoen, en dat is ook wel zo makkelijk – en veilig. B.v. dat er eerst een goede fundering gelegd wordt, met beton en vaak ook palen.

In andere landen gaat dat vaak heel anders en ook veel sneller en makkelijker. B.v. dat iedereen op het stukje grond dat hij heeft of kan bemachtigen, naar eigen smaak en net naar dat er geld is, een huis bouwt, of een huisje, of een krotje. Rijke mensen kunnen groot en luxe en stevig bouwen terwijl arme mensen met wat golfplaten en hout iets neerzetten dat bij de eerste de beste storm of aardbeving in elkaar kan storten. En er zijn ook heel wat aannemers die vooral op de winst letten en niet op de kwaliteit.  Wat in landen met veel orkanen of aardbevingen heel wat slachtoffers en schade oplevert.

Dan snap je beter dat voorbeeld dat Jezus gebruikt aan het eind van zijn bergrede,over die twee mannen die alle twee hun eigen  huis hadden gebouwd, de een stevig de andere niet. In het land Israël was in die tijd bouwen op zand niet slim want als dat zand weg woei of weg spoelde, ging alles verzakken en bleef er van zo’n huis niet meer over dan wat puin. Terwijl als je dieper groef tot op de harde ondergrond van een rotsbodem je huis heel wat stootjes kon hebben, omdat er een goede fundering onder lag, zodat het huis niet instortte.

Vergelijk het met Nederland waar je hoe slapper de bodem des te meer moet doen om een goede fundering te leggen: veengrond b.v. is veel slapper dan klei of een zandbodem. En in ons waterrijke land moet je ook rekenen met betonrot en paalrot, terwijl ze in het  noorden steeds meer schade hebben door aardbevingen als gevolg van de gaswinning. Heel wat huizen en boerderijen zijn daar niet op berekend, omdat toen die zijn gebouwd nooit is gedacht dat ooit daar aardbevingsgevaar zou zijn met alle schade die er nu is.

Waar het onze Heer om gaat als hij dat voorbeeld gebruikt van het bouwen van een huis, dat is hoe mensen in het leven staan en omgaan met wat in een leven je kan overkomen.  En dat gaat natuurlijk op voor elk mens, ook voor u en jou en mij, in ons land, en in 2015. We zijn allemaal bezig om als het ware aan ons levenshuis te bouwen, of we nu voor een nieuwe fase staan in ons leven, of dat we voor ons gevoel verder gaan met waar we het vorige jaar mee bezig waren of aan zijn begonnen: je studie, je baan, je solliciteren,  je verkering, je huwelijk en gezin, dat nieuwe huis dat ze voor je aan het bouwen zijn, het weer opnieuw invullen van je tijd als gepensioneerde, of hoe we samen verder willen en kunnen als kerk.

Je kunt zeggen dat het hele leven is als een huis dat mensen voor zichzelf bouwen, om er zelf in te leven maar ook om dat samen te doen, als gemeente, en als samenleving. Zo vergelijkt Paulus de gemeente met een aan de Heer gewijde tempel waar de Geest van God woont, en schrijft hij ook dat je het bouwen van de gemeente met het bouwen van een huis kunt vergelijken, met als fundament Jezus zelf: zijn woorden, zijn geboden, zijn beloften en zijn waarschuwingen. En we hebben gezongen over je (levens)huis bouwen met Gods hulp, of zonder Hem: “Als de Heer niet helpt bij het bouwen van een huis, dan heeft het geen zin, ook al doen de bouwers hun best. Als de Heer niet helpt bij het verdedigen van een stad, dan heeft het geen zin, ook al letten de bewakers goed op. Je kunt wel hard werken, van de vroege ochtend tot de late avond, maar dat heeft geen zin. Want de Heer zrogt vopor je. Hij geeft je een goed leven, uit liefde, Je hoeft er niets voor te doen”.  (Psalm 127 in de BGT).

Natuurlijk moet je wel bezig zijn, vaak hard werken zelfs, hard studeren, investeren -en samen kerk zijn gaat ook niet vanzelf. Dat vraagt luisteren naar elkaar en praten met elkaar, en plannen maken, en dingen samen doen, en het kost ook het nodige geld.

Maar, als het daarbij blijft en we denken het daarmee te redden, dan heeft het als het erop aan komt geen zin, dan is het zomaar een huis dat op drijfzand gebouwd is, endat dus als het gaat stormen in je leven of als de kerk onder druk staat, het niet houdt, niet duurzaam is, maar zomaar als een kaartenhuis in elkaar zakt, hoe mooi het er ook aan de buitenkant uitzag, en hoeveel tijd en energie en geld er ook in zijn gestopt.

In rustige tijden kun je het nog een poosje volhouden en denken dat het heel wat lijkt,maar als het erop aan komt, als er tegenslagen komen, spanningen, conflicten, dan blijkt hoe diep het zit bij een mens: wat je drive is, je overtuigingen zijn, hoe groot of klein je vertrouwen is , je geloof, hoe sterk onze verbondenheid is met God, ons willen volgen van Jezus, ons vol zijn van Gods liefde of ons vol zijn met onszelf. En: of die gemeente een huis is met levende stenen die gehecht zijn aan elkaar door het cement van echte liefde, of een hoop los zand dat zomaar alle kanten op waait bij de eerste de beste windvlaag.

We moeten wat Jezus in die slotverzen van de Bergrede dan wel goed lezen. Want we zijn geneigd gauw te denken in de tegenstelling van wel of niet gelovig zijn, van wij in de kerk – die bouwen op Jezus en zijn woorden – en ‘die anderen buiten’ die hun levenshuis bouwen zonder God en zonder bijbel en kerk en zonder te bidden.

Het is waar dat dit verhaal daar ook wel wat over zegt, juist door wat er niet staat. B.v. dat of je leven staat als een huis, niet wordt bepaald door of je het zoals wel wordt gezegd ‘gemaakt’ hebt in het leven, of je een geslaagde zakenman bent geweest, of je in een duur huis hebt gewoond, of je alles hebt bereikt wat je jezelf als ideaal had gesteld – terwijl je levenshuis zou zijn ingestort als je ontslagen wordt of je gezondheid je in de steek laat en je nooit je dromen hebt kunnen realiseren.

We hoorden Jezus juist zeggen dat dat een wereldse manier van denken en leven is en dat in die andere wereld van God heel andere maatstaven gelden: “houd je bezig met Gods nieuwe wereld en doe wat God van je vraagt”. Dan komt het ook met de rest wel goed – dat is die psalm: de Heer zorgt voor je, ook dan, en altijd. Juist daar blijkt uit waarop je levenshuis is gebouwd: op God als rots, of op het drijfzand van je eigen ambities, verdienmodellen, status, banksaldo, targets….

Maar kijk dan niet meteen naar die anderen, want dan doen we precies waar onze wijze leermeester Jezus zijn hoorders toen en dus ook ons voor waarschuwt. Hij heeft het niet tegen of over wie toen heidenen genoemd werden, maar over mensen die – in zijn eigen woorden – “wel mijn woorden horen maar ze niet doen”. Dat gaat dus over mensen die God kennen, die bijbel lezen en preken horen, die misschien wel – lees vers 21 ‘Heer, Heer’ zeggen, in hun bidden en in hun zingen – maar niet doen wat Jezus van hen vraagt, en Vader in de hemel graag wil zien.

Dat gaat dus over oppervlakkig christen zijn, over voor de vorm en uit gewoonte, zonder dat je echt verankerd bent in Jezus als je Heer en God als je Schepper en je Vader, zonder zoals Paulus schrijft, geworteld en gegrondvest te zijn in de liefde van God en de liefde van mij voor God en voor andere mensen – je weet wat Paulus daarover schreef: als ik die liefde niet heb, is alles zinloos: mijn grote woorden, mijn mooie liederen, mijn bijbelkennis en scherpe inzicht, mijn in eigen ogen en die van anderen sterke geloof,mijn giften aan de kerk en voor goede doelen…

Om in het beeld te blijven: hoe diep zit het, waar staan we, waar bouwen we op?

Als de Heer het over bouwen van een huis heeft, is dat meer dan ons eigen huisje-boompje-beestje, zorgen dat we houden wat we hebben en liefst nog een beetje meer en een beetje beter, ook niet dat we zorgen dat ‘onze kerk’ zal overleven. Wat Jezus daarover heeft gezegd, staat er haaks op: “ieder die zijn leven wil behouden zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest – bereid is het op te geven – omwille van Mij, zal het behouden” – dat eigen leventje hier en nu is dat huis dat op zand is gebouwd – een zandkasteel of kaartenhuis dat het niet houden zal -en het leven dat je wint als je jezelf aan Jezus verliest, staat als een huis dat de stormen die op je afkomen doorstaan en zelfs tegen het laatste oordeel bestand is.

Dat zul je merken als je leven een huis is waar Jezus in kan en wil wonen, waar Gods Geest je vult met Gods liefde – en waar ook anderen graag bij willen horen.

Lees er dus niet overheen wat maakt of je leven goed of slecht gefundeerd blijkt. Dat maakt Jezus zelf heel erg duidelijk: wat je met zijn woorden doet, of niet. En dan staat er ook speciaal bij: “deze woorden van Mij” – dat zijn de woorden van de Bergrede. Met als rode draad die kerntekst van boven alles het zoeken van Gods koninkrijk, en dat niet alleen maar gericht op de toekomst maar hier en nu al zo leven, en daarom de woorden van Jezus serieus nemen als bouwstenen voor je levenshuis.

Ik las: “dat zou best een goed voornemen kunnen zijn voor de komende tijd: Jezus’ woorden niet opzij leggen (voor kennisgeving aannemen) maar accepteren als stenen om op te bouwen” – en dat geldt dan voor mijn eigen houding, voor mijn gezin, mijn werk, en ook voor de omgang met elkaar en met anderen om me heen. Heel concreet  (lees de Bergrede): elkaar liefhebben en respecteren en willen dienen, ook die mensen die je niet liggen of waar je het vaak niet mee eens bent; willen delen met anderen die minder hebben; elkaar willen vergeven; niet alles inzetten op geld, winst, carrière; niet andere oordelen of veroordelen; en niet koste wat kost alles in de grip willen houden maar durven loslaten en je aan God toevertrouwen.

Dat geeft ook vaste grond onder de voeten en maakt dat we niet – staat ook in de bijbel -”stuurloos ronddobberen en met elke wind meewaaien”, op en neer en heen en weer geslingerd door wat mensen van je verwachten of door weer de volgende hype of trend.

Als je leven gefundeerd is op die liefde van God in Jezus – geworteld zoals die boom van Psalm 1 – ga je niet meteen omver maar kun je heel wat aan, en is er groei, opbouw.

Kort en goed: niet alleen maar weten hoe het zou moeten en dat dan vooral voor anderen, en ook niet de woorden van Jezus horen voor anderen en toepassen op anderen, maar jezelf laten aanspreken en laten bemoedigen en laten corrigeren, en ook open te staan voor de feedback en de kritiek van anderen, en vooral zelf vaak kijken in de spiegel van Gods woorden en van de woorden van Jezus – als geworteld en gefundeerd in zijn liefde.

Die schrijver van wie ik net een uitspraak aanhaalde geeft er het advies bij om klein te beginnen, niet meteen je van alles voor te nemen voor een heel jaar – wat gauw in onze ogen onhaalbaar is, zodat we er niet eens aan beginnen – wat ook vaak de reactie is als je de bergrede leest of er over hoort preken: dat kan toch geen mens, zeker ik niet.

Vandaar het advies om van zondag tot zondag te leven: “Elke week, op de eerste dag, horen we van Gods goede voornemens met ons. Om er zes dagen lang op te teren. Op de zondag spreken we af – dat is onze godsdienstoefening – dat we in de dagen die komen zullen bouwen op de stenen die ons aangereikt worden”. Is dat niet een goed voornemen?

Zullen we dat samen – en vooral met onze Heer – afspreken: van zondag tot zondag aan het werk met de bouwstenen die ons worden aangereikt – en zo bouwen aan Gods eigen huis.

                                                                amen

vraag:

Wat zou je concreet willen doen om je (levens)huis stevig en bewoonbaar te maken? En wat betekent dat voor ons als gemeente?

 ————————————————————————————————–

liturgie nieuwjaarsdienst

 

votum en groet

zingen:   Ps. 127: 1,2

Gods leefregels

zingen:   Ps. 1: 1,2,3

gebed

Schriftlezing: Matt. 6: 24-34

zingen:   Lied 326; 1,3,4

verkondiging: Matt. 7: 24-27

zingen:   NLB 905 (1-4) 

gebed

collecte

zingen:    Ps. 89: 1,7

zegen

Psalm 73: Geloven tegen de klippen op (oudejaarsdienst 31 december 2014)

Gemeente van onze Heer Jezus Christus, u en jullie, nog jong of al ouder,

2014 is al weer bijna geschiedenis, een veelbewogen jaar dichtbij en ver weg.

Ver weg en toch dichtbij was er die vreselijke ramp met dat vliegtuig in Ukraine.Verder weg was er Egypte met geweld, Syrië en Irak met IS, met veel slachtoffers en vluchtelingen; en in West-Afrika de ebola-uitbraak met veel zieken en ook veel doden. En heel dichtbij was er die ziekte, dat verlies van vader of moeder, broer of zus, vrienden. Voor ons als gemeente was er het ziek zijn en kort geleden het sterven van zr Alie Engler.

Natuurlijk denken we aan ook onze zieken die regelmatig een plek hebben in onze gebeden, aan huwelijken en gezinnen met spanningen en breuken, aan wie werkloos zijn geworden, maar ook aan mooie dingen als huwelijken, geboorte, jubilea, verjaardagen, slagen voor een examen – en aan wat zo gewoon lijkt maar zegen is: eten, drinken, kleren, medicijnen;  werken, naar school gaan, vakantie…

Het is vaak dubbel, en dwars door elkaar heen, en de een lijkt veel meer te verstouwen te krijgen dan de ander – en dan maakt het niet uit of je christen bent of er heel anders in staat. Soms lijken juist mensen die goed bezig zijn en het goede willen voor anderen, en mensen die extra kwetsbaar zijn of die toch al harde klappen gekregen hebben, de dupe te worden: hulpverleners in oorlogsgebieden of in landen met ebola, vrouwen en kinderen, iemand die neergeschoten wordt omdat ze hem voor een crimineel aanzien, vliegtuigpassagiers op weg naar een vakantie..

Terwijl aan de andere kant daders niet opgepakt en gestraft worden, fraudeurs en oplichters jarenlang hun gang kunnen gaan, en de benadeelden jarenlang de gevolgen ondervinden. Het boek Prediker heeft oog voor die  scheve verhoudingen: “eerlijke mensen krijgen een slecht leven, en slechte mensen krijgen een goed leven; ik vind dat allemaal zo zinloos”  (8:14) En: “Ik zag dat er veel geweld is in de wereld. Ik zag de tranen van de mensen die onderdrukt worden. Niemand troost hen” (4: 1). En ook: “Mensen met macht worden vaak beschermd door mensen met meer macht. En zij worden weer beschermd door mensen die nog machtiger zijn.” (5:7)  Veel dat krom is en oneerlijk en dat je niet zomaar recht kunt buigen.

Daar gaat het over in die psalm die we hebben gelezen en waar het over gaat vanavond.

 Geloven tegen de klip­pen op

1. geloofscrisis   (vs.1-14)

2. geloofsoefening (vs.15-24)

3. geloofskeus     (vs.25-28).

 

 1.Geloven tegen de klippen op.  We stuiten op een geloofscri­sis.

De psalm zet in met een stevige uitspraak: God is goed voor Israël, goed voor zijn volk. Nog wat precieser: voor die mensen die uit overtuiging voor de Heer kiezen  en Hem willen volgen;  die in hun leven van elke dag met God rekenen en het goede zoeken voor anderen. Dan mag je de zegen van de Heer verwachten in je leven. Dan gaat het je goed.

En andersom: wie zich van de Heer en zijn leefregels niets aan­trekt, heeft geen toekomst. Wat hij opgebouwd heeft, mislukt, en als hij doodgaat, houdt hij niets en niemand over.

Nou dat is een mooi principe, een hoopvol perspectief, maar dan de praktijk van elke dag! Wat een schrik als dat heldere stevige leerstuk helemaal niet blijkt te kloppen! Daar wordt die geloofscrisis door veroorzaakt in deze psalm. Is geloven dan toch je op glad ijs wagen, inplaats dat je vaste grond onder de voeten hebt? Ik was bijna uitgegle­den, zegt de dichter achter­af: “toch begon ik te ontsporen”. Zomaar kopje onderge­gaan in de donkere diepte van hartgrondige twijfel, juist aan die goed­heid van God voor mensen die Hem dienen:  “ik had het zicht op God verloren”.

Ja, want wat zie je om je heen gebeuren? Toen al? Nu nog? Nou, kwaad dat niet gestraft wordt maar lijkt te lonen. Mensen die zich helemaal niks aan God gelegen laten liggen en over iedereen heen walsen, en toch een best leven hebben. Het makkelijker hebben dat wie gelooft.

Als je om je heen kijkt, lijkt het helemaal geen verschil te maken, of je in God gelooft of niet, of je wel of niet in de bijbel leest en bidt of niet, of je hoopt op leven na dit leven, of niet. Het leven hangt toch van toevalligheden aan el­kaar. Je moet gewoon je best doen en een beetje geluk heb­ben. Ja, en iedereen kan ziek worden en elk mens gaat een keer dood. En als je het dan hebt over God, kan gebeuren wat we net zongen:  Alle nachten, alle dagen eet ik niets dan tranenbrood, want ik hoor hoe zij mij vragen: ‘Is die God van jou soms dood?’

Gemeente, deze psalm zou vandaag gedicht kunnen zijn. Hoor maar in vs. 11 waarin hardop gezegd wordt: God in de hemel? O, die merkt toch niet wat hier gebeurt. Als er al een God is, Hij doet er in elk geval niets aan. En als je eerlijk op je af laat komen wat allemaal gebeurt, ook gebeurd is in 2014 en wel zal doorgaan in 2015, heb je weinig weerwoord tegen die skepsis en die twijfels; sta je je vaak met je mond van tanden, als je soms hartverscheurende verhalen hoort over wat mensen moeten meemaken aan ellende.

Dan kan de twijfel toeslaan als je wilt blijven geloven:   God is goed voor wie zijn weg willen gaan, trouw en conse­quent. Het zijn mooie woorden, maar de werkelijkheid lijkt  zo an­ders. Niet alleen dat mensen die niet geloven het vaak goed voor elkaar hebben, en makkelijker leven dan mensen die wel geloven, er komt nog bij dat gelovige mensen het juist vaak heel beroerd hebben. De waaroms kunnen levensgroot zijn: waar heb ik dat nou aan verdiend, waarom doet God het nou zo in m’n leven? Waarom moeten die vreselijke dingen ons nou overkomen, ‘Heer, “waarom komt en redt U niet?” Vragen…vragen… En antwoorden komen niet.

Zomaar komt je geloof onder hoogspanning. Ga je denken: heb ik dan voor niks de Heer gediend? Is dat nou wat geloven me oplevert? Is het de moeite wel waard te blijven geloven? Je zou haast jaloers worden op die anderen die zoveel makke­lij­ker leven en die het nog voor de wind gaat ook? Moet je niet eer­lijk zijn en toegeven dat je er niets mee opschiet? Dat al die grote verhalen hun tijd gehad hebben, of je nou wil of niet..   Geloven tegen de klippen op – of is de schipbreuk al een feit?

2. Geloven tegen de klippen op -we mogen een oefe­ning in geloven meebeleven.

Het geloof van de dichter lijdt merkwaardig genoeg – en gelukkig maar! – toch geen schip­breuk.   De wending komt in vers 15. Een heel merkwaardige wending in het denken en praten van deze man is dat eigenlijk. Laten we luisteren naar wat hij zegt. Naar wat hij later vertelt over o­ver wat hem heeft tegengehouden alles over boord te zet­ten: zijn geloof, de kerk, en zelfs God. Waarom kwam het daar uiteindelijk toch niet van? Is de man die diepe crisis in zijn relatie met God en met het geloof, toch te boven gekomen?

Nou, dat is in eerste instantie te danken aan het feit dat hij er niet toe kon komen zijn mede-gelovigen los te laten! Het is de zegen van wat verbondenheid  betekenen kan! De dichter keek om zich heen – in de tempel, in de kerk – en hij zag ze zitten: die mannen en die vrouwen, die jongens en die meisjes. En het schoot door hem heen: waar ben ik mee bezig? Als ik zo blijf denken en praten, dan pleeg ik verraad aan mijn volk, aan mijn broers en zussen. Dan raak ik niet alleen God kwijt, maar snijd ik ook de banden door met wie van God zijn. Zoals breken met je geloof en met de kerk ook zo vaak verwijde­ring betekent van mensen die veel voor je zijn gaan betekenen. Trouwens ook als je om wat voor reden een ander kerkelijk onderdak zoekt, ieder zijn weg gaat. Zomaar wordt uit het oog uit het hart. Ook al is goed als kerk te proberen wie gingen in beeld te houden en vooral in je hart een plek te blijven geven, de praktijk is weerbarstig en wat als wie gingen hun hart afsluiten…?

Veel ingrijpender is dat dan verlies van wat sociale contac­ten. Het is ook dit: als het zo zou zijn als Asaf steeds meer ging denken, dan zou dat ook voor al die anderen gelden. En dan zie je ze zitten: dat gezin dat juist in verdriet en zorg zoveel steun aan het geloof heeft, die weduwe die haar man zo mist maar ervaart dat God bij haar is, die jongeren die met al hun vragen en tussen vrienden die aan ze trekken, toch willen  blijven geloven in God, die ouders die met vallen en opstaan hun kinderen vanuit hun geloof proberen op te voeden, die christen-studenten die ook met hun verstand en in hun wetenschap God willen liefhebben en dienen. Kies je dan tegen God, haak je af, dan laat je ook al die anderen los. En je maakt jezelf wijs dat jij het alleen wel redt, en dat zij zonder jou het wel redden. Terwijl we elkaar juist zo nodig hebben: niet om elkaar na te praten en elkaar vast te pinnen op hoe het zit en hoe het hoort, maar om samen te zoeken naar het plan en naar de weg van onze Heer.,

Gemeente, daar schrok de dichter van deze psalm van, en daar schrok hij voor terug. Het gaf hem de stoot terug in de goede  richting. Hij ging weer mee naar de tempel, naar de kerk. Hij ging des te intensiever bijbel lezen en mediteren. Hij ging weer bidden. En ging in gesprek met zijn geloofsgenoten. Naar wat die andere psalm aanbeveelt: “Waarom, ziel, zo aangeslagen,waarom bang en rusteloos? Hoop op God, stel Hem je vragen”.

Kijk, en toen ging hem een licht op. Hét licht. Nee, niet dat de moeiten over waren. Dat alle vragen opgelost wer­den. Proberen alles te begrijpen, dat bleef tobben. Dat lukt niet. En toch komt er wel een antwoord. De Heer leert dan namelijk door de schijn heen kijken. Verder kijken dan het hier en nu.

Dan ontdek je waar het op uitloopt met wie los van God en op zichzelf hun weg gaan. Dat het wel lijken kan of het niet meer stuk kan, maar dat het in werkelijkheid anders is: je blijft met lege handen achter, je staat er alleen voor en je houdt niks over. Je mist je bestemming.

Goddelozen, leert de bijbel en ook de ervaring, hebben geen vrede. En dan zijn goddelozen in de bijbel geen atheïsten en ook geen twijfelaars maar dat zijn mensen die misschien met mooie vrome woorden zonder en tegen God in leven, die geen boodschap hebben aan dat goede leven van God liefhebben boven al en de ander als jezelf. Dan eindig je ‘vruchteloos’.

Gemeente, daar past geen leedvermaak bij. Je huivert als je eraan denkt: mensen die een carrière hebben opgebouwd die klonk als een klok, die geslaagd leken in hun leven, en dan aan het eind bij de puinhopen staan. Met lege handen. Voorgoed alleen. Het is geen reden in de handen te wrijven; net goed. Veelmeer om ons te laten waarschuwen. Want je kunt ook denken recht in de leer te zijn of happy in de Heer, en toch goddeloos bezig zijn. Om niet wat wij hebben op het spel te zetten. Wie ver van U blijven, komen om, staat in vs.27. Je kunt dat ook zo lezen: wie zich van God verwijderen, lopen het doel van hun leven mis.

Denk dus maar niet: wat ben ik slecht af, dat ik met zoveel rekening moet houden en niet gewoon kan doen wat ik vind en voel. Dat ik van mijn ouders over God en Jezus heb gehoord en dat ze me meenemen naar de kerk. Dat ik me houden moet aan wat in de bijbel staat, terwijl ik toch vandaag leef en die bijbel zo’n oud boek is. Begrijpelijk als je jong bent, zulke vragen en kritiek. Je leeft ook vandaag. Maar laat je niet wijsmaken dat je zonder God beter af bent. Luister naar wat die psalmdichter ervaren heeft. Wat hem er bovenop hielp. Dat het namelijk in dit leven voor een kind van God wel heel moeilijk kan zijn, maar dat het een hele rust  is dat God je leven leidt. Dat het dan niet op een grote puin­hoop uitloopt, maar dat het einde goed zal zijn: “ik weet dat U er altijd voor me bent. U houdt mijn hand vast, u leidt me en u geeft me raad. En eens zult u mij bij u nemen”.

3. Geloven tegen de klippen op. Tenslotte: een geloofskeus.

Die keus zou naar wat voorop ging, niet zo moeilijk moeten zijn. De tegenstelling kan niet scherper, tussen hoe het afloopt met wie zonder God hebben geleefd, en wie in de Heer hebben geloofd. Tussen een leven met toekomst en een leven dat stukloopt en doodloopt.

Dat is wel een geloofskeus. Het vraagt vertrouwen, loslaten van waar je zelf zeker van bent en houvast aan probeert te krijgen en het opgeven alles zelf in de grip te willen houden. Het probleem waar deze psalm zo vol van is, is juist dat je niet nu al uit wat je om je heen ziet en zelf ervaart, bewijzen kunt dat het goed komt als je kiest voor de weg van God, achter Jezus aan, en dat je verdwaalt als je het zelf denkt te kunnen uitzoeken en in de grip te kunnen houden. Ook al leert nu al veel ervaring dat in de bijbel heel veel wijsheid te vinden is, waar je voor het leven van elke dag nu al veel winst uit kunt halen. Toch: het komt aan op vertrouwen, op het doen, dat goede leven oefenen. De bijbel zegt trouwens zelf dat geloven zeker zijn is van de dingen waarop je hoopt, en het bewijs van wat je (nog) niet ziet.

Toch is geloven niet een sprong in het duister. Niet je op glad ijs wagen, of schaatsen tussen verrader­lijke wakken door.  Wij hebben Gods eigen woorden. Een bijbel die ons het grote nieuws vertelt van God die ons maakte en ons niet loslaat, en van Jezus die voor onze zonden heeft betaald en die de dood heeft overwonnen en voor ons opkomt. Hij heeft de vloer gelegd onder die geweldi­ge belofte dat God ons zal opnemen in zijn heerlijk­heid. Dat God goed is voor wie Hem verwachten. Daarom hoeven we niet meer te twijfelen. Mogen we geloven en ervaren dat God ons bij de hand pakt en ons op zijn weg houdt. Dat de Heer steunt en troost en nieuwe moed geeft, juist als het moeilijk is. Dat je Hem ook je nood mag klagen en je vragen mag stellen. Dat je het mag gaan ervaren: “God de HEER geeft zijn genade, overdag – en ’s nachts een lied”. Dat je op God mag bouwen, als op een rots.

Dan kijk je zelfs als 2014 een moeilijk jaar was, voor u of jou persoonlijk, voor ons als gemeente, met veel dat speelt in de wereld, toch dankbaar op dat jaat terug. Heer, u was er voor mij en voor ons, elke dag, een heel jaar lang.

En we gaan zonder drempelvrees 2015 binnen: Heer, altijd ben ik veilig bij U, U bent alles wat ik nodig heb….Heer, zult mij beschermen. Ik wil graag dicht bij U zijn, Heer mijn God. Ik vertel over uw goedheid, overal.

Ja en ook met uitzicht, met een hoopvol perspectief:  “want de dag komt- heb geduld – dat je Hem – voorgoed en met al die anderen – prijzen zult. Ik kijk uit naar nieuwe tijden – u ook?  – dat mijn God mij, ons, zijn mensen, zijn schepping zal bevrijden!”

                                                                            amen

 

liturgie oudejaarsdienst 31 december 2014

votum en groet

zingen:                      Lied 305 (1,2)

gebed

zingen:           Ps. 42: 1,2,3   Levensliederen

Schriftlezing:  Psalm 73

zingen:             Ps. 42: 4,5,6   Levensliederen

zingen:                       Ps. 73: 9,10

gebed

collecte

slotzang:        Ps. 121 (1-4)

zegen

amen:            Gz. 165   GK