Zondag 50 Heid. Cat. Als kinderen van Vader in de hemel mogen we bidden en werken met een vérziende blik

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

    Wij mensen hebben maar een beperkt blikveld. Al zijn onze ogen nog zo goed, we kunnen maar een beperkte afstand over ­zien. Hoe verder weg, hoe vager het allemaal wordt. Op een gegeven moment laten onze ogen ons in de steek. Wat achter de horizon ligt, onttrekt zich aan onze blikken.

Al heel lang geleden heeft de mens hulpmiddelen uitgevonden om aan onze nieuwsgie­righeid tegemoet te komen. Verrekijkers halen wat ver weg is heel dichtbij.Er zijn zelfs sterke kijkers – telescopen noemen we ze – om onmete­lijk verre sterren en planeten naar ons toe te halen. Zo krij­gen kort-zichtige mensen een ver-ziende blik. Voor onze ver­baasde ogen gaan nieuwe werelden open. Onze horizon wordt op een ongekende manier verruimd.

Ik moest daaraan denken bij het nadenken over de vierde bede, vanuit Lucas 12 en zondag 50. Is niet Gods Woord ook zo’n verrekij­ker, zo’n telescoop? Moderner gezegd: een eye-opener.

Van huis uit zijn we allemaal kortzich­tige mensen, die niet verder kijken dat dit leven kort of lang is. We maken ons heel druk om vandaag en om morgen: wat zullen we eten en drinken,wat moeten onze kinderen voor kleren hebben voor de winter,hoe krijgen we ons huis op orde,wat voor oplei­ding moet ik kiezen, houd ik mijn baan wel of vind ik weer een baan, hoe gaat het met dat ziekteproces…? Elke dag is er wel weer wat dat ons bezighoudt en zorg geeft. En als we niet uitkijken, kijken we niet verder dan dat.Staren we ons zomaar blind op de mogelijkheden en de moeilijk­heden van hier beneden: hoe blijven we gezond of worden we beter, hoe houden we het hoofd boven water, hoe bezorgen we onze kinderen een goed toekomst? En ook: hoe zorgen we samen voor een veiliger samen­leving en een schoner milieu, hoe zorgen we ervoor dat er ook na ons nog bossen zijn en planten en dieren, hoe kunnen we onze kinderen een wereld nalaten die nog leefbaar is?

Allemaal belangrijke dingen. God veroordeelt dat niet, integendeel. Het is zelfs zijn opdracht: de aarde bewerken en beheren, zorgen voor morgen. Maar wat God nu doet, is onze blik verruimen. Zodat we verder kijken dan vandaag en morgen, en hoger kijken dan de aarde waarop we wonen en werken. Zo gaan we bidden en werken, met een weids vergezicht. We horen Gods boodschap zo:

Als kinderen van Vader in de hemel mogen we bidden en werken met een vérziende blik:

1.vol verwachting kijken we uit naar het Koninkrijk van onze Vader;

2. vol vertrouwen kijken we op naar onze Vader die Koning is.

1. vol verwachting uitkijken naar het Koninkrijk van onze Vader.

Als de Here Jezus het in Lucas 12 heeft over ‘zorgen voor morgen’, dan is er een concrete aanleiding voor zijn onder­wijs. Er was namelijk een man, zomaar iemand uit het publiek, met een vraag. Z’n broer en hij zaten met een erfeniskwestie en ze kwamen er niet uit. Blijkbaar voelde de man zich door zijn broer benadeeld. Kon Jezus nou niet tussenbeide komen en hem gelijk geven? Kon Hij niet die broer zover krijgen dat hij de erfenis met hem wilde delen? Zorgen dat eerlijk gedeeld werd en niemand zich benadeeld hoefde te voelen? Ja, en ook dat ze gewoon als broers met elkaar om konden gaan, zonder jaloersheid en wrok.

Je zou zeggen: verstandig om er een onpartijdige, wijze, buitenstaander bij te halen. Eervol ook: blijkbaar verwachtte de man veel van de wijsheid en het overwicht van Jezus. Maar de Heer wijst dat verzoek resoluut van de hand. Daar is Hij niet voor: ben Ik soms rechter of notaris?

Kijk, en aan dat incident knoopt de Here dan meteen een stukje onderwijs vast. Het is zo menselijk je over dit soort dingen geweldig druk te maken. Hebzucht is een kwaad dat altijd op de loer ligt. Een mens wordt zomaar totaal in beslag genomen door het streven naar een betere positie en een hoger inkomen en meer bezit en zekerheid voor morgen. Dat zag de Here ook opdoemen achter de vraag van de man die hem die erfeniskwestie voorleg­de. Daartegen wilde Jezus zijn hoorders – en ons -waarschu­wen.

Waarom eigenlijk? Wat is de boodschap voor ons?  O, zegt u misschien meteen: dat is toch wel duidelijk?  De Heer wil ons leren dat God voor ons zorgt, en dat we daarom niet bezorgd hoeven te zijn.  Lees maar vers 30: jullie Vader weet wel wat je nodig hebt. Nou, dat is helemaal waar. Punt 2 van de preek zal daar over gaan: Vader die elke dag voor ons zorgt. Toch is dat in dit bijbelgedeelte niet het eerste en niet het belangrijkste. Als er niet meer was, bleven we kortzichtig bezig. Zo van: als God maar zorgt voor eten en drinken, kle­ding en een huis, een baan, voldoende inkomen; een goed en rustig leven hier en nu. Het zou een armzalig gebed zijn als die vierde bede altijd onze eerste bede zou zijn. En dan ook nog op mezelf gericht: geef mij dit en dat.

Nee, boven alles wil de Here ons iets anders duidelijk maken. Dit n.l. dat ons zorgen en ons werken én ons bidden niet eerst en alleen gericht moet zijn op die aardse-belangen-voor-de-korte-termijn. Waarom is hebzucht zo gevaarlijk? Waarom is materialisme zo dom? Lees maar het slot van vers 15: “want iemands leven hangt niet af van van zijn bezittingen, zelfs niet wanneer hij die in overvloed heeft”. Met een voorbeeld wordt dan schrijnend duidelijk gemaakt: dat verhaal van die schatrijke maar oliedomme man. Hij had z’n schaapjes op het droge en prachtige plannen voor de toekomst. Zoveel appeltjes voor de dorst dat hij niet meer hoefde te werken en nu eens goed de bloemetjes buiten zou gaan zetten. Hij ging rentenieren en het er goed van nemen. Alleen, met één ding had hij geen rekening gehouden: met het feit dat elke dag hier op aarde wel eens de laatste zou kunnen zijn. Dat werd hem fataal. Hij kreeg niet eens de kans zijn mooie plannen te verwezenlijken. Hij haalde zijn pensioen niet eens: dezelfde nacht nog een hartinfarct, en alles wat ineens uit, en anderen gingen met zijn geld en zijn spullen aan de haal – en maken misschien wel ruzie om wat jij hebt nagelaten. Ja, zo gaat dat, zegt Jezus, als je voor jezelf hier op aarde schatten hebt vergaard, maar als je niet rijk bent geweest in God. Dat wil zeggen: als je in de hemel geen kapitaal hebt klaarliggen. Waar heb je dan voor gewerkt en geleefd? Anderen profiteren van jouw inspanningen. Zelf sta je naakt aan de dijk. Want je kunt niets meenemen naar de andere kant!

Kijk, en zo komt de Here tot zijn waarschuwing: daarom, omdat het je net zo zal vergaan, als je alleen voor jezelf en voor hier beneden hebt gewerkt en geleefd, zonder in alles op God gericht te zijn geweest,daarom is dit de les: maak je niet alleen maar druk om eten en drinken, om leven of overle­ven, om ‘hoe zal het morgen gaan’ en ‘halen we overmorgen wel’.  Kijk maar eens naar de lelies en naar de raven, die zich niet druk maken en toch elke dag kunnen leven uit Gods handen!

Niet dat er geen zorgen zijn en wij zorgeloos kunnen zijn.  De Heer weet wel en wij ervaren het ook dat wij geen vogels zijn en geen bloemen. Wij moeten wél zaaien en maaien, naar school gaan en naar kantoor, de weg op of naaien voor de kinderen, zorgen voor het dagelijks brood; en het is slim een buffer te hebben voor tegenvallers, en te denken aan je pensioen.

Jezus zegt ook maar niet alleen: maak je maar geen zorgen, want Vader zorgt voor je. Dat is wel zo – gelukkig wel – maar er is meer! We hebben onze hoop niet alleen voor dit leven op Vader gebouwd. Dan zouden we nog maar arme stakkerds zijn. De Here wil onze blik verruimen.  We moeten veel verder leren kijken dan naar de opbrengst van vandaag en de zorgen voor morgen, brood op de plank en een beter milieu. De Heer  zegt: er is meer nodig voor je leven dan voedsel, en je li­chaam redt het niet als het maar goed aangekleed wordt, en de wereld blijft niet leefbaar als de ozonlaag maar intact bli­jft, en je redt het niet tegen de stormen die komen door steeds hogere dijken.

Wat zijn wij toch beperkt en hoe machteloos zijn we toch als het erom gaat ons aardse bestaan veilig te stellen. Niet één el kunnen we toevoegen aan onze lengte. Laat staan dat we ons leven ook maar met een dag of een uur kunnen verlengen. Hoe knap of hoe rijk we misschien ook zijn, ons leven hebben we niet in onze hand. Denk maar aan die geslaagde ondernemer: hij haalde morgen niet eens. Zijn leven hoorde niet tot z’n bezit.

Maar wat hebben ze dan vooral nodig, ons leven, ons lichaam? U zult het begrepen hebben: het antwoord staat in vs.31. We zullen vooral gericht zijn op het Koninkrijk van de Vader. Dat maakt de dingen van alle dag niet onbelangrijk: alsof het alleen maar zou gaan om ons zieleheil, om het werk in de kerk nu en het komen in de hemel straks. Dat is hiermee niet bedoeld. Wel dat God iets veel beters met ons voor heeft  dan een redelijk geslaagd en prettig leven hier en nu. Eigen­lijk zijn we een stuk armer dan de vogels en de bloemen die zonder al dat gezwoeg en geslaaf rechtstreeks door God worden gevoed. Sinds de zondeval werkt de vloek van God door in deze wereld. Vandaar dat we ons in het zweet werken, of onder stress leven, dat er het gevecht is tegen alle mogelijke dorens en distels en dat er zoveel ons bij de handen afbreekt, dat we denken alles in de grip te moeten houden.

Ja, maar als kinderen van onze hemelse Vader wacht ons een nieuwe wereld waar heel dat nare slavenbestaan heeft afgedaan. Er komt een tijd dat eten en drinken overbodig zijn om in leven te blijven, dat er geen gezondheidszorg en geen strijd tegen milieubederf meer nodig zijn,dat niemand meer aan fitnesstraining hoeft te doen. Dan zijn we vrij als vogels in de lucht, en we zullen mooier bloeien dan de prachtigste bloemen. Uw Heer zegt: richt je maar op die toekomst, op dat komende Rijk van je Vader. We zijn geen arme sloebers, geen hopeloze tobbers, vol angst hoe we zullen overleven. Hoe zouden we? Hoor maar: “Wees niet bang, kleine kudde, want jullie Vader heeft jullie (nu al!) het Koninkrijk willen schenken”. Zijn we niet Gods kinderen en erfge­namen, die de toekomst hebben? In het licht van die stralende toekomst verbleekt veel van wat nu het een en het al lijkt te zijn. Verschrompelen veel van onze zorgen. En ook: blijkt veel goud dat nu blinkt, klatergoud te zijn.

Maar dan is wel de klemmende vraag: waar is je hart vol van, wat zijn jullie idealen? Waar leef je voor? De Heer zegt:  waar je schat is, daar zal ook je hart zijn. Dat is de vraag: ben je vooral gericht op schatten hier beneden, die je zomaar weer kwijt kunt raken? Of ben je gericht op dat kapitaal dat boven is, die schat die nooit op raakt, en die een eeuwigheid meegaat? Ja, en hoe bidden we? Kortzichtig? Of met verziende geloofs­ogen?

De Heer Jezus leert ons hoe we zullen bidden: geef ons – ook vandaag – ons dagelijks brood. Dat is: Vader, wilt U me geven wat ik voor m’n lichaam nodig heb, voor m’n leven hier en voor m’n werk, voor m’n gezin… Ja, maar dat alles boven alles met het oog op Uw naam, Uw rijk, Uw wil. Opdat ik die taak die U me geeft aan kan als burger van het hemelse konink­rijk dat straks voorgoed op aarde zal komen. Geef dat ik elke dag, bidden en werkend, op weg blijf naar die grote toekomst!

    2. vol vertrouwen kijken we op naar onze Vader die Koning is.

 We denken terug aan zondag 46: van Vaders almacht zullen we alles verwachten wat we voor lichaam en ziel nodig hebben. Onze Vader is in de hemel, Hij beschikt over goddelijke krach­ten. De Here Jezus heeft in het gedeelte dat we gelezen heb­ben, laten zien hoe rijk we zijn als we uit het geloof leven. Dan ben je nu al erfgenaam van alle dingen: de Vader wil ons zijn Koninkrijk geven. Dat is Vaders ‘welbehagen’, zijn onverdiende gunst en liefde. Op dat onvoor­stelbare bezit, op dat koninkrijk, zullen we ons nu richten. We zagen in punt 1 dat dan veel van wat ons nu in beslag neemt en opjaagt, heel wat betrekkelijker wordt. Het waar­schuwt ons ook – zoals antw. 125 doet – dat zonder Gods zegen al onze zorgen en inspanningen waardeloos zijn. Dat dan zelfs de gaven die God je geeft, niet helpen. Ik denk weer aan die ‘rijke dwaas’: zijn succes-op-kort-termijn was nog geen zegen-voor-de-lange-termijn. Zegen, dat is blij­vende waarde voor Gods koninkrijk. Het is dat als alles je hier ontvalt, je opgenomen wordt in het eeuwig Thuis.

Maar wie zo (met alle gebrek en tegenslag en zelfs armoe misschien), wie zo rijk is in God, die mag er ook op vertrouwen dat Vader nu al voor hem zorgt. In vers 31 staat dat als we zoeken naar het koninkrijk van de Vader, al die andere dingen ons erbij gegeven worden. Die andere dingen: eten, drinken, kleren, een dak boven ons hoofd, medi­sche verzorging, zorg voor de oude dag, en noem alles maar op. Ze zijn niet het belangrijkste. Er staat: Vader geeft het je als een extraatje, als een toegift. Zeg maar: als middelen om des te beter voor Vader bezig te kunnen zijn. Om des te meer op weg te kunnen blijven naar de grote dag van Jezus Christus.

Die dingen van vandaag en morgen zijn wél nodig. Er staat: “jullie Vader weet dat je ze nodig hebt”.Daar is Hij Vader voor. Kijk, maar omdat we kinderen van die Vader zijn, kunnen we vol vertrouwen leven. Mogen we Hem vragen om wat we elke dag nodig hebben. We weten: Hij laat ons niet verkommeren. Dat kan niet: we zijn toch erfgenamen van Zijn schepping? We zijn toch koningen en koninginnen-in-spe? Dan zijn weer de raven en de lelies een les voor ons. De vogels worden door God gevoed. De bloemen worden door de Schepper schitterend aangekleed. En dat zonder te werken op het land en te investeren voor de toe­komst. Zonder dat er een hele kledingindustrie voor nodig is en allerlei cosmetica. Zonder dat er een naaimachine aan te pas komt, en dat er een heleboel geld mee gemoeid is. We zingen ervan: “Al wat er in uw grote schepping leeft, wacht, Heer, op U, tot Gij hun voedsel geeft”. In die psalm (104) wordt dat gezegd over de dieren: wilde ezels die hun dorst lessen en leeuwen die God om eten vragen, ooievaars en steen­bokken, kleine en grote vissen. En Jezus wijst ons op de schrokkerige raven en de lelies met hun felle kleuren. Met als boodschap: zal diezelfde God en Vader dan niet voor u zorgen?  Is de mens niet meer dan een dier? Zijn zijn kinderen Vader niet meer waard dan bloemetjes en grassprietjes?

Het heeft alles te maken met dat koninkrijk dat ons deel mag zijn. Bloemen en grassprieten verdorren en ze worden op een grote hoop als oud vuil verbrand. Maar de kinderen van God, die gaan een eeuwigheid mee. Dan kun je toch vast en zeker zijn van Vaders zorg? We vragen het Hem: Wilt u ons verzorgen, elke dag, met wat we hier op aarde nog altijd nodig hebben om te kunnen leven en ons werk te kunnen doen in uw dienst. En we hoeven er niet aan te twijfelen dat Vader luistert, en zorgt.

Dat betekent niet dat we overvloed krijgen, veel luxe. Ook niet dat de oogsten van christenen altijd lukken, en dat langdurige droogte en overvloedige regen hun akkers overslaat. Dat al je zorgen verdwijnen en al je problemen worden opge­lost, als je maar genoeg bidt en genoeg geloof hebt . Eerder heeft de catechismus het gehad over regen en droogte, vrucht­bare én onvruchtbare jaren, gezondheid én ziekte, rijkdom én armoede, als iets dat een gelovige allemaal uit Gods Vader­hand komt. En daarom – ging zondag 10 verder – zullen we in tegen­spoed geduldig zijn, en in voorspoed dankbaar, en mogen we vertrouwen hebben voor de toekomst. Want:niets kan ons schei­den van de liefde van onze trouwe God en Vader. Dan kan het gebeuren dat Vader het anders doet dan wij willen en vragen.

Dat Hij ons kort houdt en klein. Opdat we des te meer onze afhankelijkheid voelen van Hem als de Oorsprong van al het goede. Opdat we dichter bij Hem leven, en eten uit zijn hand. Opdat we ons concentreren op dat waar het echt om gaat. We moeten het leren geloven: “Die wolken, lucht en winden, wijst spoor en loop en baan, zal ook wel wegen vinden waarlangs uw voet kan gaan”. Alle dingen moeten meewerken tot ons heil.

Kijk, en dan hoeven we niet als de ongelovigen, de mensen van de wereld, krampachtig te zorgen voor morgen, alsof het allemaal van ons afhangt. Dan hoeven we ook niet doodsbenauwd te zijn voor overmorgen, en voor een 21e eeuw: zou er dan nog wel leven zijn op de planeet aarde? Zeker, de schep­ping is in nood, en het leven zal ons een zorg zijn, en we zijn verantwoordelijk voor onszelf en ons gezin. Maar wie in dat alles en boven dat alles uit op God gericht is, hoeft niet in paniek te raken. Die weet: de wereld is niet onze wereld, maar het maaksel van Gods handen. Zeker, dan gaan de bloemen nog dood en de bomen, dan kunnen aardappels en bieten wegrotten in de grond, dan kan ziekte een sterk lichaam slo­pen, en dan kunnen er harde klappen vallen. Maar zelfs temid­den van dat alles is er de zorg van Vader die er bij is en die zich niet onbetuigd laat,  en die leven schept uit de dood zelfs. Die kracht en moed geeft om er niet onderdoor te gaan.

   Als wij maar helemaal op Vader vertrouwen, elke dag. Dan kunnen we onbekommerd bij de dag leven, als de vogels en de bloemen die zelfs de meeste grauwe straat opfleuren. Dan mogen we bidden en werken met een verziende blik, want boven is Vader, en op Hem kan ik ook morgen weer rekenen.

Dat maakt ons niet zorgeloos, maar wel onbezorgd, want:

“Hij die met heerlijkheden  de leliën bekleedt, 

 zal ook zijn kinderen kleden Hij kent ons lief en leed.

 Geen schepsel wordt vergeten,  Hij houdt het al in stand,

 die vogels geeft te eten,  Hij voedt ons uit zijn hand”      

 Ja,  maar ook, en zelfs:

 Al zal geen wijnstok dragen, geen vijgeboom zijn vrucht,

al ligt het veld te klagen onder een lege lucht,

God doet zijn hand toch open, zijn lof krijgt stem in mij”

 °Die lof gaan we nu zingen , met Lied 448,   samen

                                                               amen

 

 

liturgie middagdienst

 votum en groet

zingen:                Ps. 104: 1,4,8

gebed

Schriftlezing:      Lucas 12: 13-34

zingen:                Gz. 38: 1,2,3

verkondiging:    zondag 50 Heid. Cat.

zingen:                Lied 448 (1-4)

geloofsbelijdenis

zingen:                Gz. 144: 7

gebed

collecte

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>