1 Tess. 5: 11: Bemoedig elkaar! (Ontdekzondag 2017)

Liturgie morgendienst zondag 5 februari 2017 – ‘Ontdekzondag’

Zingen schoollied: Gz. 165 ‘Machtig God, sterke Rots’
Votum en groet
Zingen: NLB 150a: 1,2,3,4 ‘Geprezen zij God’
Wet van de liefde
Zingen: Ps. 25: 2,4,6 Levensliederen ‘Doe mij, HEER, uw wegen kennen’

2. Doe mij, HEER, uw wegen kennen,
laat mij al uw paden gaan.
En leer mij steeds meer te wennen
aan uw waarheid, wijs die aan.
Fleur me op, u bent de God
die mij zeker komt bevrijden.
Heel de dag lang wacht ik tot
u mij redt uit al mijn lijden.

4. Ja, wat is de HEER rechtvaardig!
Hij brengt zondaars op zijn spoor.
Koninklijk en zo zachtaardig
gaat hij zwakke mensen voor.
Loopt de route van de HEER
niet van waarheid naar genade
voor wie letten op zijn leer,
voor wie zijn verbond bewaren?

6. Prachtig is wat God wil geven:
dat je vrienden met hem bent!
. Want aan wie respectvol leven
maakt hij zijn verbond bekend.
Recht houd ik mijn blik gericht,
HEER, op u, kom mij bevrijden!
Wees genadig en verlicht
mijn verdriet en eenzaam lijden

Gebed
Schriftlezing: 1 Kor.12: 14-27 en Tess. 5: 10-14 (BGT)
Zingen: Ps. 133: 1,2,3 ‘Komt, ziet, hoe goed, hoe lieflijk ’t is als zonen..
dia 1
Verkondiging: Bemoedig elkaar! 1 Tess.5:11 (HSV/BGT)
Zingen: Opwekking 378 ‘Ik wil jou van harte dienen’
Gebed
Collecte
Zingen: Ps. 72: 1,2,4 ‘O God, wil aan de koning schenken’
Zegen
Amen: Ps. 72: 10 ‘De HERE God zij lof bewezen’
——————————————————————————————————
Gemeente van Christus, zijn lichaam waarvan wij allemaal ledematen zijn,

Het is vandaag in veel van onze kerken ‘Ontdekzondag’. dia 2
Die zondag is er gekomen op initiatief van de vereniging Dit Koningskind’,
Die vereniging van en voor onze broers en zussen met een beperking.
Op de website staat waar die ontdekzondag voor bedoeld is:
“De Ontdekzondag is een jaarlijkse themazondag, waarbij leden van kerkelijke
gemeentes worden uitgedaagd om écht naar elkaar om te zien, of iemand nu
een waarneembare beperking heeft of niet”. dia 3
Ik vind dat wel mooi gezegd: of iemand een waarneembare beperking heeft of niet.
Dat schudt ons wakker, want er zijn beperkingen die je meteen ziet en waarmee
je dus als vanzelf rekening houdt: iemand die blind is, of doof, of verlamd…maar
er zijn ook beperkingen die je niet ziet en soms ook niet meteen merkt, omdat
ze psychisch zijn of omdat de betrokkene ze goed weet te verbergen…en dan
slaan we in de omgang met hem of haar zomaar de plank mis: we begrijpen het
gedrag van de ander niet, we denken dat het aanstellerij is, we reageren niet
goed op wat hij zegt of we schatten de mogelijkheden van haar verkeerd in…
Wat komt doordat we elkaar vaak maar heel oppervlakkig kennen, ons niet echyt
in de ander verdiepen, te ongeduldig zijn om de tijd te nemen voor echt contact.
Echt naar elkaar omzien, echt de ander recht doen, vraagt tijd, aandacht, geduld,
als concrete uitwerking van wat de Heer vraagt: mijn naaste liefhebben als mezelf.

Ja, en als op die website staat dat we naar elkaar om zullen zien, of we nu een waarneembare beperkingen hebben of niet, is goed te bedenken dat wij allemaal onze beperkingen hebben, als kwetsbare mensen, met gaven en mogelijkheden,
en met ieder zijn of haar beperkingen, zwakke punten, moeilijke kanten, trauma’s misschien, oud zeer of verse wonden, en daar hebben we anderen bij nodig.
Het is juist eigen en mooi aan een gemeenschap, zeker ook een kerkgemeenschap,
dat we elkaar niet hebben uitgekozen, maar aan elkaar zijn gegeven, als niet allemaal hetzelfde maar juist allemaal heel verschillend, om elkaar aan te vullen en te
steunen, naar elkaar om te kijken en met elkaar mee te leven, er voor elkaar te zijn.

Paulus die het vaak over de gemeente heeft als een lichaam met heel veel en allemaal verschillende lichaamsdelen die elkaar nodig hebben en versterken:dia 4
oog en oog, hand en voet, hart en hoofd, die samen een levend lichaam vormen.
Zoals in dat bekende kinderliedje: Ik ben de hand en jij de voet.
Wij zijn allebei nodig. Wat ik niet kan, kan jij juist goed. Niemand is overbodig.
En wil ieder op eigen plek, met eigen gaven en met eigen beperkingen, zo optimaal
mogelijk kunnen functioneren, waarbij het sterke van de een het zwakke van de ander compenseert, en andersom, moeten we elkaar steunen en bemoedigen.

Dat zit allemaal in het thema voor deze Ontdekzondag 2017: Bemoedig elkaar.
Een aansporing die door heel de Bijbel heen naar ons toe komt, zeker ook in het onderwijs van onze Heer Jezus en in de brieven van de apostelen, zoals Paulus.
Dat die aansporing zo vaak langs komt, verraadt al dat het niet vanzelf gaat, dat
al te vaak we gauwer geneigd zijn voor ons zelf te gaan en op onszelf te staan,
en dan de ander links te laten liggen vooral als het iemand is die ingewikkeld in elkaar zit, die moeilijk is of moeilijk doet, die weinig te bieden heeft en veel zorg
en aandacht vraagt – wat van ons geduld vraagt, tijd, inlevingsvermogen – zo maar zijn we als die priester of leviet die met een boog om de gewonde heenliepen, want
ze waren druk en ze hadden haast en stel je voor dat ze aan die ander hun handen vuil zouden maken – onrein zouden worden zodat ze de tempel niet binnen mochten-
en wie weet zullen ze mij ook pakken – er komt vast wel iemand anders langs – dia 5
en daar hebben we toch professionele hulpverleners voor – je kunt toch niet de hele wereld op je nek nemen – en in de kerk hebben we toch ouderlingen en diakenen om bij de zwakken en zieken en probleemgezinnen en randleden op bezoek te gaan….

Lang is zo binnen de kerk gedacht en gedaan, en blijkt een hardnekkig misverstand.
Maar in de verzen uit 1 Tessalonicenzen die we gelezen hebben, helpt Paulus ons
en een paar duidelijke zinnen uit de droom – ik lees ze nu even uit de NBV:
“Wij sporen u aan, broeders en zusters, iedereen die zijn dagelijks werk verwaarloost
(of, anders vertaald: hen die ordeloos leven) terecht te wijzen, de moedelozen hoop te geven, op te komen voor de zwakken, met iedereen geduld te hebben”.
Dat wordt niet gezegd tegen ouderlingen of diakenen, maar tegen ons allemaal, als
allemaal onderdeeltjes van dat ene lichaam, levende steentjes van het huis van God.
Met dus een verantwoordelijkheid voor elkaar, voor die ander ook die het moeilijk heeft, die een nare periode meemaakt, die meer of minder duidelijke beperkingen
heeft, die er alleen bvoor is komen te staan, het alleen niet redt, of verlies meemaakt.
Ja, en ook als het de ander goed gaat, als je iets te vieren hebt, is meeleven mooi.
Ook dat lazen we bij Paulus: “Als één lid van het lichaam pijn heeft, voelen alle andere delen die pijn ook. En als één deel van het lichaam extra goed verzorgd wordt, genieten alle andere delen daar ook van..Zo is het ook met jullie.” Toch?
dia 6
Het is dus heel Bijbels om de nadruk te leggen op de betrokkenheid en aandacht
en verantwoordelijkheid die we als het goed is als gemeente hebben voor elkaar.
Ik las: “In het verleden viel de praktijk van het kerkenwerk, inclusief het pastoraat,
vaak samen met het werk van predikanten, ouderlingen en diakenen….Het is de winst van de laatste decennia dat we ontdekt hebben: de kerk…dat zijn wij! Alle leden van de gemeente van Christus zijn geroepen tot dienen en delen en hebben een pastorale taak”. Dat staat in een Handboek voor pastoraat in de chr.gemeente.
Onze nieuwe kerkorde begint ook waar het omzien naar elkaar bij de gemeente:
“De gemeente vervult met de haar geschonken gaven de dienst in kerk en wereld waartoe Christus haar roept.” En over dominees, ouderlingen en diakenen staat er:
“De ambtsdragers stimuleren haar daartoe en gaan haar hierin voor”. In veel kerken speelt veel van het onderling omzien en dienstbetoon zich steeds meer af in kleine groepen of wijkkringen, en zijn ouderlingen en diakenen coördinerend en sturend.
Dat is geen nieuwlichterij of afschuifsysteem maar in de lijn van het Bijbels onderwijs, lees Paulus als hij schrijft over mensen met een bijzondere taak in de kerk, namelijk
“om de heiligen (=de gelovigen) toe te rusten voor het werk in zijn dienst”. (Ef. 4:12)
Dus niet om de taken van de gemeente over te nemen maar om ons erbij te helpen.
Het doel staat er meteen achteraan: zo wordt het lichaam vanChristus opgebouwd.

Precies datzelfde vinden we in de kerntekst van vanmorgen, over dat bemoedigen.
Paulus koppelt de oproep om elkaar moed in te spreken, elkaar te bemoedigen aan
de aansporing: en bouwt elkaar op – zo staat het er letterlijk, en ook in de NBG-1951 en de HSV – andere vertalingen hebben het over elkaar helpen of tot voorbeeld zijn.
Dat is ook een goede zaak maar je mist het Bijbelse beeld van het bouwen, van het opbouwen van je eigen leven en vooral: het bouwen aan de tempel van de H.Geest.
Dat is niet alleen maar iets van samen dingen doen: kerkdiensten, en activiteiten.
De HSV is hier heel precies: “en bouw de een de ander op”- dia 7 help die ander te
groeien, in zijn of haar persoonlijke ontwikkeling, en ook in zijn of haar geloof.
En dan helpt heel goed dat je die ander bemoedigt, en waar nodig troost – of
ook – als dat nodig is – opbouwend kritisch feedback geeft – vermaant.
Het is opvallend dat als je verschillende vertalingen naast elkaar legt, de ene vertaling zegt: ‘troost elkaar’, een andere ‘vermaan elkaar’, en weer een andere – zoals de HSV en de BGT – het heeft over bemoedigen, elkaar moed inspreken.
Het lastige voor vertalers is dat het Griekse woord dat allemaal kan betekenen.
Voor Bijbellezers en uitleggers is dat juist mooi, want zit allemaal in dat ene woord dat letterlijk zoiets is als ‘te hulp komen’, ‘erbij gehaald worden om te steunen’.
En dan hangt het af van de situatie en van de betrokkene wat vooral nodig is.
Zoals wat we net gelezen hebben met het oog op de gemeente in Tessaloniki:
mensen die uit de pas lopen, maarschappelijk of geestelijk, moeten jullie weer
in het gareel zien te krijgen, wie het niet meer ziet zitten of psychisch zwak is
moet je bemoedigen en opbeuren, wie zwak is moet je helpen en ondersteunen.
Pastoraat op maat zogezegd, en dat samen, door naast elkaar te staan – met –
en dat geldt over de hele linie – veel liefde en geduld: heb geduld met iedereen.
En dat vanuit een sterke motivatie – er staat bij ‘daarom’- en dat is omdat Jezus voor ons is gestorven en ‘opdat wij samen met Hem zouden leven” – let op dat ‘samen

Ja, en dat is dan ook wederzijds, dat bemoedigen, dat elkaar steunen en versterken.
En dus niet alleen dat de gezonde de zieke bemoedigt en de niet-gehandicapte
de gehandicapte – hoe vaak is het niet andersom, dat je van een bezoek in het ziekenhuis zelf bemoedigd thuiskomt, dat je onder de indruk bent van hoe die zuster omgaat met haar handicap, dat wie verstandelijk beperkt heet met zijn kinderlijk en blij geloof veel betekent voor de omgeving, dat je veel hebt aan de levenservaring
van die aan huis gebonden oudere, dat een moeilijk leven toch veel kracht uitstraalt.
Je gaat het ervaren door niet op een afstand te blijven of boven die ander te staan maar door er te zijn voor elkaar, naast elkaar te staan, en open te staan voor de ander en ook open te zijn over eigen zwakke punten, twijfels, vragen, zorgen.
En dan is bemoedigen niet alleen en meteen van alles zeggen, maar vooral een instelling, een houding, en een er zijn voor die ander die je nodig heeft, en in het besef dat jij ook die ander nodig hebt, en dat jij misschien morgen hulp gebruiken kunt – en denk ook weer aan dat liedje: wat ik niet kan, kan jij juist goed, of beter.
dia 8
Bemoedig elkaar, dat is ook af en toe een stukje meeleven, een vraag naar hoe het gaat niet als formele beleefdheid maar uit echte belangstelling; het kan simpel met een schouderklopje of een hartelijke opmerking, door bidden voor elkaar, en door
ook eens een complimentje af en toe: goed gedaan, wat was dat mooi, bedankt!
Thuis begint het al: naar je kinderen, naar man of vrouw, naar vader of moeder.
En op het werk, en ook in de kerk: ook eens waardering uiten voor wat goed is,
en niet alleen zeggen wat niet goed ging, laat staan altijd negatieve kritiek, die
niet opbouwt maar de ander en ook de onderlinge band alleen maar afbreekt.
Dan kunnen we vooral veel leren van wie wij beperkt noemen, maar die vaak blij
zijn met het kleine van elke dag, blijheid uitstralen, en gewoon zichzelf zijn.
Dan kunnen we veel betekenen voor elkaar, en positiviteituitstralen en doorgeven
aan anderen dichtbij en verder weg: thuis, op ons werk, op school, onder vrienden.

Binnenkort is het 1 maart en dat is tegenwoordig Nationale Complimentendag.dia 9
Een dag om mensen om je heen eens heel speciaal positief te verrassen.
Best aardig maar waarom zou je dat na die ene dag een jaar lag niet meer doen.
Elkaar bemoedigen kan elke dag, zoals God elke dag ons bemoedigt en troost.

Laten we waarmaken wat we zingen: elkaar van harte dienen, zoals Christus deed.

amen
dia 10

Zondag 40 Heid. Cat.: Liefde voor het leven dat God heeft gegeven (toerustingsdienst CGK – GKV)

Liturgie toerustingsdienst 29 januari 2017

Thema: Liefde voor het leven dat door God is gegeven

Welkom
Zingen: Ps. 139: 1,11 GK ‘HEER, U doorgrondt mij vanm omhoog’
Moment van stilte en gebed
Votum en groet
Zingen: Ps. 139: 6,7,9 GK ‘Ik loof het wonderbaar beleid’
Gebed
Schriftlezing:Spreuken 1: 1-19; 24: 10-22

Zingen: Ps. 1: 1,2,3 Levensliederen

1. Gelukkig is de man die niet bezwijkt
voor slecht advies dat veelbelovend lijkt.
Hij staat niet stil bij zondaars en hun zaken,
en zit niet waar ze God belachelijk maken.
Nee, hij geniet van wat de HEER hem leert:
zijn wet waaruit hij dag en nacht citeert.

2. Hij is te vergelijken met een boom,
geplant aan water dat aanhoudend stroomt:
een boom die op zijn tijd veel vrucht zal dragen,
zijn blad blijft groen, zelfs op de heetste dagen.
Hij groeit en bloeit, het gaat hem voor de wind,
de HEER is hem in alles goedgezind.

3. Hoe anders is de mens die zonde zaait.
Hij lijkt op kaf dat met de wind verwaait.
Het eerlijk oordeel zal hij niet verdragen
en bij rechtvaardigen zal hij vervagen.
Wie slecht is gaat op weg naar duisternis.
De HEER gaat mee met wie rechtvaardig is.

Verkondiging: zondag 40 H.C.

Zingen: Gz. 297: 1,2 LB ‘Toch overwint eens de genade’
Geloofsbelijdenis
Zingen: Gz. 259: 1,2 LB ‘Halleluja, lof zij het Lam’
Gebed
Collecte
zingen: Ps. 72: 1,4,6 LB ‘Geef, Heer, de koning uwe rechten’
Zegen
Amen: Ps. 72: 7 LB ‘Laat ons de grote naam bezingen’
——————————————————————————————————————-

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

Als we de tekst van het zesde gebod en de uitleg van de catechismus naast elkaar leggen, dan vallen ons een paar dingen op. Aan de ene kant lijkt het wel of de catechismus dit gebod beperkt – in de vertaling van de NBV- tot “pleeg geen moord”. Als je dat strikt juridisch opvat, valt veel er niet onder: doodslag, dood door schuld…..
Ik denk dat we wel snappen dat het zo niet bedoeld is; dat het veel breder is bedoeld.
Letterlijk staat er zoiets als: je mag niet wederrechtelijk een ander doden – waarmee niet gezegd is dat een leger niet mag en de politie nooit mag schieten, want in de Bijbel staat ook dat de overheid “het zwaard voert” – waar nodig gezag kan afdwingen en het kwaad – b.v. van criminelen en terroristen – desnoods met geweld moet tegengaan.

Ja, en daar komt bij dat zondag 40 laat zien dat het zesde gebod veel verder gaat en veel dieper afsteekt dan elke wet van de overheid ook. God verbiedt niet alleen maar moord en doodslag, terreuracties en gewapende roofovervallen, huiselijk geweld enz. Ook veel wat daaraan voorafgaat, en nooit zover komt, veel ook wat minder erg lijkt en door geen politie of rechtbank ooit zal worden aangepakt, wordt door de hemelse Rechter wel beoordeeld én veroordeeld. “De naaste van zijn eer beroven”, zegt antw. 105, “hem haten en hem kwetsen”, het is in Gods ogen al doodslag! Een ander doden, dat kan dus ook gebeuren in je gedachten. Ook met woorden kun je een medemens beschadigen, hem zelfs verwonden voor het leven. En wat kunnen gebaren welsprekend zijn: een vinger naar het voorhoofd, je hoofd omdraaien, je schouders ophalen. En een blik kan doden! Hoe erg kan pesten en negeren en uitsluiten een mens verwonden en onderuit halen en zelfs ertoe brengen uit het leven te stappen.

In de ogen van de Heer zijn dat aanslagen op het leven. Op het leven dat meer is dan ademhalen alleen.God heeft het gegeven voor welzijn en geluk,liefde en gemeenschap. Juist daarom geeft Hij dit heilzame gebod, echt een gebod ten leven!

Liefde voor het leven dat door God is gegeven .
1. God verbiedt de aantasting van dat leven;
2. God gebiedt de bescherming van dat leven.

1.God verbiedt de aantasting van het leven dat Hij heeft gegeven.

Al in het eerste hoofdstuk van het boek Spreuken komen zonden tegen het zesde gebod ter sprake. De wijze leraar waarschuwt zijn leerling tegen de verleidingen van crimineel gedrag. Het is levensgevaarlijk: het kan mensenlevens kosten. Je speelt ook met je eigen leven. Misdaad loont inderdaad: het loon van de zonde is de dood. Je gaat er zelf aan te gronde, en je brengt schade toe aan medemensen en de samenleving.

Het is als het ware het tegenbeeld van wat in de eerste negen verzen werd gezegd. Uit alles merk je dat de Spreuken lessen vol levenswijsheid zijn. De nog onervaren leerling doet er verstandig aan die lessen ter harte te nemen. Het is wijs je te houden aan wat je van huis uit meekreeg aan opvoeding en onderwijs, en wat je op school hebt meegekregen, en van andere mensen. Met als basis en uitgangspunt het ontzag voor God de Schepper. Alleen dwazen verachten wijsheid en slaan goede raad in de wind.

Kijk, en dan gaan de volgende verzen over wat de leerling vooral niet moet doen. Wie wijs is, die kiest voor het leven! Zo spreekt in hoofdstuk 8 de Wijsheid ons persoonlijk toe: “Want wie mij vindt, vindt het leven en ontvangt de gunst van de HEER. Wie aan mij voorbijgaat, doet zichzelf veel kwaad; wij mij haat, bemint de dood”. (8: 35-36).
Ook andere spreuken wijzen de weg:”de lessen van de wijze zijn een bron van leven, ze laten je ontkomen aan de strikken van de dood” (13,14).

In het begin van de bijbel ontdekken we al hoe dodelijk en verwoestend de zonde inwerkt op de verhoudingen onder de mensen. Als liefde tot God plaats maakt voor haat en vijandschap, dan komt ook het leven en het welzijn van de mens in gevaar. Denk maar aan Kaïn en zijn haat tegen zijn broer Abel. Zijn afgunst leidde tot broedermoord. En Kain zelf, hij werd verteerd en opgejaagd door onrust en angst. Hij had geen leven meer! Ja, want : “wie rechtvaardig is vindt het leven, wie uit is op het kwaad, de dood” (Spr. 11,19).

Nou, daartegen waarschuwt de leraar zijn leerling, als een vader zijn zoon. Blijkbaar was ook al in zijn tijd het gevaar levensgroot, dat jonge mensen zich lieten meetrekken op het pad van de misdaad, gelokt door toekomstdromen van snel en gemakkelijk rijk te zijn, een avontuurlijk leven te hebben, en iets voor te stellen in het leven. Als je meedoet, zeiden ze tegen zo’n goedgelovige jongere, dan deel je in de winst. Zonder te werken kun je een luxe leventje leiden. En ja, daar worden anderen dan wel minder van, maar is het niet ongelijk verdeeld in de wereld? Bovendien moet iedereen maar zorgen voor zich¬zelf, zo zit de wereld nou eenmaal in elkaar. Kain zei het al: ik hoef toch niet op m’n broer te passen. Daar kun je niet aan beginnen. Iedereen let maar op zichzelf.

Maar de wijsheid zegt: pas op, geen stap met ze meegaan. Blijf ver uit de buurt. Je tast zo namelijk het leven aan dat die ander ook van God heeft gekregen. Ja, en ook – en dat staat hier voorop, als Bijbelse levenswijsheid – je zou zo ook je eigen leven kapotmaken! Misdadig gedrag maakt meer kapot dan je lief is: het ondermijnt je gezondheid, het slaat huwelijken en gezinnen uit elkaar, het brengt je misschien wel voor jaren in de gevangenis, het maakt een maat¬schappelijke loopbaan voorgoed onmogelijk, je moet verder met een strafblad….. Wat een ellende!

Misschien denkt u wel: maar is dat nou zo’n groot gevaar voor ons, en voor jullie? Vergeet u niet dat we in een wereld leven en dat jullie in een wereld opgroeien, waar dit soort dingen schering en inslag zijn. Velen zijn in de criminaliteit beland, soms al heel jong, door allerlei oorzaken. Dat kunnen problemen thuis zijn, of verveling, verkeerde vrienden, drugs of alcohol, gokken. Het kan zo’n macht over je krijgen, dat uiteindelijk zelfs een mensenleven niet meer telt. Terwijl er zo heel velen zijn van wie het leven voorgoed verwoest is. Ze zijn voor het leven lichamelijk verminkt of geestelijk beschadigd. Ze hebben een dodelijke ziekte opgelopen waar geen kruid tegen gewassen is. Of ze zitten in de vicieuze cirkel van de ene misdaad op de andere, en ze zien geen kans die cirkel nog te doorbreken. Je moet nou eenmaal je schulden betalen, of drugs kopen, of liquidatie zien te voorkomen Je zult nou eindelijk toch wel eens winnen met gokken en in één klap boven jan zijn!

Gemeente, wat we noemden is nog maar één stukje van het onoverzienbare terrein dat het zesde gebod beslaat. Zeker in onze tijd stuit je steeds weer op moeilijke vragen van leven en dood. Mensen kunnen ook elkaars leven en hun eigen leven beschadigen en zelfs een eind aan dat leven maken,uit edeler motieven dan haat of wraak, geldzucht of machtswellust. Maar bij dat alles moet voor elk mens voorop staan dat dit gebod komt van de God van het leven! Van Hem die de mens het leven en de adem en alle dingen geeft.Die daarom recht op ons heeft. Ja, het is God die mij een bestaan geeft, de levensadem, een plekje op deze aarde, maar die dat ook doet voor mijn buurman, mijn collega, m’n klasgenoten, voor die mensen in dat andere land,voor die ander die me niet zo ligt en me steeds dwarszit. Die ook die gehandicapte op de aarde zette en een plekje gunt. Die het leven van het nog niet geboren kind schiep en draagt.

Kijk, en daarom heb ik niet het recht de levensadem van de ander af te snijden, en ook niet om m’n medemens het leven zuur of onmogelijk te maken. God liefhebben boven alles, dat houdt ook in dat we God erkennen als de Gever van alle leven en de Beschikker over het leven. En omdat we Hem liefhebben, hebben we ook het leven lief. Hebben we de naaste lief als onszelf. Gunnen we hem of haar dat plekje naast ons, en dat graag en uit liefde. We beseffen dan ook dat diezelfde God van wie alle leven komt, ook als enige het einde van dat leven kan bepalen. Dat onze tijden, en die van elk mens, in zijn hand zijn. Dat recht mag niemand in eigen hand nemen, tenzij God onder bepaalde omstandigheden een mens het recht geeft aan het leven van een ander mens een einde te maken. Denk maar weer aan dat zwaard van de overheid om het kwaad te bestraffen en een halt toe te roepen. Om zo de goeden te beschermen, door recht en orde te handhaven, en het land te verdedigen.

Daarbuiten om geldt: handen thuis. We zullen het leven respecteren als een geschenk van God, en er daarom zuinig op zijn. Ja, en dat ook – hoe moeilijk dat ook is en hoe veel tegenspraak dat vandaag ook oproept – als dat leven gehavend is en kwetsbaar, of leven dat in mensenogen niet meer ‘mens¬waardig’ of niet meer ‘leefbaar’ is. We zagen al dat respect opbrengen voor het leven omdat het door God gegeven is, verder strekt dan een verbod op moordaanslagen en roofovervallen, het plaatsen van bommen tegen onschuldigen of het slaan in drift. We kunnen ook denken aan ons gedrag in het verkeer, aan veiligheidseisen op het werk, aan de strijd voor een schoner en leefbaarder milieu, aan het voorkomen van allerlei verslaving, aan de inspanningen om ziekten op te sporen en te bestrijden, aan bevordering van gezonde voeding, en ook
aan zorg voor wie ongewenst zwanger is geraakt zodat abortus hopelijk voorkomen wordt, aan zorg voor mensen in de laatste levensfase zodat de euthanasievraag minder snel wordt gesteld, aan aandacht voor wie het moeilijk hebben op school of werk….

Natuurlijk kunnen we dan niet al die ingewikkelde problemen op een hoop vegen en ze met een of een paar Bijbelteksten voor onszelf en voor anderen oplossen.Er zijn veel moeilijke vragen en heel schrijnende situaties. Daar moeten we oog voor hebben.
Maar het uitgangspunt moet wel zijn dat het leven van God komt en dat wij het daarom niet eigenmachtig mogen aantasten. We geloven toch dat we niet voor onszelf leven, maar voor Hem? Dat we daarom ook niet buiten Hem om sterven, maar pas dan als Hij in zijn wijsheid en op zijn tijd onze adem terugneemt?

Ja, ook dit is een heilzaam gebod. We worden erdoor beschermd tegen elkaar. We zijn mensen die vol zelfzucht en wrok kunnen zitten, die in woede kunnen uitbarsten. We hebben vaak zo onze eigen ideeën over wat goed en nuttig is voor de ander en voor onszelf. David heeft eens gezegd: laat me maar liever in de handen van God vallen dan in die van de mensen, en hij had gelijk. Alleen bij de God van het leven is ons leven veilig. Die God laat ons de wacht betrekken bij ons eigen leven en dat van onze medemensen. Hij roept ons een halt toe waar wij met onze handen, of met onze woorden of onze gedachten, onze naasten schade zouden aandoen. De Heer houdt ons er ook van terug ons eigen leven in de waagschaal te stellen. Hij zegt: uw leven is kostbaar in mijn ogen, en daarom zult u en zal jij daar zuinig op zijn. Dat leven, maaksel van Gods eigen handen, mag niemand eigenmachtig stukmaken of lelijk maken. De Here zegt: u bent van Mij, en uw medemens ook. Leef dan voor Mij, en laat leven!

2. De God van het leven gebiedt bescherming van dat leven.

We hebben gezien dat door het zesde gebod van alles en nog wat ons wordt verboden. We mogen niet een ander van het leven beroven. We mogen ook niet onze medemens beschadigen of hem het leven onmogelijk maken. God stoot dieper door dan welk wetboek van strafrecht ook. Boze woorden vol haat, dodende blikken, gedachten vol wrok of gemene plannen om een ander onderuit te halen, ze zijn in Gods ogen net zo erg als de uiteindelijke daad van moord en doodslag. Zover komt het misschien nooit, maar God zegt: in uw hart hebt u al doodslag gepleegd. De Heer pakt de zaak bij de wortel aan: u zult niet haatdragend zijn tegenover uw broeder, uw zuster, uw naaste.

Maar nu moeten we nog een stap verder gaan. Onze God is namelijk niet tevreden als we al die slechte dingen nalaten. Het is niet genoeg, zegt antwoord 107, als we naaste, zoals gezegd, niet doden. Er zullen veel mensen zijn – gelukkig is dat de overgrote meerderheid – die nooit van hun leven iemand zullen doodslaan of vermoorden. Veel jongeren en ouderen zijn voorzichtig en correct in het verkeer. De onderwereld is voor miljoenen een onbekende wereld. En genoeg mensen proberen zoveel mogelijk met iedereen om hen heen in vrede te leven.

Toch zijn we dan nog niet klaar met het zesde gebod. Zeg maar: de handen thuishouden en van andermans leven afblijven, dat is éen, maar de handen uitsteken om die ander te hulp te schieten, om zijn leven te beschermen, dat is twee. Het is juist dat waarover het gaat in Spreuken 24, met name in vers 11 en 12. In de vorige vertaling staat daar dit: “Redt hen die ten dode gegrepen zijn, wendt u niet af van hen die ter slachting wankelen”. Iets anders gezegd: Redt hen die worden weggesleept naar de dood toe, houdt toch tegen hen die overhellen in de richting van de dood. Het is niet duidelijk waaraan we precies moeten denken. Er is een uitleg die het laat slaan op mensen die ten onrechte ter dood veroordeeld zijn, en op weg zijn naar de plaats van de terechtstelling. De NBV zit op die lijn: “Bevrijd hen die ter dood veroordeeld zijn”.
Als iemand dan iets zou weten om hun onschuld aan te tonen en hen alsnog te redden, dan mag hij dat niet voor zich houden. Wie dan later doet of hij van niets wist, die krijgt te maken met de Here die dwars door alles heenkijkt en die je geen smoesjes verkopen kan. Ik moest denken aan de bezettingstijd toen vele Joden en anderen werden weggesleept naar de vernietiging. Wie daar willens en wetens aan mee hebben gewerkt of niets deden om het te voorkomen, die kunnen nooit tegen de Here zeggen “dat ze het niet geweten hebben”. En laadt ook vandaag de wereld niet schuld op zich waar om allerlei redenen bloedvergieten niet wordt ge¬stopt en onderdrukking op haar beloop wordt gelaten, in Syrië. En wat doen we er met elkaar aan om vreemdelingenhaat en racistisch geweld te stop¬pen en onschuldigen te beschermen? Om levens te redden?

Maar het is hier in Spreuken 24 algemener geformuleerd en het kan worden toegepast op heel uiteenlopende situaties: alles doen om levens te redden, om mensen weg te halen en af te houden van een weg die naar de dood leidt. Om – zoals de catechismus het zegt – schade die de naaste kan treffen zoveel mogelijk te voorkomen, en zelfs onze vijanden goed te doen. Om ook naast die mensen te staan die we niet zo zien zitten, met wie we het totaal niet eens kunnen zijn, of die hun ellende te wijten hebben aan hun eigen leefwijze. Heb uw naaste lief, dat is: zoek voor die ander wat goed is, kom op voor z’n leven.

Als u ziet dat een kind aan de waterkant speelt en dreigt te verdrinken, dan grijpt u toch in? Als iemand onder een auto dreigt te komen, dan sleurt u hem toch bij dat gevaar weg? Je probeert te redden om ongelukken te voorkomen. Het gaat om mensenlevens, en elk mensenleven is kostbaar! Toch is de neiging altijd groot, zeker in een tijd van individualisme en ik-gerichtheid, om met een boog om de ellende en de ellendigen heen te lopen. Om te leven vanuit het; ben ik mijns broeders hoeder, of -wat eleganter en moderner- ieder heeft toch recht op z’n eigen leven, en: dat is haar probleem. Of: daar zijn de hulpverleners toch voor, en de overheid is daar toch verantwoordelijk voor. Maar zo kunnen we mee schuldig worden aan de ondergang, zelfs de dood, van een ander,al is die ander misschien zelf de hoofdschuldige. En het is geen excuus: ik wist het niet.Redt hen,raadt de wijsheid ons aan,die ten dode wankelen.Trek hen weg van een dodelijke weg, voor het te laat is. En we zullen zoeken naar mogelijk¬heden om lijden te verlichten en zorg te verlenen tot het uiterste. We zullen ook omzien naar elkaar en ervoor waken dat niemand vereenzaamt of verbitterd raakt. We draaien niet ons hoofd om maar we steken onze handen uit, als we zien dat iemand in nood is en onze hulp nodig heeft.

Ten dode gegrepenen, wankelenden ter slachting, onze samenleving is er vol van. Ze zijn er ook in de kerk. Wat een zegen als er dan mensen naast staan met liefdevolle harten en zorgzame handen. Wat een zegen vooral dat de God van het leven de
uitweg wijst uit nood en dood. Dat Christus leeft die zegt: Komt allen tot Mij die vermoeid en belast zijt en Ik zal u echt en voor altijd rust geven. Wie bij Hem schuilt, die vindt veiligheid, zelfs door de dood heen. Dan is je leven geborgen, met Christus, in God. Wat een evangelie, voor een doodzieke wereld! Heer, erbarm u toch over allen!

amen

Filippenzen 3: 10-12: Het Avondmaal geeft ons greep op (=houvast aan) Christus en zijn werk (nabetrachting avondmaalsviering)

Liturgie voor de nabetrachtingsdienst van zondag 15 januari 2017

welkom
zingen: Ps. 18: 1,5 ‘Ik heb U lief van ganser harte, HERE’
stil gebed
votum en groet
antwoordlied: Ps. 18: 9,15 ‘Alleen Gods weg kan tot het doel geleiden’
gebed
viering van het avondmaal – formulier IV
geloofsbelijdenis (staande)
zingen: Gz. 158:1,3 LB ‘Christus, met eer gekroonde’
aan tafel: dankzegging
zingen: Gz. 158: 4 LB
Schriftlezing: Filippenzen 3: 1-16
zingen: Ps. 86: 5,7 ‘Gij zijt groot en zeer verheven’
verkondiging: Filipp. 3: 10-12
gebed Gz. 101: 4,5 ‘Wie kan zijn hoog en heilig recht’ (=LB 229)
collecte
slotzang: Gz. 444: 1,2,3 LB ‘Grote God, wij loven U’
zegen
amen: NLB Gz. 425 ‘Vervuld van uw zegen’

Broeders en zusters, samen gemeente van onze Heer Jezus Christus,

We hebben vandaag weer aan tafel gezeten. We weten dat dat niet de enige manier is om avondmaal te vieren. Binnen kerken kom je allerlei vormen tegen. Zoals dat iedereen op zijn plaats blijft zitten en de schaal met brood en de beker met wijn de rijen langs gaat. Zo zijn we dat gewend als we op Goede Vrijdag samen avondmaal vieren.
En ik heb begrepen dat in de CGK een optie is om dat vaker te gaan doen. Als GKV zijn we al heel wat jaren de gaande viering gewend enkele keren per jaar. En je kunt ook in een grote kring gaan staan en brood en wijn doorgeven, zoals ik het in Utrecht onlangs meemaakte en ook ooit in een gereformeerde kerk in Frankrijk.

Maar wat al die gereformeerde christenen gemeenschappelijk hebben, is dat ze afscheid hebben genomen van het altaar. Een keus die onze verre voorouders in de eeuw van de grote reformatie van de kerk heb¬ben gemaakt. Een keus die de meest ingrijpende liturgische vernieuwing is geweest in de geschiedenis. Juist om terug te keren naar wat de bedoeling van de Here is met het avondmaal. Waarbij trouwens de gereformeerden verder gingen dan de luthersen die toch nog iets als een altaar hebben laten staan in de kerk.

Na heel veel eeuwen moest de mis wijken voor het avondmaal, en maakte het altaar plaats voor de tafel. Of alle kerkgangers om die tafel heen zaten, of dat aan die tafel de dominee brood brak en wijn schonk die daarna door de kerk heen uitgedeeld werden, of dat de avondmaalsgasten naar voren kwamen om bij die tafel brood en wijn in ontvangst te nemen, daarvan hebben gerefor¬meerde synoden in die tijd uitgespro¬ken dat de ¬kerken dat zelf mochten beslissen, zoals zij dat het beste vonden.

Wat die synoden wel vastlegden,was dat in elk geval brood en wijn niet geknield gebruikt moesten worden. Dat was ‘room¬s’. Christus moet niet aanbe¬den worden alsof Hij lichamelijk in brood en wijn aanwezig is. Brood is gewoon brood en wijn blijft wijn. En Christus is nu in de hemel en wil dat we Hem daar aanbidden. We moeten van het avondmaal ook niet een offer maken. Alsof we niet genoeg hebben aan dat ene offer dat Christus voor altijd voor onze zonden heeft gebracht. Alsof we toch nog zelf aan onze redding moeten meewerken, met behulp van de kerk en haar priesters.

Het avondmaal leert ons juist te grijpen naar, en terug te grijpen op dat unieke offer van Christus. Van Hem die ons eerst gegrepen heeft. En die greep wil hebben op ons leven.

Het avondmaal geeft ons greep op (=houvast aan) Christus en zijn werk
1. door Christus gegrepen;
2. grijpen we naar Christus;
3. krijgt Christus greep op ons.

1. door Christus gegrepen…

Ik ben gegrepen door Christus Jezus. Paulus schrijft dat van zich¬zelf. We kennen de uitdrukking. Je kunt ergens door gegre¬pen zijn: je werk; een hobby; muziek; een ideaal; een doel. Er is iets dat je drijft en in beslag neemt. Alles voor je is.

Paulus was gegrepen door een persoon. Door de Here Christus.
En dat om te beginnen heel letterlijk. Hij was in zijn kraag gepakt door Jezus en vanaf dat moment ging het de andere kant met hem op. Hij was niet meer eigen baas maar helemaal in dienst van zijn Heer. Eerst een vervolger, voorgoed volge-ling.

Dat was niet vanzelf gegaan. Er was een ingrijpend ingrijpen van bovenaf aan te pas gekomen. U weet: dat was onderweg van Jeruzalem naar Damascus. Op weg om wie van Jezus waren kwaad te doen. Maar op die weg werd de leider van het arrestatieteam zelf gearresteerd. Letterlijk zegt hij er later van: ik ben door Christus in bezit genomen. Tot zijn eigendom gemaakt.

Dan komt dat ineens heel dichtbij. Zeker voor wie ook maar een klein beetje zijn belijdenis kent – die overbekende inzet van die oude catechismus. Waar ik verwonderd stamel dat ik helemaal en altijd het eigendom ben van mijn trouwe Heiland Jezus Christus. Die voor me heeft betaald met z’n eigen leven. Zodat ik met Paulus zeggen kan: ik ben ook door Christus Jezus gegrepen. En dat heeft mij niets gekost – het is allemaal puur genade, helemaal gratis – omdat het Hém alles heeft gekost.

Gemeente, het staat een mens niet op het lijf geschreven wat het hart van het evangelie is: dat je redding en je leven komt van een Man, een Jezus die aan het kruis gestorven is. Paulus wilde daar vroeger niks van weten. Hij heeft er later meer dan eens eerlijk over verteld, zoals vanmiddag. Paulus was een volbloed Jood, be-sne¬den – wij zouden zeggen: gedoopt – en gepokt en gemazeld in de taal van de bijbel. Als het erom ging de Heer te dienen naar zijn wet was de jonge Saulus een pietje precies. Zo zelfs dat hij zich bij de Fari¬zeeërs aan¬sloot en voorop liep om de secte van die Jezus te vuur en te zwaard te bestrijden. God kon dubbel en dwars tevreden zijn, dacht hij.

Totdat Jezus zelf in zijn leven inbrak,en alles anders werd.Van het ene moment op het andere ging alles ondersteboven in zijn leven en ging het helemaal de andere kant op. Wat een geweldige schok: hij dacht een geweldig kapitaal aan goede werken opgebouwd te hebben, en in werkelijkheid was hij hope¬loos failliet. Waar hij zich voor ingespannen had, bleek hem niet dichterbij maar juist verder weg van God te brengen.

Ja maar dat vertelt de apostel juist om te laten zien dat afzien van jezelf en van je eigen inzet en prestaties een mens rijker maakt dat ooit. Hij zegt: ik heb het allemaal aan de kant gezet, bij het grof vuil, opdat ik Christus zou mogen winnen. Om zo – niet door eigen prestaties maar door me met heel mijn hebben en houden toe te vertrouwen aan de Here Jezus vrijgesproken te worden van schuld en eeuwig leven te hebben.

Nog eens: dat accepteert een mens niet zomaar. ¬Juist daarom heeft de Here het avondmaal meegegeven aan zijn kerk. Om ons te laten zien en proeven hoe ver Hij in zijn liefde is gegaan om ons te grijpen en naar zich toe te trekken: zoals we brood en wijn tot ons nemen, zo zeker is wat Jezus deed bestemd voor ons. Het avondmaal is aan de kerk meegegeven om ons dat te leren en te laten vieren. Niet om God iets te geven – als een offer- niet om Christus dichterbij te halen. Hij komt naar ons toe en haalt ons naar zich toe. Alleen lege handen vult Hij.

2. (door Christus gegrepen)…grijpen we naar Christus.

Wat doen we als we avondmaal vieren? Wat gebeurt er dan? Wat wil de Heer ons laten proeven en ervaren aan de tafel? Ik heb boven dit tweede deel van de preek gezet: we grijpen naar Christus. We mogen aanpakken wat Hij ons in handen stopt.
Zelfs zo sterk dat we Hemzelf in handen hebben en Hem mogen eten en drinken. Dat we – zo het formulier – met Hemzelf, die God en mens is, gevoed worden. Zoals brood en wijn je voeden.

Nou, dat is sterk! Dat klinkt een mens zo vreemd in de oren dat hij zijn oren niet geloven kan. En dat in de kerk door de eeuwen heen er misverstanden over geweest zijn en geweldige ontsporingen zijn voorgekomen. Zoals die eeuwenoude hardnekki¬ge dwaling dat je dat letterlijk zou moeten opvatten. Jezus zei dan toch maar: dit is mijn lichaam, en dit is mijn bloed? Nou, dan gebeurt er dus wat met dat stuk brood. Het ziet er nog altijd uit als brood maar eigenlijk heb je het lichaam van Christus in je mond. En precies zo met de wijn in die beker. Het smaakt naar wijn maar je moet gelo¬ven dat je Jezus’ bloed drinkt. Zo is de roomse leer. Die aan de kerk en de priesters een sleutelrol geeft: je bent voor je heil op hen aangewezen. En als dat brood echt lichaam wordt en die wijn echt bloed van je Heer, dan ligt voor de hand dat je er eer aan geeft en het zelfs gaat aanbidden: daar is ‘ons Heer’. Je knielt eerbiedig.

Maar als dat dan niet zo is – en het brood en de wijn alleen uitbeelding en garantiebewijs zijn van de Heer Jezus en wat Hij door zijn kruis voor ons verdiend heeft en aan zijn tafel wil uitdelen- waarom dan toch die sterke woorden: dit is mijn lichaam, en dit is mijn bloed? Had de Heer dat dan niet duidelijker kunnen zeggen? Zo van: niet echt, maar alleen maar als beeld-spraak?

Het is veelzeggend dat de Heer toch die sterke woorden gebruikt, en waarom zouden wij die niet gewoon Hem nazeggen als we avondmaal vieren; waarom zouden we ze door angst voor misverstand en misbruik ze afzwakken of vermijden? Er is mee bedoeld dat als we avondmaal vieren, dat brood en die wijn veel meer zijn dan alleen maar een manier om ons iets te laten begrijpen, om er iets van te leren over het werk van Jezus. Nee, Hij komt aan de tafel echt zelf naar ons toe: Ik ben het brood dat jou in leven houdt en eeuwig leven geeft, en Ik ben de ware wijnstok die iedereen die aan Mij verbonden blijft vruchten laat dragen, vruchten die groeien door de Geest. Onze catechismus zegt dat ook zo: “Brood en wij zijn een garantie voor ons: even zeker als we dit krijgen, voedt de Heilige Geest ons met Christus’ lichaam en bloed; zo zorgt Hij ervoor daqt ons geloof in stand blijft, en dat we het eeuwige leven krijgen”. Wat de Heer voor ons deed en voor ons wil zijn, wordt tastbaar. We mochten weer aanpakken en proeven hoe goed God is, hoever zijn liefde gaat.

Paulus heeft het daar ook over als het hoogste doel in zijn leven: om Hem te ‘kennen’. En dan zo kennen, in liefde. Als de Heer die voor me leed en stierf, en die daarna opstond om me geloof te geven en me op weg te houden naar dat eeuwige leven,
naar een nieuw en gelukkig bestaan dat nooit stuk kan en niet meer over gaat. Naar die levende Heer worden we verwezen aan de avondmaalstafel: laten we niet ons blijven blindstaren op brood en wijn, maar – de harten omhoog – kijken naar Jezus Christus die in de hemel voor ons opkomt en uit de hemel naar ons terugkomt. Opdat we Hem kennen en zijn opstandingskracht. Midden in dit leven met z’n ups en downs mogen we grijpen naar Christus, Hem –zoals een ander belijdenisgeschrift zo mooi beeldend zegt: “”Hem omhelzen”, de armen om je Redder heenslaan om Hem nooit meer los te laten; Hem en al zijn verdiensten zich toe te eigenen en niets meer buiten Hem zoeken.
Totdat Hij zelf terugkomt, mm voorgoed bij ons te zijn.

3. als we door Christus gegrepen, steeds grijpen naar Hem en naar zijn beloften, dan krijgt Christus greep op ons.

Van huis uit zijn we mensen die zich onttrekken aan de greep van God op ons leven. Hij heeft ons gemaakt. We horen bij Hem en Hij heeft recht op ons. Maar al in het paradijs liepen we weg en rukten we ons los van God. Dat is wat de bijbel noemt dat de mens verloren is. God die ons had, is ons kwijt. Maar de Here wil ons terughebben. Hij wil niet dat een mens verloren gaat, maar dat hij zich bekeert – op zijn weg terugkomt, bij Hem terugkomt – en zo het leven vindt dat nooit meer verloren gaat. We zagen hoe de Here ons terugkrijgt: Hij zette zijn eigen Zoon ervoor op het spel. Jezus werd verlaten door Vader om ons terug te winnen voor Hem. Jezus wilde zijn leven verliezen om ons leven te geven. Om ons te redden uit de greep van zonde en dood.

Kijk, en als God ons dan terugheeft – als we door de Here Jezus gegrepen zijn, en we Hem vastpakken om Hem niet meer los te laten -dan krijgt de Heer weer greep op ons leven. We zijn van Hem, en we laten ons leiden door Hem. We willen en kunnen niet meer zonder Hem. Zoals Paulus toen hij ervan af zag eigen baas te zijn en niet langer probeerde op zijn eigen manier zalig te worden, maar zich overgaf aan de leiding van zijn Heer en Heiland. Toen ineens allerlei aardse zekerheden wegschrompelden vergeleken met die veel grotere schat die in de hemel voor hem was weggelegd. Die schat werd het grote doel waar Paulus naar uit keek: de hemelse prijs die Christus verdiend had en hem en ons wil geven.

Gemeente, en als Jezus alles voor je is, die Heer die alles voor je over had, dan gaat dat heel je leven anders maken. Je leeft niet meer voor van alles en nog wat hier op aarde – waarvan je weet dat je toch een keer moet verliezen – maar je richt je leven in naar de normen die gelden in de hemel waar je Heer nu al is.Paulus spoort zijn lezers daartoe aan en geeft zelf het goede voorbeeld: volg mij na, broeders en zusters, en kijk naar hen die leven naar het voorbeeld dat ik u gegeven heb. Dat is dus: niet op het aardse gericht, want dat wordt je ondergang. Nee, je weet dat je vaderland boven is, waar je Heer zijn terugkomst bezig is voor te bereiden, zijn bruiloft. Je bereidt je voor op die dag. Je trekt het feestkleed aan dat Jezus geeft.

Gemeente, door het avondmaal wil de Here Christus ons helpen om zo al meer naar Hem toe te leven en Hem tegemoet te leven. Als het avondmaal betekent dat de Heer ons geloof voedt met het oog op het eeuwige leven, moeten we ook daaraan denken: Hij geeft ons nieuwe energie en uithoudingsvermogen om zijn komst tegemoet te leven, en om nu al te doen de wil van de Vader in de hemel.

Zo mogen we na deze zondag verder gaan. Net als Paulus in het besef dat we nog niet zijn waar de Here met ons heen wil. We zijn nog niet volmaakt en als het goed is ook niet gearriveerd. Maar we mochten weer onze Heiland ontmoeten als onze gekruisigde en levende Heer. En Hij wil ons helpen Hem te volgen om eens die volmaaktheid te bereiken. Hij wil ons ook helpen om het samen te doen. Tot het zover is: als Hij ons nu vaak nog zo gebroken en kwetsbare bestaan zal genezen en vernieuwen zodat we worden zoals Hij is. Wat een feest zal dat zijn! Heer, geef dat niemand van ons dan zal ontbreken! Heer, houd ons vast en laat ons nooit meer los!

amen

Zondag 39 Heid.Cat. (5e gebod): Goed voorbeeld doet goed volgen!

liturgie toerustingsdienst zondagmiddag 8 januari 2017

welkom
zingen: Gz. 165 GK ‘Machtig God, sterke Rots’
we worden stil voor God
votum en groet
zingen: Ps. 127: 1-4 ‘Wanneer de HEER het huis niet bouwt’
gebed
Schriftlezing: Matt. 19
zingen: Gz. 45: 1,2 GK ‘Laat de kind’ren tot Mij komen’
dia 1
verkondiging zondag 39 ‘Goed voorbeeld doet goed volgen’
zingen: Ps. 71: 9,10 GK ‘Uw grote daden zal ik prijzen
geloofsbelijdenis
zingen: Ps. 71: 11,13 GK ‘Ten hemel reikt voor ieders ogen
gebed
collecte
slotzang: Gz. 442: 1-4 LB ‘Jezus, ga ons voor’
zegen
amen: Gz. 456: 3 LB ‘Amen, amen, amen
—————————————————————————————————————–
Gemeente van onze Heer Jezus Christus,
dia 2
Goed voorbeeld doet goed volgen.
Waarbij het vooral gaat vanmiddag over vooroplopen en volgen, leiding geven
en je laten leiden, en dan speciaal met het oog op ouders en kinderen, maar ook in het algemeen ouderen en jongeren, over opvoeding en over je eigen weg zoeken.
In dat kader staat natuurlijk ook dat vijfde van de tien grondregels van Gods rijk waar van kinderen gevraagd wordt ouders te respecteren maar ook in meekomt dat je als ouders en anderen met een leidinggevende taak dat je ook respect afdwingt en dat je niet alleen opvoedt met strenge of slappe woorden maar zelf het goede voorbeeld geeft , dat je niet irriteert maar inspireert, dat je de weg wijst en zelf die weg ook gaat.
Heel actueel, b.v. terugkijkend op al die ongeregeldheden rond oud en nieuw, wat veel discussie losmaakt over hoe je dat aanpakt, met terecht veel nadruk daarop dat het thuis beging, bij de opvoeding, maar dat ouders dan wel het goede voorbeeld moeten geven, als het gaat over drank b.v., omgaan met vuurwerk, respect hebben voor politie en hulpverleners – want slecht voorbeeld doet heel vaak slecht volgen.
dia 3
Je vader en moeder eren, dan denk je als kind, als jongere, kort door de bocht aan gehoorzamen – en ook wel terecht: doen wat je ouders zeggen, respect voor ze opbrengen, niet altijd dwars zijn als een deur, en geen grote mond als je iets niet aanstaat, en vooral: goede raad niet in de wind slaan en denken dat je alles beter weet – wat je kunt doortrekken naar docenten, de chef op het werk, naar die politie of die hulpverleners op straat – want God wil geen chaos maar vrede..

Zomaar komen dan dwarse gedachten naar boven of we noemen zoveel situaties die moeilijk zijn – thuis, op school – of er komt na zoveel jaar op eigen benen veel van vroeger naar boven, dat zo mooi niet was, of we worden keihard geconfronteerd met gebrokenheid – in je eigen huwelijk of dat van je ouders – in relaties: die moeizame verhouding of zelfs breuk met vader en moeder, broer of zus, zoon of dochter.
Hoe kun je nog: respect, geduld….?? en wat als de overheid het zelf laat afweten, als ‘de politiek’ niet luistert naar de burgers, als die agent je onterecht staande houdt?

Goed voorbeeld doet goed volgen.
Een uitdrukking die ook vragen oproept. Want moet je als kind klakkeloos je ouders volgen? Lopen in het platgetreden paadje van de vorige generatie of generaties?
En geven wij als ouders en ouderen niet ook veel slechte voorbeelden aan jullie jongeren…..waarvan de bijbel zelf zegt: doe hun dat niet na en breek met die verkeerde gewoonte..!? Soms misbruiken ouders zelfs hun positie en hun macht …..en zelfs hun eigen kind…..en hoe kun je dan ooit nog die ouders respecteren?
De afbeelding op de beamer gaat over niet mensen volgen – ouders, leiders, voorgangers in de kerk – maar over Jezus volgen en in zijn voetstappen willen lopen.
Samen zijn we op stap, u als ouder of oudere, jullie als kind of jongere -achter Jezus.
dia 4
Geen makkelijke weg. Daar komen we wel achter. Maar wel de weg waarop je goed uitkomt. De moeite waard om ervoor te kiezen. Goed voorbeeld doet goed volgen!

dia 5 Goed voorbeeld doet goed volgen:
1. waar gaat dat heen?
2. hoe kom ik daar ooit?
3. het is echt de moeite waard!
dia 6 1. Waar gaat dat heen?

In het hoofdstuk dat we samen hebben gelezen – Matt. 19 –
komen we ook het vijfde gebod tegen: eer je vader en je moeder.
Dat is als die jongere bij Jezus komt met zijn serieuze vraag:
wat voor goeds moet ik allemaal doen om het eeuwige leven te krijgen?
Jezus zegt dan eigenlijk dat hij Hem naar de bekende weg vraagt:
als je het eeuwige leven wilt binnengaan, moet je je houden aan Gods geboden,
en een van die met name genoemde geboden is dat over het eren van je ouders.

Nou laat ik even die jongen en zijn vraag voor wat die zijn….en ook dat we niet de hemel kunnen verdienen door b.v. je ouders te gehoorzamen.Waar het me nu om gaat is dat de Heer duidelijk aangeeft waar Gods geboden goed voor zijn – dat je eraan houden goed voor je is. Zoals Mozes al zo vaak had mogen zeggen: God wil dat het goed met jullie gaat.En juist met dat vijfde gebod de belofte meekomt van lang en gelukkig leven in het land dat God zijn volk geeft – wij mogen dat zien doorlopen via de Here Christus naar eeuwig leven op een nieuwe aarde: wil je gelukkig worden, doe dan wat God wil. Daarmee hebben we meteen de rode draad te pakken die door heel dat hoofdstuk Matt. 19 heenloopt. Op het eerste gezicht zijn het los van elkaar staande verhalen en uitspraken. Kijk je er wat langer naar, dan zie je de samenhang: het hemelse rijk van God waar de Here Jezus ons samen brengen wil en waar Hij met ons naar op weg is.

Ik loop nog even met zevenmijlslaarzen dit hoofdstuk door met die draad in handen.
Het eerste best moeilijke stuk onderwijs van Jezus over huwelijk en echtscheiding
loopt erop uit en heeft die blikrichting: wie zichzelf heeft leren verloochenen en bereid is af te zien van eigen ambities en bevrediging van eigen verlangens,en het ervoor over heeft desnoods in eigen vlees te snijden, te vechten voor je huwelijk,vanwege de toekomst in het koninkrijk dat eraan komt – die verliest niet maar wint.

God heeft vanaf het begin het huwelijk gegeven en het gezin bedoeld om ons te helpen onderweg tijdens de lange reis door dit leven naar zijn rijk. En dus wil de Here dat je als je getrouwd bent, juist daar elkaar bij ondersteunt. In het huwelijksformulier staat heel mooi dat getrouwden elkaar zullen helpen op weg naar het eeuwige leven. Je hebt getekend voor een spannende en ook schitterende huwelijksreis!
En samen op weg naar die toekomst, laat je elkaar niet zomaar vallen!
Voor deze reis geldt toch wel heel sterk: samen uit samen thuis….met je Heer.

Vaders en moeders, daarvoor kreeg u ook kinderen, en de taak ze op te voeden.
Dat hadden die vaders en moeders die met hun peuters en kleuters bij Jezus kwamen, heel goed begrepen: ze wilden dat Hij hun zou zegenen en voor hen zou bidden. Natuurlijk wil je graag dat je zoon of dochter goed terecht komt later,dat je kinderen straks op eigen benen kunnen staan en goed hun brood hebben. Daar heb je veel voor over. Dat mag ook best het nodige geld kosten. Daar heb je misschien veel zorgen over en slapeloze nachten: komt dat wel goed? Maar als het hoogste ideaal is hier op aarde een goed bestaan: huisje, gezinnetje, autootje- en als jullie daar vooral op uit zijn: een goeie baan, flink geld verdienen, een mooi huis – en ja, aan het eind wel in de hemel komen natuurlijk, gaat het net als met die rijke jongen. Jezus zag hem met tranen in zijn ogen gaan: hij kon niet mee, hij had teveel bagage.
dia 7
Goed voorbeeld doet goed volgen, heb ik als thema boven de preek gezet.
Dat goede voorbeeld mogen jullie verwachten van vader, van moeder, en ook
van je opa en oma als je die nog hebt, en van de andere volwassenen in de kerk.
Je kinderen bij Jezus brengen, dat doe je niet alleen door over Hem te vertellen
en je kinderen mee te nemen naar de kerk en ze naar cat. en vereniging te sturen..
het allemaal goed en belangrijk en het kan helpen om de weg te vinden achter Jezus aan. Maar laten zien dat je zelf op die weg wilt lopen, en dat je daar alles voor over hebt. Dat je daar samen voor gekozen hebt als man en vrouw, vader en moeder,
en dat je er alles aan doet om met hulp van de Heer elkaar en de kinderen erbij te helpen. Dat je als vader, als moeder, de Here liefhebt en ook omkijkt naar mede-gelovigen. Dat niet het hoogste doel in het leven is werken, geld en bezit, vakantie, uitgaan…maar bezig zijn in dienst van de Here en dienend naar andere mensen toe.
Dat je daar ook waar nodig offers voor over hebt: je wilt toch met je Heer mee?
Dat je de kerk van de Here een warm hart toe draagt en je inzet in de gemeente….
dat je ook de vragen van je kinderen serieus neemt en de tijd neemt om te praten…
en niet je er van af maakt met dooddoeners: dat hoort gewoon niet, ik wil het niet, punt uit..dat je positief in het leven staat in plaats vooral veel kritiek te spuien of uit te stralen, b.v. naar de overheid of naar mensen die anders zijn, of naar wat gebeurt in de kerk – je kind voelt feilloos aan als jijzelf het allemaal niks vindt en dat uitstraalt.

Ik hoorde eens iemand zeggen dat je als ouders als het goed is het niet maar alleen te vertellen hebt thuis – denk erom dat je doet wat ik zeg! – maar vooral je kinderen veel te vertellen hebt, over de Heer, over wat Hij doet en wil. Zeg maar: dat je als kinderen ervaart dat je samen als gezin op reis bent – achter je Heer Jezus aan, en naar die prachtige toekomst straks op een nieuwe aarde. En dat je of je nu oud of jong bent, vader of moeder, zoon of dochter, het geen dag alleen redt en geen dag zonder de hulp van God kunt. Daar samen om bidden, heel direkt en in gewone woorden, bindt samen, maakt een indruk die je als kind nooit vergeet: vader, moeder, geloofde heel echt, had ook zijn fouten, haar zwakke punten,maar je merkte aan alles dat ze het meenden en dat ze er voor gingen…..

Goed voorbeeld doet goed volgen – wat voor voorbeeld geven wij, waar leven wij voor – en wat geven we door? – en hoe kunnen we jullie helpen op jullie weg?
Die weg niet als het platgetreden paadje vanje ouders of de ouderen, maar die weg die je zelf mag zoeken, als het kan samen met je ouders en anderen om je heen,
hopelijk niet alleen maar met je Vader in de hemel, en naar het voorbeeld van Jezus.

dia 8 2. maar hoe kom ik daar ooit?

Het klinkt misschien allemaal heel mooi en ideaal – zo zou het moeten.
U zegt misschien bij uzelf: hij heeft makkelijk praten, hij moest eens weten.
Jullie denken misschien wel: maar mijn ouders dan….bij ons thuis gaat dat zo niet…
Zelf weet ik trouwens ook best hoeveel haken en ogen en tegenkrachten er zijn.

Nou, Jezus’ eigen eerste leerlingen komen er rondweg voor uit: maar beste Meester, als God zo de puntjes op de i zet, dan wordt het toch niks! Neem die puntjes op de i van het huwelijk en van het zevende gebod. In die tijd kende het huwelijk ook al de uitlaatklep van de echtscheiding: al in de wetgeving van Mozes werd geregeld dat je officieel een scheiding kon regelen – en dat functioneerde in die tijd waarin vaak de familie je huwelijk regelde als een stok achter de deur – met name voor de vrouw – om extra haar best te doen om de liefde van haar man te verdienen – anders kon hij je op straat zetten en je terugsturen naar je eigen familie – je was alles kwijt en haalde ook schande over je. Terwijl de man van zijn kant niet zomaar z’n vrouw kon wegsturen: hij moest er eerst goed over nadenken en goede redenen kunnen opschrijven.

Maar als de Heer Jezus hierover aan de tand wordt gevoeld – met de bedoeling Hem te kunnen beschuldigen van ingaan tegen de wet van Mozes – grijpt de Heiland terug naar het begin: God die man en vrouw schiep en die het huwelijk instelde als een band voor het leven – die de mens niet mag doorsnijden: liefde is opdracht en trouw moet blijken. Dat het vaak anders gaat: daar mag je nooit je bij neerleggen. dat is vanwege de zonde. Net zo goed dat allerlei scheefgegroeide verhoudingen en kapotte gezinnen nooit als bijna normaal maar geaccepteerd kunnen worden: zo is het niet bedoeld.

Nou, dan kun je de reactie je voorstellen van Jezus’ eigen discipelen – die ook uit gezinnen kwamen en van wie de meesten zelf getrouwd waren… en die ook hun ogen niet in hun zak hadden en wisten van heel wat gebrokenheid: nou, dan kan een mens maar beter niet trouwen, stel je voor dat het fout gaat en dat je je leven lang opgezadeld zit met een heleboel ellende en ruzie thuis, dat je erachter komt dat die vrouw of die man toch niet de ware voor je is….. als je iemand anders ontmoet met wie je pas echt gelukkig zou kunnen zijn… Is dan het huwelijk niet een veel te grote stap en een levenslang keurslijf? Nou, en neem het krijgen en opvoeden van kinderen….als kinderen van God. Wat een verantwoordelijkheid, zeker in deze tijd met zoveel dat op jongeren afkomt en trouwens ook op ouders en ouderen: wie durft het nog aan? Laat staan dat wij als ouders, als volwassenen, voorbeeld-ig zouden moeten zijn, dat in wat wij zeggen en vooral doen en laten iets van God te merken valt: wat komt daarvan terecht, staan we niet vaak de kinderen in de weg? Hoe kunnen we als generaties met alle verschillen toch samen op weg blijven? dia 9

Maar het is nog breder: hoe kom ik zelf, en hoe komt u en kom jij, in Gods rijk?
Wie herkent zichzelf niet in die serieuze vrome jongen die echt dacht dat hij Gods wil deed en die zelfs nog een stap harder wilde lopen: wat moet ik nog meer doen om er te komen – maar die toen het erop aan kwam, de laatste beslissende keus niet durfde maken: hij ging maar weer, als dit er allemaal aan vast zat: loslaten waar hij aan vast zat…..En dan de Heiland, met pijn in zijn hart: hoe moeilijk voor een rijke Mij te volgen – op die weg die juist de weg is van loslaten, nee tegen jezelf zeggen, een kruis dragen. Zeg nou zelf: voelt u niet met die jongen mee? alles opgeven voor Hem, wil ik dat wel? En jij dan? Stel dat de Heer tegen je zei: je mag met me mee, graag zelfs – maar dan kunnen al die spullen niet mee, en dan mag je wel afvragen of die vrienden je niet in de weg staan, of je niet wel erg veel tijd in je werk stopt ten kosten van je gezin en je sociale contacten, of je niet wel erg veel geeft om geld…
wat zou je dan zeggen….en vooral doen? Wie durft dat Voorbeeld – Jezus – volgen?

Weer die leerlingen van Jezus die het haarscherp aanvoelden: wie redt het dan ooit? En Jezus stelt ze niet gerust door zijn eisen af te zwakken: nou ja, zo zwaar is het ook niet, ik chargeer natuurlijk, en in de praktijk valt het allemaal best wel een beetje mee….. nee: Hij zegt zonder er doekjes voor het bloeden om te winden: dit redt geen mens. Waar die jongeman net achter was gekomen en een voorbeeld voor was: vanaf dat ik een kleine jongen was heb ik altijd goed en vroom geleefd -
maar toen het echt op gehoorzaam volgen en Gods wil doen aankwam, bleef hij nergens. Dat is met u en jou niks beter: als het gaat om de opvoeding, om voorhouden en voorleven. als het gaat over je ouders respecteren en ter harte nemen wat ze zeggen, als zelfs met de beste bedoelingen het maar niet lukt thuis en in de klas, als je het wat je ook probeert maar niet goed krijgt met vader of moeder of in de familie, als de werksfeer zo is verziekt dat met al je inzet het steeds weer op een conflict uitdraait, dat het maar niet lukt met die moeilijke buren: Heer, we redden het niet, wie kan ooit voldoen aan uw eis en eer? dat is mens-onmogelijk!

Gelukkig dat de Heer dat allemaal weet. Gelukkig dat we het niet alleen hoeven te doen. Dat wat bij mensen en voor ons onmogelijk is, toch mogelijk kan worden door Gods kracht. Dat God zijn eigen Zoon ervoor op het spel zette, Hij die altijd en in alles Vaders wil deed. Die mensen bereid maakt om zich te geven aan Vaders dienst. Zijn voorbeeld te volgen!

dia 10 3. Dat is echt de moeite waard!

Jezus bemoedigt zijn leerlingen die veel voor Hem over hadden en hadden opgegeven. Hij stelt iedereen die in Hem gelooft en Hem wil volgen, meer dan wie of wat ook maar – een rijke toekomst in het vooruitzicht: nu al een voorproefjen op het goede leven zoals het bedoeld is – Otisch: lang leven in het beloofde land dat God gaf aan zijn volk, en voor ons dat we zegen ervaren en tot zegen mogen zijn, en dat we straks op een nieuwe aarde met Jezus mogen regeren,en tot bloei mogen komen.

Dat vraagt wel vertrouwen in Hem en in wat Hij belooft – want een mens is geneigd te reageren met:hier weet je wat je krijgt en wat het zal worden moet je maar afwachten, ik speel liever op safe – dat was die jongeman met al zijn geloof maar vooral: met al zijn bezit en zekerheden vlakbij. Maar de Heer verzekert ons ervan, en het garantiebewijs is getekend met zijn eigen bloed: ga nou maar met Mij mee, en neem je kinderen vooral ook mee – jullie willen toch wel? – en reken er maar op dat het fantastisch wordt: zonder ook maar één scheurtje of wanklank.

Het vijfde gebod – dat vooral is: vader en moeder volgen achter de Here Jezus aan – lokt aan met een grootse belofte: lang leven (eeuwig leven zelfs) samen, samen met God. De moeite waard toch om erom te bidden, en met Gods hulp aan te werken? Samen?!

amen

Matteüs 2: 11: Hebben wij boodschap aan Driekoningen? (zondag Epifanie)

Liturgie zondag 8 januari 2017 – Epifanie

Votum en groet
Zingen: Ps. 72: 1,2 ‘O God, wil aan de koning schenken’
Wet van de HEER (Ex. 20)
Zingen: Gz. 154: 1a, 2m,3v,4a ‘Ach, wat moet ik toch beginnen?
Gebed
Schriftlezing: Jesaja 60: 1-6
Zingen: Ps. 72: 4,5 ‘Oprechten zullen alom groeien
Schriftlezing: Matt. 2: 1-12
Zingen: Ps. 2: 1,3,4 ‘Wat drijft de volken, wat bezielt ze toch?
Verkondiging
Zingen: ‘Zo groot als goden’ 1,2,3 (melodie: Psalm 119)

1.Zo groot als goden willen mensen zijn,
tot aan de zon hun aardse ster zien stijgen,
met veel vertoon of onder schone schijn
hun stem verheffen, anderen doen zwijgen,
vanuit de hoogte met voldaan venijn
hun tegenstrevers op de knieën krijgen.

2. In Jezus wilde midden in de tijd
de hoge God ons lieve leven delen,
kwam Hij als kind in alle kwetsbaarheid
onze kleinmenselijke hoogmoed helen.
Zo werd zijn lichte liefde wereldwijd
de diepste bron van alle aardse vrede.

3. O God, schenk ons de gaven van uw Geest,
de wijsheid om het kind in ons te eren;
opdat wij niet, door trots en angst verweesd,
van U vervreemden, maar ons tot U keren.
Dan zien wij nog in elke ster het feest
van hemels licht dat ons uw trouw wil leren.

Gebed
Collecte
Zingen: Ps. 72: 8,9 ‘De koning moge eeuwig leven’
Zegen
Amen: Ps. 72: 10 ‘De HERE God zij lof bewezen’
……………………………………………………………………………………………………………………………………………

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,
dia 1
Afgelopen vrijdag – 6 januari – was het Driekoningen.
Een feest dat gevierd is in rooms-katholieke streken en landen.
In Nederland wordt er weinig meer mee gedaan,dia 2 het schijnt alleen nog in Tilburg en den Bosch iets van over te zijn: maar in zuidelijke landen als Spanje is het een feest dat vergelijkbaar is met ons Sinterklaasfeest, met cadeautjes en ook optochten.
Er lopen dan ook zwarte knechten mee maar dat is geen probleem want het zijn
knechten van de koning van Afrika die zelf ook zwart is, en de gelijke van de twee
andere koningen: er is wel discussie over die zwarte koning omdat het vaak een
geschminkte blanke is en dat vindt met daar discriminerend: de zwarte koning
Baltasar moet gespeeld worden door een zwarte man want anders lijkt het net of alleen een van huis uit blanke koning kan zijn – dus ook in Spanje is een soort
zwartepietendiscussie aan de gang: niet over de knechten maar over de koning!
dia 3
Maar nu de vraag die thema vanmorgen is: hebben wij boodschap aan driekoningen:
een rooms volksfeest dat ook nog bijna helemaal niet meer leeft in Nederland; wij
hebben net het kerstfeest gevierd en in het protestantse leesrooster heet deze dag Epifanie=verschijning – maar dat wordt niet op de dag zelf gevierd maar op de eerste zondag na 6 januari staat het verhaal van de wijzen uit het oosten op het leesrooster.
Ja en inderdaad gaat het dan over wijzen – magiërs – en niet over drie koningen.
dia 4
Dat getal drie vinden we trouwens ook niet in de Bijbel – het kunnen er zomaar meer zijn geweest – maar dat getal drie komt door die drie genoemde geschenken: goud,
wierook en mirre – dure geschenken waardoor ze in de loop van de tijd de status
van koningen kregen met ook namen: Melchior, de koning van Arabië, Caspar, de koning van Tarsis, en Baltasar, de koning van Ethiopië – dia 5 je ziet later in afbeeldingen dat de wijzen met filosofenmutsen steeds meer worden tot koningen met kronen. dia 6. En wat beweerd wordt dat de stoffelijke resten van de drie koningen zijn wordt als relikwie vereerd, sinds 1149 in de Dom van Keulen. dia 7
Wat weer die vraag onderstreept: hebben wij daar als gereformeerden boodschap aan, kunnen wij daar ondanks al die latere legenden nog wat mee, of moeten we maar ver blijven van al die poespas en dat feest maar laten aan die roomsen in Spanje, als alleen maar bijgeloof dat de Bijbelse boodschap vooral in de weg zit?

Nou, er is een heleboel in die door de eeuwen heen gegroeide traditie van verhalen en legendes, dat boeiend is om kennis van te nemen maar weinig toevoegt aan de Bijbelse boodschap en die zelfs die boodschap heeft overwoekerd en scheef getrokken – en het volksgeloof over bewaard gebleven botten van de zogenaamde drie koningen is nergens op gebaseerd en de waarde is hoogstens dat Keulen er een bezienswaardigheid aan te danken heeft in de vorm van een prachtige schrijn.
Ik zei al dat het aantal van drie, met namen, en ook nog leeftijden (een van 20, een van 40, en een van 60 jaar), die uit Arabië, Europa en Afrika gekomen zouden zijn, en beschouwd worden als koningen terwijl het magiërs waren, in later tijd opkomt ontstaat in literatuur, op afbeeldingen, en in door de kerk overgenomen volksgeloof.
Daar kun je met weinig moeite mee afrekenen als verzinsels, bijgeloof, en onzin.

Ja, en toch, het is niet allemaal alleen maar uit de duim gezogen en uit de lucht gegrepen maar er zitten elementen in die teruggaan op wat wel degelijk Bijbelse lijnen en kernen zijn, waar we van kunnen leren en wat ons geloof kan helpen.
Daarvan geldt hetzelfde als wat we als kerk belijden over wat de apocriefe boeken
wordt genoemd – oude geschriften die nooit in de Bijbel zijn opgenomen en waarin ook heel wat staat dat niet klopt met die Bijbelboeken maar waarvan de NGB zegt:
“de kerk mag deze boeken wel lezen en ervan leren, voor zover zij overeenstemmen met de canonieke boeken”, dat zij de Boeken die wel in de Bijbel zijn opgenomen.
Als ze maar niet het gezag van de Bijbel ondermijnen en ons geloof scheeftrekken.

Als we op die manier naar die oude verhalen luisteren en naar die afbeeldingen kijken, gaan ons dingen opvallen die wel degelijk wortels hebben in wat de Bijbel vertelt, en ook in wat we kunnen vinden in oude profetieën of in de psalmen.
Dat in de kerkelijke traditie die wijzen, die sterrenkijkers uit waarschijnlijk Babylonië en omgeving, zijn geworden tot koningen, heeft zeker ook te maken met die oude profetie die we vanmorgen hebben gelezen uit Jesaja 60 over het licht dat God zal laten schijnen tot ver buiten Israël: “Sta op en schitter, je licht is gekomen, over jou schijnt de luister van de HEER. Duisternis bedekt de aarde en donkerte de naties, maar over jou schijnt de HEER, zijn luister is boven jou zichtbaar. Volken laten zich leiden door jouw licht, koningen door de glans van jouw schijnsel”. En dan even verder nog meer dat later werd teruggezien en teruggeprojecteerd en ingelezen in dat verhaal van de wijzen: “De schatten van de zee zullen je toevallen, de rijkdom van vreemde volken valt je in de schoot. dia 8 Een vloed van kamelen zal je land overspoelen, jonge kamelen uit Midjan en Efa. Uit Seba komen ze in groten getale, beladen met wierook en goud. Zij verkondigen de grote daden van de HEER”.
Twee van de drie geschenken van de wijzen worden hier al geprofeteerd!
En ook Psalm 72 speelt een rol: “Uit Saba en uit Seba komen de vorsten met hun kunst, zij hebben schatting meegenomen, en smeken om zijn gunst”

Heel bijzonder dat moment van de begroeting door de wijzen van het kind Jezus en moeder Maria:“ze wierpen zich neer om het eer te bewijzen”, ze aanbaden dat kind dat ze herkenden als de geboren Koning, waar de ster ze naar toe gebracht had.
En “daarna openden ze hun kistjes met kostbaarheden en boden het kind geschenken aan: goud en wierook en mirre” – cadeaus die passen bij een koning!
Kijk, en zo komt er een bijzonder en nog steeds actuele boodschap vanuit dat bijzondere verhaal en door al die aangegroeide tradities naar ons vandaag toe.

Nee, het waren geen koningen die achter de ster aangingen maar magiërs, mensen die veel afwisten van de loop van de sterren en daaruit dachten de gang van zaken in de wereld en de toekomst te kunnen aflezen, dia 9 en die daarom vaak door de koningen en andere beleidsmakers geraadpleegd werden, en veel invloed hadden.
We kennen de voorbeelden van wijzen aan het hof van de Farao in Egypte en later aan dat van de koningen van Babel en Perzië, denk aan Nebukadnezer en Darius.
En we weten van die heidense profeet en waarzegger Bileam die door de koning van Moab werd ingehuurd om het volk Israël te vervloeken maar die door de HEER in dienst werd genomen om juist Gods beloften van een geweldige toekomst aan dat volk door te geven, en die al vanuit een ver verleden het had over de Ster die zou opgaan, als beeld van een grote koning die God geven zou – David eerst en nog veel later de grote zoon van David, Jezus – het is te vinden in Numeri 24: 17-19:
“Wat ik zie is niet in het heden, wat ik waarneem is niet nabij. Een ster komt op uit Jakob, een scepter uit Israël…Het land van zijn vijand verovert hij…Israël wordt machtig en sterk. Uit Jakob staat een heerser op”.

Een ster, dat is veel vaker, ook buiten de Bijbel om, beeld voor macht en aanzien.
Wij kennen het ook: dat mensen een ster genoemd worden of zichzelf zo zien.
Volgens het woordenboek is een ster iemand die ergens goed in is, die ergens in ‘uitblinkt’; we hebben het over popsterren, filmsterren, een rijzende ster in de politiek.
Maar pas wel op: al zulk soort sterren zullen gauw verbleken, het blijken zomaar dwaalsterrren, of vallende sterren te zijn die geen spoor achterlaten en het afleggen in de grote sterrenslag van de geschiedenis, opgaan, even blinken en dan verzinken.

Zoals de profeet de afgang van de zo machtige koning van juist dat Babel waar die wijzen de sterren bestudeerden, aankondigt in Jesaja 14: “O morgenster, zoon van de dageraad, hoe diep ben je uit de hemel gevallen…Je zei bij jezelf: Ik stijg op naar de hemel, boven Gods sterren plaats ik mijn troon. Ik stijg op tot boven de wolken, ik evenaar de Allerhoogste. Nee! Je daalt af in het dodenrijk”. Het laat zien hoe betrekkelijk en tijdelijk ook de meest indrukkwekkende sterallures blijken te zijn.

Heel anders die ster die God laat schijnen, als een licht dat nooit meer doven zal.
Een andere profetie gaat erover: “Ik zal je maken tot een licht voor alle volken, opdat de redding die Ik brengen zal tot aan de einden der aarde reikt” (Jesaja 49: 6)
dia 10
Nou weten we niet wat die magiërs in dat verre Babel daarvan wisten en als ze er al van wisten – want na de ballingschap waren veel Joden daar achtergebleven en waren er synagoges – is onduidelijk wat ze ervan begrepen zullen hebben, maar in elk geval hebben ze een bijzonder verschijnsel waargenomen aan de hemel waar ze de conclusie uit trokken hebben dat ergens in het westen een koning geboren was.
En nieuwsgierig als ze waren – wetenschappers van die tijd –gingen ze op reis om te ontdekken waar die koning was geboren, en om hem te eren met kostbare cadeaus.
Dat ze daar een hele reis voor over hadden, weg uit hun vertrouwde omgeving, nog niet wetend waar die ster ze brengen zou, doet me denken aan de reis van Abraham,
weg uit je comfortzone, omdat je iets nieuws en moois verwacht te vinden, en dan op stap gaat, met alle onzekerheid ervan en misschien de kans dat het een teleurstelling wordt, in de hoop dat je er beter en rijker door wordt – dat deuren voor je opengaan.
Bijzonder ook dat die niet-Joden, anders-gelovigen, zo het spoor volgen dat God voor ze had uitgezet – en dat ze uitkomen bij dat kleine kind in dat kleine Bethlehem.

Heel bijzonder allemaal, we zien er de leiding van God in, en er zit een boodschap in
dat inderdaad de koning die God in Israël liet geboren worden, bestemd is voor de hele wereld, weer die oude profetie: Ik zal je maken tot een licht voor alle volken.

En dan wordt hun nieuwsgierigheid bevredigd, want wie zoekt, zal vinden: “Toen ze dat zagen, werden vervuld van diepe vreugde. Ze gingen het huis binnen en
vonden het kind met Maria, zijn moeder (let op de volgorde!). Ze wierpen zich neer om het (=dat Kind) eer te bewijzen”. En dat ook tastbaar en kostbaar: goud, wierook, mirre, zoals Jesaja profeteerde: “de rijkdom van vreemde volken valt je in de schoot”.
Ik las: “Tot het moment van hun verschijnen had de geboorte van Jezus vooral plaatselijke invloed: slechts enkele mensen uit de lagere klassen van één bepaald volk waren erbij betrokken. Maar het bezoek van de wijzen maakte daar radicaal een einde aan. Rijke heidenen schaarden zich nu met arme joden in de rij, koning Herodes en de gevestigde priesterorde raakten geïnteresseerd en zelfs de sterren bemoeiden zich ermee”. Het begin van een wereldwijde beweging, tot op vandaag.

Wat tegelijk, toen al, en nog steeds, weerstand oproept, verzet, woede, aanvallen:
Herodes toen meteen al, later ook het eigen volk met zijn leiders – Golgotha – en
tot op vandaag machthebbers die zichzelf sterk maken en wat hen probeert naar de kroon te steken, de kop willen indrukken en willen uitschakelen – en het niet kunnen hebben als mensen zich laten leiden door een Koning die ze als belangrijker zien en eren en volgen dan die aardse zogenaamde sterren en leiders en machthebbers.
In veel landen hebben minderheden, oppositie, en ook christenen, het zwaar.
In het licht daarvan is die traditie juist ook wel ontluisterend en tegelijk moedgevend: van die drie koningen die oog in oog met dat kind hun kroon afnemen en voor dat kind door de knieën gaan en de schatten waarmee ze zijn gekomen, aanbieden.
dia 11
Het doet denken aan die andere psalm die we hebben gezongen, Psalm 2, waarin het tegengeweld van volken en machthebbers aan de kaak wordt gesteld maar vooral bezongen wordt hoe God daar majesteitelijk boven staat en zijn eigen plan trekt: “De HEER lacht hen uit, de brutalen, en spot met hun grote verhalen. Dan spreekt Hij, zij voelen de roede van grimmige woede: Ikzelf heb mijn zoon, de geliefde, gezalfd….Regeringen, wees dan gewaarschuwd, u kunt toch niet staan in zijn schaduw, geef eer aan de Heer van uw leven met vrees en met beven. Gehoorzaam de Zoon, kus zijn voeten, dan is Hij uw troost en uw toevlucht”.
(Psalm 2 in de weergave van Ria Borkent, ‘Waarom zijn de volken opstandig?’)

Hebben wij een boodschap aan Driekoningen?
Ik hoop het wel, ik vind de boodschap waardevol dat God mensen vanuit de verste uithoeken van zijn wereld op zijn spoor zet, ook door sterren, door dromen, door
ervaringen van hoogtepunten en dieptepunten, door nadenken ook over zoveel dat in de schepping is gelegd en in de geschiedenis gebeurt, en ook door kunst en muziek.
En wat een actueel appèl gaat er uit op mensen met macht en invloed, maar net zo goed op u en jou en mij die zomaar zichzelf centraal zetten en alles bekijken vanuit zichzelf en betrekken op zichzelf – wat een appèl gaat er uit van die koningen die hun kroon afzetten en diep door de knieën gaan voor dat kind dat ze eren als hun koning.
De wereld zou er heel anders uitzien: onrecht zal verdwijnen, en vrede volop bloeien.

Aan u en aan jou en aan mij om daar boodschap aan te hebben, en dat aan te leren.

We gaan zingen: ‘O God, schenk ons de gaven van uw Geest, de wijsheid om het kind in ons te eren; opdat wij niet, door trots en angst verweesd, van U vervreemden, maar ons tot U keren, Dan zien wij nog in elke ster het feest van hemels licht dat ons uw trouw wil leren”. dia 12

amen